Skip to main content

Full text of "Oud Holland"

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



85?,, 3 






JJIW?. Vix.aM^.'OAA^r'. 




^* 



BiBL. Skmin. S. J. 
Prov. Neeel. 



DJ 
) 

07 



^ 

^ 

Oy 



CORNELIS VAN DER VOORT. 

EEN EERSTE POGING TOT HET TERUGVINDEN VAN ZIJN WERK 
ALS PORTRETSCHILDER. 



JHR. Dr. J. SIX. 




tfANNEER men al, wat de Heer De RoeVER onlangs ') over het leven van 
1 CORNELIS VAN DER VoORT heeft medegedeeld, vergelijkt met wat te 
■ voren over hem en zijn kunst bekend was, dan denkt men onwillekeurig 
aan het woord van Hesiodlts, de helft is meer dan het geheel, want onze 
' kunstlievende Archivaris zal de eerste zijn om te erkennen, dat het leven 
van een schilder, zonder zijn werk, slechts de helft is van wat wij begfeeren, maar dit heeft 
hij ons ook met zooveel bijzonderheden beschreven en met zooveel bewijzen gestaafd, 
dat wij nauwelijks een vasteren grondslag konden verlangen, om er de geschiedenis der 
kunst op te bouwen. 

En wel mag de bodem vast wezen, want het gebouw, dat ik zal trachten op te trekken, 
heeft een bedroevende gelijkenis met een omgekeerde piramide, waarvan de top den 
geheelen last der breedere lagen draagt, slechts op enkele plaatsen door zwakke stutten 
onderschraagd. Indien één enkele steen niet deugdzaam, niet goed behouwen, niet hecht 
aan de nevenlig^nde verbonden is, dan stort het geheele waagstuk ineen. Wij zullen 
dus met de uiterste voorzichtigheid moeten te werk gaan. Nog wil het toeval, dat sommige 
van de beste bouwstoflen zich niet in openbare verzamelingen bevinden, maar bijzonder 
eigendom zijn, zoodat ik met een beroep op het goed vertrouwen mijner lezers moet beginnen. 
Daar het uitgangspunt in het eenige volkomen zekere en tevens goed bewaarde portret 
van onzen meester ligt, en dit uit zijn laatste levensjaar dagteekent, zoo moeten wij, 

*) Ond-Btllamd III, pag. tS?. 



OUD-HOLLAND. 



>» • 



I 8 8 7. 



OUD-HOLLAND. 



VOOR DË 



Geschiedenis der Nederlandsche Kunst, 
Letterkunde, Nijverheid, enz. 



ONDER REDACTIE VAN 

M». N. DE ROEVER, 

Archivarii van AiiiiUrdam, 
EK VAN 

A. B R E D I U S, 

Oadtr-Diratair vaa hil Nidtriandttk MiaiHm. 



Vijfde Jaargang, 1887. 




Ter Drukkerij van de Uitgevers Gebroeders Binger, 
Warmaisstraal, 174- — AMSTERDAM, 1887. 



'»-L: 



INHOUD VAN DEN VIJFDEN JAARGANG. 



• 



Bladz : 
CORNELIS VAN DER VOORT, EEN EERSTE POGING TOT HET TERUGVINDEN VAN ZIJN 

WERK ALS PORTRETSCHILDER, door Jhr. Dr. J a n S i X. {Met portret en faC'Similes) i 

CORNELIS VAN DER VooRT, EEN NASCHRIFT, door Mr. N. dcRoever. . . . 23 

Een OVERIJSSELSen album amicorum der i6de eeuw, door Dr. G. K a 1 f f. . . 25 

JOANNES CaBELJAUW, DE EERSTE HOOGLEERAAR IN DE RECHTSGELEERDHEID TE 

Amsterdam, door E. W. M o e s • . . 33 

POULUS Lesire, door A. B r e d i u s en G. V e t h 45 

De Rariteiten-kamer, verbonden aan 't Amsterdamsche Gemeente- Arc hief 

door Mr. N. de Roever. (IL) {Met facsitniles,) 52 

De Portretschilder Rudolph van Grol, door A. B r e d i u s. {Met fac'simile) . 62 

De Schilder Jan de Groot, door A. B r e d i u s . . . 64 

Het Sterfjaar van den Beeldhouwer Adriaen de Vries, door A. B r e d i u s. 66 
Een bezoek aan den Ridde^i Adriaen van der Wêrff, Kunstschilder* in 17 10, 

door Mr. N. d e R o e v e r • 6y 

Rapiamus , 72, 240 

Albert Jansz Vinckenbrinck, door D. Franken Dzn. {Met een prent.) . . 73 
Gaspar van Baerle. Eerste jaren te Amsterdam (1631—1635), door 

Dr. J. A. Worp. (IV) 93 

De Onze Lieve Vrouwe toren te Amersfoort, door W. F. N. vanRootselaer. 

{Met een prent) 1 27 

ArENT van BUCHEL'S RES PICTORIiE, AANTEEKENINGEN BETREFFENDE KUNST EN 

KUNSTENA.^rs, door G. van Ryn 143, 312 

AANTEEKENINGEN OMTRENT EENIGE DORDRECHTSCHE SCHILDERS (I), door 

G. H. V e t h. {Met facsimile) • • 1 5 5 

Hendrik Gerritsz. Pot, door A. Bredius en P. Haverkorn van 

Rij se wijk. {Met facsimile.) 161 

De opera te Amsterdam, Eene bijdrage tot de geschiedenis der opera in 

Nederland, door Dr. H. C. Rogge. (I en II) 1 77, 241 



3£in^<i 



V I INHOUD VAN DEN VIJFDEN JAARGANG. 

Bladz 

Vier Kamper Schilders : Ernst Maeler, Mechtelt toe Boecop, Bernhard 
VOLLENHOVE, Steven VAN DuvvEN, door G. P. Rouffaer. (II en III). {Mei 
faC'Similes) 201, 295 

Rembrandt, Nieuwe bijdragen tot zijne levensgeschiedenis, door A. B r e d i u s 

en Mr. N. de Roever. (II). {^Met fac-similes) 210 

Een en ander over Gaspar Netscher, door A. B r e d i u s. {Met een prent) . 263 

Gharles DE Trello en zijne dochter Lucretia, de „Parthenine'' van C 

Huygens, door J. F. M. Sterck 275 

JOHANNES OSBORN, KUNSTIG BALEINWERKER, door Mr. N. deRoever . . . 309 
Bladwijzer over den Jaargang 1887. 



PRENTEN EN FACSIMILE'S. 



ff 
f) 

99 

9) f) 



Bladz 
Portret van den schilder Cornelis van der Voort, Fac-simile van eene 

teekening van WilmSteelink tegenover i 

Fac-simile van de handteekening van Cornelis van der Voort, schilder . . 2 

het monogram van denzelfden 6 

„ een koopmansmerk. • , 7 

„ vier merken van wapenrustingen 52 

„ vier merken van klingen 55 

vijf merken van wapensmeden 57 

,, „ de handteekening van Rudolph van Grol, schilder .... 62 

Portret van den beeldhouwer Albert Vinckenbrinck, Fac-simile naar de 

gravure van P. Holsteyn tegenover 73 

Afbeelding van de Onze Lieve Vrouwe Toren te Amersfoort. Fac-simile van eene 

teekening van den architect G. vanArkel , . . tegenover 1 27 

Fac-simile van de handteekening van Cornelis Busschop, schilder .... 159 

„ „ het monogram van Hendrik Gerritse Pot, schilder. . . . 161 

de handteekening van Machtelt toe Boecop, schilderes . . 203 

,, de handteekening van dezelfde 204 

„ de handteekening van Hendrik Ulenborch, schilder . . . 213 

de handteekening van Rembrandt Harmensz, schilder . . 215 

de handteekening van Ferdinandus Bol, schilder 218 

„ de handteekening van Titus Rembrandtsz van Rijn, 

schilder 225 

Fac-simile van de handteekening van Jannes den Uyl den Ouden, schilder. . 233 

„ „ de handteekening van Leonard van Be ij er, schilder .... 237 

Afbeelding van een schets voor een familietafereel door Caspar Netscher, tegenover 263 

Fac-simile van de handteekening van Bernhard Vollenhove, schilder. . . 296 

de handteekening van B. van Vollenhove, schilder .... 298 

de handteekening van B. Vollenhove, schilder 300 



>) )f 

f} 

f} 

ff 9> 

ft 



ft » 

t9 ft 



„ ,, de handteekening van denzelfden 301 

„ i> de handteekening van denzelfden 302 

t9 

>t 



„ de handteekening van StevenvanDuyven 307 

,, de handteekening van denzelfden , 308 



•f^.- rt ^ ' -T- - .— — , 



^ - -. ^% 





I'UKTKKT VAN 1)K\ SCIIII.DIIH CnkNIil.IS VAN DlCli VOORT. 



2 CORNELIS VAN DER VOORT. 

noodzakelijk van achteren af aanvangen. Het eenige bezwaar hieraan verbonden zal ik 
trachten te verminderen door aan het slot een lijstje van het werk, naar de rechte tijds- 
orde gerangschikt, te geven. 

Dit stuk is een der beide familieportretten van den Heer J. BlERENS DE Haan, reeds 
door den Heer DE ROEVER vermeld. Eén, want het vrouwenportret, dat er bij behoort, 
Kniertje Keyzers, 31 jaar oud, is niet van Van der Voort, maar eerst vijfjaar na 
zijn dood, in 163 1, geschilderd, waarschijnlijk door NiCOLAAS Elias. 
Het mansportret is geteekend: ^tatis, suce 29 An"", 1624 







J 



en stelt Jan van Hoeck voor, ten halven lijve, in een eenvoudige zwarte kleeding met ge- 
stolpten kraag. Het is een prachtige maar hoogst eenvoudige beeltenis, bijna zonder kleuren 
geschilderd. De kop, een jong belangwekkend gelaat met schitterende oogen en smalle 
wangen, een dun zwart baardje om de kin, en met een warme maar bleeke tint, heeft 
sterke ronding door de grauwe schaduw, vooral om het voorhoofd. Kenmerkend is de 
halve schaduw, die den vorm van het voorhoofd in het midden bepaalt, de roodachtige 
kleur van het wit en het glimlichtje van de donkere oogen, de warme tint en regelmatige 
maar gevulde vorm der ooren, het poeseliga rood van de onderlip, de uitvoerige teekening 
van den baard, en zoowel de kleur van het geheel als de gladde penseelstreek. 

Al deze kenmerken, zoowel van vorm als kleur, keeren letterlijk terug in het oudste 
portret van Dr. Nicolaas Tulp, dat ik vroeger, op den leeftijd afgaande, uit 1623 
meende te zijn, en thans, om de groote overeenkomst van verwen, als ware het met het 
zelfde palet geschilderd, aan 1624 zou willen toeschrijven. Deze overeenkomst is des te 
merkwaardiger, omdat het gezicht toch geheel verschillend van aard is, rond en vol, met 
breederen, gcvulden baard. En evenwel zijn kleur en voorhoofd, oor en oogen als van 
het zelfde voorbeeld genomen. Als nieuw kenmerk voor den schilder wijs ik op de zachte 
ronding van den neus, vooral in den top en de vleugels. De indruk, dien het maakt, haalt 
niet bij dien van het vorige portret. Voor een klein deel is dit te wijten aan de voor- 
gestelde persoon, maar het meeste daaraan, dat slechts de kop met zeer weinig achter- 
grond over IS van het oorspronkelijke kniestuk. Toen dit, in het begin van deze eeuw, 
beschadigd was en men het wilde wegwerpen, redde mijn grootvader den kop, door er dien 
uit te zagen. Die kop is nog gaaf en op zich zelf zeer fraai. De Vries placht van Tulp 
mei de mooie oogen te spreken. 



CORNELIS VAN DER VOORT. 8 

Reeds van dezelfde kleur zijn een paar familieportretten van Jhr. W. van Loon uit 
1623: Hans van Loon en zijn vrouw Anna Ruychaver, kniestukken op paneel, evenals 
de meeste andere portretten van den meester, doch niet zoo goed bewaard. De verf is 
wat dor geworden en daardoor zijn de overgangen harder, de donkere tinten minder 
doorschijnend. Toch laten èn kleur èn teekening van het mansportret, vooral van het 
oor, die bijna als handteekening kunnen gelden, weinig twijfel over. Naam of jaartal heb ik 
op dit stuk niet gevonden, er is echter geen reden om een ander jaar dan dat van het vrouwen- 
portret aan te nemen. Dit is gemerkt jEtatis 49 A", 1623, met andere letters dan het 
portret van VAN HOECK. Het is duidelijk van dezelfde hand als het mansportret, al zoude 
ik niet dadelijk vermoed hebben, dat het van VAN DER VoORT was, indien ik het alleen 
had aangetroffen. Gedeeltelijk heeft daaraan de reeds vermelde dorheid der verf schuld, 
en hier nog bovendien de eek, die in de schaduwzijde van den kop een weinig door- 
geslagen is. Een oude copie van den kop geeft thans een beteren indruk van het geheel 
dan het oorspronkelijk, ofschoon van veel minder waarde dan de ongeschonden gedeelten. 
Maar van den anderen kant verwachtte men van onzen meester, die in de mansportretten 
aan de huid een bijna vrouwelijke zachtheid geeft, een schooner vrouwenportret. Ik meen 
dit daaraan te moeten toeschrijven, dat hem de rimpeltjes op het voorhoofd zijn taak zeer 
moeielijk schijnen gemaakt te hebben ; veel gemakkelijker is hij dan ook te herkennen 
uit de kin en den vorm der wangen om den mond, met dunne lippen. 

Hans van Loon staat, maar zijn vrouw is gezeten; zij draagt de donkere, met 
bont afgezette kleeding der bejaarde vrouwen van die dagen. In de bewerking van haren 
grooten kraag kan men ook de hand van Van der Voort herkennen. 

Het eerste groote stuk, waaraan mij het portret bij den Heer Bierens de Haan 
dadelijk herinnerde, was het schuttersstuk uit den Handboogsdoelen van 1623, dat waar- 
schijnlijk altoos uit twee helften, ieder van twaalf beelden, bestaan heeft, die thans echter 
hebben moeten gescheiden worden. Schaep i) noemt in de eene helft den kapitein 
Jacob Gerritsz Hoinck, in de andere den luitenant PiETER Hasselaer. 

Reeds was mij uit de lijsten der schutterofficieren van ScHAEP zelven gebleken, 
dat deze opgave onjuist moest zijn, toen de Heer DE Roever mij mededeelde, dat de 
Heer Persyn, te Arnhem, een deel met aanteekening over Amsterdam van den hand van 
Christoffel Beudeker bezat, waarin schetsen naar zeven schutterstukken uit den hand- 
boogsdoelen met bijvoeging van de namen der schutters voorkwamen. Twee andere 
deelen van dat werk, in gelijken band, de geslachtwapens der Regeering van Am- 
sterdam, oorspronkelijk tot 1737, later tot 1748 bijgewerkt, zijn in het bezit van mijn vader, 
en in een omslag met losse aanteekeningen, daarbij behoorende, zijn zes bladen met de 
wapens en namen der schutters van even zooveel schutterstukken van den handboogsdoelen . 

Schetsen en aanteekeningen hebben op verschillende schilderijen betrekking, en terwijl 



>) U^ndboogsdoeltn^ 5. 



4 CORNELIS VAN DER VOORT. 

van ieder stel afzonderlijk slechts sommigen in de lijst van SCHAEP terug te vinden 
waren, kan men thans alle met waarschijnlijkheid aanwijzen. Dit te doen zoude ons 
thans te ver voeren en die stukken zijn een afzonderlijke uitvoerige behandeling ook wel 
waard, zooals uit de korte inhoudsopgave, die ik hier volgen laat, omdat er telkens naar 
verwezen zal moeten worden, blijkt. Een vraagteeken vooraan duidt de onzekere aan : 
lang? na 1529. Aanteeken. N<> G = Schaep 3 

? 1566 y, N<> C = „ 17 2 stukken. 

? 1585 Schets I = „ II Cap*» Boelens door Dirk Barentsz. 

1586 AanteekeningN° L = „ 18 Cap^ Egbert ViNCK. 

? 1595 „ No D = „ 12 Cap» DiRCK Tymensz Brouwer door 

Christianus de Conflans. 

vóór 1604 Schets 4 = „ 9 Cap*» SiMON Willemsz Nooms, Luit"'* 

J ACOB Poppen door Pieter Isaacsz . 

1603 „ 3 = V, 19 Cap» Adriaen PiETERSZ Raep = schets 

in het album van TER BURGn<> 328. 

1604 „2 = „ 6 Cap» Jan Jansz Carel DE Jonge door 

GeRRIT PlETERSZ S WEELINK = N<» I32 

ten Stadhuize. 

? 1604 „5 = tt 7 Cap^ Pieter van Neck, door Aert 

PiETERSZ. = N°' 121 + 167 + 168 ten 
Stadhuize. 

vóóri6i2 Aanteekening N<> B= „ 10 Cap^ Geurt Dirksz van Beuningen 

door Jan Tengnagel. 

16 19 — 25 „ No K = „ 14 door Jan Tengnagel. 

1623 schets 7 = „ 5 Cap° Adriaen Pieters Raep = N 128 

ten Stadhuize. 

„6 = „ 5 Luit"* Pieter Hasselaer = N« i 27 

Rijks-Museum. 

De volledige opgave der in beide laatste stukken afgebeelde lieden, van links af 
gerekend, is in N<> 128 (schets 7): 

Onderste regel. Bovenste regel. 

10 1) Jan Gerritsz Meyn. 4 Jan IJsbrandtsz Kieft. 

8 Willem Simonsz. 5 Franqois de Neve. 

1 Adriaen Pietersz Raep, kapitein. 6 Philip Thijsz Schrijver. 

9 CoRNELisz IJsbrandtsz Kieft, Vaand. 7 Jan Gerritsz Verwer. 

2 Dirk Hasselaer, Luitenant. 9 Jacob Jacobsz Vinck. 

11 Jan Jacobsz in 't Hart. 

12 Adriaen Bremer. 

1) Dit rijn de volgnummers van de schets. 



CORNELIS VAN DER VOORT. 



in n*» 127 (schets 6), Rijks-Museum 389 C. 

Onderste regel. 

4 Hendrik Lens. 

1 PiETER Hasselaer, Luitenant. 
3 Samuel Blommert. 

2 Claes Hendriksz Pot, Sergeant. 

5 JACOB DiRKsz Brouwer. 

6 Hendrik Seullijns. 

7 jACOB VAN NiEUWLAND. 



12 



8 

9 

16 

II 



Bovenste regel. 
Albert Gerbrandtsz Schild, pro- 
voost. 
Willem Adriaensz Raep. 
Jan Lucasz Hooft. 
Dirk Pietersz Brugman. 
Barent Willemsz Prins. 



Hoe het komt, dat nevens capitein en vaandrig hier twee luitenants aanwezig zijn, 
weet ik niet te verklaren. Bestond er wellicht reeds een soortgelijke bepaling als waarbij 
in 1689^) de VendrigSy soo wanneer die komen te trouwen^ terwijl dat se éffective Vendrigs 
sijn, sijn mede, . . . vrij van geen Togten subject te wesen gestelt; en dat se niei sullen 
genootzaakt werden in minder qualiteyt als Luytenant te wacht te komen. Dat DiRK 
Hasselaer vaandrig geweest was zullen wij later zien. 

Het tweede stuk is wel verre van ongeschonden en hier en daar schandelijk overschil- 
derd, maar het kon toch in'sRijksMuseumgeplaatst worden; het eerste, gemerkt A'. 1623, 
was door denzelfden kladschilder, wiens hand men in den MOREELSE ten stadhuize herkent, 
onder handen genomen, met het gevolg, dat er van den ondersten regel koppen bijna geen 
omtrek zelfs meer juist was. Toen die overschilderingen verwijderd waren, kwam de 
teekening wel weer voor den dag, doch zoodanig afgebroken door stopsels en gele was- 
vlekken, waarmede bij een vorige verdoeking de gaten waren vol geloopen, dat men zich 
verwondert hoe Prof. B. Wijnveld, die bereidwillig had aangeboden er weer koppen in 
te schilderen, zoo gelukkig heeft kunnen slagen in het terugvinden der oude vormen. 
Daar echter ook de koppen van den achtersten regel niet geheel gaaf zijn, behoort het 
niet in een Museum thuis, dat toch reeds te veel copieën.telt en zich nog steeds opeen 
Potter van de hand van PlENEMAN beroemt. De meeste koppen zijn in omtrek thans 
kennelijk genoeg, ja, de gelijkenis tusschen de beide Hasselaers is zoo groot, dat men 
zou meenen denzelfden persoon in beide stukken voor zich te hebben. Het tweede stuk 
zal ik liever uitvoeriger behandelen. Den kop van TULP heb ik er nauwkeurig van nabij 
mede vergeleken, even toch had ik geaarzeld, daar de kleur een andere is, niet warm 
en mat, maar frisch en kleurig in de blozende gezichten en koud in de bleeke. Dadelijk 
sprong toen de overeenkomst in vorm en schaduw van het hoofd van Jacob VAN NiEUW- 
LAND in het oog; de vorm van de helft zeker der ooren liet geen twijfel over; en de 
oogen, door hun diepte en het lichtje, geheel op dezelfde wijze bij alle ongedekte hoofden 
aangebracht, beantwoordden geheel aan die van Tulp. Wij vinden hier echter een grooter 
verscheidenheid van trekken en van gelaatskleur dan wij tot nog toe leerden kennen. Op 
de kleur van het geheel wees ik reeds. Ik moet er nog bijvoegen, dat èn wapenen èn 



6 



CORNELIS VAN DER VOORT. 



kleederen, met groote zorg en uitvoerigheid geschilderd, ons een meester leeren kennen, 
die merkwaardige kleuren op zijn palet weet te vinden. Wat het eigenaardige van die 
kleuren is, laat zich niet in twee woorden zeggen, maar dat het niet dezelfde zijn, die in 
de HoUandsche school heerschen en reeds heerschten, springt in het oog. Het paars, het 
geel, het blauw dat VAN DER VoORT gebruikte, is niet het paars, het geel, het blauw 
van andere meesters, maar staat daarvan op een afstand, die voor allen dezelfde schijnt. 
Het lijkt mij of ik uit zijn rood of geel, bij voorbeeld, zijn blauw herkennen kan. 
Om geen termen aan de muziek te ontleenen en toch ongeveer uit te drukken, wat 
ik bedoel, geloof ik niet beter te kunnen doen dan te verwijzen naar die rij van heldere 
tinten onder de gebroken kleuren, die voor een paar jaar, meer dan thans, mode warenen 
aan levende Fransche en Belgische schilders ontleend schijnen ; ofschoon niet geheel dezelfde, 
behooren zij tot dezelfde soort. 

Nog verdient het de opmerking, dat hier de penseelstreek meer gezien wordt dan 
in de vorige stukken, niet zoozeer, zooals het toen heette, „verdreven" is. 

Tusschen dit tijdvak van 1623 — 24 en het regenstuk van het Oudemannenhuis van 
161 8, vroeger ten onrechtte aan CORNELIS DE Wael toegeschreven, N* 112, ^Sgó, bleef 
eerst een gaping, die tot voorzichtigheid aanmaande, hoewel ik die later eenigszins kon 
aanvullen, en ik zoude nauwelijks gewaagd hebben het aan Van der Voort toe te 
schrijven, indien de handteekening geen steun bood. Deze is : (Ann) 

p 









In een monogram mag men aan w voor vv geen aanstoot nemen, vooral in 
een tijd, toen de w nog jong genoeg was, om haar ontstaan uit vv of zelfs u u dui- 
delijk te voelen, men denke slechts aan Wttewael en zooveel anderen. En tusschen 
Vander Voort — zoo schreef men wel — en Ver Voort bestond toen nog geen 
verschil en moest men het thans niet maken. 

Neemt men den voornaam van Cornelis grootvader, broeder en oom Q) Hans en zijne 
Antwerpsche afkomst in aanmerking, dan zou men zelfs geneigd kunnen zijn hem met de 
Vlaamsche Vervoort's in verband te brengen, waaronder een JOHANNES is, die in 1541 
in het Antwerpsche St. Lucasgild werd opgenomen, en, wat den tijd betreft zijn groot- 
vader zou kunnen zijn. 



1) COMMELYN p. 319 noot b. 



CORNELIS VAN DER VOORT. 7 

Door deze letters geleid, dacht ik reeds aan Van der Voort, alvorens iets anders - 
van hem te kennen, maar de eerste kennismaking deed mij van die uitlegging afzien, 
omdat ik te zeer bouwde op de gelijk- en gelijkvormigheid der ooren, die hier niet weder- 
keert en zich hoofdzakelijk tot de laatste jaren bepaalt. De vergelijking evenwel van de 
gelaatskleur met die van het schutterstuk van 1623, de teekening en vorm van de neuzen, 
vergeleken met die van TuLP, de oogen, de penseelbehandeling in de baarden en ook in 
het vleesch, hoewel hier enkele toetsen geheel zijn blijven staan, laten geen twijfel over, 
dat de letters goed gelezen zijn. 

Dit stuk, dat voor de regenten van Elias en de Regentessen van Santvoort niet 
onderdoet, is misschien niet het meest kenmerkende, maar zeker het schoonste stuk van 
den meester in 's Rijks Museum aanwezig. Het is bijna zonder kleuren geschilderd, waartoe 
medegewerkt heeft, dat toevallig de drie regenten, zooals gewoonlijk in het zwart gekleed, 
groote witte of zwarte baarden droegen. Niettegenstaande het groene tafelkleed en de 
roode zegels der papieren is bijna de eenige kleur, die men opmerkt, de rosé gelaatskleur 
van den grijsaard links. 

De regenten zijn Pelgrom van Dronckelaer (1586 — 1620). Hendric Hendrixz 
(1596—1625) en waarschijnlijk Hendric Tholing (1617 — 18J, i) De grijsaard links zal 
Pelgrom van Dronckelaer zijn die, volgens de aanteekening N® L. 4 bovenvermeld, in ver- 
band gebracht met het bericht van SCHAEP, ') in 1586, hetzelfde jaar, waarin hij regent werd, 
als schutter geschilderd is en dien ik door een gelukkig toeval, in een brok van een schutterstuk 
N'* 119, Rijks-Museum 268g meen te herkennen. Op den ring aan zijn vinger staat een 

koopmansmerk JuU dat misschien te eeniger tijd in dezen zekerheid zal verschaffen. 

Hier zoude dus nog een van de overblijfselen der merkwaardige schutterstukken 
uit den handboogsdoelen gevonden zijn. SCHAEP noemt als schilder DiRCK BARENTSZ, maar 
de wijze van schilderen wijkt zoozeer af van de onbetwistbare stukken van dien meester 
en komt zooveel nader aan die van Aert Pietersz, dat ik, met het oog op de vele fouten 
in de schildersnamen bij Schaep, voorloopig het liever aan den laatsten zou toeschrijven. 

Is mijn gissing omtrent VAN DRONCKELAER juist, dan is de regent rechts natuur- 
lijk Hendric Hendrixz en de jongste in het midden Tholing. 

Achter hen staan waarschijnlijk de boekhouder, de binnenvader en de bode van 
het Oudemannenhuis. 



1) ScHELTEMA noemt PAULUS Claesz, Hendrik Tholing en Willem Hendriksz. Die opgaaf is wel uit de 
regentenlijst opgemaakt, maar er is geen rekening mede gehouden dat Paulus Claesz in 1618 reeds geen regent meer 
was. Willem hendricksz verving Tholing eerst in 1618. 

9) I Egbebt Vinck Capiteyn, a Pieter Willbmsz vriend, 4 Arent Remmers Suykerbakker, 5 Simon Abt, 6 Jan 
DE BiscHOP, 7 Roemer Visser, 9 Jaques Rasê, 10 Evert Jacobsz, ii Claes Dirksz Blauw, ia Pietee Dibksz Santvoort, 
15 Pelgrom vak Dronkelaab, 19 Hend. d. Steinovek, 24 Cornelis Arentsz wafel, 26 doeleknegt, 27 Dirk Teunis 

MARTELAAR, 29 GerRIT BAKKER, $1 COBNBLIS VAN KAMPEN. 
3) HandboogidotUn i& 



8 CORNELIS VAN DER VOORT. 

Na vergelijking met de regenten van het Oudemannenhuis, kan het geen twijfel 
lijden of ook de regenten van het Rasphuis hebben zich, omstreeks dezen zelfden tijd, 
door VAN DER Voort laten schilderen, in een stuk dat waarschijnlijk groote overeenkomst 
toonde, N 146 (Rijks-Museum 389e). Thans echter is het zoo versleten en op zoovele plaatsen, 
zij het dan ook niet ruw overschilderd, dat het voor een beoordeeling van het werk niet 
meer in aanmerking komt. 

Met niet minder zekerheid durf ik den meester éen groot maar geheel beschadigd 
en overschilderd regentenstuk van het Binnen-Gasthuis, N 147, toeschrijven, daar de tee- 
kening nog duidelijk genoeg te herkennen is en eiken twijfel uitsluit. Eens moet het, 
om de schikking ten minste, die los en ongedwongen is, al zijn er wel zeven figuren, 
tot zijn beste werk hebben behoord. En daarom blijft het ook nu nog, hoe verminkt ook^ 
tot de bouwstoffen voor onze kunstgeschiedenis behooren en verdient het bewaard te 
worden al kan men het niet tentoonstellen. De tijd blijkt uit de posten, in een der boeken 
ingeschreven, die van November 1617 en Januari 1618 zijn. 

De regenten van dien tijd waren, volgens COMMELIN: CORNELIS Jsz. GEEL VINK 

1602 — 1623, LAMBERT PiETERSZ 1603 — 1622, YSBRANDT HARMENSZ 1609 — 1022, PlETER 

Egbertsz Vink 1609 — 1631, Warnar Ernst van Bassen 161 4 — 161 7 en Dirk Wüytiers 
1615 — 1654; VAN Bassen zal eerst in 1618, toen hij schepen werd, afgetreden zijn. 

Bij deze stukken laat zich het best voegen een klein portretje van Ds. Roelandus, 
een grauwtje, of liever, zooals de boedelbeschrijver van Van DER VoORT zegt, een stukje van 
wit en swarty dat blijkbaar geschilderd is om gegraveerd te worden. Het is op een derde 
der levensgrootte en werkelijk met wit en zwart geschilderd, maar met juist zooveel kleur 
nog in de wangen en in de diepte der schaduwen, als de schilder kon aanbrengen, zonder 
het den graveur moeielijk te maken. 

Dat ik Van der Voort herkend zou hebben zal ik niet beweren, al zijndeoogen 
niet te miskennen en al is er veel overeenkomst in de behandeling van den baard. De 
Heer Bredius, die de meeste der behandelde stukken met mij vergeleek, maakte er mij 
opmerkzaam op. Sedert is het in *s Rijks Museum tentoongesteld. 

Het kon lichtelijk in 161 8 geschilderd zijn, toen ROELANDUS Amsterdam verliet 
om Assessor der Dortsche Synode te worden. Wel noemt de bekende prent van Willem 
Jacobsz Delff 1) reeds het sterfjaar van RoelandüS, 1632, maar het is duidelijk, dat 
het ten minste 8 jaar vroeger, vóór den dood van Van der Voort, moet geschilderd 
zijn en, eenmaal dit tijdsverloop aangenomen, kunnen wij evengoed 14 jaar aannemen. 



*) Franken, P Oeuvre de Willem Jacobsz Delff no. 77 I. 

Het opschrift luidt: Occupat" in versione Belgica N. — Et Reversione V. Testament 

Salutem tuam — Exspecto lEHOVA (•^•'^)^ (^^^^JP (1^?^^^)7 Jacobus Rolandus Synodi Nat Dord. Pri- 

marius Assessor: functus S. S. Ministo Aos 45. In Palat Wiselochij et Decan: Germesb. Aoi 7. Delph 5. Franckendal 
5. Amsteld. 28. Natus Delph. Ao. 1562. Denatus Leydae Ao 1632 C. Van der Voort pinxit. — W. Delff sculpsit 
Onder een latijnsch vers van zijn zoon Tim. Rolandus, F. v. Sambix Scripsit Aetatis suae 80. 



CORNELIS VAN DER VOORT, 9 

Daar het echter geschilderd is om gegraveerd te worden, zoude het vreemd zijn indien 
het zoolang onuitgegeven ware gebleven. Het ligt voor de hand aan te nemen, dat de 
prent, na den dood van ROELANDUS, voor de tweede maal in omloop is gebracht, daar 
de Heer D. FRANKEN Dz. een zeer zeldzamen staat vermeldt, zonder naam van schilder 
of graveur en met een HoUandsch, niet met het Latijnsche vers, die hij, met een vraag- 
teeken, als tweeden staat opgeeft, maar die mogelijk de eerste zou kunnen zijn en onge- 
veer uit 1618 stammen. ^) 

Thans moeten wij weer een paar jaar terugkeeren en wel naar 1622. Uit dat jaar 
heeft Jhr. Mr. H. Hoeufft van Velsen twee familieportretten, waarvan de naam vergeten 
is geraakt, maar die zeer goed Amsterdammers kunnen voorstellen. Ik aarzel geen 
oogenblik die stukken aan Van DER VoORT toe te schrijven. Wat hen onderscheidt van 
de tot nog toe behandelde, is dat wij hier met blonde lieden te doen hebben, vooral de 
man is zeer licht blond. Maar de matte en toch doorschijnende gelaatskleur ; de teekening, 
bij den man, van het oor, van de grauw-blauwe oogen, de schaduw van hoofd en wang, 
de mond, de uitvoerige behandeling van den baard en den wijdgestolpten kraag zijn onmis- 
kenbaar. De handen zijn meesterlijk geschilderd en herinneren aan de hand van Pelgrom 
van Dronckelaer (161 8) en wat de kleur betreft, ook aan zijn gelaat. 

Al staat het mansportret als kunstwerk hooger, de vrouw is voor ons belangrijker, 
omdat wij er het eerste, gave vrouwenportret van Van der Voort in herkennen, en zij 
ons den weg kan wijzen, om hem nog andere toe te schrijven. De bruine oogen zijn 
zeer kenmerkend voor den schilder; de kleur van het gelaat is mat en bleek; van de 
handen geldt in nog sterker mate, wat ik van die van den man zeide. Zij draagt een 
opstaand kanten mutsje, rechts met een haarspeld met hanger vast gestoken, boven haar 
grooten kraag een fijn gouden kettinkje, om het midden een groote gouden ketting, In de 
rechter hand heeft zij een klein waaiertje. Al deze sieraden zijn met groote zorg geschilderd. 

Het mansportret is met dezelfde groote zwarte letters als het portret van 1624 
gemerkt ^tatis, fuce. 35 Anno 1622. Het vrouwenportret ^tatis. fuce a (sic) Anno 
1622. Blijkbaar is de schilder den waren leeftijd der vrouw niet te weten gekomen. 

Van 1622 voert ons de gelijkenis naar 1614, om weldra naar 1617 terug tekeeren. 

Uit 161 4 dan bezit het Rijks-Museum onder de prachtige verzameling familie- 
portretten, door Jhr. J. S. R. VAN DE POLL onlangs geschonken, de beeltenis van DiRCK 
Hasselaer, ^tatis fuce. 33. Anno 1614 en van zijn vrouw Bregje van Schoterbosch, 
^tatis fuce. 22. Anno 1614, met vrij groote licht bruine letters, weder van denzelfden vorm, 
gemerkt. Beide hadden mij reeds eer ik de portretten bij den Heer HOEUFFT kende, sterk aan 
VAN DER Voort herinnerd, en thans kan ik de weifeling, die de ongewone behandeling van 
den baard van Hasselaer liet bestaan, niet langer voeden. Ik geloof niet aan overschil- 
dering, maar eer, dat Van der Voort hier op de wijze van Aert Pietersz gewerkt heeft. 

1) Ter aang. plaatse II: Epreuve postérieure (?) sans nom de peintre ou de graveur avec 10 I Jgnes de poésie en 
Hollandais : „Siet hier Jacobi Beclt" etc. Ooll Hüreau 4 la Have (sic.) 

2 



10 CORNELIS VAN DER VOORT. 

Bregje van Schoterbosch heeft nog sterker gelijkenis in de kleur en behandeling 
van het gelaat, dan in de kleeding, anders gelijksoortig genoeg, met de vrouw van 1622. 
Die kleeding, even als die van den man, behoef ik hier niet nader te beschrijven, maar 
ik wensch toch de aandacht te vestigen op de eigenaardige roode kleur van het gebor- 
duurde gedeelte van lijf en rok, en op de groote zorg aan alles besteed. Beide portretten 
zijn zeer blond met dezelfde lichtblauwe oogen van den man van 1622. Zij hebben wel iets 
geleden, maar niet daaraan is het toe te schrijven, dat de oogen der vrouw niet volkomen 
in het kruis staan. Tot het allerbeste werk van Van DER VoORT behooren zij dus nog niet . 

Met het oog op deze beide paren meen ik ook de beide portretten, die in den 
veilingscatalogus van de familieportretten, nagelaten door den Heer D. M. Alewijn, 
onder N^ 53 en 54, aan Paul Moreelse worden toegeschreven, aan Van der Voort 
te mogen toekennen. Beide zijn gemerkt Anno 16 17, met letters, van kleur en vorm 
geheel gelijk aan de zooeven gemelde. Beide zijn van dezelfde blonde kleur van haar 
als die van 1622 en 16 14, en op een kleinen afstand gezien komt mij de gelijkenis met 
de beide portretten van Van DER VoORT sprekend voor, zoowel door de algemeene kleur 
als door de sterk sprekende vormen van het voorhoofd van den man, en van naderbij 
schijnen de breedgestolpte kraag van DiRCK Alewijn en de geplooide kraag van Maria 
Schuurmans, zijn oor en onderlip, en vooral zijn handen, hun beider oogen, met het 
lichtje vlak tegen het bovenooglid, onmiskenbaar; maar de penseelsstreek wijkt een weinig 
af van die van latere stukken, de toets is veel meer blijven staan, meer nog dan in het 
regentenstuk van het volgend jaar, 16 18, waarmede ook de handen van Alewijn en de 
gelaatskleur van zijn vrouw de meeste overeenkomst toonen. De behandeling van den 
blonden baard van Alewijn, hoewel grootendeels nog breed geschilderd, even als die van 
Hasselaer, toont toch reeds op vele plaatsen de uitvoerige wijze, later, ten minste in de 
enkele portretten, zoo algemeen, waarin haartje voor haartje geschilderd schijnt, en staat 
dus het naaste aan diegene, die wij in oudere schutterstukken zullen aantreffen. 

Deze portretten zijn het eigendom geworden van J. RUSTON Esq, te Lincoln, 
maar ik ben, door de welwillendheid van den Heer F. Adama van Scheltema, nog her- 
haaldelijk in de gelegenheid geweest ze aandachtig te beschouwen. 

De uitvoerige behandeling van den baard vinden wij toch ook reeds eerder in een 
ander familieportret van den Heer Van Loon, dat van LiEVE van LoON Willem JANSZ., 
den broeder dus van bovenvermelden Hans. Het is alleen een kop en gemerkt jEtatis 
30. A". 1610, met letters van denzelfden vorm als op het portret van 1623 van Anna 
RUYCHAVER. De kleur, de blonde baard, het oor, de lippen, de vorm van den neus en 
iliet het minst de oogen zijn zekere herkenningsteekenen voor Van DER VoORT. Nieuw 
voor ons is de blauwachtige kleur van den kleinen, met kanten omzetten kraag, waarin men 
duidelijk gewaar wordt, dat de kleuren nog niet die kracht hebben, die zij in de latere 
stukken bezitten. 

Hadde ik niet reeds een schutterstuk, vroeger aan Moreelse toegeschreven, N°. TJ 



GORNELIS VAN DER VOORT. 11 

(Rijks-Museum 389), om andere redenen voor het werk van Van DER VoORT gehouden, ik 
zoude door dezen kop tot dezelfde overtuiging zijn gekomen, zoo sterk is de geHjkenis met 
de figuur links, onderaan. Hier leeren wij dan ook onzen schilder in een vroeger tijdvak 
kennen. Wel is er overeenkomst genoeg, om ons te overtuigen, dat wij inderdaad met 
werk van zijn hand te doen hebben — behalve die kleuren, die ik reeds bij het stuk van 
1623 trachtte aan te duiden, spreken verscheidene koppen daarvoor, de reeds genoemde 
en nog andere op den tweeden rang, maar in de eerste plaats de prachtige kop van den 
kapitein, waarin ook de kleinere bijzonderheden, zooals de vorm van den neus, VAN DER VoORT 
cï&d> gemakkelijk zijn aan te wijzen — maar het geheele werk maakt een anderen indruk . 
Dit is niet zoozeer te wijten aan de schikking van het geheel, die niet stijver is dan in 
sommige veel latere stukken, (men denke slechts aan den Elias van 1630 — hier is ten 
minste in het midden de bovenste der twee rijen afgebroken, en ziet men daar de lieden 
op den achtergrond met hun hooge hoeden en hun speren — ) niet zoozeer aan de uit- 
voerig bewerkte harnassen en kleeding, als aan de zwakkere tegenstelling van licht en 
schaduw, dan die wij in latere tijden, vooral ook van onzen meester, gewend zijn. Met 
andere woorden, de figuren zijn niet zoo los van den achtergrond, hebben niet zooveel 
ronding als later en toch is het geheel wat te druk en te vol. Maar iedere kop afzon- 
derlijk, zelfs die minder in het oog springt, is het bezien wel waard. Vele daaronder 
konden in het bijzonder met de stukken van 1623 vergeleken worden, hetgeen wij meenen 
te mogen nalaten, omdat zij minder algemeene kenmerken van den schilder schijnen te 
dragen. Om niet te uitvoerig te worden noem ik nog slechts, behalve den dikken, 
blozenden schutter met witte haren, sik en knevel, een jeugdig man op den tweeden grond, 
reeds met spierwit haar, maar een zwarten baard, een alleraardigste kop. 

Het juiste jaar van dit stuk te bepalen is even moeielijk, als van de beide andere nog 
te vermelden stukken. Naar de kleeding te oordeelen, vallen alle drie vóór 1620, maar 
om straks te ontvouwen redenen, moeten twee ten minste reeds ouder dan 1616 zijn, wat 
met de wijze van schilderen zeer goed overeenstemt. Hoevéél ouder is echter moeilijk 
te zeggen, daar het aan voldoende punten tot vergelijking ontbreekt. Het jongste onder 
de oudere schutterstukken, dat waarvan het jaartal thans met zekerheid bekend is, is de 
schuttersmaaltijd van Gerrit Pietersz SwEELiNGuit 1604 (No. 132.) Wel noemt SCHAEr 
Cloveniersdoelen 28 nog een schuttersstuk uit 1606, maar dit is niet terug gevonden. 
Behalve dit, dat zeker vroeg genoeg is, noemt SCHAEP nog ten minste drie stukken van 
den Cloveniersdoelen No. 10, 17, 21, alle ouder dan 1616, zooals uit de namen der 
officieren blijkt, die in aanmerking zouden kunnen komen voor het stuk aan Van DER 
Voort toegeschreven. Ik zoude niet aarzelen No 21 te verkiezen, wanneer Jacob Gerritsz 
HoiNG, die ook in den Paul Moreelse van 16 16 voorkomt, hier niet kapitein, maar 
luitenant zijn moest, of de rosse officier van ons stuk door zijn bewapening niet luitenant, 
maar kapitein scheen te wezen. Daar wij PiETER DiRKSZ Hasselaar de oude, uit een 
van de familieportretten der Van de Pollen in 's Rijks Museum, reeds gegraveerd in 

2* 



\ 



t:r ,- jrrr : . r srwrgg-vrutB 







12 



CORNELIS VAN DER VOORT. 



P. C. HooFT's werken 167 1, kennen kan dit stuk N° 10 van SCHAEP niet zijn. Er blijft 
dus slechts keus tusschen het stuk van 1606 en N° 17 Capt" jAN DE BISSCHOP, vaandrig 
PiETER Egbertsz Vinck. Daar de Bisschop, volgens Schaep, in 1585 reeds capitein 
was en wij ViNCK eerst in 1616 als capitein vermeld vinden, is de tijdsruimte te onbe- 
paald, om daaruit gevolgen te trekken, en andere aanwijzingen ken ik niet. 

Omtrent het tweede te bespreken stuk (N** 124,) hebben wij ten minste wat de per- 
sonen aangaat, zekerheid. De Heer D- C. Meijer Jr. was zoo welwillend mij, op mijn 
verzoek, de aanteekening van de Vries, die daarop betrekking had, met eenige toelich- 
ting te zenden. 

In een album van Frans Banning Cocq, het eigendom van den Jhr. D. de Graeff, 
Geslachts Register der heeren en vrouwen van Purmerlandt en Ilpendam zoo in consanguini- 
teijt als affiniteijty komt in het 2e deel blz. 327 een gekleurde teekening voor van dit 
schuttersstuk, waar naast de volgende opgave staat: 

De Heer JONAS WiTSZ, Capiteyn ende nader handt Burgermeester en regeerder der 
stadt Amstelredam, 

De Heer VOLCKART OvERLANDER, Lieutena7it nader handt Burgermeester en regeer- 
der der stadt Amstelredam, 

De Heer DiRCK Hasselaer, Vaandrig naderhandt Capiteyn majoor der stadt 
Afnstelredamm e. 

De Heer PlETER Hasselaer, Sergeant ende naderhandt hooft Officier ^ Burgetneester 
en regeerder der Stadt Amstelredamme, 

De Heer Jan van Vlooswijck, sergeant en naderhandt raedt der stad Amstelredamme, 

PlETER SiJMONSZ VAN DER SCHELLINGH. 

DiRCK Claesz Schepel. 

JACOB Pietersz Nachtglas 

Hendrick Lens. 

Jan Beths Roodenburgh, 

Huyg Jansz Crayesteyn. 

Jan Heyckens. 

cornelis schellinger. 

Dirck Tholinck. 

CORNELIS VAN DER YOOKDT, de schilder.'^) 

Daar WiTSZ, die in 161 7 colonel werd, reeds in 161 6 door OVERLANDER vervan- 
gen was, wiens plaats, waarschijnlijk aanstonds, door VLOOSWIJCK werd ingenomen, valt 
oók deze schilderij vóór 16 16. Met waarschijnlijkheid mogen wij echter verder teruggaan . • 
Wel weet ik niet, of er toen reeds een bepaling als de bovenvermelde van 1689 was, maar 
de vaandrig placht toch ongehuwd te zijn en DiRCK HassÉLAER trouwde vóór of in 1614. 

De wijze van schilderen is in de naakten moeilijk meer met zekerheid te bepalen, 

1) Het portret van den schilder, dat deze studie vergezelt, is naar deze afbeelding genomen. (Red.) 



CORNELIS VAN DER VOORT. 13 

daar die, veel meer dan de kleederen, wapenen of baarden gesleten zijn. Wat er te zien 
is, schijnt mij eer ouder dan jonger dan de overige stukken te zijn. 

Ook de ouderdom van den schilder, die dichter bij de 30 dan bij de 40 lijkt, pleit voor 
een vroegen tijd, want hij werd reeds in 1576 geboren. Maar ik moet eerst nog aanwijzen, 
wien ik op het stuk voor den schilder houd. Hij wordt het laatst genoemd, en er is dus 
kans hem aan een der beide uiteinden van den bovensten regel te verwachten. Is dit juist, 
dan is de keus niet moeilijk, daar de uiterste schutter rechts de eenig ongewapende, alle 
kenmerken draagt van een eigen portret, zooals de schilders dat gaarne maken, half van 
ter zijde gezien, met de oogappels in de ooghoeken, door het gebruik van slechts één 
spiegel, en de linkerhand, die de rechter schijnt, op de borst. 

Men zoude geneigd zijn naar dezen kop, die, in omtrek ten minste, zooals de 
meeste van den bovensten regel, vrij goed bewaard is, dezen kop met zijn bleeke kleur en 
smalle wangen, donker haar en kleinen baard, in andere schutterstukken te zoeken, maar 
bij dezexi schilder is er soms in de overeenkomst van verschillende koppen veel, dat meer 
gelijk dan eigen is. 

Het derde schutterstuk, waarin ik de hahd van onzen meester herken, is N'. 130, 
waar, door een boog op den achtergrond, een raadselachtig gebouw gezien wordt. In de 
beschrijving van Scheltema wordt het een poort genoemd, maar toen de poorten van 
Amsterdam, die ongeveer dien vorm hadden, gebouwd werden, schilderde men hier geen 
schutterstukken meer. De Heer Meyer ^) dacht aan de Noorderkerk, die in 1622 voltooid 
is, zoodat dit met de tijdsbepaling voor de kleeding, nog wel zou kunnen strooken, maar 
de vormen van het hier voorkomende gebouw wijken al te zeer van die der kerk af. 

Iets beters heb ik ook niet te geven. Men oordeele zelf. Naast een hoogen (stads ?)- 
muur, waarboven boomen uitsteken, achter een lageren muur, die rechts achter boomen 
verdwijnt, ziet men naast een groep boomen links, een gebouw uitsteken, dat ons zijn 
breede zijde toekeert, het dak valt naar alle zijden af en heeft op de beide uiteinden van 
den nok een schoorsteentje {?). In het midden verheft zich daarop een hooge, breede 
koepel met acht (?) bogen, die misschien nog een kleiner koepeltje draagt, waarop zich 
een wind wijzersstang verheft, die een schip of een zwaan schijnt te dragen. Vóór dien koepel 
schijnt op een vierkant voetstuk een zeer groot beeld te staan, waarvan het moeilijk is, 
te bepalen, of het daar vlak tegen aan staat of op een vooruitspringenden kruisbouw, 
waarvan men de sporen meent te onderscheiden. Het geheele gebouw is als een 
droom van het stadhuis op den Dam, schoon het daar natuurlijk niets mede uit te staan 
heeft, want al zoude men aan een latere bijvoeging, waar ik geen enkele reden voor zie, 
willen denken, dan kwam toch noch de omgeving, noch eenige bijzonderheid geheel 
daarmede overeen. 

Is dit geheele gebouw denkbeeldig, of is het in een andere stad te zoeken? Mij 



1) Oud'Holland III, p. 119. 



14 CORNELIS VAN DER VOORT 

beeft het niet mogen gelukken bet te vinden^ maar daarom is deze laatste verooderstel- 
ling nog niet uitgesloten. Twee verscbillende oorzaken zouden tot zulk een voorstriling 
aanleiding kunnen geven, maar aleer ik die ontwikkel dient opgemerkt te worden, dat in 
dit stuk nocb kapitein, nocb luitenant, nocb zelfs een vaandrig, maar een tiental scAmff^rs 
met hoer dd^lroers afgebeeld zijn. Men zoude dus kunnen vermoeden, dat eenige schutters, 
die in 1622 mede naar Zwolle getogen waren en niet als de officieren tot den Voetboogs- 
doelen behoorden, zich afzonderlijk voor den Kloveniersdoelen hadden doen schilderen. 
Maar nog daargelaten, dat er^ voor zoover ik weet^ ook in die stad geen dergelijk gebouw 
te vinden Is, dwingt mij juist die algemeene bewapening met het doelroer, eer aan een 
meer vredelievenden tocht naar een der Hollandsche steden te denken. Het is toch bdcend 
dat wedstrijden tusschen de verschillende schutterijen in het schieten naar het doel ge- 
houden werden, en zij die daaraan deelgenomen hadden en misschien een prijsbeker 
veroverden, konden die overwinning laten op het doek tn'engen. Het is nauwelijks een 
toeval, dat een der schutters een zilveren beker in de hand houdt, zooals die als prijzen 
uitgeloofd werden. Een omstandigheid nog kan deze gedachte aan een wedstrijd beves- 
tigen. De elfde aanwezige houdt in de linkerhand een zwart, rond en schijnbaar plat 
voorwerp, waar hij met de rechter op wijst, eu ik zoude niet weten wat dat anders zijn 
kan dan het doel, de roos zooals wij zeggen, die getroffen was. Wij mogen dus met vrij 
groote zekerheid aan een over\%^inning van de voorgestelde schutters denken. Maar aan 
den anderen kant werpt deze elfde aanwezige, die door het servet, dat hij over den arm 
heeft, als kastelein wordt aangeduid, een nieuv/ bezwaar op, want even natuurlijk als het 
was den kastelein uit den eigen doelen, waar men bijeenkwam, mede te laten afbeelden, 
even onwaarschijnlijk zoude dat bij dien uit een vreemde stad zijn. — De kastelein is 
toch zeker niet meegegaan. — Wij worden dus naar Amsterdam teruggevoerd en dan 
blijft het gebouw steeds even onverklaard en onverklaarbaar. 

Minder bezwaar levert het op ons stuk bij SCHAEP terug te vinden, want al hebben 
wij keus tusschen Cloveniersdoelen 29: voor de schoorsteen eenige schutters met haar 
doelroers^ en 36 en 37 : Twee stucken, ijder van .... schutters met haer doelroerSy modern^ 
en zoude ik een van de beide laatste verkiezen, die keus is voorloopig zonder verder belang . 

Den tijd, door de kleeding aangewezen, noemde ik reeds. De wijze van schilderen 
behoort, zooals uit enkele, geheel onbeschadigde gedeelten blijkt, tot het beste tijdvak 
van den schilder. Ik zoude geneigd zijn, om ter wille van den blonden schutter vooraan 
rechts, die aan de portretten van 16 17 en vooral 1622 herinnert, als vermoedelijk tijdstip 
voor het ontstaan van dit stuk rondweg 1620 aan te nemen. 

Thans nog een gissing, die ik voor het laatst bewaard heb, opdat, wanneer die 
onjuist mocht blijken, de overige toeschrijvingen niet ook daardoor op losse schroeven 
zouden schijnen te staan. 

De Heer Van Loon bezit ook nog het portret, dat door Houbraken als dat van 
colonel NICOLAAS Ruvchaver gegraveerd is. Bij den eersten oogopslag meende ik, 



CORN-ELIS VAN DER VOORT. 15 

alvorens den naam te kennen, hierin een. Van der Voort te mogen zien ; bij nadere 
beschouwing echter bleek dit portret niet oorspronkelijk, maar een copie te zijn. Volgens 
een brietje op de keerzijde, dat ook HOUBRAKEN zal gelezen hebben, zouden wij hier 
werkelijk colonel RUYCHAVER hebben. Deze is echter reeds in 1 597 vermoord, en de wijze 
van schilderen schijnt onmogelijk naar een voorbeeld van vóór dien tijd te kunnen gevolgd 
zijn. Nu is het merkwaardig, dat ScHAEP in den Kloveniersdoelen als N'. 19 vermeldt : 
Een stuck daer moer 3 personagiën in sijn^ waeronder die met een gesneden wambois 
ende mouwen, geseid word de Col, RUYCHAVER te sijn. Die naam kwam dus ook aan ScHAEP 
reeds verdacht voor en terecht, want RUYCHAVER, in 1569 uit Amsterdam gevlucht, is 
daar niet terug gekomen dan om te sterven, en er dus in geen geval als colonel geschilderd. 

De RUYCHAVER bij den Heer Van Loon draagt wel geen gesneden wambuis, maar 
toch een wambuis en gesneden mouwen, en men zal dus wel aan een copie naar het 
schutterstuk mogen denken, daar het meer voorkomt, dat familieportretten naar schutter- 
stukken zijn vervaardigd. Maar dit zal van de hand van Van DER VoORT zijn geweest, 
en om en bij 161 zijn geschilderd, terwijl een der drie voorgestelde schutters, die met 
de gesneden mouwen, de halsberg over zijn buis, den gestolpten kraag en gouden penning 
op zijn borst, NicOLAES RUYCHAVER heette, aan welke overeenkomst in den naam de 
verwarring met zijn beroemden neef voortgesproten is. 

Deze NiCOLAES RUYCHAVER was de oudste zoon, maar het vierde kind, dat in 
leven bleef, van MAARTEN RUYCHAVER WiLLEMSZ, den 28 October 1570 met Alit VAN 
DER Laen Nicolaesd* getrouwd. Hij werd Raadsheer in den Hoogen Raad van Holland . 
Hij liet uit zijn huwelijk met CORNELIA VAN der Eyk Gerritsd*, van Delft, geen 
kinderen na. 

Te vergeefs zoude men hier onder het werk van Van der Voort de beide por- 
tretjes, hier ter stede in een veilingscatalogus van 1886 aan hem toegeschreven, zoeken. 
Behalve dat er geen de minste gelijkenis met de echte stukken bestaat, is ook het 
jaartal 1627, dat beide op de keerzijde dragen, voldoende om te bewijzen, dat zij niet van 
een schilder kunnen zijn, die in 1624 gestorven is. 



Al heb ik niet eens overal, waar zulks mogelijk ware, de vergelijking tusschen den 
vorm der verschillende deelen van het menschelijk gelaat, die onveranderd in andere 
gezichten terugkeerde, volgehouden, de lezer zal zich loch vaak afgevraagd hebben, of 
een schilder, die op deze wijze teekende, wel zijn belangstelling waard was en of zulke 
portretten wel gelijkend konden zijn. 

Ik meen op beide vragen bevestigend te mogen antwoorden. Op de laatste vooral 
is dat gemakkelijk, want, zonder nog een poging te wagen, om aan te toonen, waaraan 
het ligt, dat zelfs slecht geteekende portretten vaak gelijken, terwijl een degelijk en 
nauwgezet schilder de gelijkenis mist, behoef ik slechts te herinneren aan caricaturen, 



i 



16 CORNELISVANDERVOORT. 

waarin aan beesten of levenlooze voorwerpen, door enkele kenmerkende trekken, een 
sprekende gelijkenis met deze of gene bekende persoonlijkheid gegeven wordt. Een 
enkele trek is het ook vaak, waaraan wij de lieden herkennen; is die aangeduid, dan 
herkennen wij ook het portret, ontbreekt die, dan is het voor ons niet gelijkend. 

Dat de portretten van Van der Voort zeer gelijkend waren kan ik van twee ten 
minste aantoonen; van dat van Hans van Loon, die zich tweeen twintig jaren later door 
Abraham de Vries liet schilderen, in een portret geteekend Fecit Hagae Camitis AJ 
anno 1644, waarin het mij bijzonder getroffen heeft, dat juist de teekening van het oor 
geheel dezelfde was als bij Van der Voort; en van dat van Tulp, die daarin en in 
zijn portret door Ovens, meer gelijkt op het borstbeeld van QUELLIEN, dan in het por- 
tretje van Elias, of zelfs in de anatomische les van Rembrandt. 

Op de eerste vraag naar de kunstwaarde van Van der Voort's werk, is het ant- 
woord ingewikkelder. Er kunnen daarbij toch zooveel overwegingen te berde gebracht 
worden, dat de vraag, die ons hier bezighoudt, omtrent de wijze van teekenen niet alleen 
den doorslag geven kan. En er zijn ongetwijfeld onder de tijdgenooten 'en voorgangers 
enkele op te noemen, die beter teekenden dan Van der Voort, maar de tekortkomingen, 
die men geneigd zou zijn bij hem aan te nemen, moeten toch ook niet overschat worden, 
omdat er zoo weinig schilders zijn, die niet aan dit euvel lijden, terwijl men het van hen 
nauwelijks opmerkt, omdat het zonder een opzettelijk onderzoek, dat meestal doelloos 
zoude zijn, niet in het oog springt. Het is anders bij de studie van Italianen een bekende 
stelregel, evenals bij Van der Voort, in het bijzonder op de teekening der ooren te 
letten, en voor en na hebben vele goede schilders, niet anders dan Van Dijk, die daarom 
toch geen minderen roem heeft verworven, in hun portretten een iegelijk met dezelfde, 
soms nauwelijks bestaanbare, handen begiftigd. 

Niettemin is het in een andere richting, dat de hoofd verdiensten van Van der Voort 
te zoeken zijn; in de stemmigheid van zijn kleur, die toch geen rijkdom uitsluit, in de 
ronding en . het krachtige licht, waarmede zijn beelden tegen den achtergrond uitkomen, 
zonder hard af te steken, en niet het minst in den eenvoud en de ongedwongen houding van 
zijn portretten en zijn regentenstukken. 

Nog blijft ons over een poging te wagen om de school en de ontwikkeling van 
Van der Voort te bepalen. 

Een eerste oogopslag en een oppervlakkige vergelijking zoude er toe kunnen 
leiden voor hem dezelfde school als voor PaL'L Moreelse te veronderstellen. Meer dan 
een stuk, dat wij aan Van der Voort toekenden, werd aan MOREELSE toegeschreven 
en werkelijk is er geen tijdgenoot met wiens werk het zijne, op eenigen afstand gezien 
meer o\-erecnkomst vertoont. Ook is Utrecht niet zoo ver van Amsterdam, dat het 
noodzakelijk zoude zijn eenzijdigen, of zelfs wederzijdschen invloed buiten te sluiten. Maar 
een aandachtige beschouwing van beider werk vertoont een zoo groot verschil in penseel- 
behandeling, dat ik niet graame een gemeenschappelijke school zou aannemen. 



c"i!^si:^ rj^s Z0ZX t'-sl::: 



t6<it vUc ImO: tent st ^OBsausAaas^ 'xTxauoL 



9eeaQC30BX3 



Tjtjr r 




f iet f^iótte wetk. dsez Sc Sksi 
//miS^ 9% 1$^^ K*. f !>, HL IL 26>^^ 3fet léseAssd 
wtóc wit ly/^ JS\ Zj, rjL Jt 2rSfe;y «3 jctóterjtak, 
M alt 4e 'ïrijk^ sttar jnotfop tXA ainrlriV'TT'vg rooAocït, &t oes te 
dioarotnUtnt kU i^sil leerea. Oader óe gsmetix ».'!i..ms 
man met bet eertte <k«s oog c«tt de km ea eea oodere, ar?irhr 
ffftêfrtr^ tf jeeiL V<n:c bea I%t eea vexekikaart, «aarop c5e po c gding 
N<^ya 7Am\Ax htAAt; Crtyier zija haad vit zija eea ded raa Zxad-Amexik^ Zuid-Aftikm 
Ma^j^enama en A/ié met Arabié ea Voor-Iadié doideüjk te osidcrschridcn- BlqUaar 
dit diu een der^enen, die twee jaar van te vorea van de overwiatenag op ^ 
ter uitkeerden. De Heer P. A. Tiele houdt bet voor vaarsdiijafijk, dat dit De Veer 
nik>et zijn^ tn tr ziX ook wel geen ander Cfoócr de bemanning zijn geweest, die te Am- 
Herdam nóitttterplidttig was. Maar wie is zijn mtttgczjA, toet den passer in den band, dien 
mtn vo</r den teekenaar der kaart zou houden? Ik vrees dat onder de kaartt eck e naa rs, 
die Vier h\% Anwterdam<ich burger in aanmerking zouden komen, geen is, die den vol- 
d/^emlen leefti'yi bereikt had. Zouden wij ook den ui^evcr Corxeos Claesz, die op het 
Water w^/^/nde, voor on» hebben? 

Dit »tuk i» ongelukkig gesleten en wel met zorg, maar toch bijgewerkL 

Ikter heeft zich een ander gehouden, hoogstwaarschijnlijk een der vijf afbeeldingen 
van de nUisdmctnter» bij Waoenaar vermeld, (R. 3{« 429h,) op den stoel links, gemerkt : 
In i^Ak'tto A* iSWf terwijl waarschijnlijk op den stoel rechts de handteekening stond, 
<lie than» overnchiïderd zijn zal. Maar ook zonder handteekening, is de hand van 
AfCKT l'tff/rKk'A'A, rted* na. een vergelijking met het vorige stuk, onmiskenbaar en wordt 
dh nog rneer als men de drie fragmenten N^ 121, 167 en 168, die ik reeds in dit tijd- 
nchrift *) betoogd heb dat bij elkander behooren, hiermede vergelijkt. Het is moeilijk te 
benliuMcn of dat «chuttemtuk of deze regenten den palm verdienen, maar duidelijk, dat beide 
rriireAterlijk geschilderd zijn* 

'I hanft weten wij uit ccn der reeds vaak vermelde schetsen, de tweede, niet alleen 



1; (/Mtt llulhnii IV, p, fj2. 



18 CORNELIS VAN DER VOORT. 

zelf deel uitmaakte. Deze overeenkomst kan ons dus evengoed rechtstreeks naar deAm- 
sterdamsche school verwijzen. In zijn portretten — ik meen schutterstukken — staat 
CoRNELis VAN HAARLEM Op veel grooter afstand van Van der Voort. 

Zoekt men nu onder de Amsterdamsche portretschilders, die uit den aard der zaak 

» 

toch ook het eerst in aanmerking komen, naar een meester voor onzen schilder, dan 
springt, dunkt mij, de overeenkomst van zijn werk met de wijze van schilderen van Aert 
PlETERSZ in het oog. Een enkele maal hebben wij dat reeds ter loops gezien, maar ik 
meen hier even te moeten opsommen, wat wij van Aert Pietersz bezitten, om daaruit 
die eigenschappen, die hier ter sprake komen, te kunnen afleiden. 

Het oudste werk, dat ik hem meen te mogen toeschrijven, is het bovenvermelde 
overblijfsel uit 1586, N^ 119, (R. M. 268g.) Met zekerheid bezitten wij eerst een geteekend 
werk uit 1599, W. 87, (R. M. 268e,) een schutterstuk, waarvan de kapitein al even onbekend 
is als de wijk, maar waarop een aanduiding voorkomt, die ons te eeniger tijd misschien 
daaromtrent iets zal leeren. Onder de gemeene schutters staan twee lieden, een zeer jong 
man met het eerste dons nog om de kin en een oudere, allicht een vijftiger, in druk 
gesprek bijeen. Voor hen ligt een wereldkaart, waarop de jongeling met zijn vinger 
Nova Zembla bedekt; onder zijn hand uit zijn een deel van Zuid-Amerika, Zuid-Afrika 
Magellania en Azië met Arabie en Voor-Indie duidelijk te onderscheiden. Blijkbaar was 
dit dus een dergenen, die twee jaar van te voren van de overwintering op Nova Zembla 
terugkeerden. De Heer P. A. Tiele houdt het voor waarschijnlijk, dat dit De Veer 
moet zijn, en er zal ook wel geen ander onder de bemanning zijn geweest, die te Am- 
sterdam schutterplichtig was. Maar wie is zijn metgezel, met den passer in den hand, dien 
men voor den teekenaar der kaart zou houden? Ik vrees dat onder de kaartteekenaars, 
die hier als Amsterdamsch burger in aanmerking zouden komen, geen is, die den vol- 
doenden leeftijd bereikt had. Zouden wij ook den uitgever CORNELIS Claesz, die op het 
Water woonde, voor ons hebben.? 

Dit stuk is ongelukkig gesleten en wel met zorg, maar toch bijgewerkt. 

Beter heeft zich een ander gehouden, hoogstwaarschijnlijk een der vijf afbeeldingen 
van de staalmeesters bij Wagenaar vermeld, (R. M. 429h,) op den stoel links, gemerkt : 
In MARTIO A° 1599, terwijl waarschijnlijk op den stoel rechts de handteekening stond, 
die thans overschilderd zijn zal. Maar ook zonder handteekening, is de hand van 
Aert Pietersz, reeds na een vergelijking met het vorige stuk, onmiskenbaar en wordt 
dit nog meer als men de drie fragmenten N°. 121, 167 en 168, die ik reeds in dit tijd- 
schrift ^) betoogd heb dat bij elkander behooren, hiermede vergelijkt. Het is moeilijk te 
beslissen of dat schutterstuk of deze regenten den palm verdienen, maar duidelijk, dat beide 
meesterlijk geschilderd zijn. 

Thans weten wij uit een der reeds vaak vermelde schetsen, de tweede, niet alleen 



i) Oud-Holland IV, p. 92. 



CORNELIS VAN DER VOORT. 19 

dat II/) van de 21 beelden verloren gingen, maar kunnen van de meesten ook nauw- 
keurig den vorm aanwijzen. 

In N". 121 zitten van links naar rechts gerekend: 

4*) Jan Banning. 
7 Jan Valckenaer. 

1 PiETEB VAN Neck, kapiteyn. 
9 JURRIAEN JANSZ, glazenmaker. 

12 Frans van Nes. 
II Hans Goedewaert. 
15 Onbekend. 

2 Jacob Luycasz, luitenant. 

Van de losse stukken is N^ 167: 21 MiCHiEL Fernay en N\ 168: 19 Jasper 
VAN Nes. 

Thans doet zich echter een nieuw vraagstuk voor.* Bij Schaep kan dit stuk aan 
geen ander dan N^ 7 (of 6 wat gelijk zou staan) beantwoorden, en het komt dan ook in vorm 
en grootte volmaakt overeen met N^ 6 van Sweeling, waarvan het den tegenhanger vormde, 
maar dan moet het uit 1604 zijn en nu is PlETER van Neck, wiens afscheidsmaaltijd het 
zal zijn geweest, niet slechts al in 1600 colonel geworden, maar reeds in 1603 
overleden . 

De eenige oplossing dier zwarigheid, die ik zie, is, dat Aert Pietersz dit stuk, 
even als zijn anatomische les, ook reeds in 1601 begonnen en eerst 9 December 1603 
afgeleverd, tengevolge der pest zoolang onder handen gehad heeft, dat van Neck onder- 
wijl kwam te vallen '). Heeft de ledige stoel op den voorgrond wellicht symbolische 
beteekenis ? 

In dien zelfden tijd valt dus de anatomische les van Dr. Sebastiaen Egbertsz 
van 1603, (R. M. 268f,) die hoe belangrijk ook om de schikking, als voorlooper van Rem- 
brandt's eerste anatomische les, in uitvoering bij de vorige werken van den meester 
thans achter staat, wat ik alleen daaraan meen te moeten wijten, dat de schilder dezen 
keer doek gebruikt heeft, waardoor, zooals ik het reeds naar aanleiding van Elias heb 
opgemerkt, de penseelstreek van die dagen minder duidelijk pleegt te blijven staan. 



*) Weggesneden zijn: 3 Outgert Pietersz Spiegel, Vaand., 6 Pieter Herk, 8 Han^s van Nes, 10 Pieter 
Pietersz Voskuyl, 13 Constant Bourgois, 16 Garson de Massu, 17 Dirk Honkelboer, 18 Arent Theunis, en 
5, 14 en 20 onbekend. . 

Een gedeelte van die figuren is niet weggesneden maar overschilderd. Die overschildering is gebarsten met dat soort 
van barsten, die men in de schilderijen van omstreeks 1630 pleegt aan te treffen, zoodat het mij waarschijnlijk voorkomt, 
dat ook deze overschildering uit dien tijd dagteckent. Zooals uit den catalogus van 1846 blijkt, waren toen de drie 
stukken reeds alleen over. Vroegere bescheiden zijn nog niet gevonden, maar het schijnt toch, dat de schilderijen uit den 
handboogsdoelen reeds in 1806 naar het stadhuis waren overgebracht, er worden er tenminste een paar ter loops als daar 
aanwezig door Fokke Simons vermeld. De geheele schilderij moet ongeveer M. 3.20 t)reed en M. 1.80 hoog zijn 
geweest; het groote stuk is thans M. 2.10 breed, 1.40 hoog, de beide kleinere M. 0.54 breed, M. 0.80 hoog. 

3) De nummers zijn die van de schets. 

3J Zie J. Monnikhof bij Til anus. Schilderijen voor het Chirurgijnsgild, p. 28 rtoot 17. 

3* 



20 CORNELIS VAN DER VOORT. 

De bloeitijd van Aert Pietersz, als schilder van schutter- en regentenstukken, 
schijnt dus iets later dan die van CORNELIS KETEL te vallen. Na 1592 kan Van der 
Voort, in 1576 geboren, die in 1604 reeds door VAN M ANDER geprezen wordt, bij hem 
in de leer zijn geweest. 

Mag nu dit kan in zal veranderd worden.? Behalve de algemeene tint van al deze 
stukken, de keus der kleuren, die wel geen sprekende overeenkomst met het werk van 
Van DER Voort vertoonen, maar daaraan toch oneindig nader staan dan de Haarlemsche 
en Alkmaarsche schutterstukken uit hetzelfde tijdvak, of zelfs dan de werken van KETEL; 
behalve de gelijkenis van een houding hier en ginds, die ook, desnoods, aan een minder 
rechtstreekschen invloed zou kunnen toegeschreven worden; behalve de nadere overeen- 
komst van sommige deelen van het gelaat; behalve de dunne verf in het naakt; spreekt 
voor deze veronderstelling vooral de kleur der schaduwen van het vleesch in koppen en 
handen. Reeds hier vinden wij die poezelige grauwe tint, misschien iets witachtiger, die 
wij zoo vaak bij Van der VOORT opmerkten, en die, evenals bij hem, over de kleuren 
lijkt heen te liggen, zoodat niet, zooals bij andere oude meesters, de schaduwen blauw of 
grijs of groen mogen heeten, maar de kleur van het vleesch blijven behouden. 

Dat ik juist hieraan zooveel gewicht hecht, is, omdat dezelfde kleur der schaduwen, 
die Aert Pietersz kenmerkt, bijna nog duidelijker, ofschoon iets blauwachtiger, bij zijn 
vader en zijn ouderen broeder opgemerkt kan worden en dus als gemeenschappelijk ken- 
merk van dit geslacht kan gelden. 

Ter loops zij gezegd dat Aert PiETERSZ een grootere bekendheid, dan hij tot nog 
toe genoot, ten volle waard is, al ware het alleen om zijn verdienste als teekenaar en 
om zijn vasten, breeden penseelstreek, in welke opzichten hij zeker hooger staat dan 

Van der Voort. 

Liefst zoude ik hiermede willen volstaan en Van der Voort's invloed geheel 
buiten sprake laten, zoolang ik geen zekerheid heb, dat ook in wijderen kring deze aan- 
eenschakeling van gissingen een gunstig oordeel mag verwerven, maar ik heb mij bij de 
behandeling van NicOLAES Elias er over uitgelaten, dat het hier de plaats zou zijn, om 
de overeenkomst in beider werken te bespreken, en ik mag dit dus niet verzuimen, zonder 
ten minste den lezers van Oud-Holland mijn verontschuldigingen aan te bieden en de 
reden op te geven, waarom ik mij hieraan ook thans niet durf wagen. 

Die reden ligt niet in de wetenschap, dat er te Amsterdam zooveel portretschilders 
tijdgenooten van Van der Voort waren, van wien wij nog niets kennen of in de op- 
merking, dat ook de invloed van Vanden Valckert i) in het werk van Elias duidelijk 
waar te nemen is, want noch het een noch het ander was mij ontgaan, maar alleen daarin 



1) Van Van den Valckbbt ken ik reeds een portret uit 1617. Ik heb daarentegen bezwaar tegen detoeschrijving 
van het portret van Pieter Dirksz Hassrlaer, de oude, reeds in 1616 overleden, niet zoozeer om den tijd, Van den 
Valckert graveerde reeds in 1612, als omdat de teekeniog te goed schijnt en de penseelbehandeling niet voldoende 
overeen stemt. Liever zoude ik dat portret aan Van den Valckerts leermeester, Goltzius, toegeschreven zien» 



CORNELIS VAN DER VOORT. 21 

dat ik toen reeds sterke trekken van overeenkomst tusschen de oudste stukken van Elias 
en sommige koppen in het schutterstuk van Lastman en Nieuwlandt opmerkte, maar 
daarbij alle gedachten aan de mogelijkheid van een verhouding van meester tot leerling 
tusschen Lastman en Elias uitsloot, omdat ik meende, dat Claes Lastman, die voor den 
zoon van PlETER doorging, eer een jongere dan een oudere tijdgenoot van ELIAS was. 
Nu echter de Heeren De Roever en Bredius hebben aangetoond, dat Claes, even goed 
als PiETER Lastman, ouder dan Elias was, zoude ook de mogelijkheid bestaan, dat deze 
hem had gevormd, want in elk geval zal de leertijd van Elias, die voor het eerst op 
3ijarigen leeftijd als schilder voorkomt, en van wien voor zijn ss^te jaar geen werk met 
zekerheid is aan te wijzen, niet te vroeg moeten worden gesteld. 

Hiermede wil ik niet gezegd hebben, dat ik nu ook Lastman als leermeester van 
Elias zou willen aanwijzen of Van der Voort uitsluiten, maar alleen herinneren, dat er in 
die jaren nog te veel is, dat ons ontgaat, om te verdedigen, dat ik mij nfet aan een betoog 
waag, waarvoor nog geen sterkere uiterlijke redenen spreken, dan die ik vroeger heb ont- 
vouwd, om niet misschien binnen korteren of langeren tijd dat zelf weer te moeten afbreken. 

Dat een soortgelijke redeneering mij niet weerhouden heeft dit geheele stukje te 
schrijven, is èn omdat ik voor mij zelf de overtuiging heb, dat ik, ten minste in die ge- 
vallen, die als grondslag voor verdere toeschrijvingen gebruikt zijn, met zekerheid het 
werk van Van der Voort mag herkennen, èn het vertrouwen dat, ook indien ik mij in 
die overtuigfng bedroog en er bij voorbeeld voor een groep met zekerheid een andere 
meester werd aangewezen, ik ten minste zoo groote overeenkomst zou hebben aangetoond, 
dat men aanstonds dezen onbekende in de naaste omgeving van Van der Voort zou 
mogen plaatsen en dus ook dan nog mijn werk niet vergeefs zou zijn geweest. 

Trouwens, ik kan niet genoeg nadruk leggen op wat ik reeds in den aanhef met 
andere woorden gezegd heb; indien, om een voorbeeld te noemen, het schutterstuk in 
's Rijks Museum, sSgf, niet van Van der Voort bleek te zijn, zoude die ontdekking van 
weinig invloed op het oordeel over de overige toeschrijvingen mogen zijn, maar indien 
ooit werd bewezen, dat de schilder der schutterstukken van 1623 een ander dan onze 
meester was, dan — ja, dan zoude ik zelf de eerste moeten zijn, om bijna alles prijs te 
geven, wat ik hier heb nedergeschreven. Even mogelijk evenwel als het is, dat ik mij in 
de toeschrijving van enkele dier vroege werken vergis, even onwaarschijnlijk komt het mij 
voor, dat ik en anderen, die met mij die stukken vandelaterejaren vergeleken, ons daarin 
zouden bedriegen ^). 

Ten slotte zij een woord van dank "gebracht aan al degenen, die zoo welwillend waren 
mij hunne familieportretten te laten zien en onderzoeken, mij de noodige bijzonderheden 
mede te deelen, en daardoor den eenigen weg tot deze uitkomsten voor mij openstelden. 



1 Een uitzondering maak ik voor de beide portretten bij den Heer van Loon van 1623, die niet in zoo goeden staat 
zijn als de overige portretten en waaromtrent de afwijkende vorm der letters van het opschrift thans eenigen twijfel bij 
mij opwekt. 



n CORNELIS VAN DER VOORT 

OVERZICHT VOLGENS TIJDSORDE VAN HET WERK VAN CORNEUS VAN DER VOORT 
feeb. 1567 t 1634) 



Met * lijn de stokken gemerkt waaromtreiit md «anwijdiig onafliaiikelQk van de wJjie Tan Echilderen beitML 



Schutterstuk, Rijks-Museum 389 
1610 Lieve van Loon van Jhr. W. VAN Loon. 

Schutterstuk, waarin de NlcOhA AS Rwcbtaer, Sc^e^fi c/ov. dotUn N* 19 (copie 
van N. R. bij Jhr. W. VAN LoON) ? 
' Corporaalschap ') van cap" Jonas Witsz, ten stadhuize no. 124. 

1614 Dirk Hasselaar en Bregje van Schoterbosch, Rijks-Museum. 

1617 Dirk Alewijn en Maria Schuurmans bij J. Ruston Esq. 

1618 Regenten van het Binnengasthuis, ten stadhuize N" 147. 
•1618 Regenten van het Oudemannenhuis, Rijks Museum jSgd. 

Regenten van het Rasphuis, Rijks Museum 389e. 
*l6i8 Ds. JacOBUS Roelandus, Rijks Museum. 

Joost Baeck en Magdaleka van Erp, in het Museum te Lyon n' 220 en 221. 

Boven niet vermeld! Zunder datum maar beide met familiewapens. 
Doelenstuk, Schoep, clov. doelen N^. 36 0/ 37, ten stadhuize N* 130 
1622 Mans- en vrouwenportret hij Jhr. Mr. H. Hoeüfft van Velzen. 

1622 CORNEUS PieterSZ Hooft, Aetatis Suae 76, gegraveerd door Houbraken, weleer 

in het Kon. Oudheidk. Gen.; boven niet vermeld! De letters als van VAN HOECK. 

1623 Corporaalschap van Cap'. Adriaan PiETERSZ Raep, ten stadhuize N° 128. 
„ Corporaalschap van Luit. PiETER Hasselaar, Rijks Museum 389c. 

1623 Hans van Loon en Anna Ruijchaver, bij Jhr. W. van Loon. 
NICOLAAS Tulp bij Jhr. Dr. J. P. Six. 
• 1624 Jan van Hoeck bij den Heer BiERENS DE Haan. 



1) AIb Tuiam voor een stullciseluk blijf ik Corforaalsekap van Qapittin verkiezen, uant al moge bel waar zijo; 

dat wij de kracht van die uildnikking niel volkomeo keniipn, ja, al zoude die lells oorspronkelijk niet volkomen juist lijn 
geweesi, verhei valent uiit en dit woord is in dic bcteekcnis geijkt door VAH Masues en Schrbvel, Yos en Vohum., 
ora enkel tijdgcnoolcn ie noemen. 




CORNELIS VAN DER VOORT. 



EEN NASCHRIFT 

DOOR 

R. N. DE ROEVER. 




^E uitmuntende studie van den Heer Six over het werk van dezen tot dusverre 
I onbekenden schilder, geeft mij aanleiding, om nog een kleinigheid aan 
' zijne biografie toe te voegen en tegelijk eene fout te verbeteren, wellfe 
I onwillekeurig in de levensbeschrijving des meesters {Qud-Holland III, 
bl. 189) is ingeslopen, door verwarring van twee acten, waarvan eene 
op CORNELIS en de andere op een zijner broeders betrekking hadden. Ik zeide, dat zijne 
huwelijksgeboden ook te Turnhout werden afgekondigd. Dit is echter het geval niet, en 
de gevolgtrekking, dat hij daarom geacht moest worden daar ter plaatse kort voor zijn 
huwelijk te hebben gewoond, dient nu als niet geschreven te worden beschouwd. De 
ondertrouw-acte vermeldt daarentegen, dat hij gedurende twaalf jaren, dus sedert ongeveer 
1586, inwoner van onze Amstelstad was. 

De Heer Breditis deelde mij nog het een en ander mede over 's meesters weduwe 
CORNELIA Brouwer. Het is niet onwaarschijnlijk, dat zij een dochter was van Jan 
Brouwer, gecommitteerde raad ter admiraliteit te Rotterdam. Tusschen September 1635 
en April 1629 vestigde zij zich op het Rapenburg te Leiden, wellicht omdat Hans 
LUCASZ VAN Beverwael, haar zwager, daar woonachtig was, zoowel als hare ongehuwde 
zuster Theodora Brouwer. De laatste had ~haar van tijd tot tijd met baar geld ge- 
holpen, en het scheen, dat Cornelia ten leste niet wel in staat was die geleende pen- 
ningen terug te geven, met dit gevolg, dat zij haar den geheelen inboedel, op ƒ 921 



24 CORNELIS VAN DER VOORT. 

getaxeerd, afstond, bij acte den 24 November 1632 voor den Notaris F. D. VAN Leeuwen 
verleden. 

Dat zij nog schilderijen uit de nalatenschap van haren man had behouden en 
diens voorliefde voor Mr. CORNELIS deelde, bewijst het volgende lijstje: 

Een schilderij wesende op coper gedaen van Mr. Cornelis van Haarlem 12 gl. 

Noch een schilderij sijnde een Vanitas, wesende principael 20 gl. 

Noch een schilderij van Agar, wesende een copye naer Mr. CORNELIS 8 gl . 

Noch 2 landschappen van Jan VAN Goyen ') 12 gl. 

Noch een schilderij naer een italiaense vrou, principael 12 gl. 

Noch een ovael, daerin geschildert is den Prins MAURITIUS 4 gl. 

Noch een schilderije van Prins Hendric, in een viercante lijst 4 gl. 

Noch een schilderije van een walvis, principael 20 gl. 

Noch drije tronieen in een bort, wesende copije naer Mr. CORNELIS. 8 gl. 

Noch een schilderije, wesende een bancketgen en copije 20 gl. 

Noch een schilderije, wesende een copije naer Frans Venant 30 gl> 

Noch een schilderije, wesende een copije naer de voorz, Venant 20 gl. 

Twee lacherkens 11 gl . 

Een stuckgen van Andromeda 4 gl . 

Noch 3 tronyen, Vcnus, Juno en Pallas 12 gl. 

Noch 2 stuckgens van een genaemt Mars en Venus lO gl . 

Noch een bancquetgen 8 gl , 

Noch zes conterfeytscis 6 gl . 

Noch een Maryenbeeft 6 gl . 

Opmerkelijk is het, dat de copiën naar Fran\ois Venant hooger werden gewaar- 
deerd dan de zoozeer geSchte stukken van en naar CORNELIS VAN Haarlem. 

Men heeft mij wel eens gevraagd, of de in 1648 in 't Delftsche gild ingeschreven schilder 
CüKNELlS VAN DEK VooRT een zoon van onzen meester zou geweest zijn. De testamenten 
èn van Cornelia Brouwer, èn van de zes nagelaten dochters bevestigen dit echterniet. 



)) Uit is vroeg! VÓ61 of 163» noe Ie Leiden seEcbildtrd 





EEN OVERIJSELSCH ALBUM AMICORUM DER ló"^ EEUW. 



DOOR 

Dr. G. kalf f. 




j9ET mag een verblijdend verschijnsel heeten, dat men in onzen tijd 
allerwegen het nut van provinciale en stedelijke musea begint in te zien . 
I Hoe licht blijlt daardoor voor de belangstellenden bewaard, wat bij gebrek 
^ aan zulk een wetenschappelijk „depot" buitenslands geraakte en hoe vee 
wordt voor elk toegankelijk, wat vroeger slechts aan weinigen ter be- 
zichtiging gegund werd ^). 

De Tentoonstelling: van Oudheden te Zwolle gaf eenigen tijd geleden den stoot 
tot de oprichting van een Museum te dier stede. Bij een bezoek aan de reeds nu merk- 
waardige verzameling, die onder meer ook eenige stukjes van Hendrik AverCAMP telt 
werd mijne aandacht getrokken door een boekje, dat bij nader inzien een in het laatst 
der i6de eeuw geschreven „Album Amicorum" bleek. 

De eigenaar van het album schijnt tot het adellijke geslacht van Besten te hebben 
behoord; hij stond in betrekking tot verscheidene bekende Overijselsche geslachten, als: 
VAN HAERSOLTE, van DEDEM, VAN VOORST, DE VOS VAN STEENWIJK e. a. Ook vindt 
men in het boekje onderscheidene ridderwapens, als dat van VAN Besten, Lanscroon 
DiEPENBRocK, Delen, Echten. De familie van Besten bleef R. K. met uitzondering 
van een paar leden. Hunne havezate was Mennigeshave bij den Ham; het geslacht komt 
in Twenthe voor, 

1) Men kan hierin echler te ver gaan. lOoals mlf een vangen lomer bleek: 

dat men hel .jtokske' van Oldbnbarkeyclt bewaart (lïe; Vondel ed. v. Lbnhep (II, 314) — wie zon bet 
wraken P Dal men te Amhem in een Miuenm van Oudheden den stok van Mr. Dullbrt bewaart, mag, bij alle achting 
*00T wijlen den er-president der Tvreede Kamer, zeker een wissel op de toekomsl faeeten. Kwam het slechts op den lijd 
aan, dan lou dit welvarende, deftige bamboes over een paar eenwen lijne plaau wel verdienen. 



26 EEN OVERIJSELSCH ALBUM AMICORUM DER lóo» EEUW. 

Vele der liederen en spreuken, welke het boekje bevat, zijn in het Duitsch ge- 
schreven, andere in het Fransch; hier en daar treft men eenige Italiaansche regels aan. 
Sommige liederen en „inscriptiën" — als ik ze zoo mag noemen — zijn in het Neder- 
landsch geschreven; de taal van andere is zeer sterk Duitsch getint. De verzameling telt 
verschillende geestelijke liederen en gedichten; meerendeels werden deze door vrouwen 
en jonkvrouwen geschreven. 

Op de keerzijde van het eerste blad leest men: 
Adolphe vhan Besten 

En Esperance Constance 
Anno 1596 

Sic hic vive ut 
postea vivas. 

Weer mi gift schoene wordt unt meent sye nicht 

lek hoer sye wol unt geloeve sye nycht. 

Synt sye dan geloegen soe syn yck noch un-Bedrogen i). 

Ik laat hier nu volgen, wat ik in den korten tijd van mijn bezoek aan het Museum 
der Overijs. Ver. heb opgeteekend: ') 

Nulle rosé senza spine. 

Adolph Conte de Bentheim. 



Doen die trouwe was ghebooren 
doen vlochse in eens Jaghers horen 
daer lach sy soo langhe in en wies 
tot dat den Jagher synen horen blies 
doen vlochse soo verre met den winde 
dat ick lutter oft weynich trouwe vinde. •) 

Post nubela Phebus 
P. C. V. B. 



i) In een bundeltje kleinere stukjes ter Leidsche bibliotheek aanwezig en gedrukt: ^toe Reesz by my Derick 
WijLicx VAN San'TEN, anno 1584, lees Ik het volgende hiermede eenigvzins overeenkomstige versje : 

Die my rait schoone woorden dient, 
Ende mitter herten niet en mcynt, 
Dien wil ick weder leenen 
Schoone woorden sonder meenen. 

2) Gaarne betuig ik hier nog eens mijnen dank aan het bestuurslid der Overijs. Vereeniging, Mr. Bijsterbos, voor 
de heusche ontvangst te zijnent en voor de welwillendheid, waarroede hij mij in staat stelde, het „album** te gebruiken. 

Ook aan den archivaris van Overijsel, Mr. J. J. van Doorninck breng ik hier mijnen dank voor de nasporingen 
welke hij te mijnen behoeve deed. 

3) Deze regels vindt men ook in „Den Regel der Duytsche Schoolmeesters door Dirck Adruensz 

Valcooch 1591, bl. 127. 



EEN OVERIJSELSCH ALBUM AMICORUM DER i6de EEUW. 27 

Nu wyl yck syngen unt heven an 
dat yck doch nou vul brenggen kan. 

etc. 

Myt einem becummerten hertzen wyl yck godt ropen an 

etc. 

lek sach en mhal ene wunderschone maget 

etc. 

VAN Dedem. 



Op de wijze : Fortuun Eelas paurquoL 

Hoe zijt ghy t*aller stont 
Lieff op my dus ghestoort? 
Met een dootelijck woort 
Hebt ghy mijn hardt deurboort. 

etc. 



EIJN NIEU LIT. 

Als de eckelen rysen (1. ripen) soe mest de boer desvyn 

lek heb eyn vilt gescoetten 

Het hef my soe lan(c) verdroetten 

By de lyfde en mach ick nit syn. 

Dat vilt dat yck gescoetten heb 
Dat is noech hase noech vilt koenin. 
Het is de moergenstem 
Bruun ogen sijn ick soe gem 
Mijn lifvekens klaer angescin. 

Het (sou) eyn suiverlicke savons gaen om vijn 

Savons wel alsoe late 

Den ruitter quam har te spraeke 

En sy hit hem eer villecome sijn. 

Hy nam de suyverlicke al by de vitter hant 

Hy Betten se an syn syde 

Vat hy dede sy moesten(t) Uden 

Har erken en durden nit lanck. 

Maer doe den stolt ruitter syn ville hadde gedaen 

Hy seyde vel scoen yuncvrouwe 

Hat gy u erken behouven 

Ghy moegct vel te huusvart gaen. 

Vaer sal ick henne rijden vaer sal (ick) hene gaen 
Hat ghy my mach(t) gelatten 
En macdeken van der stratten 
Gy hat vel beetter gedaen. 



28 EEN OVERIJSELSCH ALBUM AMICORUM DER i6i>» EEUW. 

Hat yck u inach(t) gelaetten en macht soe ick u vant 
Gy sit soe fir al boeven schreven 
Gy vaert gen macht gebleven 
Vant den soemer is noch lanck. 

De macht de kerde omme, enen ganck sy ys gegaen 
Sy ginck haar moeder sagen 
Ofte sy over den ruitter wilde klagen 
Want hy hadde haer groet leit gedaen. 

etc. ') 



EIN AMOREUS LIT. 

Gequest byn ick van bynnen «) 

Doerwont myn hart soe ser 

De strale van harer mynnen 

Stoert my hoe lanx hoe mer 

Maer vat vil ick troest sucken soe ver 

Ick vinde myn(s) lijdens gyn verdrach 

Scoen Hf voer ick my hen kere 

Gy sit allein de my troest geven mach. 

U goenst heft my getogen 

Gebrach(t) in svar verdrit 

Slaet op my u oegen 

Mijn lidcns dnick ansit 

Gy boeget myn hart al vart en Rit 

Van(t) ick noeyt gin Lifver en sach 
Och var ick komme het is al om nit 

Gy sit allein etc. 

Ein hart vervult met Liden 

Drach ick hort nu certein 

Het roept tot allen tiden 

Och vacr ick u met u allein 

Och moecht dat wesen ho edel grein 

Soe Hf vaerre mijn geel ach 

Mijn lifkens oeckens klaer. 

Gy sit allein et. 

Recht als een roes ontloeckcn 
Soe staet mijn hoepen na dy 
Hat ick u Hf ontloeckcn 
Soe war mijn harte vrij 
Ick suchte ick duchte veel drucs ie lij 
Om u soe peins ick al den dach 
Al veinst ghij Hf u hart voer mij 
Gy sit allein etc. 



i) Vgl. Horae Beigicac II, No. 78. 

8) Denzclfden aanvang heeft et bekende lied, dat voorkomt in! Horae Beigicae II, No 97, waarvan slecht één 
couplet bekend is. 






.J.L.L. 



«i.^..^ 



,^tJM 



-"'* -■^'^'^"^ - 



^ 



EEN OVERIJSELSCH ALBUM AMlCORUM DER ióde EEUW. 



29 



De overige coupletten schreef ik niet over ; hier moge slechts het laatste volgen : 

Ay lif mijn troesterinne 
Helpt my dragen den svaren last 
Den knoep van hoefscer mynnen 
Laet emmer boeiden vast. 

Dat Q& van u noet my te gast * 

lek vil betalen m^n gelach 

Daer in te liegen beb ick gepast 

Gy sit allein die my troost geven macb. 

D WITT. 



EEN ANDER LIT. 



Vroeu ma(n)ne lat u scynnen staen i) 
De licte dacb komt onverboergen 
Hy seyde scoen lyf het ys ken dacb 
Daer toe kein lieten moergen. 

De nacbtegael sinct baeren sanck 
Sy kan baer tonge niet bedvingen 
Hy seyde scoen lif komt bijr to micb 
Wy twey willen vroende bantiren. 

Hy leyde sin armkens in de mijn 

Daer in gbinck by liggen rusten 

Das was sin barte ein medesin 

Rick goet wat macb de alderliefste lusten. 

Hy legde sijn boevet op mijn borst 
Mit armen omvangen 
Bedecket mijn er, dat bit ick dy 
Mijn er boven alle dingen. 

Och dat vil ick scr geme doen 
Ein bloeme boven alle vifven 
Soe lange ons goet mijn leven spart 
Sutty de allerlifste biiven. 

Dy ons dit liddeken ersma] sanck 
Hy bef bet alsoe wel gesongen 
Hy bef syn scoene boeck gedict 
Goet scende de valsce niders tongen. 



godt boeven al 



ynt eeuycb getrou 
derck van bryenen. 

Anna van Voerst. 



In zijne lijst van „Liederanangc" {Hor, Belg, II, XXXI) neemt H. v. F. ook op: „Nu, mane, Iaat uw schijnen 
staen" (163 1) blijkbaar is dit ons lied. 



1 



80 EEN OVERIJSELSCH ALBUM AMICQRUM DER i6de EEUW 

Marya van Voerst is myne naem 
Yck soeck voer ryckdom eer en faem 
Ryckdom can men crijghen 
Als den onvroomen moet svijghen. 



lijdt mijt unt fordrage 
an godes genade nycht forsage 
gelucke kumpt alle dage. 

Marija van harsolte. 



Ach edel mensche siet met medeleden hier op mij 
bespot bespoghen was ick seer versmadelyck om dy 
Croone moste ick draghen als elck mensche wel weet 

etc. 



(Waarschijnlijk bij een Ecce Homo.) 



EEN AMORUES LIEDEKEN. 

Cupido trionfant aenhoort mijn lammenteren 
Mijn schonllef seer plesant wilt my abandoneren. 

etc. 

Dat Jonge hertc mijn 
Dat lijt sware pijn 
't Gesdet om der liefde wille 
Daerin can mijn niemant stillen 
Dan die herts alderliefste alleyn 

etc. 

J. VAN DER Does. 



halt dich rein 

achte dich klein 

si gerren allein 

mach dich nicht zu gemein. 

mit scrivers ^) 

Eva van Depenbroeck. 



1) Deze woorden (mit scrivers) zijn door eene andere hand (die van A. van Besten?) geschreven tusschen het 
vierregelig versje en de onderteekening. Ik vermoed dus, dat deze Eva een appeltje te schillen heeft gehad met haar 
„scriver". Op haar zouden dan liederen toepasselijk zijn, gelijk men ze aantreft Nor, Belg. II, No. 34 en Antwerfsch 
Liedeb. No. 152; het laatste vangt aldus aan: 

Te Gherbeken binnen daer staet een stenen huys, 
Daer rydt alle daghen een edel lantsvrouwe uyt. 
Si rydt uit alle daghen, 

Selve heeft si een so goeden, ghetrouwen man, 
Die clerc, die schriver stont in haer behaghen. 



EEN OVERIJSELSCH ALBUM AMICORUM DER i6d« EEUW. 31 

1596. Vertu passé tout. 
Eva geboren Dochter zu Inhausen und Kniphausen Frewlin zu Eltem und Vogelsanck. 



parlar poco far assai. 

GOTTHARD KETTLER 

Lagac (?). 



Ghi caval non ama 

ni belle donne brama 

ni spada, codard si chiama. 

GoswiNUS Kettler 
Lage 1598 April 14. 



CHANSON. 



Tu n'auras pas de moy ton esperance 
Sy je ne voy en toy de la constance 
Amour se doit gaigner par patiance 

Tu aspires trop tot a ceste affaire 
Pour bien aimer il fault qu*on persevere 
Aus espris trop boillians rien ne prospere. 

etc. 

Je ne changeray d'opinion 

Reindt de vos van steenwick 

1599- 



Wer godt vertrout 
der hat woU gebout. 



CORNELIA VAN DEN RUITENBERCH . 



Si ma metresse estoit diablesse 

de bien bon coeur 

ie vouldroie estre lusifer. 

GASPAR PENASSE. 



EEN OVERIJSELSCH ALBUM AMICORUM DER i6i» EEUW. 



O dura cosa d'a 

Perdcr il tempo et non esser amati 

Mïjn gheluck is aisoe 

Wat ick dorsche dat is stroe 

Wat ick wanne dat is kaf 

Waer ick coemc bin ick schaf af. 



Vcrtu engendre llionneur, 
FRAN901S DE URIA. 



Amour nes auttc 
que baisei I'iui lantre. 



Eene andere hand schreef hieronder: 



In quem anima Daphnidis iuxta Pytbagoram transivit. Daphnïs amoureux lequel penA 1'extreme 
iouisêance d' Amour aux seul baiser sa maitrcsse Cbloc n'ayant cogneu 1'autrc plus grand etexcellentplaisir. 




JOANNES CABELJAUW. 

De eerste Hoogleeraar in de RecUtsgeleerdUeid te Amsterdam. 



DOOR 
E. W. MOES. 




3NDER de vele Vlamingen, die zich reeds vóór het eigenlijke begin van 
den tachtigjarigen oorlog naar de Noordelijke Provinciën begaven, behoort 
ook de Gentenaar JOANNES CabELIau. Omstreeks 1567 vestigde deze 
zich met zijne vrouw, Anna van der Brugghen, die hem 1571 een 
zoon Abraham schonk, in Leiden, en ook hij behoorde tot die beruchte 
Vlamingen, die Leicester beheerschten en wederkeerig door den Engel- 
schen landvoogd beheerscht werden. Zoo kwam het, dat zijn naam ook genoemd wordt 
bij het verraad van CosMO DE Pescarengis ^). 12 Oct 1587 leidde hij een vergadering in 
de herberg „De Dondercloot", waar ook zijn broeder bij tegenwoordig was. Op het be- 
richt, dat de ouderling Valmaer gevangen genomen was, ging de vergadering uiteen, en 
zocht ieder een goed heenkomen. Cabeliau ontmoette op zijn vlucht te Woerden den 
schoolmeester JACOB CORNELISZ en den houtkooper JACOB VredERICSZ, en gezamenlijk 
zetten ze toen hun vlucht voort naar Utrecht, waar ze ook nog Hendrik van Soest en 
professor ADRlANUS SaraVIA aantroffen. Aanstonds begaven de samenzweerders zich 
naar Leicester, die hen gerust stelde en zijn hulp beloofde. Daarom maakte CabeliAU 
weer aanstalten, om naar Leiden terug te gaan. In Koudekerke aangekomen, stuurde hij 
zijn zoon, predikant te Kudelstaart, op verkenning vooruit, maar nog vóór deze weer 

1) Dl. W. Bisschop. Dc uiailingiH dtr Lticeittricke partij ümien Ltidt», 1586 at 1587. Ijlden, 1S67. 40, 



34 JOANNES CABELJAUW. 

teruggekeerd was, kwam er reeds een bericht van zijn vrouw, die in Leiden gebleven 
was, dat het in de stad niet veilig was, waarop hij weer naar Utrecht de wijk nam. En 
zijn vrouw had goed gezien, dat de Leidsche vroedschap de zaak ernstig opvatte, want 
14 en 15 October werd Cabeliau ingedaagd, en 17 October werden er zelfs brieven aan 
de Staten van Holland en aan verschillende steden geschreven, om uitlevering te vragen. 
Nadat hij 30 Oct. ten derde male was ingedaagd, zond hij 13 December een brief ter 
zijner verdediging in, maar het beroep op de goede diensten, voorheen door hem aan 
Leiden bewezen, vermocht niet de vroedschap zachter te stemmen. Ten minste, 13 Jan. 
1588 werd hij veroordeeld: „op een horde gestelt ende daer mede gesleept te worden 
tot opte plaetse voor Sgravensteen, daer men gewoonlicken is straffe te doen over de 
boosdaders, vorder dat de twee voorste vingeren zullen werden affgehouwen, dat hij 
aldaer gerecht sal werden mitten zwaerde, datter die doot nacr volcht, dat tdoode 
lichaem naederhant gequartiert ende de vier deelen mit thooft daer naer gestelt sullen 
werden op elck van de vyff poorten deser stede." Daar hij niet kwam, om deze straf 
te ondergaan, werd hij ten eeuwigen dage op lijfstraffe verbannen en zijn goederen ver- 
beurd verklaard. Toen volgde hij met vrouw en kinderen Adolf VAN Meetkercke naar 
Engeland, waarheen ook professor Saravia zich gewend had. 

Cabeliau vestigde zich te Meston, maar zijn zoon Abraham, die i 590 in Engeland 
getrouwd was met Maria van Leest, zocht spoedig zijn vaderland weer op en wordt 
29 Mei 1591 poorter van Amsterdam^), Het tweede kind, de eerste zoon, die ABRAHAM 
in Amsterdam geboren werd, kreeg den naam zijns grootvaders JOANNES, en zag 1600 
of 1601 het levenslicht. 

Toen 1603 en 1605 een Zweedsch gezantschap in Holland was, om hetnoodigete 
verkrijgen voor het onlangs gestichte Gothenburg, bewees zijn vader, inmiddels een rijk 
koopman geworden, den gezanten hierbij de grootste diensten, en besloot zelfs, met zijn 
geheele gezin naar Zweden te verhuizen, waar hij zich al spoedig de gunst van koning 
Karel IX verwierf. 

1607 benoemde deze hem tot Directeur van den Zweedsch-Persischen handel, 1608 
tot Directeur der mijnen bij Gothenburg en tot Directeur van de munt, en 1609 tot 
burgemeester van Gothenburg. 30 Oct. 16 ii stierf de koning, doch diens opvolger, 
GusTAAK Adolf, was Cabeliau niet minder gunstig gestemd. 161 2 benoemt hij hem 
tot Commissaris -Generaal bij het regiment van Kolonel MONNICKHOFFEN, in het volgende 
jaar wordt hij zelf in diens plaats aangesteld als opperbevelhebber van de vloot, die tegen 
de Denen werd uitgerust. Eindelijk verheft de koning zijn gunsteling 161 5 nog tot 
Directeur-Generaal der eerste kopermijn-compagnie in Zweden. 

Inmiddels was er een al te intieme verhouding ontstaan tusschen GUSTAAF AdoLF 



1) Uere Abraham Cabeliau moet niet verwiud worden met zijn tijd- en naamgenoot, die 1617 een „RtkcMJtonsi van 
dt iiroote Zeevaeri" uitgaf. Deze was boekhouder te Amsterdam. Zijn moeder heette Susanna van QuickelbergH en 
zijn vrouw Petronella Pluympot. 



JOANNES CABELJAUW. 35 

en Cabeliau's oudste dochter Margaretha (later gehuwd met Slotz), 

zoo zelfs, dat zij den koning, hem op een krijgstocht in Lijfland vergezellende, een zoon 
schonk, later bekend onder den naam van GUSTAAF, graaf van Wasaborg. Waarschijnlijk 
om deze reden verliet ABRAHAM 1617 Zweden, en vestigde zich wederom te Amsterdam. 
Zijn zoon, reeds door Karel IX tot letterkundige studiën aangespoord, werd te Harderwijk 
ter schoole besteld, en kwam daar onder leiding van JOANNES LaVINIUS en JOANNES 
WOLPHIUS. Twee jaren lang bezocht hij die school, en woonde er aan huis bij Bartho- 
LOMAEUS Baccovius. Van zijne studiën legt ÖACCOVIUS een glansrijk getuigenis af. Toen 
deze nl. gehoord had, dat ABRAHAM Cabkliau van plan was de wetenschappelijke loopbaan 
van zijn zoon af te breken, en wilde dat hij zich in den handel zou begeven, schreef hij ^) 
12 Febr. 1619 den ouden Cabeliau een brief, waarin hij hem met aandrang zijn voornemen 
ontried, daar hij, nauwkeurig met zijn zoon bekend geworden, bemerkt had, dat JOANNES vol- 
strekt niet geschikt was voor zijns vaders beroep, wel der wetenschap nuttig kon zijn. 

Maar de Amsterdamsche koopman liet zich zoo gemakkelijk niet bepraten. Zijn 
zoon kwam werkelijk in het ouderlijk huis terug, en was twee maanden later nog onzeker 
over zijn naaste toekomst. 20 April klaagt hij zijn nood bij zijn vriend JOANNES VOETlüS, 
en verzoekt hem dringend, hem bij te staan, in zijn verzet tegen 's vaders plannen. En 
VOETIUS vermocht meer dan BACCOVIUS, want reeds 6 dagen later schrijft de jonge CABEL- 
JAUW hem in een opgetogen brief, dat hij eerstdaags naar Leiden zal gaan, om daar kamers 
te huren. Van dien tocht doet hij 3 Mei, toen hij juist weer in Amsterdam teruggekomen 
was, een verhaal aan VOETIUS. Slechts noode had hij er toe kunnen overgaan, kamers te 
huren ; zulk een slechte indruk had het studentenleven op den eerzamen gymnasiast gemaakt, 
en hij hield het bijna voor onmogelijk, te midden van al die drukte, rustig te kunnen 
werken. Eindelijk was hij echter bezweken voor de raadgevingen van zekeren Melichius, 
en had hij toch dien stap gedaan, toegerust met de beste voornemens, om ingetogen te leven. 

15 Mei betrok hij zijn nieuwe woning en nog denzelfden dag schrijft hij zijn vriend 
JOANNES Cassandrius dat hij al druk aan het studeeren is, maar we zullen wel niet te veel 
waarde moeten hechten aan zinsneden als deze : „Noctes diesque Senecam legendo tero". Trou- 
wens hij zelf slaat weldra een ander boekje van zich open. Aan VOETIUS, tot wien hij overi- 
gens in al zijn brieven meer als tot een vertrouweling schreef, klaagt hij twee dagen later reeds 
over eene ongesteldheid, die niet in het te harde studeeren zijn oorsprong kan hebben gehad. 

Reeds aanstonds trachtte hij zich bij bekende Leidenaars aan te sluiten: „haec 
enim recta inclarescendi via", en men mag aannemen dat hij met ernst zijn studiën aan- 
vatte, om, zoo hij 22 Mei aan VOETIUS schrijft, de toegevendheid zijner ouders niet te 
beschamen. Hij was dan ook uiterst ingenomen met het onderwijs: „Hic, hic sunt 
scientiarum omnium sedes-. . . Hic omnes facultates florent . . . Numquam crédidissem 



1) Aangehaalde brieven, die niet in de twee bekende verzamelingen staan, bevinden zich in de verzameling hand- 
schriften der Leidsche bibliotheek. 

5* 



36 JOANNES CABELJAUW. 

hanc nostram tam celebrem fuisse Academiam". Vooral over Heinsius, die toen juist 
Tacitus aan het verklaren was, en dien hij dagelijks hoorde, is hij verrukt Zeer bescheiden 
voegt hij er aan toe, dat hij niet gelooft, ooit zoo beroemd te zullen worden. Een brief 
aan ViSSERUS van 27 Mei is bijna geheel vol over Heinsius ; van alle faculteiten volgde 
men zijn colleges, zoowel Theologen en Juristen, als Medici. Ook wanhoopt hij er niet 
aan, persoonlijk met den grooten meester kennis te maken, steunende op de vriendschap- 
pelijke betrekkingen, die zijn vader met hem gehad had. 

Ofschoon 26 Juni als student in de juridische faculteit ingeschreven, liet hij zijne 
Juridische studiën door Litterarische voorafgaan. In den zomer vervaardigde hij zelfs een 
stuk y^Agrippinci\ dat hij aan zijn vrienden rondstuurde, doch waar ik verder geen spoor 
van heb kunnen vinden. Ook zou hij zich gaarne op de Theologie toeleggen, maar hier 
verklaarde zijn vader zich sterk tegen. Dat belette hem echter niet, bijzonder veel werk 
van de Philosophie te maken, waarbij Seneca zijn lievelingschrijver was : „In Senecam 
pergo...» Imo et pergam, donec vivam" schrijft hij 10 Sept. aan Marcellus SladuS. 
10 Nov. stuurt hij Casparus Wallius weer eens een zijner lettervruchten: y^de brevüate 
vitaé\ en twee dagen daarna klaagt hij bij VOETIUS, dat door ernstiger studiön, zijn dichtader 
aan het verdrogen is. Toch bericht hij 19 Jan. van het volgende jaar JOANNES Cassandrius, 
dat hij nogmaals een stukje „öfe tranquillitate animt^ geschreven heeft, waar bij hij later 
nog hoopt te voegen een verhandeling „öfe beneficiis^\ en 17 Febr. vinden we hem hier ook 
aan bezig. 13 Maart schijnt hij eindelijk eens met de Juridische studiën te zullen beginnen. 

Inmiddels was het hem gelukt met HEINSIUS bekend te worden; ten minste, toen 
hij 4 Sept. in Amsterdam was, ontving hij van hem een brief. Met zijn Juridische studiën 
maakte hij goed voort, zoodat hij zich na eenige maanden „J. U. Candidatus" kon noemen. 

Een weinig hierna vatte hij het plan op, 100 zijner brieven uit te geven, met welk 
plan SiXTUS Amama hem 30 Maart 1623 geluk wenscht. De toebereidselen werden 
langzamerhand gemaakt. 24 Juni schreef Petrus Gruterus er een opdracht voor, toen 
hij plotseling het denkbeeld opvatte, weer naar Zweden terug te koeren. Hier kwam 
echter niets van. Veeleer vinden we hem weer ijveriger dan ooit aan de rechtsgeleerde 
studiën. In een verkeerd gedateerden brief (25 Aug. 161 3) wenscht WOLPHIUS hem er 
geluk meé, dat hij cum laude zijn stellingen verdedigd heeft. Toch denkt hij er nog 
steeds over, zijn fortuin in Zweden te gaan zoeken. Amama stelde hem in kennis met 
Hector Bouricius, die hem 26 Aug. goede hoop geeft, bij GUSTAAF Adolf vooruitte 
komen, en reeds draagt hij zijne brieven den Zweedschen koning op. Om zeker 
te zijn dat op die opdracht niets is aan te merken, zend hij haar eerst ter beoordeeling 
aan Amama, die haar 16 Sept. weer terugstuurt, en haar erg mooi vindt : „si necdum 
doctoren! te renunciavit Academia attamen titulo istro rplg %ad rérpx%tg dignus es*'. Eerst 
19 April 1624 kon Amama hem werkelijk Doctor noemen, en met een eervol getuigschrift, 
onderteekend door Petrus Cuxaeüs, Everard Bronchost, Cornelis Swanenburgh en 
JOHANNES Lynderhuvsen, verliet hij 6 Juni de Academie. SiBRANDUS LUBBERTUS en 



JOANNES CABELJAUW. 87 

ISAAC PONTANüS maakten een gedicht op zijn promotie, en Heinsius stuurde er zelfs 
een vers over aan Gustaaf Adolf. 

Gedurende zijn studententijd had hij veel met zijn gezondheid te worstelen gehad^ 
en herhaaldelijk klaagt hij daarover in zijn brieven. Febr. 1620 vond hij het zelfs geraden 
Professor REINIER DE BONDT over zijn toestand te raadplegen. 

Spoedig aanvaardde hij zijn reis naar Zweden. Op zijn vertrek maakte HENDRIK VAN 
Delmenhorst nog een gedicht. Omstreeks denzelfden tijd riep GuSTAAF Adolf ook zijn 
vader weer tot hoogere ambten uit Amsterdam terug, die er dan ook over dacht weer te 
gaan, zooals zijn zoon aan VOETIUS schrijft. Zijn vader aanvaardde werkelijk wederom de 
reis naar Zweden, en werd 1624 benoemd tot Verantwoordelijk Directeur van de Rekenkamer. 

In Zweden aangekomen, ordende JOANNES zijn brieven. In twee afdeelingen zou 
het boekje verschijnen, eerst 100 brieven van hem, en dan als Liber Adoptivus, eenige 
brieven en verzen aan hem. i Maart 1626 komt hij er rond voor uit, dat een der redenen 
voor de uitgave wel was, dat de wereld zou kunnen lezen, dat hij met de voornaamste 
mannen in betrekking stond. 7 April richtte hij zijn voorrede tot den koning, en zoo 
werd zijn eerste werk, nog opgeluisterd door een klein gedichtje van LUBBERTUS, de 
wereld ingestuurd: y^Johannis Cabeljavii y, U. D. Epistolarum, centuria prima, ad 
invictissimum Gustavum Adolphum^ serenissimum Sueciae regem^ etc. Adjuncto libello 
adoptivoy in quo ad auctorem doctorum virorum aliquot epistolae testimonia^ atque carmina. 
Item, Duplice annexo indice. Holmiae, Sumptu auctor is, Praelo Reusneriano CIDI^CXXVT.*' 
kl. 8®. Tot belooning schonk Gustaaf Adolf hem een ridderorde, die volgens erfenis 
langs vrouwelijke linie in het bezit gekomen is van Jhr. BEELDSNIJDER. 

Nu verliezen we hem eenige jaren uit het oog, totdat we hem in de eerste maanden 
van 1629 weer in zijn vaderland aantreffen. 26 Maart van dat jaar wenscht Amama hem 
geluk met zijn terugkomst. Ofschoon hij zich 24 Maart nu als Dr. nog eens te Leiden 
liet inschrijven als student in de rechtsgeleerdheid, vestigde hij zich in den Haag als 
„Advocaet voor den Hove van Holland", en woonde er „in de Spuijstraet over de 5 
Orangie-appelen". Hier opende hij weer met allerlei geleerden correspondentiën. Zoo 
bood hij zijn bundel brieven BarlaeüS ten geschenke aan, en opende op die wijze 22 Juni 
met hem een briefwisseling. Barlaeus ging in op de hem aangeboden vriendschap, en ant- 
woordde hem zoo spoedig, dat Cabeljauw reeds den 28sten weer een brief terug kon sturen. 
Ook met Zweden brak hij zijne betrekkingen niet af, en in zijn laatsten brief aan Barlaeus 
zegt hij zelf, dat hij binnen kort, aan Oxenstierna en aan den koning zal schrijven. 

Spoedig begeeft hij zich voor een korte wijle naar Amsterdam, om de vriend- 
schapsbanden met Barlaeus nog vaster aan te halen. Alom werd hij geöerd. ^ PUTEANUS 
drukte 3 Oct zijn bewondering op de volgende eigenaardige wijze uit: „Barbarus sim, 
ac planè elephanti corio circuiiilectus, nisi inter decora te saeculi nostri censeam." Wat 
zijn bezigheden in die dagen betreft, vinden we hem weer in een geheel andere studie 
verdiept. 13 Jan. 1630 toch bericht hij aan Barlaeus, dat binnen kort van hem zal 



38 JOANNES CABELJAUW. 

verschijnen een vertaling in het Latijn van POLYANDER's: y.Over den sesden Psalm, 
Amst, 1628" I2^ Dit zal wel zijn: ,,Mediiationes sacrae in Psalmtim VI. L.-B. 1630", 
12% een boekje dat ik wel vermeld vond, doch zelf niet in handen heb kunnen krijgen. 
Verschenen is het zeker, want 7 Mei zegt Barlaeus het gelezen te hebben i). 

Uit een brief van Dan. Heinsius, 9 Aug. 1630, blijkt dat Cabeljauw omstreeks 
dezen tijd, zoowel aan de Leidsche Hoogeschool, als te Dordrecht pogingen aanwendde, 
om een aanstelling te krijgen. Heinsius belooft hem voor Dordrecht bij Adriaan VAN 
BlijeNburg aan te bevelen, die echter spoedig daarna stierf 

Inmiddels maakte hij weer een tweede verzameling brieven voor den druk gereed 
4 Nov. verlangt JACOBUS Crucius er reeds naar, en in het begin van 1631 verscheen 
het werk, met een opdracht aan Dan Heinsius van 20 Jan. : ^^Johannis Cabelaviü y. U. 
D, Epistolarum Cenitiria Secunda, ad Nobilissimum et Amplissimum Virum Danie/em 
Heinsiwn. Adjectum est insupcr Corollariiim Epistolicum, Hagae-comitum, Typis Tosti 
Ockersonii CIDIDCXXXiy Dit CoroUarium Epistolicum bevat een reeks brieven aan 
JUSTUS Caecilius Puteanus. Deze uitgave werd o. a. door ISAAC PONTANUS bezongen. 
In den titel is niet vermeld, dat zich achter dit CoroUarium Epistolicum nog een aan- 
hangsel bevindt, dat 's mans karakter op een kenmerkende wijze aan het licht breng^t. 
Het is een ^^Johaniiis Cabeliavii Litterartim Amicortim Series'^ De wereld moest het nu 
eenmaal weten en gedrukt lezen, met wat voor beroemdheden onze CabeljAüW omging. 
Deze alphabetisch gerangschikte lijst bevat dan ook niet alleen de namen van buiten- 
landsche staatslieden als graaf Abraham Bhra en Axel Oxenstierna, maar vooral 
ook Nederlandsche geleerden. VORSTIUS, RiVETUS, Thvsius, Walaeus, SalmasiuS, 

HoMMius, GOMARUS, Baudartius, Metius, Triglandius, Erpenius, Sladüs, Schre- 

velius, zij vormen slechts een zeer klein gedeelte der breed aangelegde „Litterarum 
Amicorum Series". Maar al overschrijdt die lijst verre het getal lOO, nog is CabeLJAUW 
niet te vreden. Reeds 19 Nov. van het vorige jaar had hij Barlaeus verzocht hem bij 
Huygens aan te bevelen, en nu biedt hij 3 April 1631 zijn laatste pennevrucht deu heer 
van ZUYLICHEM aan, die hem 14 April in een vleiend schrijven bedankt 

Reeds zijn vader, ABRAHAM Cabeliau, had pogingen gedaan, om zijn adellijke af- 
komst erkend te zien, en 27 Mei 161 1 schrijft deze aan zijn broeder JOHANNES Cabeliau, 
koopman te Dordrecht, of deze, als hij naar Gent gaat, daar eens moeite voor wildoen, en 



1) In de verzameling handschriften van de Bibliotheek van de Koninklijke Academie van Wetenschappen te Am- 
sterdam is een brief van Cabeijauw a;ui Constantijn IIlygens van i Juli 1630, doch deze brief moet bepaald als onecht 
verworpen worden. Kr bevindt zich namelijk de voljjendc opeenstapeling van onmogelijkheden in. Ten eerste het feit 
dat Cahkljauw i Juli 1630 een vertrouwelijken brief aan IIuy(;enh schrijft, ten\ijl hij 19 Nov. van dat jaar aan BARLAEUS 
verzoekt hem eens bij HuYüENS aan te bevelen. Dan is de b.ief geschreven van Leiden uit, terwijl hij toen in den Haag 
woonde. Hij spreekt er in over een brief van Chii tletil'S dien hij eerst 18 Mei 1631 ontving, en over het adelsdiploma 
van de stad Gent, dat eerst 12 Juni 1631 afgegeven werd, en eindelijk wordt de geheele zaak van Nuckle behandeld, die 
eerst in de helft van 1633 voorviel. Voegt men hier nog bij, dat de geheele brief in zeer eenvoudig Latijn is opgesteld, 
terwijl Caijkljauvv gewoon was, erg hoogdravend te schrijven, dan zal het niemand verwonderen, wanneer wij aan de echtheid 
van bovengemelden brief twijfelen. 



JOANNES CABELJAUW. 39 

hij geeft hem tevens op, wat hij zelf van zijn voorouders weet. Maar er kwam toen niets 
van. Dat zijn zoon die pogingen weder opvatte ligt voor de hand. Hij wendde zich tot 
den ook door zijn oudheidkundige studiën bekenden lijfarts van Isabella Clara Eugenia, 
JOHANNES JACOBUS Chiffletius. Deze stelde hem niet te leur. In het Rijks- Archief 
te 'sGravenhage bevindt zich een in folio gedrukt antwoord van Chiffletius (15 Kal. 
Junii 1631) waarin hij hem de resultaten van zijn onderzoek meedeelt. Hier is tevens 
bij afgedrukt het: y^Testimonium Civüatis Gandensis Flandriae Metropolis y de genie 
Cabeliavia.'* Het origineel hiervan, onderteekend 12 Juni 1631 door C. V. Marcke, is 
ook op het Rijks- Archief aanwezig. 

4 April 1631 begaf hij zich ter woon naar Leiden, waar hij zijn intrek nam : 
„over 'sprince logement, naest mijn heer Rivet", doch wispelturig van aard, moest Utrecht 
al weer spoedig Leiden vervangen, en 20 Juli schrijft hij Huygens over een reis 
naar Bremen. 

Te Utrecht werd hij bekend met de familie Haeck. Wouter Haeck, gehuwd 
met LüCRETiA VAN DER HoRST was de vader van Barend, Margriet en Machteld 
Haeck, waarvan de laatste het hart van Cabeljauw gestolen had. Daar WOUTER Haeck 
een vriend van HuYGENS was, verzocht Cabeljauw hem om zijn voorspraak, en Huygens 
liet hem niet in den steek, waarvoor Cabeljauw hem 17 Aug. hartelijk dank zegt. Onge- 
lukkigerwijze breekt op dit interessante tijdstip juist de draad van het verhaal, en tot 
8 Febr. 1633 vond ik geen brief, noch van, noch aan Cabeljauw. 

Ofschoon nog te Utrecht, zoekt hij toch reeds kennismaking met Bremers. 3 Jan. 
plaatste hij bv. een versregel uit Pindarus in het album van Johannes Coccejus en 
8 Febr. schrijft hij van Blyenstein, het huis van Wouter Haeck, uit, een brief aan 
Johannes MöRSIUS. Voor hij echter de reis aanvaardde vond zijn huwelijk plaats. 
Lang heb ik gezocht naar den juisten datum, totdat ik op het Rijks- Archief te 's Graven- 
hage het volgende op een vel groot folio gedrukt gedicht van Willem Baudartius Jr. 
vond. y^Epühalamium in Nuptias Nobilissimi Doctissimi et Amplissimi Viri D. Johannis 
Cabeliaviif J. U. D, et Honestissimaey Castissintae Lectissimaeqiu Vitginis Machtildae 
Hakiae^ Celebratas UUraiecti ^ Maij Anno Dom. 1633". Het gedicht zelf is zoowel in 
het Latijn als in het Hebreeuwsch, en de onderteekening luidt: ^Cecini, Guilielmus 
Baudartius yunior^\ {Lugduni Batavorutn. Ex Officina Typographica Wilhelmi Christiani 
CIDIDCXXX III. In de helft van 1633 verhuist hij eindelijk naar Bremen. Reeds 
27 Juli is er een brief uit die Hanzestad aan HUYGENS, ea hij deelt er hem in mede, 
dat zijn vrouw hem reeds een zoontje had geschonken. Hij betrok er ter woon een bezitting 
van zijn schoonvader, namelijk Nuckle, ongeveer een mijl Z. O. van Bremen gelegen. 
Zich voor goed in Bremen te vestigen, was volstrekt zijn plan niet. Daarom onderhield 
hij steeds zijn betrekkingen met de HoUandsche vrienden, en ofschoon het vermogen van 
zijn vrouw hem ruimschoots in staat stelde, zich ambteloos aan de studie te wijden, deed 
hij herhaalde pogingen een betrekking in zijn vaderland machtig te worden. 



40 JOANNES CABELJAUW, 

3 Mei 1632 besloot de Magistraat te Utrecht, op stadskosten een Doorluchtige 
School op te richten. 2 Jan. 1633 schrijft nu CüNAEUS i) aan JOANNES VAN DER NypOORT, 
Stads-secretaris te Utrecht, dat hij van de oprichting van het „illustre gymnasium" te 
dier stede gehoord had, en nu verzoekt hij hem, er bij zijne regeering op aan te dringen, 
dat Cabeljauw, met het onderwijs in de Litterarische en Juridische vakken mocht worden 
belast. Ook Cabeljauw zelf verwittigt hij er van dat hij hem voor die betrekking heeft 
aanbevoler, en i Febr. vinden we een antwoord van Cabeljauw aan CUNAEUS. Hij is 
CUNAEUS dankbaar voor de moeite, die deze voor hem gedaan heeft, en is bepaald van 
plan de benoeming aan te nemen, wanneer hij die mocht krijgen, zooals zijn schoonvader 
hem ook aangeraden heeft. Aan zijn benoeming twijfelt hij echter niet, immers ook 
Andreas Rivetus en Daniel Heinsius hebben hem aanbevolen. Het verdere gedeelte 
van dezen brief doet hem van tamelijk ongunstige zijde kennen. Hij bekent er in, louter 
om het geld te zijn getrouwd, en beklaagt zich nu, dat zoovelen hem het door zijn huwelijk 
toch eerlijk verkregen fortuin, benijden. Niet weinig verwaandheid komt ook te voorschijn, 
wanneer hij op dien onaangenamen toestand den volgenden Latijnschen versregel toepast 

„Ut alta ventos sempcr excipiunt juga." 

Maar hoe zeker Cabeljauw ook van zijn zaak was, ondanks de aanbeveling van 
mannen als CuNAEUS, RiVETUS en Dan. Heinsius, bleef de benoeming achterwege. Een 
vorige aanbeveling van Cunaeus kon den Utrechtschen Magistraat dan ook moeielijk 
tot inwilliging van zijn verzoek aansporen. Immers drie jaren te voren had hij JUSTUS 
Lyraeus, Rector van het gymnasium te Middelburg aanbevolen als Rector van de Hie- 
ronymiaansche school. Toen had men naar CuNAEUS geluisterd, en het onderwijs van 
Lyraeus beviel zoo slecht, dat hij reeds na vier jaar, hoewel op eervolle wijze, ver- 
wijderd werd. 

Inmiddels was het verongelukken dezer zaak ook CABELJAUW zelf ter oore 
gekomen, gelijk uit zijn brief aan CUNAEUS van 17 Sept. 1633 blijkt. Hij is er zeer 
over gebelgd, dat de ijver van zijn vriend geen beteren uitslag ten gevolge heeft gehad, 
en dat Antonius Matthaeus met het onderwijs in de rechtsgeleerdheid was belast. 
Hij zal binnen een maand in Holland komen, om dan zelf naar een betrekking te soUi- 
citeeren, terwijl hij er van verzekerd is, dat de uitgave van eenige zijner geschriften, 
nu nog in handschrift onder zijn berusting, hem grooten roem zal doen inoogsten: „Etsi 
nulla hactenus cathedra Cabeljavium sonat, fortassis ea tamen monumenta domi sunt 
quae, quandoque limare detur, nostrum nomen in mare Creticum non deferant." Van 
31 Oct. 1633 vinden we een brief van CUNAEüS aan Cabeljauw, waarin hij hem troost over 
zijn niet slagen, met de gedachte, dat er te Utrecht toch maar een Doorluchtige school 



^) Het brievenboek v.in CuxAEUS, uitgegeven door Petrus Burmannus, macokt op enkele plaatsen van Cabeljauw 
gewag, doch van verschillende brieven is de dalecring op jammerlijke wijze in de war. Bij een gezonde opeenvolging van 
feiten, zijn daarom de volgende verbeteringen noodzakelijk. In cpist. i66 en 270 leze men 1633 in plaats van 1634, en 
in e])ist. 271 1633 in plaats van 1643. 



JOANNES CABELJAUW. 41 

en geen Universiteit opgericht was. Cabeljauw had werkelijk troost gevonden in den 
eenigzins ironisch klinkenden brief van zijn Leidschen vriend, en schrijft hem, dat hij 
zich aan de Utrechtsche questie ook eigenlijk niets gelegen liet liggen, en dat hij veel 
liever een beroep naar Harderwijk zou aannemen. Daarom verzoekt hij CUNAEUS ook 
vriendelijk, hem daarvpor bij JOHANNES ISAAC PONTANUS aan te bevelen. (N.B. om 
de plaats in te vullen, opengevallen door het vertrek van Matthaeus naar Utrecht). Van 
deze aanbeveling hooren we echter niets meer, en i6 Maart 1634 werd WILLEM CUP 
tot hoogleeraar in de rechtsgeleerdheid te Harderwijk benoemd. 

Wel is waar heeft Cabeljauw zijn mond voorbijgepraat, toen hij Sept. 1633 be- 
loofde, binnen een maand in Holland te zullen komen, want Aug. 1635 schrijft hij aan 
Barlaeus nog eens hetzelfde, maar nu waren zijn beloften meer overeenkomstig de 
waarheid, en 10 Nov. 1636 vinden we hem weer te Utrecht. 

Zijn schoonvader had Nuckle aan zekeren Jonker JacobTengnagel voor 51 00 RS. 

in specie verkocht. Maar deze jonker betaalde niet, en nu verzocht CABELJAUW aan 

HuYGENS of deze hem een aanbeveling kon verschaffen voor Wouter Haeck van den 

Prins van Oranje aan den Bisschop van Bremen, om op die manier het verschuldigde 

geld in handen te krijgen. Daar echter HuYGENS ziek is, kan hij aan dit verzoek niet 

voldoen. 12 Januari 1638 richt Cabeljauw weer een brief aan Barlaeus. Hij was toen 

bezig aan een werk ^,De inierpunctionibu^'^ en belooft hem spoedig eens een bezoek in 

Amsterdam te komen brengen. Verder beveelt hij Barlaeus, zijn neef JACOBUS 

Haringius, die te Amsterdam studeert, aan. VossiUS vernam het bericht van zijn komst 

met vreugde, en is verlangend hem te zien. „Advenies exoptatissimus*' roept hij hem 

toe. In het overige gedeelte van dezen brief klaagt VOSSIUS zeer over zijn toestand. 

Hij was namelijk ziek, en die ziekte schijnt een bijzonder kwaden invloed op zijn humeur 

uitgeoefend te hebben, zoodat hij zinnen als de volgende neerschreef: „Saeculo enim 

vivimus fucato et maligno." 

Of hij toen werkelijk dat bezoek gebracht heeft, weten we niet, wel dat hij in het 
einde van dat jaar te Amsterdam kwam. Hij was weer geheel in rechtskundige studiën 
verdiept, maar de noodige boeken ontbraken hem in Utrecht. 7 Nov. schrijft hij aan 
NicOLAAS Heinsius, of deze hem uit de Leidsche bibliotheek de Florentijnsche uitgave 
van de fnstitutiones wil sturen, en in Dec. was hij in Amsterdam, om ook daar, voor- 
namelijk in de bibliotheek van WiNSEMiuS, boeken voor zijn studie te zoeken. 

Weer opende zich een vooruitzicht voor hem, een betrekking te krijgen. 2 Dec. 

was CUNAEUS gestorven, en oogenblikkelijk beveelt Cabeljauw zich bij Curatoren te Leiden 

aan, den opengevallen leerstoel te vervullen ; doch nogmaals werd hij teleurgesteld, en we 

vinden hem weer wispelturiger dan ooit. 17 Jan. 1639 Z^^^ hij naar Rotterdam, 30 Nov. 

zegt hij voor goed in den Haag te zijn, en geen 8 dagen later zien we hem in Amsterdam, 

terwijl hij in dien tijd nog tweemaal in Leiden geweest is. Zijn vrouw had hem ditjaar 

een dochter geschonken, die Maria genoemd werd, en later met den koopman Peter 

6 



42 JOANNES CABELJAUW. 

VON DUYVERLANDT VON RODIN huwde, doch spoedig zouden hem nog aangenamer 
verrassingen bereid worden, i) 

Er was in die jaren te Amsterdam juist sprake van, om aan het pas zoo kort 
bestaande Athenaeum Illustre ook een leerstoel in te ruimen voor de rechtsgeleerdheid. 
Casparus Barlaeus was Cabeljauw welgezind, en ook Daniel Heinsius prees hem voor 
die betrekking aan. Dat echter ook VOSSIUS hem aanspoorde naar Amsterdam te komen, 
moet ons daarom bevreemden, omdat zijn eigen zoon Franciscus eveneens solliciteerde, 
terwijl ook de ex-theoloog JOHANNES Arnoldi CORVINUS zich candidaat stelde. En de 
Amsterdamsche Magistraat nam een gunstig besluit voor CABELJAUW, *^ zoodat hij isSepL 
1640 tot Professor in de rechtsgeleerdheid benoemd werd. Als tractement werd hem 
ƒ 1400 's jaars toegezegd: „mits hy gheen huyshuer zal hebben te eyschen", bij kwar- 
talen uit te betalen, beginnende met i Febr. van het volgende jaar. Daarenboven kreeg 
hij nog / 30 's jaars voor kleeding. 

30 Dec. 1640 hield hij zijn openingsrede „De praeparamentis ad studium juris", 
die een weinig later uitkwam: ^^Johannis Cabeliavi J. C. et in Gyntfiasio Illustri Am- 
stelodamensium Juris ordinariiProfessoriSy Oratio Inanguralis de Praeparamentis ad studium 
juris. Habita II Kal. Januarii CIDIDCXLI Amsterdamü Apud Johannem et Cornelium 
Blaeu CIDIDCXLI.^' Zij was opgedragen aan den schout Johannes TEN Grotenhuys, 
burgemeesteren Jacob Backer, Gerbrand Pancras, Andries Bicker en Dirk de 
Vlaming van Oudshoorn, schepenen en raden. 9 Febr. 164 1 stuurt hij een exemplaar 
aan Nic. Heinsius, er nog een bijvoegende voor Marcus Zuerius Boxhornius, en 
den volgenden dag een aan HuYGENS. 

Omtrent den zelfden tijd als zijn optreden als professor vinden we hem ook in een 
huiselijk feest Zijn ouders vierden Dec. 1640 te Stockholm hun gouden feest. Barlaeus 
had reeds dadelijk een vers ter gelukwensching aan zijn nieuwen collega gestuurd. 
Cabeljauw was erg op zulke verzen gesteld, en nog lang na het feest, nam hij er in 
ontvangst, zooals 18 Febr. 1642 van WiNSEMlUS. Vooral NiC. Heinsius laat hij niet 
met rust, voordat hij, zoowel als zijn vader, ook een gedicht gestuurd hebben. 2 April 
bericht hij ook daarvan de ontvangst. 

Hoewel er toe aangewezen lessen te geven in de rechtsgeleerdheid, bleef hij met 
voorliefde bij zijn letterkundige studiën, zóó zelfs, dat hij zijn eigenlijke colleges daardoor 
verwaarloosde. Burgemeesteren kregen er dan ook reeds spoedig berouw van, gunstiger 
over Cabeljauw geoordeeld te hebben dan hunne Utrechtsche, Harderwijksche, Leidsche 
en Dordrechtsche ambtgenooten. In de notulen der vroedschap van 30 Jan. 1645 lezen 
wij : „Is mede voorgesteld hoe dat Burgemeesteren onderrecht wesende dat weinig jae 



1) In het Kijks-Archief te *s Gravenhage, vond ik een titelblad, waar het volgende op stond : ^^Johannis Cabtliavii 
Epistoiarum ad ceUbtrrimos sui secuU Vtros exaratum Libri X. Hagae-Comitum, Typis J, J. Stampiocnii, Impcnsis 
Francisci Sprutii CO 10 XL". Dit boekje heb ik nergens kunnen opsporen. 

3) Dit kan ons ook daarom verwonderen omdat Cabeljauw bepaald Anti-Arminiaansch was. Aan J. Cassandrius 
schreef hij eens, van het Arminianisme sprekende: „Serpit in dies latius hoc malum.'* Een voorbeeld uit vele. 



JOANNES CABELJAUW, 43 

I 

soipwyle gheeii persoonen de lesse van de professor Cabelliauw waeren frequenterende 
zulck dat gansch geene dienst alhier ter stede van zyne professie werd getrocken ende 
daerover raetsaem gevonden hadde zynen dienst te doen opseggen tegens May naestco- 
mende, waerop gedelibereert zynde is goetgévonden by de aengeseide demissie te per- 
sisteren. Ende zyn Burgemeesteren geauthoriseert op 't gevoeclixste met de zelve te 
handelen 't sy met toevoeging van een jaar tractament oft anders Haerl. discretie". En 
het was ernst met dit besluit, want 29 Jan. 1646 werd besloten, hem tegen den volgenden 
dag te ontbieden, ten einde hem de resolutie van 10 Nov. bekend te maken. Tot i Mei 
zou hij zijn salaris behouden. Die smadelijke „demissie" voorkwam Cabeljauw echter 
door 6 April eervol ontslag aan te vragen. Zijn verzoek werd niet alleen ingewilligd, 
maar hem zelfs nog een jaar extra salaris toegezegd. 

In het geldelijke was hij over het algemeen niet zoo ongelukkig als in zijn weten- 
schappelijke loopbaan. 27 Jan. 1645 verkochten de drie kinderen van Wouter Haeck het 
huis „ter Hart" te Utrecht aan de Oostzijde van de Oudegracht. Hiervan kreeg hij natuurlijk 
het derde gedeelte. 

Nu scheen hij afgeschrikt om in Nederland zijn loopbaan verder voort te zetten, 
en voor goed verlaat hij den Hollandschen bodem. Wederom trekt hij naar Zweden, en 
nog het zelfde jaar wordt hij door koningin Christina tot burgemeester van Gothenburg 
benoemd. En hij schijnt een beter burgemeester dan professor geweest te zijn. 31 Mei 
165 1 wordt hij in den adelstand verheven, en onder No. 555 in het ridderhuis opgenomen. 
Doch niet lang mocht hij de vruchten der koninklijke gunst genieten, want reeds een 
paar maanden later stierf hij en werd S Dec. 1652 bij zijn vader in de Riddarholmskerk 
te Stockholm begraven (grafsteen 37). Indertijd hadden zij dit graf te zamen voor 200 
Daler gekocht Nu nog kan men den gfrafsteen zien, waar het wapenschild is op uitge- 
houwen, maar het opschrift is onleesbaar geworden. 

In handschrift liet JOANNES vele aanteekeningen op klassieke schrijvers na, o. a. 
op Persius, op de Noctes Atticae van AuLUS Gellius, en op de brieven van SymmachüS. 
Zijne aanteekeningen op AuLUS Gellius kwamen in bezit van Jacobus OlZELlUS, die 
er zekerlijk gebruik van gemaakt heeft in de door hem bezorgde uitgave: ^^Auli Gellii 
Noctes Atticae^ cutn Antonii Thysiiy Ouselii et variorum commentariis. L-B. 1666. 8*." 
Wel is waar spreekt hij in die uitgave geheel niet over Cabeljauw's werk, maar het is 
bekend, dat OiZEUUS zich in zijne uitgave van de Institutiones van Gaius aan een dergelijk 
vergrijp heeft schuldig gemaakt. Het handschrift van CabeljaüW was later in bezit van 
Petrus Wesselingius, en treffen we het laatst aan in de bibliotheek van Petrus 
BüRMANNUS Secundus. Verdere nasporingen zijn vruchteloos gebleven. 

Een ingrijpende rol heeft de eerste professor in de rechtsgeleerdheid te Amsterdam 
dus niet gespeeld; toch verdient een man niet tot de vergetelheid gedoemd te worden, 
dien VossiUS en Barlaeus onder hunne vrienden telden, en dien Salmasius in zijne 
brieven zoowel als op zijn colleges, een „vir divinus" noemde. 



n 









n 

> 

W 

^^ 
On r* 



W 






n 



M 



g 

orq 



* cj » S rt ö 



2 

I 



o rt- p 

> 



> 

ca 



B t;i 









CS 

(7 



O n 
so o 

t4 )« 






> 

G 



O 



o 

< 

• ö 

ON 

00 



^ ^ 



*r3 



?0 •-' (B 

3 O 2 

> P 

ON© 

>• 'S 



•-1 ' 



\ 



H * CS p 

• w f^2 

V rt P 



P-p. 

-E 



o 
o 

Ui 



< ^ 

2 ► 

►i > 



rt o B 
Mc: 

i-i 5J g ^ w 

o^ o- S g 50' 
p o 






O cS ^ N^ 

f » * • S 2 ?ö 
C 1 ^ Hl '^ 2. w 



fB 



-Sïrf» 




cpr* D < g 

) cfl p rt r* 

co .» g 




Arncmuidcn. 



Cd 

o 



CA 



O 

a 

!5 < 

> B 

> 
•«5 



3 

o 
o 



O H «^ t" 

., f > <j O 

p*'^ > p H 

n **i a ti 




> ON H- ff T n r^ 



OW 

KW 



ONO 

ooo 

O 



o 



2J o\2 > 




O 

w 
ö 
w 
r 

M 

O 
W 
w 

r 

> 
o 

X 

H 
en 

r 

H 

ü 

> 

Cd 







POULUS LESIRE. 

DOOR 

A. BREDIUS EN G. H. VETH. 




f ANNEER men, met het oog op de geschiedenis der kunst, stcde-beschrijvin- 
t gen en onder de gemeente archieven vooral de Tresoriers rekeningen en 
verder die der Gilden en Schutterijen raadpleegt, dan staat men versteld 
over het groot aantal schilderijen die op de Stadhuizen, in de Gilden- 
kamers, Schuttersdoelcn en dergelijke gevonden werden, vervaardigd door 
Schilders, waarvan alleen door die stukken de naam tot ons is gekomen. Maar al te 
dikwijls zijn ook die stukken niet meer te vinden, zoodat over de meerdere of mindere 
verdiensten der vervaardigers geen eigen oordeel meer kan worden geveld. 

Wordt evenwel toevallig onze aandacht op zulk een naam gevestigd, dan gebeurt 
het niet zelden, dat bij gezet onderzoek nog wel iets omtrent zulk een schilder en zijn 
werk gevonden wordt. 

In dit laatste geval verkeerden wij ten aanzien van den te Dordrecht geboren 
schilder PouLUS LesIRE, die aan Immerzeel ') nog niet anders bekend was, dan door 
het bericht van Balen ') dat in diens tijd op de Kloveniersdoele, een door hem geschil- 
derd Schutterstuk te zien was. 



>) Zie Levens en Werken dti Schilders ent. op P. Lezier. 
i) Buchrijaing van Dsrdrcchl, bl. 666. 



46 POULUS LESIRE. 

Bij Kramm*) vindt men een en- ander omtrent zij» werk opgeteekend; maar wie 
en wat hij was bleef hem geheel onbekend. Hij bracht het niet verder dan tot de gis- 
sing, dat Lesire vermoedelijk een Dordtenaar was geweest, die de kunst uit liethebberij 
beoefende. 

Toen wij de aanteekeningen, die ieder onzer op eigen terrein omtrent dezen schilder 
had gemaakt aan elkander mededeelden, meenden wij door bijeenvoegen daarvan met het 
van elders bekende in staat te zijn althans eenig denkbeeld te geven van het leven en werk 
van dezen kunstenaar, die zeker niet tot de minsten onder zijne tijdgenooten heeft behoord. 

Onder de Huwelijks-Proclamatien van de Augustijnen kerk te Dordrecht vindt men : 

„Den XIIIP November 1610". 
„Augustijn Lesijre Garlas soon wuijt Dyvensaijer woont in Steeg- 
„Gc trouwt. oversloot naest paternoster, en 

„12 Dec. 1610' ^^ Anneken Claes Jacobsz dochter, van Dordrecht, woont in Wolvenhuijs" . 

Wij meenen voor Dijvensaijer^ Devonshire te moeten lezen, en dan zou men hier 
aan Engelsche afkomst moeten denken. Dit is overigens in dien tijd niet vreemd. Een 
groot deel der aangeteekende huwelijken hadden plaats met vreemdelingen, waaronder 
dikwijls met Engelsche soldaten. Het is niet onwaarschijnlijk dat AUGUSTIJN Lesijre 
als soldaat hier gekomen is en zich te Dordrecht op het schildervak heeft toegelegd. 

In het boek der iugekomenen in het St Lucas gild te Dordrecht leest men : ,,Anno 
„161 1 den 26 Januwarij is int schildergilt gecoomen AUGUSTIJN Lessiere ende heeft 
„betaeld voor sijn gildegelt X St. alsoo hij een gildtbroeders dochter getrout heeft en is 
„sonder kinderen. Van den eersten eet ') 

In dezelfde lijst van ingekomenen in dit gild vindt men 

„Op den 3 Februwarijs 163 1 is PoULES Lesire schilder int gilt gecomen en heeft 
„betaelt 10 st. voor sijn gildegelt, omdat hij een gildebroederssoon is, en is noch jonck- 
„geseL Den eersten eet. 

„Noch op den selfden dach is Claes Lesire voor glaesmaker int gilt gecomen 
„voor 10 st. omdat hij een gildebroederssoon is, en is noch jonckgesel en sal sijn eet doen 
„als hij bequaem is" '). 

De heer Obreen voegt bij deze aanteekening de opmerking dat deze beide waar- 
schijnlijk zoons waren van AUGUSTYN en wij meenen dat dit aan geen redelijken twijfel 
onderhevig is. Maar is dit zoo, dan kunnen wij, al vinden wij POüLUS niet in het doop- 
boek aangeteekend, toch vrij wel bepalen wanneer deze geboren werd. AUGUSTIJN komt 
op den 26 Januari in het gild nog zonder kinderen. Voor het doen van den eed bij 



*) Op Lesire en Bijvoegsel op Lesive, 

2) In Obkeen Arch. voor Nederl. Kunstgeschiedcniit. D. I blz. 195. 

») Ibid D, I. blz. 208. 



POULUS LESIRE. 47 

het gild werd de twintigjarige leeftijd vereischt en POüLüS komt den 3 Februari 163 1 
daarin en doet blijkbaar den eed; want van zijn broeder wordt uitdrukkelijk ver- 
meld dat die daartoe noch niet bekwaam was. Waaruit volgt, dat PouLUS tusschen 
26 Januari en 3 Februari 161 1 moet geboren zijn. 

Van wie hij zijne opleiding in de kunst ontving weten wij niet; niet onwaar- 
schijnlijk heeft de portretschilder JACOB Gerritsz. Cuyp, toen juist in de volle kracht 
van zijn talent, hetzij als leermeester of als stadgenoot een niet onbelangrijken invloed 
op hem gehad: hoe jammer dat ons nog geen enkel geschilderd portret van Lesire 
onder de oogen kwam, om deze meening te staven ! 

Augustijn Lesire schijnt spoedig een gezeten burger te zijn geworden. Den 
19 Maart 1618 kocht hij een huis in de Steegoversloot nabij de Augustijne kamp, *) mis- 
schien hetzelfde, waaruit hij getrouwd was. Volgens het kohier voor de verponding over 
1633 woonde hij daar toen nog. In 1639 was hij deken van hpt St. Lucasgild. ') 

Uit een en ander is op te maken dat PoULUS althans in geen bekrompen omstan- 
digheden werd opgevoed, maar als de zoon van een gezeten burger. 

Uit boven aangehaalde aanteekening blijkt, dat hij als schilder in het St. Lucasgild 
was opgenomen, terwijl zijn broeder Claes het glazenmakersvak uitoeffende. 

Heeft PouLUS nu ook den kladschilderskwast gehanteerd of heeft hij zich uitslui- 
tend aan de teeken en schilderkunst gewijd.^ Wie zal dit met zekerheid bepalen. In het 
boek der knechts en jongens, beginnende in het jaar 1637 komt hij in 1638 voor als 
hebbende een leerjongen, met name: LUCAS van Caey. In 1639 nog eens voor een jongen 
en 1640 voor 2 jongens waarvan de namen niet worden vermeld, s) Deze jongens kunnen 
leerlingen in het teekenen zijn geweest, want hoe vreemd dit ook schijnt, ook deze moesten 
als leerjongens in het gild wortien aangegeven, zooals blijkt in het boven aangehaalde 
boek der knechts en jongens, waarin men op 1641 leest: ,,Jan Olis eene jonge om 
,te teekenen, Frederick Cuyper" „Abram Coninxveld 2 jongens om te teekenen, 
„Steven de Pou, Pi eter Verstappen." 

Zeker heeft onze PouLUS de teekenkunst goed verstaan. Naar aanleiding van een 
aan Kramm onder het oog gekomen prentje noemt deze hem een bekwaam kunstenaar, en 
zeker de teekening er van getuigt van talent Het is de titelplaat van JOH. VAN 
Beverwijck's Wtnementheit des vrouwelicken geslachts *). Wij meenen daarvan hier eene 
eenigszins uitvoerige beschrijving te moeten geven daar de door Kramm gegevene niet 
geheel juist is. 



1) Deze bizonderheid zijn wij verschuldigd aan den Heer Van de Weg, Gemeente Archivaris van Dordrecht. 

3) Deze aanteekening komt bij uitzondering voor in bet boek der knechts en jongens. De rekening boeken van 
het gild van 1612— 1657 ontbreken. 

3) Daar in 1642 de fijn en grofschilders uit het gild traden en een afzonderlijke confrerie vormden, waarvan alle 
aanteekeningen schijnen verloren te zijn geraakt, is 1641 het laatste jaar waarvan men knechts en jongens van schilders 
vindt opgeteekend, 

^) Tot Dordrecht voor Jaspkb Gokisz enz. 1639. Er bestaat van dit boekje een tweede uitgaaf van 1643. 



48 POULUS LESIRE. 

Op een piëdestal versierd met verschillende attributen van Kunst en Wetenschap 
zit eene vrouw die in hare rechterhand een scepter houdt. Aan hare rechterzijde staan 
twee mannen met ontbloot hoofd waarvan een, in keizerlijk plechtgewaad getooid, haar een 
kroon en wereldkloot aanbiedt, terwijl de andere als veldheer geharnast, met zijn staf op 
een helm, harnas en ijzeren handschoenen wijst welke aan haar voeten zijn nedergeworpen. 
Aan haar linkerzijde staan eveneens met ontbloote hoofden 3 mannen. Die óp den voor- 
grond is Dr. Joh. van Beverwyck, als magistraat in een tabbaard gekleed, die haar 
zijn Wtnementheü der vrouwen aanbiedt. Daarnevens staat Mr. CORN". Boij die het boekje 
met verschillende verzen verrijkte en vervolgens, eenigszins schuins achter het vrouwen- 
beeld, een schilder kenbaar aan paneel, penseelen en schilderstok die hij in de rechter- 
hand houdt, terwijl hij de linker als bewijs van hulde op de borst heeft geslagen. 

Deze schilder is ongetwijfeld de teekenaar der plaat, onze PoULUS Lesire Op 
den voorgrond staat een inktkoker en liggen eenige boeken waaronder een dat met 
muziek beschreven is. In het verschiet ziet men de stad Dordrecht kenbaar aan hare 
Grootekerk en toren. Het vrouwenbeeld, dat door twee engelen een lauwerkroon en een 
wimpel waarop men y^Wtnementheijt der Vrouzven^* leest, boven het hoofd wordt gehou- 
den, moet waarschijnlijk „Juffrou Anna VAN BlocklanDT Heeren Pietersdochter" 
voorstellen, aan wie het eerste boek van dit geschrift is opgedragen. Immers deze naar 
het schijnt buitengewoon begaafde vrouw, was kortelings gehuwd met M*. CORN'. BOIJ, 
aan wien dan ook omdat hij zulk eene vrouw had weten te verkrijgen door een engel 
een lauwerkrans op het hoofd wordt gelegd. CoRN'. Boij heeft een gedeeltelijk afgerold 
papier in de linkerhand waarop men leest Desinimus nos esse viri. Onderaan eenigzints 
ter rechterzijde van de prent leest men: P. Lesire Invette, 

Dit plaatje is inderdaad goed geteekend en niet onaardig gedacht, alleen de figuur 
des schilders is wat zonderling gedraaid. Het is vrij goed in koper gebracht. Door wien .^ 
Dit vinden wij er niet op vermeld. Kramm vermoedt dat de overige prentjes van dezelfde 
soort in het boekje ook door Lesire zullen geteekend zijn. Er komen er enkele in voor 
die met een P zijn gemerkt en eenige overeenkomst met de titelplaat hebben, zij" behooren 
tot de JDeste. Misschien zijn zij van onzen PoüLUS. Er staat juist op deze geen ander 
merk van teekenaar of graveur. 

Maar het boekje bevat ook nog een portret van Anna Maria van Schurman. 
Eene ets die door sommigen geacht wordt door haar zelve te zijn vervaardigd. ^) Wij 
ontdekten evenwel aan de onderzijde aan beide zijden eenige schijnbare krabbels maar die 
wanneer men het prentje omgekeerd tegen den dag houdt aan de eene zijde PoULUS of 
PoiAVELS aan de andere Lesire 1639 te lezen geven. Dit portretje blijkt dus doorhem 
geëtst te zijn en geeft geen gering denkbeeld van zijne kunst. 



1) Zie F. V. Muller Catalogus van Portretten No. 7874 en Les Femmes Artista No. 688 en 892. Bij dit laatste 
nommcr leest men; „Eau-forte attribuée k elle-mime" , 



POULUS LESIRE. 49 

Van zijne schilderkunst was vroeger eene proeve te zien op de groote bovenzaal 
van de Kloveniers Doele te Dordrecht. Balen*) zegt: „Noch is mede op te zelve Kuii.er 
te kijken, een Groot stuk, behelzende de schutters van den derden Kavel, Kunstig Afge- 
maaid (toch niet voltooijd) door PouwELS Lezier." Van Eynden en v. D. Willigen') 
verhalen, dat zij een niet geheel afgeschilderd schutterstuk van wel bijna 20 voet breed, 
zagen bij den Heer EpENHUlZEN te Dordrecht die dit toen (1816) eenige jaren geleden op 
de verkooping der goederen van deze schutterij had gekocht. Zij vermoedden dat dit het 
door Balen genoemde stuk was. „Men meent" zeggen zij: „nog eenige personen uit de 
„Magistraat en het schutter bestuur van dien tijd, daarop voorgesteld, te kennen en wij 
„oordeelen dat het onder de schilderwerken van die soort, welke nog voorhanden zijn, de 
„minste plaats niet zoude behoeven te bekleeden, indien het in orde gebragft ware." Zij 
vernamen dat er nog een ontwerp in het klein bij den Heer H. Onderwater te Dordrecht 
van werd bewaard . 

In de Thesauriersrekening van Dordrecht over 1639 leest men bl. 44 recto : 
„Betaelt aen d'heer Jacob VAÏT Corput de some van vyff en vyftich ponden 16 s. te 
„40 grooten t pond over het doek waerop de derde Cavel van de schutters van de Cloue- 
„niersdoele soude •werden geschildert, bij declaratie ord. van mijne heeren van gerechte 
„en syne quitan." Deze aanteekening heeft ongetwijfelt betrekking op het stuk van Lesire *). 

Waarom bleef dit stuk onvoltooid.^ Wij kunnen dit niet met zekerheid bepalen 
maar vermoeden, dat het een gevolg zal zijn geweest van zijn vertrek uit Dordrecht. 
Wanneer dit heeft plaats gehad is alweder onbekend. Zeker is dat hij in Mei 1648 te 
s'Gravenhage woonde, waarvan de hiervolgende verklaring ten bewijze strekt. 

„lek onderschreven verclare bij desen ten versoucke van Aldert Santveer, waer- 
„achtich te zijn dat Joff^ Persijn, Wed*, van Za: den Heere Raetsheer Persijn Za: 
,,de welcke den req'. schuldich was 108 guldens, van den req*. aangenomen heeft seeckere 
„assignatie t' mijnen laste staende, ende naedat ick deselve hadde gesien, soo ist, dat 
„deselve Juffrou door bekentenisse bij mij gedaen van de schuit absoluijt te vreden is 
„geweest met deselve assignatie dat ick hoer daervoor soude schilderen ofte contrefeiten^ 
„gelijk ick altijts tevreden ben geweest ende noch datelijcken tevreden ben tselve te effec- 

1) Beschr. van Dordrecht, bl. 666. 

s) Geschiedenis der Vaderlandsihe Schilderkunst. Deel L bl. 68. 

3) Blijkens een Inventaris van de goederen „van de Schutteryc in de Cloveniers Doelen" te Dordrecht, opgesteld 
door PiETER Ondkewater eerste deken boekhouder dezer schutterij van omstreeks 1700, was toen o. a. aldaar aanwezig 
„hangende op de groote zael naer het Stek naest den trap" een schilderij „verbeeldende het 3e Cavel*'. Volgens een 
iateren inventaris, opgemaakt 22 December 1728, hing dit schilderij toen nog op dezelfde plaats. Op de inventarissen 
opgemaakt 5 Nov. 1783 en 11 Maart 1797, wordt het niet meer afzonderlijk genoemd. 

Het Rijksmuseum te Amsterdam bezit een schilderij dat, blijkens de daarop aanwezige wapens, een Dortsche 
schuttersgroep voorstelt. Het komt op den Cat.alo^s voor onder No. 448!. Ik meende "om de overeenkomst in de door 
V. E. en V. D. W. opgegeven groote en omdat ik nergens van een ander schuttersstuk dan dat door J. G. Cuyp ver 
vaardigd, voorstellende den 2en Kavel der zelfde schutterij eenige aanwijzing vond, in dat stuk het schilderij van Lesire 
te hebben gevonden; maar bevoegde beoordeelaars meenen dat dit met het oog op de kleeding niet voor 1660 kan zijn 
vervaardigd, terwijl het stuk van Lbsire reeds omstreeks 1640 moet geschilderd zijn. De Heer Bredius schrijft het aan 
CoRNELis BusscHOP toe. G. H. Veth. 



SO POULUS LESIRE. 

,,tueren ; voegende de JofTrouwe als doen daerbij tot meerder effecte : „Lesire, wij zullen 
,ymalcander dus met beslootcn beurzen betalen." 's-Gravenhage, den igMeij 1648."^) 

Zeker heeft JufP. Persijn in weerwil harer verzekering dat zij het maken van haar 
canterfeüsel door Lesire als voldoening harer schuldvordering zou beschouwen toch op 
betaling bij Santveer aangedrongen, althans wij vinden nog de volgende latere verklaring. 

„Alsoo ick PouLUS Lesire, wonende alhier in 'sGravenhage op den i9Meyi648 
„ten versoecke van Aldert Santveer geattesteert hebbe, dat Juff'. Persijn.... te 
„vrcden is geweest met seeckere assignatie die de voorn. Santveer t' mijnen laste aen 
„haer hadde gegeven ten eijnde sij den voorn. Santveer nopende d'obligatie van ƒ 108. . . . 
,,niet soude molesteeren, ende omme de waerheijt van dien te deduceren^ zoo is sulcx 
„dat de voorn. Juff* mij t* haren huijse ontboden heeft ende aen mij geseyt: „„Neeff" 
y,, ^Lesire, Ick hebbe een assignatie van Aldert Santveer tot uwen laste slaende, ick 
„„moet geit van Aldert hebben^ wilt Gij mij de assignatie voldoen, ick ben met U te 
„,,vreden, ick moet doch geschildert sijn en mijn soon met vrou en kinderen^ soo sullen 
„„wij den anderen met gesloten beursen betalen; Neeff" LesirE, wij sullen 't met den 

„„anderen wel maecken "" Verclare voorts dat ick nae date haer verscheyde malen 

,, hebbe affgevraecht wanneer het haer te pas quam dat ick haer zouék schilderen) heeft 
„telckens mij daerop tot antwoort gegeven ; als haer soon weder uyt Vranckrijck gecomen 
„zoude sijn. — den Haag 23 Februarij 1649." Get: PoULUS Lesire. *) 

Wij vonden nog de volgende aanteekening over den meester : 

19 Juli 1648 bekent PAULUS LE SiRE, schilder ƒ 850. — geleend te hebben en in 
3 maanden terug te zullen betalen. Hij teekent : 

POULUS LESIRE. ») 

21 Maert 1650. S'. PoULUS LE SiRE Schilder, constitueert M'. CONELIS Cau, Ad\ 
in een proces tegen ALDERT Jacobsz Santveer. *) 

Het is vreemd dat wij PouLUS Lesire, in de toch vrij volledig uitgegeven lijsten van 
schilders die bij het St. Lucas gild te 's Gravenhage waren opgeschreven, niet aantreffen. 
Hij schijnt daar anders nog al wat te hebben gewerkt en verkocht. Zoo vonden wij in de 
Haagsche inventarissen onder meer de volgende stukken als werk van zijne hand vermeld. 
Den 29 Maart 1652 verkoopt CoRNELis Kunst in den Haag aan Rüdolf Wandscheer 
^^een groot stuck schilderije van Lesiere, met een middelriff daerin geschildert woor f jo^). 
Adriaan Jansz. Rotteveel bezat in 1663 een schilderij „sijndeeenigecrabbetjes,glaesge, 
lontge en anders van PAULUS LESIRE, terwijl bij PlETER VAN Aelst de volgende werken 



1) Prot, Notaris, P. VAN Groenbwkgbn, den Haag. 
') Prot, Not, P. VAN Groen EWEGEN den Haag. 
') Prot. Not. S. Keun, den Haag. 
4) Prot. Not. BouTESTEijN, den Haag. 

ft) Prot. Not. Rietraat Den Haag. Voor een „blompotien'* van Lelienberch werd bij dezelfde gelegenheid slechts 
/ 10 gerekend. 



POÜLUSLESIRE. 61 

van PaüLUS Lesire gevonden werden, die tot de daarachter gevoegde prijzen, naar het 
schijnt laag getaxeerd werden. Een Oude vrouwstranie 2-10-0. Een teijckeningk i^-o, 
tn 3 conterfeytsels f 3-0-0 \ 

Kramm vermeldt ook twee schilderijen van P. Lesire welke voorkwamen op de 
verkooping van d« Vrouwe van St. Anneland, te 's Gravenhage. beide onder No. 19 van 
den catalogfus. Zij stelden voor : De geboorte van Christus en i?e Aanbiddmg der drie 
Koningen; deze stukken waren h. i vt. ^ dm. br. i vt. 6 dm. en deden ƒ 80. — een voor 
dien tijd niet geringen prijs. Uit een en ander blijkt overigens, dat onze schilder nog al 
veelzijdig moet zijn geweest. 

Maar zeer merkwaardig en zeker voor zijn talent pleitende, is dal uit eene aan- 
teekening van den Kapitein JORIS DE Caulery blijkt, dat deze zeeheld, die zich „met 
een roer in de hant" door Rembrandt liet uitschilderen, ') terwijl hij „in sijn joncheijt" 
door Uytenbrouck geconterfeit was; die zich met zijne gemalin door Anthonie van 
Dyck en nog eens door Jan Lievens liet afmalen, niet aarzelde zijn portret ook door 
onzen Lesire te doen vervaardigen. 

Dr. Oscar Eisenmann deelt ons mede, dat in het Museum Haussmann te Hannover 
onder No. 11 voorkomt een portret door F. Lesire, dat hij beschrijft als volgt: Brust- 
bild eines jungen Mannes mii einer' Thalberge, Bat^ett mii Feder, mii braunen Zoeken in 
braunem Gewand mit Silierstreifen. Grund grau, hbensgross, beieichnet P. Lesier. 

Enifernte Richtung früher Rembrandts. 

Ziedaar wat wij van het leven en werk van dezen schilder hebben kunnen bijeen- 
brengen. Wellicht zal, nu eenmaal de aandacht op hem gevestigd is, daaromtrent nog 
meer licht opgaan en ook de tijd en plaats van zijn overlijden bekend worden. 

Februari 1887. 



1) Pnit. Not. W. RltTBAJVT, den Haag. 

I) Weltichi hel schilderij in het betii van Jbr, J. H. J. Qüules vim Upford Ie 
tenloongesteld en gemerkt: R. H. van Ri;k 163a. Ziei Caiatogna Tentoonsl. Schilderijen 
watennoodlijdenden No. 347. 




DE RARITEITEN-KAMER, 

VERBONDEN AAN 'T AMSTERDAMSCHE GEMEENTE-ARCHIEF. 

DOOR 

Mr. N. de roever. 



II. 

A de geciseleerde harnassen verdienen de gladde, dat wij er even bij 
stilstaan. In de Thesauriers-rekeningen van de zestiende eeuw treflen 
wij telkens posten aan, waaruit blijkt, dat de huursoldaten in dienst 
van de stad van stadswege in 't ijzer werden gestoken. Maar dit is 
zeker niet met alle vendelen het geval geweest, die achtereenvolgens 
in stadsdienst waren. Uit een paar verklaringen van het jaar 1653, 
door eenigen van de manschap afgelegd, blijkt, dat de geheele 
compagnie, waarvan sedert 161 1 na elkiar NicOLAAS LUYTSZ, 
NicoLAAS Hasselaar, Dirk Hasselaar en Pieter Bicker kapitein-majoor waren, wapens 
droeg, die den kapitein toebehoorden en met zijn merk geteekend waren. ^) Dikwijls nam 
de stad die wapens dan eindelijk over >). Dit schijnt ook met deze harnassen het geval te 
zijn geweest. Zij droegen althans de volgende merken : 

'H\ IG JVD J2 




:e gebruyckea", dat n 



1) De maDscbap vcrkbarde, dal die wapeni „eenige uylgesoadert niel bequaem w 
eeni oienwe hadden gekregen, waarvoor eeD deel der soldij werd ingehouden. 

*] In 1Ö54 werd b.v. aan den Majoor en aan Kapitein vau HsuaDKH 300 gl. betaald voor hunne blanke mstingeii. 
Rapiamus bl. ïoa*^ terwijl in 1656 aan FLomS Soop 760 gl. uilgekeerd werd wegens overname volgeaa uuiatie van de 
wapens van de compagnie van wijlen zijn broeder jAa Soof {Rapiamui bl. i8a.) 



DE RARITEITEN-KAMER. 53 

Ik houd deze merken veeleer voor die van den eigenaar, dan voor die van den 
maker, omdat er overal nummers achter staan. De lettervorm van twee dezer merken 
wijst naar de zeventiende eeuw terug, en nu mogen we aannemen, dat het merk uit de 
letters H. R. bestaande dat is van den kapitein Hendrik Ruse, den beroemden vesting- 
bouwkundige, die later in Deenschen dienst den titel van baron verwierf. Omstreeks 1651 
was hij in stads-dienst getreden, tevens als ingenieur extra-ordinaris^ welke betrekking 
hij in 1667 nog bekleedde. Het merk uit de letters M.D. samengesteld, bewaart de herin- 
nering aan den kapitein MARTIN Day, nog beter door zijn schoone portret van Rembrandt's 
hand bekend. .Hij schijnt in 1655 een kapiteinsplaats te hebben gekregen, In 1656 werd 
hem 150 gl. uitbetaald, voor eene vereering wegens het maken van nieuwe wapenen voor 
zijne compagnie. 

Van welke hoplieden de andere merken zijn heb ik niet kunnen ontdekken. ^) 
't Zijn wellicht merken van vroegere eigenaars der wapens. 

Ieder dezer harnassen bestaat voor zoover het compleet is, uit een borst- en een 
rugstuk, en een halskraag, terwijl er een stormhoed of pot bij behoort. 

Tot de jongere harnassen behooren ook de drie zwartgelakte. Zij dagteeke- 
nen uit de zeventiende eeuw, en zijn vrij wat zwaarder dan die uit den vroegeren 
tijd, omdat ze ook tegen sterker geschut bestand moesten zijn. Vooral de helm 



1) De namen van de majoors en kapiteins van het stadsgarnizoen zijn tot dusverre niet vermeld. Scuaep geeft 
ze in zijn bekend manuscript van 1654 op. Tot in 16x1 stond de majoor aan het hoofd zonder eigen kapiteins-compagnie. 
Na dien tijd was de majoor tevens kapitein van een der compagnien, en werd zijn inkomen geschat op / 7000, als : 
kapiteinsgage / 1200, majoorsgage / xooo, vrije huishuur / 1000. vrij vuur en licht / 400, onderhoud van paard /250, een 
derde n de boeten dergenen, die na 't luiden der poortklok binnen de stad kwamen, / 1500, drie knechts uit de soldaten 
en emolumenten van de soldaten, die den dienst verlieten en 3 & 3 maanden gage moesten laten staan, en wapens en 
kleederen moesten achterlaten, die de nieuwe soldaten weer van den kapitein moesten koopen, te samen / 1650. 

De majoors waren: 1578 Claes Grooff, 15.. Herman Olthoff, 1590 Simov Swaen, 1594 Claes Ackoley 
z6ii Claes Luttsz, 1616 Claes Hasselaer, 1635 Dirk Hasselaer. 1646 Pieter Bickbr. De kapiteins waren: 

van de ie compagnie 1578 Herman Rodenburg de Oude, Claes Luttsz die tevens majoor werd en daarmede 
deze compagnie onder den majoor bracht. 

van de se compagnie 1578 Jan Duyn. Deze compagnie werd bij de afstand der satisfactie in 1581 opgeheven. 

van de 3e compagnie 1578 Simon Hendbiksz Yerwbr, alias Jonckhetn, verwer in de Roode Hand, Daem van Ros, 
Pieter van Neck Cornelisz, Albert Dirksz Emaus, Hendrik Willemsz Trom aUas Kerchem, Pieter Gerritsz 
VAS Delft, Cornelis van Heusdbn. 

Van de 4e compagnie, 1578 Jacob Visser evenzeer x58i opgeheven. 

In 1584 schijnen er weer twee nieuwe vendels opgericht te zijn onder Nicolaas vande Leur, alias Capt . Spelt, en 
Willem Correlisz. die nu eens Crom en dan weer Backer of die Backer genoemd wordt en in 1578 kapitein van 
de ruiterwacht geweest was. Aan deze compagnien werden de stadswapens uitgedeeld. Zij schijnen niet lang te hebben 
bestaan. Schaep meldt althans, dat er in x6i6 slechts twee stads-coinpagnien waren, toen er in 1616 weer een derde 
compagnie opgericht werd, waarvan kapiteins waren : 1616 SiMON Crynsz Roobol, 1628 Jan Soop Hendriksz, Jan 

SOOP JANSZ. 

In 1650 werd het aantal compagnien op vijf gebracht: i majoorscompagnie van 200 koppen, i kapiteinscompagnie 
van hetzelfde getal en 3 kapiteinscompagniën ieder van 160 man. 

Tusschen 1583 en X586 komen de volgende hoplieden, behalve de hierboven genoemde, die in stads-dienst 
waren, voor; Gerrit Hendriksz Vos, alias Godsgeley. die tevens artilleriemeester was, Pieter vah Neck, 
Harmbn Rodenburg, Dirk Duvel, Willem Sprong. Simon Swaen. Wellicht zijn dit de namen, die Wagenaar 
niet vond. Vgl. Wagenaar I, bl. 384. Ook Schaep geeft de meeste dezer kapiteins op, maar wist ze evenmin als ik 
te plaatsen. 



i 



DE RARITEITEN-KAMER. 

met zijn beweegbaar visier is zeer wichtig. Hoogstwaarschijnlijk zijn zij van Hollandsch 
maaksel . 

Dat zij indertijd op de stedelijke wapenkamer te pronk stonden moet men aanne- 
men, schoon slechts twee op den reeds vóór des heeren Scheltema's tijd opgemaakten 
inventaris zijn vermeld. Een daarvan draagt twee eigenaars-merken. Wellicht is de 
derde — welke kan, helaas I niet worden bepaald — dan uit de verzameling van het Oude 
Doolhof afkomstig. 

Door wien deze harnassen zijn gedragen, is niet bekend. Ik gis, dat zij door 
kapiteins van 't garnizoen, althans door krijgslieden, die te paard zaten, zijn gebruikt 
Een der merken bestaat uit de letters H.O. Het kan, dunkt mij, het merk niet zijn van 
Herman Olthof, die vóór 1590 majoor was. Een overlevering zegt, dat een er van 
aan DE Ruyter heeft toebehoord, maar op welken grond deze overlevering rust heb ik niet 
te weten kunnen komen. 

De wapens, die de wanden versieren, zijn meerendeels niet van zeer hoogen 
ouderdom. Middeneeuwsche zwaarden, lansen, bogen treft men er niet onder aan. 
De overblijfselen van een voetboog en een handboog zonder pees, beide uit het 
Oude Doolhof gekomen, mogen hier niet in aanmerking komen, en de echtheid der 
morgensterren acht ik niet boven twijfel verheven. De verzameling bevat echter schoone 
specimina van degens van spaansch en van duitsch maaksel. De eerste zijn daaraan 
herkenbaar, dat zij een opschrift in de spaansche taal dragen b. v. : ,,No me saques sin 
rason, — No me enbaines sin honor." De laatste regel staat ook op een sabel. Op 
deze schoone klingen zijn in lateren tijd nieuwe handvatten gezet De klingen schijnen 
uit de zestiende eeuw te stammen. Uit het laatst dezer of het begin van de zeventiende 
eeuw schijnen mij toe twee degens te zijn, waarvan de een aan wederzijde van de 
kling te zien geeft twee gravures boven elkaar, een geharnast ruiter en een groep van 
twee personen, ieder dezer voorstellingen vergezeld van een bijschrift, dat in 't midden 
door het oploopen van de kling afgesleten is. De andere vertoont mede twee voor- 
stellingen, zijnde een arm uit een wolk te voorschijn komende, gewapend met een 
kromme sabel, en daarboven een adelaar, beide insgelijks met opschriften, die geheel 
onleesbaar geworden zijn. Tot de spaansche degens schijnt ook een vrij oude kling te 
behooren, die de woorden IN . TOLEDO . draagft. 

Het grootste aantal degens vertoont het bekende oude merk van Solingen en Passau. 
De meeste dragen door kleine figuurtjes gescheiden cijfermerken, die de getallen 1414» ï44ii 
1444, 1515 vormen, en zijn buitendien voorzien van vier dezer figuurtjes, ruitsgewijze ge- 
plaatst, als om het inschrift te besluiten. Deze figuurtjes zijn ongetwijfeld de bijzondere 
merken der meesters. Het zijn: ruitjes of blokjes bij die met het getal I4I4> roosjes of 
kruisjes bij die met 1441, hartjes of kruisjes bij die met 1515. Een degen met 1 441 draagt 
drie S, geplaatst 2 en i. Wat de beteekenis der bovengenoemde cijfers is, heb ik niet 
kunnen te weten komen. Voor jaartallen durf ik ze niet houden. 




DE RARITEITEN-KAMER. 55 

Met hetzelfde locale merk zijn eenige degens voorzien, die letters en merken ver- 
toonen: als INTI DOMINI met het merk {a\ en hetzelfde opschrift met het merk (*), 
NTOI met het merk {c), IHNI MINI met het merk {d) en lOHAN met vier ruitsgewijs 
geplaatste liggende kruisjes. 

(p) ^ II*' 

De meeste dezer degens dragen handvatten, stellig niet ouder dan 't begin der 
17e eeuw. 

Van onzekere herkomst zijn twee degens, een met een gekroond monogram, bestaande 
uit de letters G. R. (Georgius Rex.^), N.R.0. 2, en een met het monogram van de Oost- 
Indische Compagnie ter kamer van Hoorn en het jaartal 1746. 

Ook speren of pieken zijn er in verschillende soorten. Een dikke stok ter 
manslengte draag^t een korte ijzeren punt, smaller dan de stok. Dit is wel de wapensoort, 
waarmede in 1652 de turfdragers gewapend werden. Andere pieken zijn er, waarvan de 
puntijzers langer zijn. 

Maar het rijkst is de verzameling in hellebaarden en pertisanen, (ook wel barde- 
sanen genoemd). Des hellebaards beteekenis ligt in den bijlsgewijs gevormden vleugeh 
die van de pertisaan in het hoog opgaande tweesnijdende lemmet, dat bij sommige de 
gedaante van een viersnijdenden degen of dolk aanneemt en dan corseek wordt genoemd. 
De hellebaard is dus verwant aan den strijdbijl, de pertisaan aan de piek. 

De hellebaarden vertoonen sierlijke vormen, dikwijls is de baard uitgeslagen, één 
exemplaar is bovendien voorzien van graveerwerk, waardoor de baard met zijn armen 
de voorstelling geeft Van twee zich kronkelende draken. 

De pertisanen vertoonen evenmin als de corseeken eenig onderscheidingsteeken. 

De spontons of halve pieken, die in den regel officiers wapens waren, en in de 
zeventiende eeuw werden ingevoerd, bestaan uit een breed, puntig uitloopend en van 
onderen cirkelsgewijze eindigend tweesnijdend mes, waarvan de stok door een klein ijzeren 
staafje bijna onmiddelijk ondpr het lemmet wordt doorboord. Slechts twee van deze 
spontons vertoonen iets bizonders, de een is doorgeslagen met het wapen van Amsterdam 
en het devies Pro Patria. Zij is uit de vorige eeuw. De andere vertoont een gekroond 
monogram, bestaande uit de letters O.P. 



56 DE RARITEITEN-KAMER. 

Het is wederom niet uit te maken welke van alle deze wapenen oorspronkelijk tot 
de wapenkamer behoorden, en welke uit den verkoop van het Oude Doolhof met zijn 
inventaris zijn gespaard. 

De wapens, die uit het Doolhof gekomen zijn, zijn afkomstig uit de wapenkamer 
van het huis Marquette onder Heemstede. Bij de slooping (van den linkervleugel van dit 
kasteel in 1828?) viel geheel de collectie in handen van een israëlietisch koopman, die 
ze weder aan den toenmaligen eigenaar van het Doolhof verkocht. Deze deed op zijn 
beurt weer het grootste deel er van over aan een ander, en zoo kwam dit deel ten slotte 
op het Koninklijk Lustslot Soestdijk terecht. Wat er in het Doolhof bleef ging in 1862 
in eigendom aan de stad over. Het vormt thans eigenlijk de kern der verzameling, het 
aantal hellebaarden, spontons en pieken werd met 26 vermeerderd en bestaat nu uit 36 
stuks, het getal van rapieren en oude sabels groeide van 3 tot 17 aan, en er kwamen 
nog II schilden, 3 harnassen (wel te verstaan curassen) i lederen pantser, i ijzeren 
boog, I ijzeren walbus, en nog een paar kleinigheden bij. Niet al deze voorwerpen zijn 
nog aanwezig. Het aantal schilden is geslonken tot vier en het lederen pantser is 
verdwenen. 

De schilden zijn alle rondassen van ijzer met leder overtrokken, waarop figruren 
zijn geschilderd. Het grootste — dat oorspronkelijk tot de stadswapenkamer behoorde 
en van oostersch maaksel zou kunnen zijn — is op deze wijze versierd met de af beelding 
van zon, maan en sterren, en de schroef knoppen van de handvatsels aan de binnenzijde, 
komen aan de buitenzijde stersgewijze te voorschijn. Een ander, blijkbaar uit de vorige 
eeuw, draagt het wapen van Holland met het opschrift „Pugno pro patria." Een derde 
bijna even groot als de beide vorige, van Japansch maaksel, vertoont in een veelvuldig 
geornementeerd randwerk de afbeelding van een ruiter met een voetknecht in 't costuum 
van 't begin der zeventiende eeuw. Andere kleinere, uit het doolhof herkomstig, ver- 
toonen een wapen, voorzien van een ge'^roonden helm, met zwart op het lichtbruine leder 
geschilderd, en schijnen mij toe slechts decoratieschildjes te zijn geweest. 

Van het in de verzameling aanwezige hand- en zijdgeweer schijnt het groots e' 
deel uit duitsche werkplaatsen afkomstig te zijn. Eene uitzondering hierop maken waar- 
schijnlijk de hellebaarden enz. en het geschut. 

Onze wapensmeden uit de middeneeuwen en de zestiende eeuw mogen niet zulk 
een europeeschen roem hebben verworven als die van Toledo of van Solingen, ze hebben 
toch leger en schutterij bijna altijd van harnassen en wapens voorzien. In 't gilde der 
smeden vormden de harnasmakers of wapensmeclen reeds in 1530 een afzonderlijk ambacht, 
dat niet te verkrijgen was zonder het afleggen van een proef, bestaande uit het maken 
van een rapier met zijn gevest, hetgeen in 1662 in zooverre werd geampliëerd, dat zij niet 
konden volstaan een eenvoudig rapier te maken, maar een dat verzilverd op snede, 
verguld, geciseleerd en met zilirer ingelegd was. Uit die proef blijkt, dunkt mij, dat de 
wapensmeden te Amsterdam zich hoofdzakelijk toelegden op ïiet maken van klingen. Dit 



DE RARITEITEN-KAMER. 



57 



zou ook de omstandigheid verklaren, dat de stadsregeering duitsche harnassen kocht, toen 
zij zich een bizonder fraai soort wilde aanschaffen. 

Wij zagen reeds, dat van oudsher pieken en hellebaarden door inheemsche wapen- 
smeden geleverd werden. Maar de proef was niet zeer zwaar^ en onmogelijk is het niet 
dat deze nijverheid daardoor zoo wel als door de concurrentie van den invoer van buiten 
af kwijnde. Een kundig vreemdeling kon hier immer een goed bestaan vinden. Reeds 
in 1561 kocht een Solingsch wapensmit, Aernt Gerritsz, het poorterrecht dezer stad, 
en over 't algemeen ontmoeten wij vele namen van Duitschers, Franschen en Vlamingen 
onder de gildebroeders. In een acte van 161 7, waarin zes zwaardvegers genoemd worden, 
welke hunne getuigenis met hunne handteekening bekrachtigen, zijn vijf blijkbaar Duitschers, 
die achter hun naam „Schwertfeger" schrijven. Of het aan dezen toevloed van vreem- 
delingen te wijten is zou ik niet durven zeggen, maar het verzwaren van de proef in 1662 
is het beste bewijs, dat men hooger eischen aan de gildebroeders stellen kon, hetgeen ' 
voor eene verheffing van het ambacht pleit Inderdaad waren de Amsterdamsche wapen- 
smeden uit de zeventiende eeuw zeer gezocht. Evengoed als de koning van Frankrijk 
door zijn gemachtigde wapenrustingen liet bestellen aan Haagsche en Utrechtsche harnas- 
makers, kwam het Noorden hier ter mafkt Zoo bestelde WILLEM Leyel, van Kopenhagen, 
in 1634 aan CORNELIS PiETERSZ, wapensmid^ twee volledige cuirassen, vrij voor musket- 
kogels; in 1625 was de Amsterdamsche wapensmit Gerrit Schimmel in 't veldieger 
van den koning van Denemarken; en twee Hollanders te Moskou, die ijzerwerken te 
Gorodilen in Rusland bezaten, kwamen in 1662 met den Amsterdamschen harnasmaker 
Jan Coret de Jonge overeen, dat hij daar 4 jaren lang met twee meesterknechts wapens 
en harnassen zou gaan smeden. Ongetwijfeld zouden deze voorbeelden met andere ver- 
meerderd kunnen worden. 

Ik heb eenige namen van amsterdamsche wapensmeden opgeteekend. Enkele tee- 
kenden met een merk, dat ik belangrijk genoeg vind hier over te nemen, omdat die merken 
vermoedelijk ook op hunne wapens zullen worden teruggevonden. 



Andries Huybertsz 
1626. 




Claes Gerritsz 

leerknecht van 

Gerrit Schimmel 
1625. 




Pierre Nouelle 

meesterknecht 

harnasmaker 

1662. 




Gille Valdor 

meesterknecht 

harnasmaker 

1662. 



G.W. 



Jan Willems„ 
zwaardveger 
1617 — 1626. 



m 



8 



58 



DE RARITEITEN-KAMER. 



De overige namen volgen hier: 

BORCHERT VAN AS WEGEN 1616. 

Casper Bosman (geb. 1575 f 1638). 

Jan Briant, zwaardveger en ciseleerder 1640 

oud 46 j. 
Fran<;ois Camerbeek 1637 oud 56 j. 
Jan Coret de Jonge 1662. 
Hendrik Deurhorst 1588. 
.Jan Gerritsz (schwertfeger) 161 7. 
CORS G00SSENSZ, van Stralen, 161 3. 
Maerten Haes 16 16. 
Hans van Hanswijk, in 't gulden zwaart 

Damrak f I594« 



Jan Hendriksz (schwertfeger) 16 17. 
Andries Jansz (schwertfeger) 161 7. 
Jan Jansz (schwertfeger) 161 7. 
CORNELIS PlETERSZ, van Iperen, 1637 oud 

37 j. 
Claes Roest, 1637 — 1641. 

Gerrit Schimmel 1625. 

JACOB Schimmel 1637 oud 45 j. 

Daniel Schuylincx, van Antwerpen, 1 593 — 

1601. 

Jan Tjaertsz, spiesmaker 1638. 

Jan Willemsz 161 7, 



Wij gaan de sabels, 35 in getal, uit het laatst der vorige eeuw (1784, 1785) en 
grootendeels met verschillende merken gemerkt, voorbij, om onze aandacht te vestigen op 
de vuurwapenen, waarvan wij eerst de draagbare zullen behandelen. 

Het merkwaardigste stuk is wel een klein ijzeren handkanon uit de vijftiende eeuw, 
ter lengfte van 31 c.M., waarvan de ronde loop 18 c.M. en de vierhoekige kamer, die van 
achteren geladen wordt, 13 c.M. bedraagt. Bijna over hare geheele lengte is de kamer 
omgeven door een nauwsluitenden met een veer naar beneden verplaatsbaren beugel, die 
de open achterzijde van de kamer afsluit. De loop rust op een langwerpig ijzeren plaatje, 
dat ongeveer midden onder het kanon in een handvat eindigt en van voren verbonden 
is aan een klein achtkantig schildje, dat aan de bovenzijde een opening laat voor den 
loop. De hand, die het handvat houdt, wordt alzoo door dit schildje beschermd. 
Het schildje vertoont verschillende spijkergaten aan den rand, zoodat het vermoedelijk 
op een grooter voorwerp (een schild?) bevestigd moest worden. 

Een achttiental vuursteen-geweren van allerlei afmeting, waaronder zes zware wal- 
bussen, met loopen van ongeveer 63 c.M., waarvan sommige het merk van de proef- 
meesters van 't geschut dezer stad dragen en dus binnen de stad zijn gemaakt, maken deel 
uit van de verzameling. Ze zijn alle van de stadswapenkamer afkomstig, met uitzondering 
evenwel van een geweer uit het Doolhof, dat echter niet meer is aan te wijzen. 

Een dezer geweren met een loop van 1,02 M. werd door H. Libotte te Amster- 
dam vervaardigd, een ander, met een loop van i.io M. draagt het merk der geöctroyeerde 
West-Indische Compagnie, een derde geweer, waarvan de loop, slechts 84 c.M. lang, 
zevenzijdig is en de kolf zoowel als de lade met eenig houtsnijwerk is versierd, werd 
door „C Freundt a Furstenau" vervaardigd, weder een ander, waarvan de loop als de 
walbussen iets wijder uitloopt en 91 c.M. lang is, geeft de woorden „T. W. PiSTOR a 
Schmalkalden" te lezen. Een bijzonder groot en zwaar geweer meet 1.42 M. in den loop. 
Overigens hebben alle loopen een lengte van iets meer of iets minder dan i M. 



DE RARITEITEN-KAMER. 59 

Slechts een drietal pistolen, alle met vuursteenslot, is aanwezig. Het kleinste is 
niet gemerkt, de twee overigen van één maaksel, dragen den naam van den vervaardiger : 
„Laborde, Paris." De kolven zijn een weinig gebeeldhouwd. 

Naast de geweren mogen wij de twee kruithoorns niet vergeten, waarvan de een, 
met snijwerk versierd, het jaartal 1615 en de wapens van Amsterdam en van Enk- 
huizen vertoont. 

Het grof geschut vindt men hier slechts in zijne modellen, alle van de voormalige 
stads klok- en geschutgieterij afkomstig. Deze modellen vertegenwoordigen koperen 
geschut van 3 en 24 ponders. en mortieren van 16, 24 en 50 ponden, gedeeltelijk veld, 
gedeeltelijk vesting-artillerie, voorts enkele scheepskanonnen, amunitiewagens, kranen enz. 
Slechts één ijzeren mortier is er bij. 

Tegen het midden der zestiende eeuw voorzag de stad zich elders, als te Mechelen, 
te Utrecht, van bronzen geschut; ijzeren serpentijnen, valckenetten, scharpinetschers en 
bassemoeren werden binnen de stad door ijzersmeden, als b.v. Mr. Jan de aanbeeldmaker 
(^537 — 44) vervaardigd. Blijkbaar waren deze ijzeren stukken nog al aan slijtage onder- 
hevig, want telkens werden nieuwe besteld en tegen de oude ingeruild. Omstreeks 1570 
leverden Reyer Martsz, Arent Jansz, Jan Lambertsz, alle smeden, aan den artillerie- 
meester, slangen met vier kamers, halve slangen met gedreven kamers, en slangen, die 
met touw moesten omwonden worden. Deze moest al dit geschut inschrijven in het 
artillerieboek, waarvan jaarlijks een afschrtft ter Thesaurie overgelegd moest worden, bij 
het afleggen der rekening. Ongelukkig is geen dezer afschriften, noch het origineel tot 
ons gekomen. 

De oprichting van de stads geschut- en klokgieterij ^) maakte aan het aankoopen 
echter nog geen einde. Kon de regeering zich elders goedkooper voorzien, of was er 
wellicht zooveel aan de gieterij te doen, om de bestellingen van buiten af gereed te 
maken, dat burgemeesteren, door het huurcontract gebonden, genoodzaakt waren den 
gang van zaken in de met eere bekende fabriek niet te storen door gedwongen haastige 
leverantiën voor den stads-artilleriemeester ? 

Bestellingen van buitenslands waren hier niet ongewoon, en het behoeft niet te 
worden herinnerd, dat zij niet verminderden, toen de Hemony's als stads klok- en geschut- 
gieters meer werk maakten van de klokken, dan van het geschut. 

De oude stads- geschutgieters waren huurders van de gebouwen. Eerst in 1770 
nam de stad de fabriek in eigen exploitatie*). Onze modellen zullen dus wel van na 
dit jaar dagteekenen, evenzeer als de vitrine met modellen van alles wat daar vervaar- 
digd werd, en waarvan de volledige opgaaf in de „Aanwijzing" van den heer SCHELTEMA 
voorkomt Bij de opheffing der geheele inrichting in 1821 werd alles ten stadhuize 



1) Zie over de oprichting van het eerste Giethuis „de kroniek van Staats*' blz. 34. 
3) Groot. Mem. XII, bl. 158. 

8^ 



60 DE RARITEITEN-KAMER. 

bezorgd, om geplaatst te worden bij het model van de geschutboor, die in 1790 met veel 
geheimzinnigheid in een besloten vertrekje achter de wapenkamer werd bewaard.^) 

Midden op de hierbedoelde vitrine prijkt een bronzen beeldje, voorstellende een 
bussenschut in 'tcostuum van het laatst der zeventiende eeuw. Een achttal jaren geleden 
stond het op een oudem'etschen kachel en zag het er even zwart uit als deze. Toen werd 
het echter van den kachel genomen, schoongemaakt en naar de rariteiten-kamer overgebracht. 

Fraaie of merkwaardige kanonnen bezit de verzameling niet meer. Vroeger telde 
zij twee prachtige stukjes geschut, rijk met verschillend gekleurd metaal en zilver ingelegd 
en geciseleerd. Volgens betrouwbare inlichtingen waren deze stukjes eenigen tijd in 
gebruik geweest in den stadsschouwburg, toen de kunstschilder PlENEMAN ze uit het 
naast zijn atelier gelegen magazijn van requisieten ter leen kreeg. Eenige jaren later 
gaf hij ze aan een kunstbroeder ten geschenke, die ze na PlENEMANS dood te gelde 
maakte. Na van den een aan den ander antiquair verkocht te zijn, trokken zij de aan- 
dacht van keizer Napoleon III, die ze een plaats gaf in de wapenverzameling van het 
kasteel Pierrefond. Daar prijken deze kanonnetjes thans als de schoonst bekende voor- 
beelden van geschutversiering! 

Niets herinnerde ons tot dusverre aan de schutterij, alles aan de stadshuursoldaten . 
Toch hebben onze schutters, zij het ook onwillekeurig, bijgedragen tot verrijking der 
collectie. Toen bij de omwenteling op 't laatst der vorige eeuw de schutterij voor de 
gewapende burgermacht moest plaats maken, werden de vaandels van de wijken^ die 
wellicht sedert driekwart eeuw in gebruik waren geweest, ten stadhuize afgegeven. Er 
waren vijf regimenten door vaandelkleuren onderscheiden geweest. Ieder kapiteinschap 
of iedere wijk had zijn vendrig, dus vermoedelijk ook zijn vaandel, welke vaandels 
naar het regiment gekleurd aan de bovenkant voorzien waren van verschillend gekleurde 
smalle baantjes, en in hetzelfde regiment wel door kleine herken ningsteekens zullen 
te onderscheiden zijn geweest. Het vaandel, dat in den vorm vrij wel op een vlag geleek 
en dus in ruime plooien kon neerhangen, was van zijde en in een afzonderlijk vakje van 
den bovenhoek beschilderd met het door twee leeuwen vastgehouden stadswapen. Al 
deze vaandels hebben door den tand des tijds niet weinig geleden. Hun aanstaande 
overtocht naar 's Rijks- Museum zal hun ten goede komen, indien ze mogen deelen in de 
kunstbewerking, die de vaardige hand des Heeren DE Neüfville op de vaandels en 
banieren van het Nederlandsch Museum van oudheden en kunst heeft toegepast 

Stijf beschilderd en daardoor minder verweerd zijn de kleine nagenoeg vierkante 
vaandels, die op hare beurt de gewapende burgermacht in 1799 ingericht achterliet Het 
reglement van 7 Mei schreef in hoofdstuk 12 art. 4 voor, dat ieder bataillon een vendel 
moest hebben geschilderd met „drie couleurige vlammen" — banen — en een eikenkrans 
in 't midden met het devies „Voor het Vaderland en de Wet." Zulke vaandels zijn 



M Jacob de Vries. Aanw. v. d. Sieraden der l'ubl. gebouwen. (Amst. Elwb 1790) blz. 65. 



DE RARITEITEN-KAMER. 61 

van de drie bataillons aanwezig, en evenzeer van de 4* halve brigade van het l*, 2* en 
3* bataillon, die dezelfde opschriften dr^en, maar aan de keerzijde een klimmenden 
leeuw met het zwaard in de poot vertoonen. 

Wellicht herinneren dan aan eenige niet officieel erkende burger-vrijko rpsen van 
den patriottentijd de twee vaandels, een met de stadskleuren en het opschrift y^OefTen- 
school in den wapenhandel", het andere beschilderd met twee uit wolken te vCK>rschijn 
komende armen, die één ring vasthouden met het omschrift ,^ompre la foï est chose 
honteuse" en aan de keerzijde met een adelaar, die in een poot een bliksembundel en in 
den ander een olijftak houdt, met het omschrift „ïi la guerre et k paix". De opheffing 
dier burgercorpsen was een der voorwaarden door de overwinnende Pruisen in 1787 aan 
de stadsregeenng gesteld. 

De bij de gewapende macht thuis behoorende muziekinstrumenten zijn mede ver- 
loren, uitgezonderd een koperen schuiftrompet met het opschrift „Fiere Colbert ma faict 
k Rheims 1599," een fragment van een koperen schuiftrompet uit het begin der zes- 
tiende eeuw en een viertal schalmeien, die nog in de tweede helfl der zeventiende eeuw 
werden gebruikt. 

Tot versiering der dammen tusschen de vensters dr^en vier in hout gesneden 
wapentrofeSn bij, die afkomstig zijn uit de vergaderzaal van het Admiraliteitshof (thans 
raadzaal op het Stadhuis) alhier. Zij zijn te herkennen op de prent voorstellende het 
zitting nemen van Prins Willem V in het college ter admiraliteit bij gelegenheid van 
zijn bezoek aan Amsterdam in 1768. 




DE PORTRETSCHILDER RUDOLPH VAN GROL. 



DOOR 
A. BREDIUS. 




cEZE kunstenaar komt in de boeken van het Haagsche St, Lucasgilde abu- 
} sievelijk voor als RuDOLPHUS VAN KoOL 'J en werd in 1627 ingeschreven. 
Het MS. van die Registers is soms zóó onleesbaar dat men hier bijv. 
' evengoed Kool als Grol lezen kan. De schrijver dezer regelen meende 
bij de uitgave dezer boeken evenals VAN Westrheene •) KOOL te moeten 
lezen, wat hem later gebleken is onjuist te zijn. 17 October 1627 toch vermelden de 
Haagsche Registers van ondertrouw: 

Mr. Rudolff van Grol, jongman, Schüder, met Cornelia van Bodegraven, 
(lees Bodeghem) beide wonende te 's Gravenhage. 

In eene onbelangrijke Acte >) verklaart RuDOLPH VAN GROL, schilder te 's Gra- 
venhage, in October 1644 42 jaar oud te zijn;*) hij is dus c* 1602 geboren, en was Wj 
zijn huwelijk + 25 jaar oud. 

l) Archii/v. fJid. KuntlgathUiUnh, III, bL 3Ö4. 
1) /CmutirBHi/i, 1B67. 

i) Interrogatorien en Recollememen, Schepen-Archief. 
*) De rolgende Acle bevestigd di( 

II Mey 1639. Sr. Rudolfpus vak Gboli., JifAf'/J»-, woanende in 'sUravenhaee, oui 37 iuen, Tcrclacrdc 
dat by een huys van PRAacKOvs Molenvseb, staende ini Noortende voor desen si» huyrder gebruyckt heeft en 
daemyl den lesten April 163S sclieijdende, deselve tedelyck gestelt vetlaten heeft. 

Chbistoffel D*Assbignies, Juwelier en Johinnes de Roues lijn getuigen. De schilder teekent : 




DE PORTRETSCHILDER RUDOLPH VAN GROL. 68 

24 October 1635 maakt hij met zijne huiitvrouw, (hier CORNELIA Cornelisd*. 
VAN BODEGEM genoemd en eóó teekenende,) zijn testament. ^) Eindelijk bewijst ons een 
eisch in de Rollen van het Haagsche Schepenarchicf van Januari 1645 tegen hem, dat 
de schilder toen lu^ in den Haag woonde. (In 163;^ naest VAN Looint Noordeijnde)*). 
Ik heb dezen schilder nergens vermeld gevonden en nooit iets van zijn hand gezien. 

De onderstaande verklaring leert ons van Grol als portretschilder kennen: 

4 Dec. 1636. Soo heeft Rudolphus van Grol, schilder in den Hage, 
aengenomen Adam van DER GORT, Coockermaecker alhier, mitsgaders zijne huys- 
vrouw ende sijnen Soon te schilderen, in dusdaniger voege: te weten, dat Wj 
van der Gort sal aen de voorsz. van Grol leveren twee penelen, daer op yder 
paneel kan geschildcrt werden tot de knie toe één persoon, ende dat van Grol 
sal schilderen op het eerste paneel de voorsz. van der Gort met sijnen Soon, 
VAN DER Gort hebbende in d'eene hant een passer ende in d'andre hant een 
oorloge, ende een tafel voor hem, ende dat hij VAN Grol sijn voorsz. Soon int 
voorsz. paneel sal vougea soo als 't best ende gevouchelicxt sal kunnen sijn, ende 
opt voorsz. tweede paneel sal hij van Grol des voorsz. VAN DER GoRTS huya- 
vrouwe schilderen met een bouck ofte preeckstoel in de hant naer den eysch van 
de schilderijen. Daerjegens (de schilderijen gemaeckt sijnde) hij van DER GORT 
betalen sal de somme van vijff ende deriich guldens, doch cortende 2-10-0 bij 
hem VAN DER Gort op huyden betaelt. Enz. >) 

De volgende Acte bevestigt alleen zijn verblijf in den Haag in 1640 endeelt ons 
enkele familiebetrekkingen van zijne vrouw mede: 

17 December 1640. Rudolph van G%0l.^schilder,woHendete's Graven^age, 
wordt gemachtigd, om geld te ontvangen. Hij is zwager van Maria en MaGDALENA 
VAN Bodeghem; samen erfgenamen van den adelborst FranchoyS VAN BODEGHEM, 
en den Tamboer Bartholomeus van Bodeghem, hunne overleden broeders.') 

Dit is alles wat ik omtrent dezen schilder heb kunnen opsporen. 



*) Prou Not P, V. Grobhbwechbn, iIeq Haag. 

1) Archief V, 9S. 

i) Prot. Nol. P. V. Gboenrweghen, den Haag. 

*) Prol. Not. B, J. Tesbebcq, Amsterdam. 




DE SCHILDER JAN DE GROOT. 



A. BREDIUS. 




X het najaar van i8S6 bezocht ik voor het eerst eene bijna geheel 
onbekende openbare verzameling van schilderijen: dit Sta^aeh-Lang'schx 
Gemadde-Sammlung te Coblenz. Toch verdient zij een bezoek. £r 
schuilen onder , .Onbekend" of geheel verkeerde toeschrijvingen eenï^ 
hoogst belangrijke kunstwerken. Ik noem slechts: een AxTHOM' MORO 
(X.B. als RuïsESS-, een Aert PiETERSZ (als vax Dijck). een fraaie (^renrijke compo- 
sitie: Elias en de Baaispriesters, x-an Claes Moev.\ert (ab „Unbekannt"), een fraaie 
Jak Olis, een aardige B.\rtholomeus Molenaer (gem.: B.Mo. N.B. als Ostade!), 
een Ma es'achtige keukenmeid van Re^'MER Comjn, een zeldzaam meester van Dordrecht 
(gem. R. COMN) enz. enz. 

Onder de meesters dezer Collectie, die mij het meeste belang inboezemden, behoort 
Jak de Groot. No. 134 en 13S worden aan dezen schilder toegeschre\'en endjninder- 
daad gemerkt: J. D. Groot 167a 
Het eerste stxik stelt voor: 

^ine niedcrlScdische Bauemstube An einem Tische sïtzen Maenner imd Wuber, 
„welche trinken und sich's wohl sein lassen." 

Hok. 7S ZoU h. 9i br. 
No. 13S. Pendant, ^ine Scbule. Viele Kinder, Knaben und Maedchen, sitzen 
fin verschiedesen Gruppen mi: Büchem in den Haenden und temen. Der Lehrer schout 
^ein Kind zu bestrafen. 

Dezelfde afmetingen. 



DE SCHILDER JAN DE GROOT. 65 

Ik teekende aan: No. 134. Precies een heele goede Brakenburgh. Zeer inte- 
ressant meester. Zeer ' krachtig en frisch koloriet. Invloed van Jan Steen. Op No. 138 
hebben de koppen Avat weinig uitdrukking. 

En wat lees ik dezer dagen bij Hüubraken: 

Jan de Groot, geboren te Vlissingen, in den jare 1650 heeft Adriaen Verdoel') 
tot eerste onderwijzer in de Konst gehad. Naderhand in den jare 1666 Adriaen van 
Ostade en eindelijk Frans DE JONG van Haarlem. Hij verwisselde in zijn oude dagen 
het penceel voor de Koflynering; dog zijn Konstliefde verliet hij niet, maar dreef somwijl 
een handeling met Schilderijen, Teekeningen en Printkonst. 

Van der Willigen zegt van hem: 

Tout ce que je sais de cc riche amateur peïntre, c'est qu'il est décéde k Harlem en 
1726. Je possède son portrait dessiné qui Ie représente i l'Age de 27 ans. 

Of het geboortejaar 1650, dat HOUBRAKEN opgeeft juist is.' Ik betwijfel het. Dan 
zouden de schilderijtjes te Coblenz reeds op aojarigen leeftijd door hem moeten geschil- 
derd zijn. En zij verraden een reeds geoefende hand. Toch zal hij niet veel vromer 
geboren zijn. Voor de kunst moeten we het betreuren, dat „de KofTynering" uit den 
schilder een koopman gemaakt heeft. De hier genoemde stukjes zijn ten minste zoo 
goed, ja beter dan menig werk van DUSART of BRAKENBURGH. Het is alles wat ik 
van DE Groot op mijne zwerftochten tegenkwam. 



I) Die ook geniïmrn tijd l< 




HET STERFJAAR 
VAN DEN BEELDHOUWER ADRIAEN DE VRIES. 

DOOR 

A. BREDIÜS. 




Sn het I" deel vïin het prachtwerk: Jahrbuck der Kunsthistoriscken Samm- 
lungtn des AUerkochstcn Kaiserliauses. (Wïen 1883) vindt men een zeer 
omvangrijke bijdrage, vergezeld van uitstekende heliogravures, over onzen 
grooten beeldhouwer ADRIAEN DE Vries, van de hand van Dr. Albert Ilg. 
De talrijke werken van den kunstenaar beschrijvend en aan de hand 
van vele en zeer merkwaardige documenten, vervolgt de geleerde schrijver den levensloop 
van onzen meester van 1576 af tot aan 1627 toe; dus gedurende een halve eeuw. AI 
dien tijd was hij voor den Oostenrijkschen Keizer werkzaam. De laatste brief van 
DE Vries, in dit opstel gepubliceerd, is van 25 Augustus 1626 en werd te Praag ge- 
schreven. Nog wordt een met het jaartal 1627 gemerkt werk vermeld. 

Uit de volgende Acte nu zien wij, dat DE Vries vóór Juni 1627 reeds overleden 
was. Is het juist, dat er nog een werk van hem uit het jaar 1627 bestaat, dan kan men 
aannemen, dal hij in de eerste helft van 1627, waarschijnlijk te Praag, overleden is. 
(Men stelt zijn geboortejaar op 1560.) 

31 Mei 1627. D'eersame WouTER HulhhOUT, wyncoper in den Hage, soo 
voor hem als in den naem van d'andere erffgenamen van Adriaen de Vries 
bekent uit handen van d'eers. Jan Mullere) ontfangen ie hebben/z/so- — die den 
voorn. Jan Muller waren overgemaect door Hans de WiTT, Cooptnan tot Praegen, 
om aen deselve erffgenamen van Adriaen de Vries betaelt te werden. Sulcx 
hy comparant der voorn. Jan Muller bedanckende is enz. 

Prot. Not. F. MaTHIJSEN. Amsterdam. 






kcndi; phs 



EEN BEZOEK 



DEN RIDDER ADRIAEN VAN DER WERFF, 



KUNSTSCHILDER. 

IN 

I 7 I O. 

DOOR 

Mr. N. de roever. 




N de kuns^eschiedenis van de 17* en 18* eeuw neemt het werk van 
den bovengenoemden kunstenaar een eigenaardige plaats in. Het ligt 
niet in mijn plan, om In 't breede uit te wijden over de verdiensten 
van dezen kunstenaar, noch over de waarde, die aan zijn schilderstukken 
moet worden toegekend, wanneer men ze vergelijkt met de voort- 
brengselen van 't penseel van vroegere en latere kunstbroeders. 
Ik geef hier woordelijk het verhaal van den kunstliefhebber Allard de LA Court, 
die in 1710 onzen kunstenaar te Rotterdam opzochtr in zijn huls en atelier werd toege- 
laten en cenige zijner werken zag, en kon de verleiding niet weerstaan, om enkele bizon- 
derheden uit het reisboek, waaruit ik putte i), aan te teekenen, voor zoover het Itcht werpt 
op de reisgelegenheden van dien tijd, en eenigi^^uitcnslands gevestigde vaderlandsche 
kunstenaars. 



'I Ik vond dit reisboek in het Archief vi 



e Amalerdamiche Weeskamer. 



68 EEN BEZOEK AAN DEN RIDDER ADRIAEN VAN DER WERFF. 

Ik mag als bekend veronderstellen — en zoo 't den lezer niet bekend mocht zijn 
kan ik hem verwijzen naar de werken van Kramm en IMMERZEEL waar de levensgeschie- 
denis breedvoerig is geboekt, — dat deze kunstenaar den 21 Januari 1659 te Kralinger» 
ambacht geboren werd. Dat zijn vader, molenaar van beroep, hem bij Eglon VAN 
DER Neer in de leer deed, onder wiens toezicht hij vier jaren de kunst beoefende. Hij 
vestigde zich toen in Rotterdam alwaar hij na een groot vermogen verworven te hebben 
als een hooggeacht burger op den 12 November 1722 overleed. 



Drie heeren „van qualiteit*', — het waren behalve Allard DE LA COURT de Heeren 
Floris Drabbe en JohannES Buckingam — inwoners der stad Leiden, hadden met elkaar 
afgesproken, om een reisje naar Londen te maken. Ze stelden den 28 April i/ioaisda^f 
van vertrek vast. Reeds een paar dagen te voren was de knecht naar den Delftschen 
schipper gegaan, om de geheele schuit voor 't illustre reisgezelschap af te huren en hem 
op te dragen de schuit van Delft op Rotterdam op dezelfde wijs te bespreken. Vier 
andere heeren moesten denzelfden weg uit, en hadden zich bij hen aangestoten. Neemt 
men in aanmerking, dat de huur van de schuit, de vracht van de bagage loowei als de 
vertering op reis per hoofd op drie gulden en zes stuivers te staan kwam, dan mag men 
aannemen, dat de kosten geen der reisgenooten tegenvielen, 's Morgens niet al te vroeg 
vertrokken — waren ze vroeger op reis gegaan dan zouden de belangstellende vrienden 
en magen hebben ontbroken, die hen nu het laatst vaarwel kwamen toeroepen en een 
eind weegs medevoeren — arriveerde het reisgezelschap ten half twee in Delft, waar men 
een half uurtje noodig had tot versterking van den inwendigen mensch. Van daar vertrok 
men weder ten twee ure. Het liep naar vier ure toen men op de torens van de Rottestad 
de wijzers kon zien. Lang duurde 't niet, of men had het besluit genomen te overnachten 
in 't ^^Schild van Vrankrijk^\ een herberg, waarvan men de beste inlichtingen had be- 
komen, 't Schijnt een schoone achtermiddag te zijn geweest, althans de Heeren verkozen 
in de „herberg" niet te blijven, maar liever aan den wandel te gaan. Alvorens te ver- 
trekken bestelden zij een eenvoudig avondmaal bestaande uit „een slaatje met een 
vers eytje uyt den dop." Hoe eenvoudig ze ook waren, toen ze rond liepen in 
de levendige straten van Rotterdam, kwam het hun voor, dat hun hoed wel iets deftiger 
mocht getooid zijn, om eenige voorgenomen bezoeken af te leggen. Nauwelijks hadden ze 
dan ook een hoedenstoffeerderswinkel in 't oog gekregen, of ze gaven binnengetreden hun 
verlangen te kennen den hoed met een zilver gareel te tooien. Zoo uitgedost maakte 
men zijn opwachting bij een vriend van een vriend, die terstond de eer van het bezoek 
met een paar flesschen witte fransche en roode pontacq-wijn moest boeten. 

De reisgenooten schijnen geen haast te hebben gemaakt vóór ze bedachten, dat de 
bestelde salade wellicht reeds opgedragen was. Van dit eenvoudig maal hadden ze 



EEN BEZOEK AAN DEN RIDDER ADRIAEN VAN DER WERFF, 69 

echter te veel verwachting gehad, en over 't algemeen vonden ze zich droevig in hun 
^^herberg"' bedrogen. Niets was gereed. Er moest ^eschreeuwt, gevloekt y geraast en 
gescheU^ worden eer er iets kwam opdagen. En toen de meid eindelijk verscheen, bleek 
het, dat er aan alles wat haperde : het servet was „z;«//", borden lepels, vorken, messen : 
^^morsi^\ olie en azijn ^^fniserable*\ alleen de yfiottolettefi\ die waren klaargemaakt, 
smaakten voortreffelijk, zoo ook de y^eyeren uyt den doff\ En dit schijnt voorloopig 
de rest te hebben goedgemaakt, want toen men bedacht of 't niet beter ware een ander 
^^logimenf^ te zoeken, nadat men bemerkt had, dat op de slaapkamers ook niet alles in 
den haak was, toen liet men dit kostelijke denkbeeld varen, omdat men toen reeds „m 
ket nagtgoed was^\ Na een nacht al even y^miseraber doorgebracht, zouden de heeren 
's morgens achtereenvolgens ontdekken, dat men vergeten had water te brengen, en dat 
de waard er verstand van had, om zijn gasten een duchtige rekening te schrijven, toch 
zou dit alles aan den goede stemming van den dag geen afbreuk doen. Vier gulden en 
vijf stuivers per hoofd was dan ook voor aanzienlijke heeren geen bankroetierswerk. 
Gentleman-like aangekleed gingen de heeren nog enkele bezoeken afleggen o. a. bij den 
Heer Raavens, die — 't is geen onaardige bijzonderheid — acht dagen te voren zijne 
secretarisplaats had verkocht voor 24000 galden. Een ander bezoek brachten zij aan een 
kunstkooper VAN BiESEM, wiens huis wegens den schoonmaak over hoop lag, zoodat de 
eenige schilderij, die de Heeren te zien kregen was y,een fraay fruytstuk van jAN DE 
Heem, '/ geen bekend was met den naam van de Rinse Roomer^ vermits in '/ selve stuk 
ifit midde een Roamer was geschildert\ Het is te betreuren, dat onze kunstkooper het 
geluk had een echte hoUandsche huisvrouw te bezitten, die op den traditioneelen tijd met 
den schoonmaak begon. Ware dit niet het geval geweest dan had het kunstlievende 
drietal voorzeker vrij wat meer meesterstukken onder de oogen gekregen, en wij hadden 
ons een beter denkbeeld van 's mans „winckel" kunnen vormen. 

Na den kunstkooper te hebben verlaten sloegen zij den weg in naar 't huis van 
den yyChevallier Van der Werff*\ op dat oogenblik een man van iets meer dan 51 jaren, 
dus in den kracht des levens en, dank zij zijn talent, op het toppunt van zijn roem. 
Gunsteling van de vermogende keurvorsten van de Paltz, genoot hij niet alleen het voor- 
recht met hunne bestellingen vereerd en met hunne met diamanten omzette portretten begif- 
tigd te worden, maar was hij thans bijna sedert een zevental jaren in 't bezit van een 
diploma, dat hem en zijne nakomelingen in den adelstand verhief en een wapen verleende, 
waardoor de eenvoudige molenaarszoon plotseling het aanzien kreeg van een groot heer. Met 
recht mocht hij op zulk een adeldom, door verdienste verworven, trotsch zijn, met recht 
zich tooien in edelmanskleederen ; zijn geel satijnen wambuis met amarantkleurige mantel 
stond hem niet minder goed dan Rembrandt de kostbare gewaden kleedden, waarmede 
we hem zoo dikwijls zien afgebeeld, 't Is een ijdelheid, die men vergeven kan, als men 
weet, dat men een selfmade man voor zich heeft, die bovendien een open oog had voor 
pracht van kleuren. 






^t 



70 KEN BEZOEK AAN DEN RIDDER ADRIAEN VAN DER WERFF. 

Laten wij thans het woord aan onzen reiziger: 

^^De Heer Cfieval: VAN DER Werff ontfing ons seer beleeft ^ wierde in de sykaamer 
^^cleyty alwaar aan de Regier hand SynEd, Portrait f tong ^ met Uportrait van den Hartog 
yCoan Dusseldorp in juweele geset onder aan ^tftuweele kleet, dat om syn Uyff geslikgert 
^^iVaSy seer fraay geschilderdy aan de linkerhand V Portrait van syn vro$tw^) en daer^ 
y^neffens dat van syn dogter; aan d* oversyde U portrait van syn V(prstelyké) D{porluch^ 
tighnd) van Dusseldorp, Hier van daan leyden hy ons op syn schilder kaamer^ altvaar 
op den Eesel stongy een kleyn stukje verbeeldende een vlugting van Egipten^ van yosepkj 
Maria en ^t Kindje met een eseltje. Dit was voor de eerste maal geschilderd of gedood^ 
verfft maar zvonderlyk netty en effen, en geleyk. Dit afgenoomen hebbende setten een Hemel 
vaart Christi opy waarin tzvaaliff beelde of portraitten waaren, wonderlyk geschilderd. 
y^Doe saagèn wy hiervan de weergaa, daarvan was de historiy daar Christus gegeeseld 
wierd^ en de door ene Croon opgeset; deese beyde waar en gereed om met de eerste occasie 
^^naar de Keurvorst te versenden. Dit gesien hebbende vertoonde ons dè histori van 
y^Diana en CalistOy en daarnaar syn eyge portrait hebbende in ^eene hand penseele met 
^^een palet met verf en in d'andere hand U portrait van syn vrouw en dogter^ 

Dit laatste stuk is ongetwijfeld hetzelfde^ dat nog thans, uit de nalatenschap van zijn 
dochters afstammelingen aangekocht, in 's Rijks Museum berust 

Het schijnt, dat de bezoekers hun vriendelijken gastheer niet langer wilden lastig 
vallen, of dat de kunstenaar hen liet gevoelen, dat hij zijn tijd wel beter kon gebruiken 
dan dien met kunstliefhebbers te verpraten, — de heeren trokken na de noodig^e plicht- 
plegingen af. 

Hoe de reisgenooten den tocht vervolgden, een jacht naar Hellevoetsluis af huurden, 
en van daar naar Engeland overstaken, welke ontmoetingen zij daar hadden, zullen wij 
hier onvermeld laten. Zonder belang is het reisverhaal evenwel niet, maar slechts uit 
een engelsch oogpunt. 

Nu wij ons drietal reeds in het vaderland zagen beginnen met het bezoeken van 
een schilders-atelier, zou het onbillijk zijn den lezers het verhaal te onthouden van de 
bezoeken, die zij in Engeland aan eenige vaderlandsche kunstenaars of hunne leer- 
lingen brachten. 

Den IC, II en 12 Juni bezocht het gezelschap Tapson alwaar een HoUandsch 
schilder woonde genaamd „Giamagli, welke een discipel was gezveest van ScHALCKEN." 
Over het bezoek was men blijkbaar niet zeer voldaan. Hij ^yzvas een portretschilder dog 
van de slegste soort.*'' 

Den 21 Juni toen men weder in Londen terug was en bezoeken aflegde in de 
buurt van St. Paulus Kerk, o. a. bij den microscopenmaker Marichal, ging men ook 



1) Een dochter uit het patricische geslacht REES. Ook zij ondervond in den vorm van rijke geschenken den 
gunst van den vorstelijken bcbchcrmhecr haars gemaals. 



EEN BEZOEK AAN DEN RIDDER ADRIAEN VAN DER WERFF. 71 

naar den schilder VAN DER Meulen, die „verscheyde portretten Het sien Leevensgroote, als 
„kleyne voor toebacks-doosen, syn kunst was sao, soo; sijnde daar niet veel op te Roemen" 

Drie dagen later had het drietal kennis gemaakt met SiMON Verelst, wiens schil- 
derijen men ging bezichtigen „als ivaarende deese man in mijn kuys gelogieert, liet mij 
„verzoeken of geneege was syn konst te sien, dat nooit diergelyke in Hollandt oj Italien 
„soude hebbe gesien, dog wanneer 'tselve sag vielt seer af, was slegi geschilder t. Dorst 
y,evenwel nog S, loo, véor een stukje eyssen, synde een seer slegi Bloemstuk." 

Van daar trok men naar vAN DER VoORT „een yPortretsc/iildér, sijnde de Beste, 
y4ie nog in Engeland gesien hadde, maakt heele soete Perspectieff jes van kerken als anders." 

Den 4 Juli ging men een bezoek afleggen bij den Heer Godfried Kneller, wel 
geen Hollander van geboorte, maar toch een leerling van Rembrandt en BoL, die de 
hofschilder was van 'tEngelsche hof en een ongemeen aanzien genoot. „Hem selfs konde 
yfliet spreeken alsoo daar een Daame voor hem sat, dog sijn schilderij wierd mij door een 
y^ijner discipelen vertoont, sijnde verscheyde portretten, die nog onder handen ivaaren; ook 
y,een schoon stuk van Jordaans, Lanfranche, Rubbens, etc." 

Meer kunstenaars ontmoeten de Leidsche heeren niet. 




RAPIAMUS. 



Opten XVII*^ dach van Aprill ( 1487) ontftnck mijner Lieven Heere van Brederode 
voers : sinen groeten zegell van den meyster, dat mijn liefT heer had doen maecken 
tUtrecht by enen goudtsmyt genoemt Gheryt Gerytszoen. Ende soe tasten den 
voers: meyster aldaer aen DiRCX handt van Alphen in der tijt scout van Vyanenende 
zwoer voert liefflicken aen den heyligen, dat hij voer dieen daech, gheen zegett meer 
gelijck dieen geconterfeyt, noch gemaect en hadde. noch na dieen daegen gheen meer 
conterfeyten, noch maecken en solde. Daer dit gescyede waeren by, aen ende oever 
Dirk van Alphen als scout voers:, Bartout van Bueren, Zweer Henricxzoen, bur- 
gemeyster in der tijt tot Vyanen, ende PETER Crom. 

Geextracteerd uit het Leenboek van Vianen 
1480 — 1508, berustende in het Rijks Archief te 's Gra- 
venhage f». 44. 

(Medegedeeld door den Heer W. Feylbrief, te 's Gravenhage.) 



30 Mei 1602. Erenfeste enz. Uyte bijliggende copie van den brief aen ons ge- 
schreven bij den Welgeboren Heere Grave VAN der LiPPE zult ghylieden verstaen, dat 
zijn E. ons versoect, dat wij souden willen bemiddelen, dat hem tot behoeff van zijne 
Keyzerl. Maj*. soude mogen gewerdden seker stuck schilderie in ulieder Raedtcamer 
berustende van het uyterste oordeel, onder goede betalinge^ ende alsoo wij den welgc- 
melteh heere Grave in 'tvoirs. zijn versoek ende de voirs. presentatie? geerne sagen 
geaccommodeert, soo versoecken en begeren? wij dat uliede gelieven zijn E. mette voirs 
schilderie te gerieven, daerinne? sult ghijliede ons doen een soo aangename sake. De 
Almag^ge enz. Actum 30 Mei 1602 ^). 

Minuut eener missive geschreven aan de Regee- 
ring van Leiden, aanwezig in de loopende lias van 
Brieven van de Generale Staten ten Rijks-Archieve. 

(Medegedeeld door Mr. A. H. H. van der Burch, te s Gravenhage.) 



13 Juli 1628. Mr. Willem Jansz, organist van de Nieuwe Kerk, Mr. Dirk 
Jansz Swelinck, organist van de Oude Kerk, verklaren ten verzoeke van Mr. Pieter 
Pampis, clavesimbelmaecker, binnen deser stede, dat sy getuygen verscheyde wercken 
van claversimbels, die met raders gaen ende van selfs spelen, by hem producent gemaeckt 
hebben gesien, houdende- tselve voor eene nieuwe inventie noyt te lande hier meer gesien 
otte gehoort. 

(Prot. Not. Palm Matthijs, te Amst. f. 171^). 
(Medegedeeld door den Hr. A. Bredius, te Amsterdam.) 

1) Een antwoord op dit schrijven heb ik noch in de Resolutifin der Staten-Gen., noch in de loopende lias kunnen vinden. 
De Graaf zu Lippb logeerde te 's Hage in „de Moriaen" op kosten van de Staten-Generaal, en was ii Not. i6oa 
op 't punt van naar Leiden en Utrecht te vertrekken. (Zie Resol. ii en 20 Nov. lóoa)."* 

Zie ook het in Archief Nederl. Kunstgesch, blz. 6 medegedeelde, omtrent 't schilderij van 't oordeel. Sententie Juft 

HOLL, 14 Juni 1630. 




74 ALBERT JANSZ VINCKENBRINCK. 

te Yperen, 1 598, in de kerken te Bolsward, Breda en Dordrecht» het choorhek in de Groote 
Kerk te Haarlem en de H. Geestbank in dezelfde kerk, het choorhek te Medemblik» de 
predikstoel in de St Janskerk te 's Hertogenbosch, zijn met zoovele andere meesterwetken 
bewijzen van de groote kennis en de kunsc van beeldhouwers, wier namen meestal alleen 
door met moeite opgespoorde documenten bekend zijn geworden. 

Behalve de nagelvaste werken is bij ons uit de middeleeuwen weinig overgebleven. 

Meubelen zijn den weg van bijna alle oude zaken gegaan, en als men er nog enkele 
over heeft, als b. v. het zoo fraaie kastje uit het Provenhuis van Palinc en FoRE£ST te 
Alkmaar, nu aan het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap te Amsterdam behoorendy 
dan is het wel omdat ze buiten het oog van latere geslachten op zolder in een hoek zijn 
bewaard gebleven. 

Uit de 17* en i8« eeuw is gelukkig nog vrij veel over, en bij de t^[enwoordig 
herboren belangstelling in oude kunst en kunstgeschiedenis is verlies of verminking minder 
te vreezen. 

Ons tot Noord-Nederland bepalende, vinden wij in bijna alle stadhuizen en kerken 
gestoelten, portalen, betimmeringen met ornement- en beeldwerk versierd, dat zéih tot in 
het midden der ïp eeuw in compositie de sierlijke en smaakvolle werken der 
i6« eeuw nog herinnert. 

Het orgel in de St. Janskerk te 's Hertogenbosch, banken in de Groote Kerk te 
Gouda, te Rotterdam, in den Haag, de predikstoel te Bolsward, betimmering in het 
Stadhuis te Kampen en zoovele andere meesterwerken, zijn waardig om tot veilieuging 
van het oog en leering van latere geslachten, door goede afbeeldingen meer bekend 
te worden. 

Maar ook in de huizen van rijke of eenvoudig gegoede burgers vinden we deuren 
en schoorsteenen, trapleuningen en lichtramen, gangfonteinen en spiegellgaten, bettmme- 
ringen en gang- of tuinbanken, waaraan ons oog te gast gaat Huisdeuren tiit dé 17* en 
i8« eeuw met uitmuntend geteekend en uitgevoerd snijwerk, te Utrecht en Zwolle (zie 
VAN YSENDIJCK, Documents Classes.) en verscheidene te Haarlem gaven reeds bij het 
Binnenkomen het bewijs, dat als de eigenaar kunstzin had, hij niet verlegen bèhoe&le te zijn 
om bekwame werklieden te vinden. 

En de jachten van Zijne Hoogheid, van de Admiraliteiten en van particulieren, nu 
verrot en gesloopt, werden in- en uitwendig met gesneden beeld- en lofwerk versierd, en 
men vreesde niet daaraan veel geld ten koste te leggen (zie Archief voor Nêderlandsehe 
Kunstgeschiedenis II, 13). 

Meubelen uit die eeuwen zijn natuurlijk in vrij groot aantal tot ons gekomen, en 
de meesten hebben dezelfde groote kwaliteiten van kompositie en smaakvolle versiering 
als de werken van g^rooteren omvang, voor eene vaste bestemming vervaardigd. 

Onze „kistemakers'' (nu zou men zeggen meubelmakers) en de huistimmerlut wisten 
goed met den beitel om te gaan, en de koppen, menschen- en leeuwenkoppen op consoles 



ALBERT JANSZ VINCKENBRINCK. 75 

of balksleutelsi de rinceaux in de friezen en op de pilasters waren even flink bewerkt als 
die, welke de steenhouwers ter versiering van een gevel beitelden. 

Bijna altijd is eikenhout de grondsto£ Voor meubelen/ in den loop der 17* eeuw, 
soms palissander- of sakerdaanhout met ebbenhout afgezet. 

Maar meestal heeft de koning der boomen de stof geleverd. 

En wij hebben er ons niet over te beklagen. 

Is de steek ruwer, de nerf meer zichtbaar, wij winnen aan effekt, het karakteristieke 
van de materie doet zich beter gevoelen. 

En als wij onze Oud-hoUandsche meubelen vei^elijken met de zeker veel fijner in 
notenhout bewericte Fransche uit de i6* en 17* eeuw, dan rust ons oog nog met meer 
welbehagen op de eerste. Daar waar de Fransche werkman in boiseries of meubelen het 
eikenhout gebruikte, was ook zijn steek flink en er zijn weinig boiseries, die hetgeen van 
de betimmering der Bibliothèque Nationale te Parijs is overgebleven (tweede helft der 
17* eeuw) in fraai geteekend en uitgevoerd snijwerk overtreffen.^) 

Onze hedendaagsche kunstnijverheid zoekt ook nog dikwijls haar ideaal in polijsten 
en gladmaken en ciseleren van het ornement, alsof het goudsmidswerk ware. De 17* en 18* 
eeuwsche werkman zette er den beitel in en stak zijn kop of ornement met vaste hand, 
soms ruw, maar altijd juist en karakteristiek. Dat is trouwens moeijelijker. Hij behoefde 
er niet meer op terug te komen en men ziet dat het hout is. 

Bij al wat we nog over hebben, of hetgeen we alleen uit beschrijving kennen, omdat 
moderne vandalen het verwoest hebben, zou men toch, geloof ik, als bij een examen de 
vraag gesteld werd: welke proef van houtsnijkunst in ons land het meest bekend is, en 
wie het werk gemaakt heeft, negen van de tien keer tot antwoord krijgen : De preekstoel 
in de Nieuwe Kerk te Amsterdam gemaakt door Vinckenbrinck. 

Lig^ daarin misschien eenige onrechtvaardigheid tegenover andere beeldhouwers, 
dan kunnen wij alleen zeggen dat ViKCKENBRiNCK zijn roem verdiend heeft, en hopen 
dat ook anderen, als de Alkmaarder KiNNKMA, de hun toekomende eer niet zal ont- 
houden worden. 

Even als met alle kunstenaars, die een genre vertegenwoordigden of het geluk gehad 
hebben in woordenboeken en beschrijvingen herhaaldelijk vermeld te worden, is het met 
den Amsterdamschen beeldhouwer gegaan. 

Al de kleine schilderijen, riviergezichten met figuren uit het begin der 17* eeuw, 
zijn een tijdlang aan den fluweelen Brelghel, al de drijfwerken uit denzelfden tijd aan 
VAN ViANEN (welken?) toegeschreven geworden. Alle beeldjes en groepen en noten met 
beeldwerk van binnen, heeft ViNCKENBRINCK gemaakt. De noten of appels vooral zijn 
echter meestal van eene eeuw vroeger, waarvan ook de opschriften getuigen en onder de 
voorwerpen, vooral in ivoor, op zijn naam in catalogi vermeld, is het grootste aantal apocrief. 



1) Zie de geschiedenis van de hout-beeldhouwkunst in het belangrijke werk van Edm. BONKAPPÊ,Z,'ar/^iir^j. Paris. 

10» 



76 ALBERT JANSZ VINCKENBRINCK. 

m 

Er blijft* intusschen nevens het hoofdwerk van onzen beeldhouwer genoeg van zijn 
hand over, om hem eenige bladzijden te wijden in een tijdschrift; dat dep roem van 
Oud-Holland tot onderwerp heeft. De Heeren DE Roever en Brebius hebben mij de 
resultaten van hunne onderzoekingen in de archieven afgestaan, waardoor nu ook <le 
allerbelangrijkste inventaris van 1665 aan het licht komt. 

Wij hebben het geluk van onzen kunstenaar een portret te bezitten, dat tevens 
een uitmuntende gravure is, waarvan eene reproductie (van den eeraten staat) dit artilceltje 
vergezelt, en waaruit wij zijn geboortejaar kunnen opmaken. 

Albert Jansz VINCKENBRINCK is in 1604 of 1605 geboren. De traditie segt te 
Spaarndam. 

Zijn vader Jan Albertsz V., afkomstig uit Esens in Oost-Friesland, vestigde 
zich te Amsterdam als kistenmaker (wij zouden zeggen meubelmaker) en schijnt een man 
van middelen geworden te zijn, althans hij kocht den 13^ Juni 1635 een hois aan de 
zuidzijde van de Slijkstraat, waar y^V VergtUde plooybirtj^^ in den gevel stond. Hij be- 
woonde, dat huis tot aan zijn dood, die in Januari 1650 plaats vond. Den 29^ dier 
maand werd hij in de Zutderkerk onder het portaal begraven. 

Hij trouwde twee maal. Uit zijn eerste huwelijk met Sara Ciprianus had hij 
eene dochter Trijntje; zijne tweede vrouw Mayke Goris, van Antwerpen, schonk hem 
z^s kinderen : Albert, Jacob, Mayken, Jan (in 1659 voorzanger in de predikloots op 't 
Eiland) Franceyn en Goris (deze was goudsmid). Van deze zeven kinderen waren er 
op het overlijden van den vader slechts vijf over. In de aanteekening van het b^^raven 
staat vermeld: ^ kinderen, de kinderen in 't weeshuis'' hetgeen mij vreemd voorkomten 
wel niet juist zal zijn, omdat de overgeblevenen, Albert, Jan, FRanceyntje, vertegen- 
woordigd door haar man Hendrick Hendricksz, Goris en Jacob, vertegeAwoofdq;d door 
de Regenten van het Dolhuis, waar hij verpleegd werd, in 1652 het ouderlijke huis voor 
5000 gulden verkochten en buitendien op huns vaders overlijden meerderjarig moeten zijn 
geweest. In hetzelfde jaar droeg GORIS aan zijn broeder Jan en zijn zwager Hendricksz 
de portretten van zijne ouders over (die blijkens den inventaris later in het bezit van AXBBRT 
kwamen) en aan Jacob en Albert eenige schilderijtjes, teekeningen, meubelen enz. 

Onze Albert was dus de oudste zoon en heeft zijn vader zeker in diens werk* 
plaats ter zijde gestaan. In December 1629 kocht hij beeldhouwwerk en gereedschap in 
de verkooping van CORNELIS VAN DER Bloocke ; hij woonde toen bij zijn vader in huis. 

In 1636 was hij getrouwd. In dat jaar maakte hij en zijne Echtgenoote hun 
testament voor den Notaris L. Lamberti, waarbij zij hunne kinderen tot er%enamen 
stelden en den langstlevende het vruchtgebruik bespraken. 

Het kunstvak door Albert gekozen en zoo uitstekend beoefend schijnt hem een 
ruim middel van bestaan te hebben opgeleverd. Den 27 April 1643 kocht hij een huis 
op de Coningsgraft of Singel tegenover het Utrechtsche veer, op den hoek van de Potte* 
bakkerssteeg, dat hij betrok, en waarin hij tot zijn overlijden woonde. Er was in dien 



ALBERT JANSZ VINCKENBRINCK. 77 

tijd zeker speculatie in huizen in eene stad, die zooals Amsterdam snel vooruitgang, 
en waar, vóór de uitlq^ging van 1658, gebrek aan woningen moet geweest zijn. Bewijzen 
daarvan ontmoet men in dien tijd dikwijls en misschien heeft onze beeldhouwer toen hij 
in 1653 een huis in de Korte Koningstraat naast den Bremer-tuin voor ƒ 4400. — ver- 
kocht, door hem in 1649 gekocht, eene goede zaak gedaan. 

Het gezin groeide langzamerhand aan. Vier zoons en drie dochters Johannes 
(vóór 1664 met achterlating van kinderen overleden), Hendrik, Abraham, Dirck, 
boekverkooper, vóór 1662 overleden, CORNELIA, vóór 1664 overleden, Claertje, gehuwd 
met Barend Stuurman, wijnkooper, die in 1650 poorter werd (ook in 1664 reeds niet 
meer in leven) en Marretje sproten uit den echt van AlberT Vinckenbrinck en 
Geertruyd Dircksd*. Colaerts. Wij vinden hem nog eens vermeld in eene acte van 
23 Januari 1641 waarin hij voor den Notaris J. QUYRYNEN Spithoff verklaart 475 gulden 
ontvangen te hebben van Dirk Geurtsz van Beuningen commissaris van de kamer 
van Assurantie, hem toegewezen bij uitspraak van Schepenen in hun verschil. En de 
laatste acte, die van zijn begraven, werd den jden November 1664 in de boeken der 
Nieuwezijds Kapel ingeschreven : Albert Vinckenbrinck. Singel over het Uyterse Veer. 
1 kind. Deze laatste aanteekening behoeft eene toelichting. Bij zijn overlijden waren 
Abraham, Hendrik en Marretje nog in leven, maar slechts één hunner was minderjarig. 

Abraham Vinckenbrinck, in 1639 geboren, was ook beeldhouwer; hij woonde 
in 1665, toen hij en zijn vrouw BURGJE jANS VAN DER Werff hun testament maakten, 
op het Cingel over het Utrechtsche veer, in het ouderlijke huis. 

In 1686 toen hij overleed (i December) woonde hij in de Tuinstraat. 

Hendrik Vinckenbrinck oefende hetzelfde vak uit, althans volgens eene acte 
van 29 Juli 1667. Volgens Resolutiën van Thesaurieren werd hij in 1662 benoemd tot 
opziener der stads modderschouwen, voor welke post hij bedankte, maar hij bleef opziener 
der stads-wallen, dat hij vroeger was. Zijn echtgenoote heette Willem yntje Costerus. 

Jan Vinckenbrinck, in 1631 geboren, ondertrouwde in 1654 met Marike de 
Groot. Hij was toen beeltsnydersgezeL 

Het belangrijkste document onzen beeldhouwer betreffend, dat tot heden gevonden 
is, is zeker de inventaris van zijnen boedel. 

De inhoud daarvan doet ons den overledene kennen als een ook buiten zijn vak 
ontwikkeld man, maar is vooral opmerkelijk, omdat wij er vele door hem vervaardigde 
kunststukken in vermeld vinden, die zeker nog bestaan en teruggevonden kunnen worden. 
Wij schrijven het stuk dan ook letterlijk over, zooals de Heer Bredius het vond en ons 
bereidwillig mededeekle. 

INVENTARIS van den boedel ende sterff huysen van wijlen Ai.bert Vincken- 
brinck ende Geertruijt Collaert, in tijden echteluyden, ende gewoont heb- 
bende op de Singel tegenover het Uytrechtse Veer, soo en sulcx sij die in 't gemeen 



78 ALBERT JANSZ VINCKENBRINCK. 

beseten ende laetst bij de voorsz. Albert Vinckenbrinck metter doot ontruijmt sijn, 
gemaeckt op het aengeven van Hendrick ende Abraham Vinckenbrinck, de Soonen 
van de voorsz. Albert Vinckenbrinck ende Geertruyt Collaert, ten versoecke van 
Hendrick Hendricksz van Wyen, als.oudt-oom over de nagelaten kinderen van wijlen 
Johannes Vinckenbrinck, ende door de voorsz. Albert Vinckenbrinck mondelinghe 
versocht.... tot voocht over deselve kinderen. In kennisse vaQ mij David DoorNICK, 
Notaris pubiicq» enz. 

Een huys en erve op de Conincxgraft aen de Westzijde, met noch een achterhuys 
daeraen uytkomende int Pottebackerssteechje, breder vermogens de quytschddinge ver- 
leden aen Albert Jansz Vinckenbrinck 27 April 1643. 

Selitje Clevn, woonachtig int Oude Doolhoff op de Princegraft, is schuldigh over 
arbeytsloon door den Overledene aen haer verdient ^) ƒ 104. — 

Johannes Vinckenbrinck heeft in huwelyck genoten volgens zyn 
quitantie van 28 April 1660 y, 577.-— 

(Bovendien twee packen nieuwe cleeren, twee mantels, 2 paar zijden kousen en 
hoet, een paar schoenen, een paar muylen, 6 beffen, 6 hembden» 12 sackneusdoecken^ 
i borstrock^ i onderbroeck, een paer onderkoussen, een diamantroosges-ringh^ een deyn 
diamantringhetie en een goude hoepringh per Memorie. 

De voorsz. HENDRICK VINCKENBRINCK heeft ten huwelyck genoten vol- 
gens syne quitantie van 6 July 1659 de somma van f 6oo. — 

De voorsz. Abraham Vinckenbrinck heeft ten huwelyck genoten vol- 
gens syne quitantie van 20 Febr. 1663, de somma van „ 600. — 

(en eene uitzetting als voren). 

CoRNELiA Vinckenbrinck, getrout geweest met Johannes Francken- 
BURGH, heeft aen huwelyck genoten, volgens hare quitantie van 28 Dec. 1663 ^ 910. — 

De voorsz. Abraham Vinckenbrinck sal schuldich wesen op May 
eerstcomende voor een jaer huijshuijr van een gedeelte van 't voorsz. huijs. .„ 200. — 

Hendrick de Leeuw, Mr., huijstimmerman, sal schuldigh wesen op 
May voornoemt mede voor huijre van een gedeelte van 't voorsz. huijs .... „ 107.10 

Albert Vinckenbrinck heeft verstreckt aen oncosten van de begraeffe- 
nisse van Cornelia VINCKENBRINCK zal: „ 37 . — 

Volgen de gesneden wercke% item huysraet ende meubelen van den voorsz inboedeL 

Een Christus aent kruys^ seer kunstigh van palmenhout gesneden *). 

Joseph en Maria, vluchtende na Egypten, gesneden als voren. 



1) De traditie dat het beeld van den reus Goliath, uit dat Doolhof afkomstig en nu op het Stadhuis bewaard, door 
Vinckenbrinck is gebeiteld, is dus zeker juist. De groep van Bacchus en Ariadne op de groote fontein wet eveaeens 
door Vinckenbrinck ontworpen en vervaardigd. (Zie: Het Oude Doolhof te Amsterdam, Oud-Holland I, blads. XZ9). 

') Jn de veiling van Jan de Bosch te Arasterdam, in 1825, kwam voor onder No. 39: D€ stervemde Za^mtaktr 
in de houding als aan hei hr/fis hangende h. 2 palm i duim, in een palmhouten schuifdoos 



ALBERT JANSZ VINCKENBRINCK. 79 

Abraham en Hagar, gesneden als voren. 

Noch een Christus aent Cruys met Jerusalem int verschiet^ gesneden als voren ^ ). 

Hiob op den mesthoop, gesneden als voren 

Andromeda^ mede gesneden als voren •). 

Een cleyn landschap^ gesneden als voren. 

Noch een cleyn rond landschapje, mede gesneden als voren. 

Een dootshooftje^ met een schouderbeentje en schinckeltje, gesneden als voren. 

Een appel en daerin gesneden de 7 wercken van Barmharticheyt *). 

Het conterfeytsel van de Cheurvorst van Saxen^ gesneden als voren. 

Het conterfeytsel van Ernestus, grave van Limburch^ gesneden als voren. 

Een conterfeytsel van een manstroftie, gesneden als voren. 

Een conterfeytsel van een manstronie in peereboomenhout. 

Een italiaensche ^rot, gesneden in palmhout. 

Een cleyne bataelje in paerlemoer, met een gesneden lijstje van peereboomenhout. 

Een geamiljeerd conterfeytsel van een Vrouwentronie. 

Een swart doosje, met een geameljeerd bloempotge. 

Een batailjetje gesneden in een stuckje ront silver, agaetjes, barnsteentjes, enz. 

Een potje van gesegelde aerde. (Terra sigillata*) 

Drie hechten tot messen, van palmenhout gesneden. 

Eenige talckjens op Moscovisch glas. (Volgen eenige minder merkwaardige zaken). 

Eenige doosjes met een brantglas enz. • 

Een cabinetschilderijtje van Poelenburch. 

Drie laadjes met diverse hoorntgens. 

Een gouden Albartijn van 15 guldens — 2 gouden dubbele ducaten. 

Een groote silveren penningh van de 2 grote glasen in de Nieuwe Kerck. 

Noch een dito penningh van de inwijdingh van het Nieuwe Stadhuys. 

Noch een dito van de slagh van Vlaenderen (anno 1600). — Volgen nog eenige 

penningen en munten. 
Een cleyn vrouwenbeeltje uyt koper gesneden. 
De Hartoch van Brandenburgh, uyt palmenhout gesneden. 
Een cleyn Christi tronitje^ uyt palmenhout gesneden^ in een verguit Ujstje, 
De Coninck van Polen, gesneden als voren. 
2 cleyne geamiljeerde bloempotges. * 



^) Komt voor in de veiling van Pieter Locquet, te Amsterdam in 1783 gehouden ; het was een basrelief h. 10 
b. 7 dm. en werd voor / 45.50 verkocht. 

3) In dezelfde verkooping h. 10 b. 8 voor 35 gulden verkocht. 

•) Deze appel waarvan hierachter eene beschrijving uit het Nederlandsch Magazijn van 1835 is overgenomen, berustte 
toen bij den Heer V. C. te Spaamdam. Een zekere Coen Reckerb of Reekbrs heeft er later meé rondgereisd en liet 
het stuk voop geld zien. «Het meesterstukje wordt nu bewaard in de rijke verzameling van den WelEd. Heer C. Becker, 
vroeger te Amsterdam, nu te Frankfort a/d Main woonachtig. 



■^ 



80 ALBERT JANSZ VINCKENBRINCK. 

Een boeckje met verscheyde printen, meest van Albert Duur en LuCAS VAN LeydEN. 

Een boeckje met teyckeninghen van verscheyde meesters. 

Noch een boeckje met verscheyde printen, meest van Rembrandt, Sebaldt DE 

Beem (Beham). 
Een boeckje met verscheyde vogels en andere verlichtersre. 
Noch een boeckje met diverse Teyckeninghen, 

Een boeckje met eenige geschriften van VAN DE VELDE en Hekriq Mkurs. 
Een glasen kannetje en decksel van buyten gedraeyt 
Romers, kannen van „gesegelde aerde^' enz. 
Een silver verguldt schroeffge en een cle3m soutvaetge daerop. 
Een gesneden kocküje mei een gesneden vergulde vaeije uyt hout. 
Een cleyn porceleyne potje met verschdjde horentgens. 
4 bortgens met verscheyden so grote als cle3me copere en lode medaüjes. 
Een ebbenhoute cabinet met verscheyde laden daerin. 
Een groot verguit taefTelwercks horologie met zwarte kas. 
4 eickenhoute laatgens met verscheyde horentgens. 
2 groote boecken met verscheyde Teyckeninghen en Printen. 
Een boeck in groot folio van de yjntrede van den Aertshertack Ferdmandus L^apald 

in Antwerpen," 
Een boeck van verscheyde printconterfeytsels. 
Een boeck van verscheyde Teyckeninghen en Printen. 

Een boeck van Printen, van Lampetten, Predikstoelen, CaUnetten en andera. 
Een boeck van Conterfeytsels, meest van Delphius (Willem Jacobsz DelffV 
Een boeckje van Teyckeninghen van eenige Tulpen. 
Een boeckje van de heylighe daghen van den Almanaclc 
Een langhwerpich boeck van printen van verscheyde histor>^n. 
Een boeck van de Fransche gebouwen. 
Een boeck sijnde de ^^weghwijser van Italieny 
Een boeck van printen van naeckte beelden. 
„De Anatomie van JACOB VAN DER Gracht" i). 
Een kaertje van Nederlandt, de ^^ee-Atlas van Hendrick Doncker." 
,,De wereltscheppingh van Ovidius ende ConsttooneeU' 
Drie boeckjes van drachten. 
Drie bortjes copere en lode penninghen. 
Een couvert met teyckeninghen. 
Eenige printen en Conterfeytsels van Vinckenbrinck. 



1) Anatomie der wUerliekt dttUn van het MenschelUk Lichaem..,. door Jacob VAV dbx QbaCHT, sokiUèr, iJ^U 

iftgeven door den Avtheur, In 's Gravtnkage 1634, «» folio. 



ALBERT JANSZ VINCKENBRINCK. 81 

Het Anaiomieboeck van Vezalius. 

De copere plaet vant Conterfeytsel van de voorsz. Albert Vinckenbrinck i). 

2 copere plaetges — 22 doosgens met playsterwerck (afgietsels van munten?) 

Eenige figuertjes van plaeyster gegoten en gebotseerd van aerde en wasch. 

2 copere gegóte borsjes. — Een kas met een gebotseerd crucifix. 

Eenige gedroochde visjes ende see-gewasjes ende andere rarite)rten. 

2 geteyckende conterfeytsels van den Overledene. 

Noch een dito van Albert VINCKENBRINCK. 

2 conterfeytsels van de Vader ende de Moeder van ALBERT ViNCKENBRiNCK za. 

Een schilderijtje geschildert door JOUFF= Steenwijck «). 

Een cabinet schilderije van Steenwijck. 

Een schilderijtje van POELENBURGH. 

Een mannetje van Brouwer. 

Een schilderijtje van David Teniers. 

Een landschapje van Pinas. 

Een schilderskamertje. 

Een hangent vareken van Nieulandt. 

Een lantschapje met schaepgens; een toebackdrincker. 

Een boerenkermis van COLIJN. 

Een mine van Rome. 

Een conterfeytsel van de dochter van Albert Vinckenbrinck. 

Een conterfej'tsel met een dootshooftje in een vergfulde lijst. 

Een teyckeningh van BOT in een vergfulde lijst. 

Een lantschapje van een mine; een seerotsje. 

Een pennesnijertje van BROUWER. 

2 beeltjens van Andries Bot. 

Een batailje van Jan Martz de Jonge. 



1) Van dit fraaije en zeldzame portret, dat hem in 1648 op 43jarigen leeftijd voorstelt, naar C. Holstëyn door 
P. HüLSTEYN gegraveerd, bestaan twee staten. Het is echter zeker niet in den handel geweest, want er staat geen adres 
op en de plaat bleef in het bezit van Vinckenbrinck. 

I. Vóór de haren op den kin onder de mouche; de punt van den regterknevel wit; de haren achter de 
linkerwang minder in schaduw. Vóór den plooi in den mantel gaande naar de linkerhand en vóór de kmisarceerin- 
gen op den rand des mantels. De rug van de stoel heeft slechts verticale schaduwlijnen. Vóór het haar van de 
houten buste. De schaduw op het papier heeft geen kruisarceeringen en de teekening van de preekstoel is minder 
afgemaakt. Van den beite ziet men alleen het ijzer en de passer is korter. In het onderschrift heeft de eerste A 
geen dwarsstreep en mist het linkerbeen een krul. Er is geen krul vóór het woord Amsterdam. Het onderschrift 
luidt aldus: Alberthus Vinckenbrinck, Beelthomvtr der SUjdi Amsielredam, 

II. Met de latere veranderingen. 
H. 354 behalve de marge; B. 209. 

3) JJeze schilderes is misschien G. v. Steen wyck, van wie in de veiling Kahn te Parijs, 3 Maart 1879 voorkwam: 
Een jonge dame zittende voor eene tafel lüaarop een. spiegel-^ achter haar de dienstmaagd. Doek H. 47 B. 34 of de weduwe 
van Hendrik van S. den jonge, die na het overlijden van haar man zich te Amsterdam had gevestigd en ook de kunst 
beoefende. 

11 



82 ALBERT JANSZ VINCKENBRINCK. 

Een St. Martyntje van van de Velde (Adriaan van de Velde^. 

Eenige beestjes van Holsteijn (Pieter, de graveui-, die veel insecten geteekend 
heeft.) 

Een stilleven van Luttichüysen (Simon Luttichüvs, overleden te Amsterdam 
1662/63). 

Een leggende Prins in plaester gegoten. 

Twee teyckeninghen van huysen in zwarte lijsten. 

Twee gebotseerde varekens. 

Eenige schalen, platwercken, afgegoten op het werck van PAULUS VAN VlANEN. 

Een schilderijtje van Optima (Ormea?) 

Een houten passer met een winckelhaeck. 

Een Kaertje van Fontaine Bleu. 

Witte kopjes met sineesjens. 

Een kaertje van de Rijnstroom, een affgesette Almanack. 

2 conterfeytsels van Albert Vinckenbrinck Sal» . 

Een out conterfeytsel van SwiNGLiUS. 

2 lantschapje», een geschilderde hant enz. 

Een teyckeningh van een huijs In een swarte lijst. 

Een gesnede mannege in een cleyn lijsge. 

De werken van Cats in folio, van Meteren, een Oud Testament met figuren^ de 
Willekeuren van Amsterdam; deze 4 boeken moeten blijven aan Hendrick Vincken- 
BRINCK, mits datse in sijn geslacht blijven. 

Een groot boeck met teeckeninghen daer de preekstoel met het andere bijgeplackie 
goed in is, (Wij denken hier aan de origineele teekeningen en plannen voor den 
preekstoel). 

Een dick boeck met printen daer veel Santen, ende franse beelden ende beesjes 
in sijn. 

Het schilderboeck van Carel van Mander. Ovidius int Duyts. 

fconologia ofte uytbeeldinge des verstants (van Cesar Ripa). 

Een bijbeltje. 

Marcus Geeraerdts. Van de dieren. ^) 

De döodedans v^n Holbeen. 

De Sinnepoppen van Roemer Visscher. 

Nota: dat de laetstgenoemde 9 boecken bij sekere acte van 8 Juni 1664 sijngde- 
gateert aan Abraham Vinckenbrinck, mits dat deselve in zijn geslacht 
moeten blijven. Pro Memorie. 



*) De •ioatrachtige fabule» der dieren, Brugge 1567. De prenten zijn later gebruikt in S. Pbrrbt XXV Fabies 
des animiux. Delft chez Adrien Gbkards 1618, folio en m de uitgaaf van 1633 met verzen van A. v. D. VEN NB. 



ALBERT JANSZ VINCKENBRINCK. 83 

Een groote Bijbel met caerten en printen, het Martelaersboeck, het huysboeck van 
Bullingerus, de Spreucken van Baudartius, een Testament, het Reysboeck van 
Buntinck, 
Nota: dat deze ses laetstgenoemde boecken bij Acte als voren sullen blijven aen 
Marritge VINCKENBRINCK, mits dat deselve int geslacht sullen moeten 
blijven. Pro memorie. 
De Chirurgi coft wercken van Ambrosius Paree, het Cruydtboeck van Dodaneus 
Cosmographie van Sebastianus Munterus, de Contemplationes Sionis van Josephus 
Hallius. Augustinus van de Stadt GodtSy de Chronyck van Vrieslandt, V Cruydt- 
boeck van Mathiasa Label, Johannes Sleydanus. 
Nota: dat deze 8 boecken sullen blijven ' aen de kinderen van Johannes 
VINCKENBRINCK zal' mits dat deselve int geslacht moeten blijven. Mede 
Pro Memorie. 
Een schilderije van een Naecte Venus. 

Een teyckenningh van de affnemingh van Cristus van het Cruijs. 
Noch het gebeente ende bijwerck van dien, geschildert en gelijst. 
Een schilderije van een ontbijtje met een roemer ende haringh. 
Noch een cleyn stuckje daerin eenige rispen en torren geschildert sijn. 
De trony of het Conterfeytsel van voorsz. Geertruyt Collaert door Hendrick 

VAN DEN BrOECK. 

Een cleyn Spiegeltje met een ebbenlijst van van Dueren. 

Een fluytertje. 

Een paa/ roene gordijnen enz. 

Een sackpijpertje van hout en een vogelvangertje mede van hout, beyde gemaeckt 
door de voorsz. Albert Vinckenbrinck zaf. 

Nota: deze laetste gespecificeerde schilderijen, teyckenninghen, conterfeytsels en 
gesneden houtwerck sijn gemaeckt door den overledene bij acte van 13 April 
1663 aen sijn jonghste dochter Marritje VINCKENBRINCK. Pro Memorie. 

Uit het dan volgende blijkt, dat de Overledene en zijn Echtgenoote bij acte van 
«o Aug. 1664 aan hunne dochter Marritje mede hadden gegeven en geprelegateerd 
een aantal kleeren en de som van f 1000. — voor een huwelijksuitzet. En dat de klee- 
deren, zijden, linnen, wollen enz. door Hendrick, Abraham en Marritje en den 
voogd der nagelaten kinderen van JOHANNES gedeeld werden, ieder kreeg een gerecht 
vierde part. 

Uit de „Lasten van den Boedel" blijkt niets bijzonder?. Er was eene Obligatie 
van ƒ 1200. — van den Hr. JACOB Cromhout over geleende gelden en 2 dito van 
f scx). — en ƒ 200. — van Cornelis de Haes. 

De 2 kinderen van GORIS VINCKENBRINCK moeten nog / 200. — ontvangen met 

10 jaren intei essen; overigens waren er bijna geene schulden. 

11* 



84 ALBERT JANSZ VINCKENBRINCK. 

De inventaris werd opgemaakt 12, 13, 14 en 18 Februari 1665 en ondertee- 
kend door 

HENDRICK VINCKENBRINCK 
en ABRAM VINCKENBRINCK. 
Notaris: D. DOORNICK, Amsterdam. 

Vóór wij onze aandacht wijden aan het werk van onzen kunstenaar zij nog 
vermeld dat een portret van hem, geschilderd door van der Helst op doek, hoog 46 
breed 40 Amst. duim, voorkwam in de verzameling van PLOOS VAN Amstel en bij de 
verkooping in 1800 voor / 21 overging in het bezit van Spaan. Of dit afbeeldsel 
VINCKENBRINCK voorstelde is bij de bekende manie van PLOOS, om de kunstwerken in 
zijn bezit te doopen, vrij onzeker. 

Het voornaamste voortbrengsel van ViNCKENBRiNCKS kunstvaardigheid is de be- 
roemde preekstoel in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Trouwens zulk een werk maakt 
men niet tweemaal in zijn leven. 

De oude Nieuwe Kerk, in 1645 verbrand, bezat een gestoelte dat, wat vorm betreft, 
het prototype van het nieuwe schijnt geweest te zijn en ook uitmuntte door ,,inziende 
y,gezichten en allerlei aertich beeldwerck waeraen lange jaren en met groote moeite aen 
gearbeijt was". 

Toen nu de ruïne weder tot nieuwen luister gebracht werd, wendde de regeering 
zich tot haren burger, van wien men iets goeds kon verwachten, en die verwachting werd 
niet beschaamd. 

Onze Amsterdamsche stedebeschrijvers zijn eenparig in den lof aan het werk 
gegeven, maar, vreemd genoeg, vermelden den maker niet. Melchior Fockens zelfs, 
die over „den constighen smidt" Wouter Geurtsen en over DiRCK van Rijswijck 
met welgevallen uitweidt, noemt Vinckenbrinck niet. 

Wagenaar is de eerste, die het werk roemende, den schepper niet vergeet. Verder 
is zijne beschrijving geheel dezelfde, als die wij bij Dapper, Domselaer, Fokkens, 
COMMELIN en VON Zesen vinden. 

De kuip wordt gedragen door zes engelen en heeft zes vakken. Het voorste vak 
naar het „ruim** gekeerd vertoont de uitdeeling van kleederen in eene galerij met kolom- 
men aan weerszijden. Naar de linkerzijde omgaande ziet men in het volgende vak het 
inwendige van een gebouw met kolommen en aan het eind eene fontein; verschillende 
beeldjes van zieken enz. stoffeeren dit ver inziend tafereel. Het volgend vak is de deur 
en vertoont twee zuilengangen. Van achteren een kolonnade, waarboven een gaanderij, 
waarop eenige personen. In het gebouw armen die gespijsd en gelaafd worden. Bovenaan 

in een cartouche ANNO 1649. Onderaan Albert en verder het Stadswapen 

Vinckenbrinck 
1649 
met het jaartal 1647. 



ALBERT JANSZ VINCKENBRINCK. 85 

Het vak, dat naar de kolom is gekeerd, geeft het inwendige eener kerk te zien 

Van de linkerzijde komt eene lijkstatie binnen. Dit vak is beteekend 

Albert Vinckebrinck 

inventor 

et 

fecit 

Het vijfde vak weder het inwendige van een gebouw met zuilenrij, aan welks eind 
een koepel, waarvan de deur openstaat; de grond wordt door eene vrouw aangeveegd. 
Boven de deuren ter rechter en linkerzijde, het jaartal 1648 en het monogram A.\J5. 

Het zesde vertoont een gasthuijs met bedsteden op den achtergrond en zieken die 
ingebracht worden. 

Bij het opschrift Gedenckt den armen het jaartal 1648. 

In het gestoelte zelf tegen de pilaar het laatste oordeel, gemerkt A \5. 

Vóór elk der vakken i, 2, 5 en 6 een der Evangelisten en tusschen de vakken 
de Geregftigheid, de Voorzichtigheid, de Weldadigheid enz. 

De leuning der trap met het touw door engeltjes opgerold, is bekend. 

Het klankbord met zijn muziekmakende engelen en zijn drie verdiepingen hoogen 
toren is weder beladen, zonder overladen te zijn, met sieraad en beeldjes. 

Alles is uitmuntend van proportie en, niettegenstaande de groote massa van donker 
eikenhout, tegen de heldere omgeving afstekende niet zwaar. 

In enkele deelen is de invloed van de Lutma-manier op de teekening der orna- 
menten te bespeuren. 

Er bestaat van dit grootsche werk eene gravure au trait, zonder naam, waarvan 
ook overdrukken gevonden worden, die zeer uitvoerig is geteekend, hoog 40, breed 28 
centimeter. Kramm heeft Wagenaar verkeerd begrepen en de prent aan P. Hoi*STEiJN 
toegeschreven, terwijl zijn zegsman van het portret spreekt. Wie de prent gegraveerd 
heeft is onbekend. Maar ze is misschien gecopieërd naar eene teekening van jAN van 
DER Heijden, de drie figuren op den voorgrond doen dat vermoeden. Dat de teekening 
van dezen schilder, vermeld door Kramm en bewaard in den Atlas van Amsterdam van 
den Heer L. Splitgerber (Museum Fodor), het ontwerp zou zijn, waarnaar VINCKENBRINCK 
gewerkt heeft, is natuurlijk onmogelijk, want VAN DER HEIJDEN werd in 1637 geboren 
en het gestoelte, waarop bovendien staat: Albert Vinckenbrinck inventor et fecüy is in 
1647 tot 1649 gemaakt In de collectie Splitgerber is nog eene andere teekening, 
waarop de hemel of het klankbord alleen, minder uitvoerig en met eenige veranderingen, 
is voorgesteld. Dit is meer dan eene schets, misschien van de hand van Vinckenbrinck zei ven. 

In dezelfde collectie is eene alleruitvoerigst gekleurde teekening van H. P. SCHOUTEN, 
van het inwendige der Nieuwe Kerk, waarop ook de preekstoel in alle détails is afgebeeld. 

Eindelijk bezat de Heer J. Weyerman Jr. in zijn kabinet (den 30 November! 886 
verkocht) eene uitmuntende schilderij van J. Bosboom, die de Nieuwe Kerk en daarin 



86 ALBERT JANSZ VlNCKENBRINCK. 

den preekstoel met des kunstenaars eenig talent, maar tegelijk met groote nauwkeurig- 
heid voorstelde. 

Het kleine orgel in de Nieuwe Kerk heeft, wat het snijwerk betreft, veel over- 
eenkomst met den preekstoel en is waarschijnlijk ook van onzen beeldhouwer. Ook de 
gestoelten van burgerlijke en kerkelijke autoriteiten, de afsluiting van het zoogenaamde 
doophuis en het gestoelte van den voorzanger en de kleine preekstoel in het koor zijn 
met beeldhouwwerken versierd, die aan denzelfden ontwerper en uitvoerder doen denken. 

Maar de afsluiting der voormalige kapellen rechts en links van het koor en de 
ingang der kosterij dragen het jaartal 1620, terwijl het houten portaal achter het koor 
van 1652 dagteekent. Wat de door VlNCKENBRINCK in de Nieuwe Kerk gemaakte kunst- 
werken hem betaald zijn hebben wij niet te weten kunnen komen. De onderzoekingen 
van den Heer de Roever hebben tot geen resultaat geleid. Dat, zooals dikwijls ver- 
haald is, op een zolder of elders in de kerk een aantal beeldjes bewaard worden, waar- 
voor geen plaats meer op het kunstwerk te vinden was, is bij nader onderzoek onwaar 
bevonden. 

Onder de werken van VlNCKENBRINCK in zijn inventaris genoemd of uit Catalogi 
nader op te noemen, zijn er bijna geene waarvan ons bekend is, waar ze tegenwoordig 
bewaard worden. 

De appel, waarin de werken van barmhartigheid zijn gesneden, en die in 1835 bij 
eenen Heer V. C. te Spaarndam berustte, is beschreven in het Nederlandsch Magazijn 
van 1835 bladz. 83. Hij wordt nu in de verzameling van den WelEdelen Heer C. Becker 
te Frankfort bewaard. Ik herinner mij dat omstreeks 1848 een zekere Coenraad 
Reckers of Reekers, van Haarlem, met dien appel rondreisde, om dien tegen een kleine 
belooning te doen zien. Er werd in een strooibillet de beschrijving van gegeven, dié ik 
hier laat volgen. De stijl is die, welken men den Catalogusstijl van het begin dezer eeuw 
zou kunnen "noemen. 

,,Dit konststuk (dat men teregt iiiimitabel en unieq in zijn soort kan noemen) is 
„volgens de gedachten van kundige liefhebbers gemaakt door den vermaarden Albert 
„VlNCKENBRINCK en uitgevoerd met onverbeeldelijke behendigheid, moeite en accuratesse. 

„Het buitenste hetgeen een volkomen Appel verbeeld, is gemaakt van Palmhout, 
„en in zijn doorsnede omtrent 2 duim groot, en gaat in het midden open, in de manier 
„van een Doos, ter dikte van een en ?§ lijn. 

„Zijnde de 2 deelen of helften des Appels van binnen vervuld met Beeld- en 
„Snijwerk van zachter soort van Hout, alles uit een enkel stuk, waarschijnlijk de zeven 
„Hoofddeugden op het oog hebbende, zooals uit de volgende beschrijving te zien is. 

IN DE EENE HELFT 

„bestaat de Voorgrond uit drie Trappen, die de heele breedte beslaan; in het midden is 
„een lange verwulfde gang, aan welks einde een Bedstede is, voorzien van gordijnen en 



j 



11 



ALBERT JANSZ VINCKENBRÏNCK. 87 

eene stoel waarvoor eene vrouw staat; in genoemden gang bevinden zich drie Ingangen, 
waarvan de eerste na een Kamertje gaat, waarin een man staat te bidden^ achter twee 
„opgeschoven gordijnen. En welks Ingang door een uitsteekende Armblaker verlicht 
„wordt; achter dit Vertrek ziet men nog verscheiden Vertrekken, benevens een smalle 
„gang, die schuins na achter loopt, zijnde alles verwulft, wordende de Groote Gang ver- 
„licht door een groote hangende Lamp of Kroon. Bij meergemelden Gang op den Voor- 
„grond staat eene arme oude Vrouw, leunende op een kruk. Aan de linkerzijde van 
„meergemelden Gang bevindt zich een Portaal, waarin een arm kind op een bos stroo 
„zit een Aalmoes biddende; bij hem staat een man met een hondje, welke man schijnt 
„in zijn zak te tasten om hem iets te geven. Daarachter is een getralied hek, waarvoor 
„een gemanteld man staat daardoor ziende. 

„Uit gemeld portaal gaat men door eene deur na een ander portaal of wel een 
„poort van een gevangenis; hierboven is een fraay en konstig gemaakte trap, regttegen- 
„over eene deur waarin een man, die na een ander Man ziet, die met een pak aan een 
„stok op schouder de gemelde trap opgaat na een portaal hetwelk mede verwulft is en 
;,met een kroon verlicht wordt en in welk portaal twee bejaarde mannen zitten, die met 
„malkander schijnen te spreken. Ten eind van gemeld portaal is eene deur, die na een 
„achtervertrek gaat en tegenover de trap is eene deur, waardoor men komt op eene trap 
„van 5 of 6 treden, die na een kamer gaat, voorzien van twee vensters, waarvan het 
„eene half open maar het andere geheel open zijnde, ziet men daarvoor een man zitten 
„en waarachter men op den wand van het vertrek den naam van den maker vind in een 
„Tafereel; bezijden die prachtige trap meergemeld bevindt zich een wenteltrap, die uit- 
„komt op de deur van het Vertrek, alles ten uiterste geproportionneerd en de beelden, 
„schoon niet veel over 3 liniën groot zijnde zijn zeer wel gemaakt, schoon en onbe- 
„dwongen in hunne bewegingen. 

IN DE ANDERE HELFT. 

„Heeft den Konstenaer een Kerk gevoegd, vol gewoel, werk en beelden 
„vooral niet minder als het reeds beschrevene. Het verwulft van dit gebouw wordt 
„onderschraagd door 24 pilaren; ter regterhand tusschen de eerste rei ziet men een 
„groote lijkstatie, gaande vooruit een aanspreker, dan volgen de dragers met het lijk en 
„vervolgens de medegangers en die weder door eene menigte aanschouwers gevolgd 
„worden; tusschen de tweede rei bevindt zich het graf met al het toebehoorige zand, 
„schoppen, oude planken etc, alles ten uiterste natuurlijk, ter zijde op het zand van het 
„graf zit een meisje, die door een bedaagd maji schijnt geltefd te worden ; vooraan op den 
„trap, die de geheele breedte des gebouws beslaat, zit een arm man, die door een andere 
„een brood wordt toegereikt uit de nevens hem staande broodmand; tusschen de derde 
rei wordt een ander gewasschen en gereinigd; aan de linkerzijde bevindt zich een fraa>' 
gebouw met een balkon met een sierlijke balustrade voorzien; in de deur van het gebouw 



rt 



i 






^1 



11 



88 ALBERT JANSZ VINCKENBRINCK. 

„staat een man met een beker die door een ander wordt ingeschonken uit een groote 
„kruik; daaromtrent staat een arme vrouw, die uit een diergelijke beker drinkt; en op 
„het balkon van gemeld gebouw wordt een arme gekleed. Verder is de kferk met ver- 
scheiden Kroonen en behoorlijke ornamenten versierd, als wapenschilden der overledenen 
aan de pilaren gehecht, een krijgsvaan en een Christibeeld op de voorpilaar en op de 
eerste pilaar een schild waarop deze letters AV gesneden zijn; hier is mede alles met 
de meeste nauwkeurigheid en konst gemaakt, de beelden in deze helft zijn omtrent van 
„dezeJfiie grootte zijnde het langste beeld, namelijk de Aanspreker, nog geen 3^ lijn 
„groot, maar alles ten uiterste gracelijk. 

„Den oplettenden Aanschouwer wordt in verwondering weggerukt als men in aanmer- 

„king neemt de grootheid dezer onderneming en de onvermoeidheid in het uitvoeren daarvan. 

„Het schijnt verders onbegrijpelijk te zijn door welke werktuigen de Maker zich 

„heeft bediend en hoe hij die heeft weten te bestieren en gebruiken in het uithalen en 

„bewerken van de afgelegenste en diepste kamers en vertrekken; niettemin is alles, als 

meer gezegd, zeer konstig geschikt, en in eene admirable orde gemaakt 

„Is gelogeerd in het Wapen van Bern, en te zien van des morgens 10 tot des 
avonds 10 ure." 

In de verzameling van den Heer S. W, JOSEPHUS JlTTA, te Amsterdam, was in 
1876 een doodshoofd van palmhout met het monogram van ViNCKENBRiNCK A,\B. 
Dezelfde kunstliefhebber zond ter Historische Tentoonstelling van Amsterdam in 1876 
een Palmhouten groep, volgens overlevering eene Amsterdamsche patricische familie voor- 
stellende, in. 

Uit Catalogi neem ik de volgende kunstwerken op. Zooals reeds gezegd is, moet 
men de toekenning aan ViNCKENBRiNCK voor rekening der verzamelaars of der zamen- 
stellers van de Catalogi laten. Vooral de werkstukken in ivoor komen mij, als werken 
van onzen beeldhouwer, onzeker voor. Hij merkte, geloof ik, meestal met zijn monogram 
en op een ivoren voorwerp heb ik dat merk nooit gevonden. 
HOUT. 

I. Adam en Eva in het paradijs. Rondsom ziet men verscheiden zinnebeeldige 

voorwerpen en inschriften. AUeruitvoerigst in palmhout gesneden. In een 

ornementlijst vol antique sieraden. Leggende in een foudraal. Veiling P. 

LOCQUET, te Amsterdam in 1783 ƒ 160. — en veiling H. VAN Maarseveen. 

Amsterdam 1793. / 60. — aan Gildemeester. 

Eenige jaren geleden heb ik bij een koopman te Parijs een basrelief met 

dezelfde voorstelling gezien, met V's monogram maar zonder de ornamentlijst, 

2; Abraham en Hagar. Vermeld in den Inventaris van den boedel van 

VINCKENBRINCK. 

3. Hiob op den mesthoop. — Inventaris. 

4. Josef en Maria vluchtende naar Egypte. — Inventaris. 



ALBERT JANSZ VINCKENBRINCK. 89 

5. Josef eit het kind Jesusy staande; het kind draagt een mandje met timmer- 
mansgereedschap. Veiling P. LOCQUET. 

6. Maria met het kind Jesus op den arm, staande op ee'n wassende maan en 
de slang vertredende. Veiling P. LocQUET. — Met het vorige ƒ 205. — 

7. Christus aan het kruis. Inventaris. In de veiling van de verzameling van 
Jan de Bosch Jr., Amsterdam 1825, komt voor: De stervende Zalig- 
maker in de houding als aan het kruis hangend, hoog 2 palm i duim, in 
schuifdoos« 

8. Christus aan het kruis met Jerusalem in het verschiet. Inventaris. — Komt 
voor in de veiling van P. LocQUET als basrelief, hoog 10, breed 7 duim, 
verkocht voor / 45.50. 

9. „£^;/ cleyn Christi tronitje in een verguit lijstje^\ — Inventaris. 

10. Een kunstdoos met de slang in de woestijn en de kruisverheffing. — Deze 
„noot" is beschreven in het Nederl. Magazijn van i835bladz. 134, maar is een 
van die i6* eeuwsche kunststukken die men ten onrechte aan ViNCKENBRiNCK 
toeschrijft. Ze kwam weder voor in de veiling van de collectie MOYET, 
Amsterdam 1859, en werd toen voor ƒ 200. — verkocht. 

11. Een Mariabeeldje met het kindeken. — Hoog 8 duim. — Veiling PLOOS 
VAN Amstel. Amsterdam 1800. 

12. Andromeda. — Inventaris. — In de veiling P. LocQUET voor f 35. — ver- 
kocht Hoog 10. Breed 8 duim. 

13. Jupiter en Juno — twee beeldjes. Hoog 6^ (Amst. .^) duim. Veiling G. 
Braamcamp. Amsterdam 1771. / 100. — J. Hope. 

14. Het conterfeytsel van dén Cheurvorst van Saxen. Inventaris. 

15. Het conterfeytsel van ErnestuSygrave van Limborch. „ 

16. De Har toch van Brandenburch, ,, 

17. De Coninck van Polen, „ 

18. Maximilien d'Autriche, medaillon. — Veiling J. H. graaf VAN WasSENAER. 
's Gravenhage 25 October 1769. 

19. Een Medaillon verbeeldende een mansportret^ zijnde een borststuk, het hoofd 
bedekt met een hoed met pluimen, uitvoerig en fraai in palmhout. Veiling 
J. VAN DER Marck. Amsterdam 25 Augustus 1773. f 21. — aan Delfos. 

20. Medaillon met portret van Hendrik VHIy van Engeland. Veiling P..LOCQUET. 
Diameter 2 duim ƒ 2. — 

21. Een conterfeytsel van een manstronie, peereboomenhout. — Inventaris. 

22. Een kinderbeeldje. — Veiling MOYET. Amsterdam 1859, thans toebehoorende 
aan het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap te Amsterdam. 

23. Een borstbeeldje van Aesculapius op zijn ivoren voetstuk. — Veiling JER. DE 

Bosch. Amsterdam 1780. / 8. — J. de Bosch. 

12 



9 O ALBKRT JANSZ VINCKENBRINCK. 

24. Een borstbeeldjé. Dezelfde veiling. / 2.— VOüGT. 

25. Een doodshoofdje met Schouderbeentge en Schinckeltge. — Inventaris. 

26. Een basrelief, naar een der prenten van Jacques Callot, bekend als het 
Heidenleven — zeer fraaij in een zwarte lijst. — H. 8, B. 10^ d. 

27. Een dito dito, 'niet minder fraaij, zijnde een weergèc van het vorige. Deze 
stukken zijn in de Veiling P. LocQUET te zamen voor / 350. — verkocht. 

28. Tzi-ee beeldjes in palm/iout, naar J. Callot. — Veiling LoCQUET. 

29. Een cleijn lantschap, — Inventaris, 

30. Een cleijn rond lantschap. „ 

31. Een Italiaensche grot. „ 

32. Een cleyne batailje in paerlmoer met gesneden lijstje van peereboomenliout. 
Inventaris. 

33. Een gesneden kockilje met een gesneden vergulde voetje uijt hout. Inventaris. 

34. Een sackpijpertje in hout, en een vogelvangertje^ mede in hout. „ 

35. Een snuifraspje, zeer kunstig van boven gesneden, verbeeldende een mans- 
en vrouwebceld, die elkander omhelzen, — Palmhout. H. 6 Amst duim. Veiling 
G. Braamcamp ƒ 16. — aan Ploos van Amstel. 

In het Louvre, collectie Sauvageot, is een dergelijk, waarschijnlijk hetzelfde 
voorwerp, een waar meesterstukje. Maar naar het ornement en den stijl der 
beeldjes te oordeelen, is dit laat Louis XIV, en wel wat te elegant voor onzen 
Hollandschen meester. 

36. Een messenhecht. Veiling Movet. Supplement ƒ 98. — 

IVOOR. 

37. Een ovaal basrelief. Simson den leeuiv verslaande^ in een uitvoerig gewerkte 
lijst met barnsteen. H. /^\ B. 3^ d. 

38. Een dito. Simson de Filistijnen verslaande. 

39. Een dito. De jonge Tobias met de Engel zvandclcnd, 

40. Een dito. De barmhartige Samaritaan. 

Deze vier basreliefs van dezelfde grootte werden in de veiling P. LoCQUET 
te zamen voor f 125. — verkocht aan Hope. 

41. Judith met het hoofd van Holophernes in de eene en een zwaard in de 
andere hand. 

42. Clcopatra^ ter halve lijve, houdende de slang aan haar borst. 

Deze twee basreliefs, hoog 4V4, breed 4 duim, werden in de veiling Braamcamp, 
te zamen voor ƒ 54.— verkocht. 

43. Een staand Mariabeeld^ met eene kroon op het hoofd, en het kind Jezus op 
den linkerarm. H. 6^ d. Op een houten piëdestal, versierd met een sera- 
fijnshoofdje. — Veiling Braamkamp / 14.50. 



ALBERT JANSZ VINCKENBRINCK. 91 

44. Maria met het kind Jesus op den arm, in de andere hand de aardbol. — 
H. 6^5 d. Veiling Braamcamp / 14. — 

45. Maria Magdalena^ houdende met de regterhand het kruis en in de linker- 
hand een doodshoofd. H. I2^g d. Veiling LOCQUET. ƒ 30. — 

46. Een staande Bacchus, naast hem een Satertje. H. 8 d. Veiling Locquet, 

/ 35. — Hope 

47. Een basrelieC Jupiter en Leda. H. 3, B. 4^5 d. in ebbenlijst, 

48. Venus en Cupido in een landschap. Hl 3, B. 5 d. „ „ 

Deze beide basreliefs werden in de veiling Braamcamp te zamen voor ƒ 88 — 
verkocht. 

49. Floray ter halver lijve, met een bloemtak in de hand. — Basrelief H. 7%. 
B. s^g d. Veiling Braamcamp / 32. — 

50. Een borstbeeld van Constantijn deft Groóte, Veiling JER. DE BoscH. / 9. — 
G. DE Vries. 

51. Een naakt mansbeeldy met een slinger om het lijf. H. \2\ d. Veiling 
Locquet / 40.— 

52. Borstbeeld van Anna^ koningin van Engeland. H. ^\, B. 6 d. Veiling 
Locquet / 32. 

Dit portret is öf niet door V. gemaakt, of het stelt een' andere vorstin voor. 

53. Groep van eene vrouw en een sater ^ staande figuren. H. 8^5 d. Veiling 
Locquet ƒ 33. 

54. Doos van Schildpad^ met ivoren deksel waarop een bachanaal van zes kin- 
dertjes. H. 3. B. 4 d. Veiling LocQUET ƒ 15. — 

55. Ovale doos op welks deksel drie spelende kinderen. Veiling JER. DE BoscH 
/ 10.10 aan DiTMAR. * 

56. Rond basrelief. De zeven vrije kunsten. Diameter 4^ d. Veiling LOC- 
QUET / 37.— 

57. 7 wee kinderbeeldjes. Veiling PLOOS VAN Amstel ƒ 10. 10. Hardenberg. 

58. Twee kindertjes y waarvan het eene het andere draagt, basrelief. Veiling 
Jer. de Bosch / 20. — Jer. de Bosch. 

59. Een loopend kindje. Veiling jER. DE BoscH / 14. — Jer. de Bosch. 

60. Een zittend kindje met een dolphijn en een ander met een hondje. Veiling 

Jer. de Bosch / 25. — J. de Bosch. 

61. Een schenkkan met zilver gemonteerd. Het basrelief is zeer kunstig opge- 
werkt met zeven kindertjes, de Kunsten en Wetenschappen voorstellende. 
H. 5^5 d. Veiling PLOOS VAN Amstel ƒ 41. — Achtienhoven. 

Als wij deze 61 voorwerpen aan een kritiesch onderzoek konden onderwerpen, 

zou er stellig maar een klein gedeelte als authentiek kunnen aangenomen worden. Zooals 

12* 



92 ALBERT JANSZ VINCKENBRINCK. 

wij reeds opmerkten, is daarom de inventaris, al noemt die ook slechts weinige kunst- 
werken, van groot belang. 

Maar waar zijn die zaken gebleven? De portretten van Duitsche vorsten brengen 
ons de voortreffelijke medaillon portretten in herinnering in de i& eeuw te Neurenberg 
en Augsburg gesneden, waarvan er in sommige musea, ook in het Louvre, collection 
Sauvageot, zulke uitmuntende exemplaren berusten. 

Moge dit opstel de aanleiding worden tot het aan het licht komen van meerdere 
werken van onzen Amsterdamschen beeldhouwer, hetzij de kleinere kunststukjes, die hij 
zeker grootendeels voor eigen liefhebberij vervaardigde, hetzij de met snijwerk versierde 
betimmeringen, die hij voor vaste bestemming te Amsterdam, en misschien ook elders 
met zoo kunstvaardige hand bewerkte. 

Ten slotte vermelden wij nog volgens KraMM, dat ViNXKENBRiNCK den Titel 
geteekend heeft, dien P. HoLSTEVN graveerde, voor het werk van P. JVit/envongei. 
Christelijke Huishouding . . . ., Amstei-iiam l66i, 4*. 

Vésinet. Maart 1887. 




GASPAR VAN BAERLE. 



EERSTE JAREN TE AMSTERDAM. 
{1631 — 1635). 

DOOR 

Dr. J. A. worp. 



EN eersten Mei 1631 kwam VAN Baerle te Amsterdam en den 
'olgenden dag werd hij uit naam van de burgemeesters door den 
, schout Jan ten Grootenhuys verwelkomd'). De nieuwe professor 
betrok het huis in de Spinhuissteeg. De buurt stond in een slechten 
reuk; „inter Maenades et Thaidas habito", schrijfthij,maar hij vindt 
. de plaats juist geschikt voor philosophische studiën *). Het huis 
' was kleiner dan dat, hetwelk hij te Leiden had bewoond, en zijne 
vrouw, die nu gedurende twintig jaar aan het hoofd eener soms zeer drukke huishouding 
had gestaan, had rust noodig. Daarom werd er besloten, dat men niet weer, zooals 
vroeger, jongelieden aan huis zou nemen *). Lang heeft van Bahrle in die buurt niet 
gewoond; in het najaar van 1633 vinden wij hem reeds op de Oude Zijds Achter- 




1) Vg!. Sfisl., bli. 399. 



ili, 395, (Deie brief js ïolgens h 



■^■w"'*» M i* r-in !3 



04 GASPAR VAN BAERLE. 

burgwal ^), waar hij misschien al vroeger was heengetrokken *). Hij is daar tot zijn 
dood gebleven. 

Ook VOSSIUS kwam in het begin van Mei te Amsterdam. Maar er was vooreerst 
nog geen sprake van, dat de nieuwe professoren met hun onderwijs konden beginnen. 
Wel was er reeds een gebouw aangewezen, de kerk van het St. Agnietenklooster op de 
Oude Zijds Achterburgwal, maar het had den laatsten tijd als pakhuis dienst gedaan, en 
-men was er aan het timmeren. En ook moest het aanhangige proces zijn afgeloopen, 
voordat de inrichting geopend kon worden. „Intusschen nemen wij rust en vacantie", 
schrijft Barlaeus aan EPISCOPIUS *), „en gewennen ons aan de gezichten der kooplieden. 
Het is verwonderlijk met welk een trots die schapen van Phrixus hier stappen. Ik 
geraak buiten mij zelf, wanneer ik die Pelopsen en Midassen aanschouw, en de groote 
Lucullussen nog een graad grooter zie worden. Het is niet alleen de wetenschap, die 
opblaast; ook de bezitter van schitterender slijk rekent zich den hoogsten prijs waardig, 
en, naarmate hunne geldkist zwelt, zwellen ook die zonen der aarde 'en nemen horens 
aan. Ik teeken dit aan, opdat gij niet zoudt meenen, dat ik ondoordacht neerschreef, 
dat ik aan de gezichten der kooplui gewend raakte." BARLAEUS kon het te Amsterdam 
nog niet best vinden; in de drukke koopstad denkt hij nog steeds aan het zoo veel 
stillere Leidsche Athene, waar zoo geheel andere belangen werden behartigd. Hij had 
er dan trouwens ook zeer vele vrienden achtergelaten, onder welke hij vooral CüNAEüs 
miste, met wien hij in correspondentie bleef*), en kwam in een geheel vreemden kring. 
Maar Amsterdam had voor hem in elk geval op Leiden voor, dat er een veel liberaler 
geest op kerkelijk gebied heerschte, en men zich in dezen tijd juist tegen de uitvoering 
der plakkaten tegen de remonstranten verzette. 

Korten tijd na de komst van Barlaeus te Amsterdam zag de derde uitgave zijner 
Poemata het licht ^). Zij werden weer aan VAN DER Myle opgedragen, en tot hen, 
aan wie zij werden toegezonden, behoorde ook de Harderwijksche professor PONTANUS *). 

Intusschen kwamen er eenige studenten, vooral Zweden en Polen. De verwachting, 
dat tal van jongelieden, die de remonstrant sche gevoelens waren toegedaan, de nieuwe 



i) Ken brief van Cats aan Barlaeus van ii November 1633 (in de collectie Papenbroeck) heeft tot adres: 
„Erntfestc wel achtbaerc/ en hoochgeleerde heer/ D.D. Gaspar Barlaeus/ professor woonende op de/ achter oude sijts 
burghwal/ bij het oude-manhuijs/ Tot/ Amsterdam." 

De brief is door mij uitgegeven in het Tijdschrift voor Nederlandsche taal- en letterkunde^ uUg^eve» vanwege de 
Maatschappij der Nederlandsche letterkunde te Leiden. 6de jaargang. Leiden. — E, y. Brill. 1886, blz. 22^ vlgg. 

Het huis is in onze eeuw bewoond door professor van Capelle (vgl. De Navorscher^ ^^77» blz. 22). 

3) Reeds in het najaar van 1631 bestond het plan om met i Mei 1632 te verhuizen (Vgl. Epist.^ blz. 414). 
t) T. a. p., blz. 407. 

4) In de Epistolae worden vele brieven van Barlaeus aan Cunaeus gevonden. En PetH Cunaei, Elogitemttat 
et jfuris Romani quondam in Academia Datava Pro/essoris^ et doetorum virorum ad eundem epistolae, Quiöus euxedit 
Oratio in obitum Bonaventvrae Vulcanii. Nunc primum editae cura Petri Burmanni. Ltidae^ Apitd Petrum van der Aa, 
enz., 1725, bevatten tal van brieven, gedurende de jaren 1631 — 1638 door de beide verwanten gewisseld. 

*) Casparis Barlaei Poematvvi editio nova, Priore castigatior et altera parte auctior. Cum Privilegie. Lvfd, Batetv» 
Ex Officina Elzroiriana Anno 1631. De vorige uitgave was dus een nadruk. 
6 Vgl. Epist.^ blz. 401. 



CASPAR VAN BAERLE. 9S 

inrichting zouden bevolken, werd voorloopig niet vervuld, want er kwamen maar enkelen ^). 
In het einde van Juli schreef VAN Baerlé, dat hij tot nu toe professor in het niets doen 
was geweest *); maar spoedig begonnen nu de professoren privaatlessen te geven, daar open- 
bare lessen niet vergund waren, zoolang er in het proces nog geepe beslissing was genomen. 

In Juli verheugde Barlaeus zich over het ontsnappen der gevangen predikanten 
uit Loevestein; hij schrijft er een brief over aan Wtenbogaert en dicht een vers*). 
Zijne dichtader vloeide overigens in dit jaar niet rijkelijk; hij schreef slechts eenige 
gelegenheidsverzen en verheerlijkte de overwinning op het Slaak, die den I2den Sep- 
tember was bevochten*). Aan Jacobus Niendauus, die kort te voren als Latijnsch 
dichter was opgetreden en hem eenige zijner verzen had toegezonden, schrijft hij ') : 
„Vernjoeid van het zingen heb ik mijne lier aan den tempel van Pallas opgehangen." 
Hij besteedde zijn tijd aan de philosophie. Tegen het einde van het jaar had hij een 
groot gedeelte af van een werk over de sceptische wijsbegeerte, waarin hij SextüS 
Empiricus bestreed ; hij meende het binnen drie maanden te kunnen voltooien •). In 
December kwam HüGO DE Groot te Amsterdam; hij logeerde bij JOOST Brasser, en 
tot hen, met wie hij gedurende de drie maanden van zijn verblijf dagelijks omging, 
behoorden van Baerle en Hooft'). 

In het laatst van December kwam er een einde aan het proces over het recht der 
Amsterdamsche regeering om een lUustre School te mogen stichten. Er was over deze 
kwestie heel wat water vuil gemaakt. Want niet alleen had Leiden zich verzet, maar 
ook de kerkelijken hadden tegengewerkt, uit vrees, dat de nieuwe inrichting in het voor- 
deel zou zijn der remonstranten. Zelfs de Zwitsersche academies hadden zich met de 
zaak bemoeid en een stuk gezonden, waarin zij de vrees te kennen gaven, dat de school 
nergens „anders toe dienen zal, dan tot eenen snoodsten winkel, niet van regtzinnigen ; 
maar eerst van Arminiaanen, en daarna van Sociniaanen; en vervolgens eene Kweekschool 
worden van de gedrogtelykste gevoelens, welken die looze menschen zig, tot hiertoe, 
geschaamd hebben te openbaaren" ^). VOSSIUS schijnt over den afloop van het proces 
niet volkomen gerust te zijn geweest, hoewel er geentwijfelbestond, of de Amsterdamsche 
regeering zou bij eene nederlaag aan de beide benoemde professoren een anderen werk- 
kring hebben aangewezen'). Maar nu was de zaak uit de wereld, en kon VossiüS den 
8sten Januari 1632 het Athenaeum plechtig inwijden met eene redeneering over het 
nut der geschiedenis. Den volgenden dag hield Barlaeus eene rede ,,over den verstandigen 



1) T. a. p., biz. 407. 

i) T. a. p., bIz. 4x1. 

3) T. a. p., bk. 4O7, 409. 

4) Trophaeum Aravsionense ; Sive in interceptam^ ad Scaldis ostia, Hispanorum classenty Poifmation. (Vgl. Potmata^ 
165S, I, blz. 252). Het vers kwam ook afzonderlijk uit (vgl. den brief aan Huygens in de Bijlage, no. i). 

s) Vgl. Epist.y blz. 419. •) T. a. p., blz. 421. 

7) Vgl. Dr. H. C. Rogge, Johannes Wtenbogaert en zijn tijd, Amsterdam, Y. Rogge^ ^876, III, blz. 2^0. 

8) Vgl. Wagenaar, Amsterdam^ IV, blz. 489, 490. 
») Vgl. CUNAEI Epiü.^ blz. 264, 265. 



96 GASPAR VAN BAERLE. 

koopman". De sprekers werden door twee der curatoren van het Athenaeum, den schepen 
Albert Coenraadsz BüRGH en den schout Jan ten Grootenhuys, van huis afgehaald 
en naar den katheder geleid ^). De redevoeringen werden door eene groote menigte 
toehoorders, waaronder zich al de burgemeesters, de leden van den raad op één na, en 
vele predikanten bevonden, bijgewoond, volgens VAN Baerle, ,, omdat het iets geheel 
nieuws is, dat er in deze stad over andere zaken dan over geld en winst gesproken 
wordt" '). De inhoud der redevoering ^).. die door een gebed werd voorafgegaan, wordt 
weergegeven door de volgende woorden der inleiding: „Daarom meende ik geheel ver- 
keerd te handelen, wanneer ik bij kooplieden, een slag van menschen, dat tuk is op 
winst, bij het gerammel van goud, in eene stad, die op voordeel uit is, over andere 
dingen ging spreken dan over handel, winst en rijkdom ; niet om te leeren, hoe men koop- 
manschap moet drijven, maar hoe men dat op eene verstandige wijze moet doen; niet 
om de kunst van geld verdienen voor te schrijven, want ik beken ronduit, dat ik die 
zelf niet ken, maar om aan u de beste wijze daartoe aannemelijk te maken; niet om de 
zucht naar rijkdom te veroordeelen, maar om haar binnen de perken te houden door het 
remtoestel van een juist inzicht. Ik zal aantoonen, dat er een zeer deugdelijke band 
bestaat tusschen koophandel en de studie van wijsbegeerte en letteren, en dat de zorg 
om het vermogen te vermeerderen evenmin aan wijsgeerige bespiegelingen in den weg staat, 
als dit andersom het geval is; maar dat de geschiktheid om handel te drijven en die om 
wijsgeer te zijn op uitstekende wijze samenwerken om den koopman gelukkiger te maken, 
naar mate hij helderder denken kan". 

De redevoering schijnt zeer in den smaak te zijn gevallen en zag later in eene 
vertaling het licht *). Bovendien had VAN Baerle een gedicht vervaardigd *) — ,,ik kan 
mijne oude slechte gewoonte niet afleeren", schrijft hij aan HUYGENS •) — dat na het 
uitspreken der rede aan de magistraatspersonen werd ter hand gesteld'). Ook Vondel 
en Hooft bezongen de inwijding der Illustre School. 

Spoedig openden de beide professoren nu hunne colleges; VAN Baerle den I3den 
Januari om 9 uur®). De lessen moesten in de toga worden gegeven, waarvoor de stad 



1) Vgl. VAN Lennep, Memorabilia^ blz. 79. 

3) Vgl. HoOFTS Brieven, IV, 286, 287. Deze brief werd ook reeds uitgegeven door van Lennep, t.a. p., blz. 81. 
8) De titel is: Gaspar is Bariaei Mercator sapiensy sive Oratio de conjungendis Mercaturae et Philosophiae studiis: 

habita in Inaugurationem Illustris Amstelodamensinm Sckoiae, V, ld. Jan, CI3IJCXXXII. Amsterdami, Ex Typographia 
Gvilielmi Blaev, 1632. 

4) Casparis Bariaei Verstandig/ie Coopman, of oratie, handelende van de t' samen-voeg inghe des Koop-handels, endê der 
Philosophie: Ghedaett, ende uyt-gesproken doen de vermaerde Schole van Amsterdam opgherecht ende inghehuldet wierde^ te 
weten ; op den negenden Januari) 1632. Wt de Latijnsche, in onse Neder landtsche Sprake ghetrouweJijck vertaelt door 
Wilhelmus Antonij Buyserius, S, L. E. H. Ghedruct t' Enchvyscn, Voor den Autheur Wilhelmus Buyserius^ Anno 1641. 

6) Casparis Bariaei Athenaevm, Sive tn Illustris Amstelodamensium Scholae Inatigurationem Poemation^ Ad eiusdem 
Reip. Scnatum. Amsterdami, Apud Gvilielmvm Blaev, 1632. Zie ook Poem,, 1655, I, blz. 491. 

In het vervolg zal ik steeds naar deze uiigave der gedichten verwijzen. 
^) Vgl. HooFTS Brieven, IV, blz. 287. 

7) Vgl. Epist.. blz. 959, 960. 
^) T. a. p., blz. 959. 



GASPAR VAN BAERLE. 97 

jaarlijksch aan eiken hoogleeraar 30 gulden gaf ^). Juist dienzelfden dag beviel de vrouw 
van Barlaeus van een zoon, die Jacobus werd gedoopt') en door HüVGENS in twee 
Latijnsche puntdichten werd bezongen*). Terwijl VOSSIUS op zijne colleges de geschie- 
denis der wereld tot ABRAHAM behandelde, sprak VAN Baerle over de geschiedenis der 
wijsbegeerte, met name over de Academie, de Stoïcijnen, Epicuristen en Peripatetici, om 
daarna over te gaan tot de Physica van Aristoteles *). Maar aan dit laatste onderwerp 
kwam hij vooreerst niet toe, want hij begon weer te lijden aan zijne oude kwalen, zenuw- 
achtigheid en melancholie. Hij had zich overwerkt en meende^ dat hij niet in staat was 
zijn ambt goed te vervullen*). Den gden Maart schrijft CUNAEUS, die van zijne ziekte 
had gehoord, hem een bemoedigenden brief'); hij wijst er op, dat zijne lessen met zooveel 
belangstelling worden gevolgd; dat hij vroeger als professor te Leiden zich roem heeft 
verworven, en dat er geene reden is, om nu wanhopig te worden. Werk niet te hard, 
roept hij hem toe; waarom zoo hard gestudeerd, om over de verschillende philosophische 
stelsels veel te berde te brengen, terwijl ge ARISTOTELES, waaraan de jongelui veel meer 
hebben, kunt droomen.* Drie dagen later antwoordt van Baerle^); zijne vrouw had 
hem met moeite er toe gekregen om een brief te schrijven. Hij klaagt, dat zijne zwaar- 
moedigheid thans nog veel erger is dan negen jaren geleden. Het werk is hem te zwaar, 
en in een ondoordacht oogenblik heeft hij zijn nieuw ambt . aanvaard, want hij gevoelt, 
dat het geheel iets anders is om privaatlessen dan om college te geven, en juist dit 
maakt hem erg zenuwachtig. Zijne kracht is gebroken. „Mijne vrouw", schrijft hij, 
„stond bij mij, terwijl ik dit schreef, en heeft mijne pen zoo wat bestuurd.^' 

Van Baerle ondervond veel deelneming, ook van zijne Leidsche en Utrechtsche 
vrienden. Langzamerhand week de ziekte, en in het laatst van Mei had hij zijne colleges 
hervat*). Spoedig keerden zijne krachten geheel terug, en kon hij weer geanimeerder dan 
ooit spreken, disputeeren en zijne hoorders tot studie opwekken '). Den loden Juni noo- 
•digde Hooft hem uit om op het Muiderslot te komen *°). 



1) Vgl. VAN Lennep, t. a. p., blz, 101. 

») Vgl. HoofTs Brircen^ IV, blz. 286, en Epist,^ blz. 422. In de genealogie van de Vries is dit kind 
niet vermeld. 

3) Vgl. Momenta desultoria^ blz. 78. 

4) Vgl. Episi., blz. 959, en Hoofts Brieven^ IV, blz. 287. 

s) Misschien kwamen er nog andere oorzaken bij. Buchelius schrijft 13 Juni 1632 (onuitgegeven briefin de 
collectie Papekbroeck) aan hem: ^Audivi (si vera' mihi narrata sunt) duo animum tuum perculisse: fratris nempe tui 
acerbiorem interpellationem et lapsum in flumen; hoc corporis valetudinem imminutam, illa animum turbatum", caet. 

Maar dit kan een gerucht zijn geweest. 

«) Vgl. Cvnaei Epist.y blz. 267, 268. 

"t) Deze belangrijke brief is alleen te vinden in de Epistolae ceUberrimorum virorum, nempe H. Groiiiy G,y. Vossii ^ 
A, Schoiti^ J. Wouerii^ D. Heinsii^ C, Gevartii, J, F. Gronovii^ G. Pathti^ N, Heinsii, aïtorumque antehac incditac, 
In quibvs plurima ad omne Erttditionis ^enm iliustrandum occurrynt-^ Ex Scriniis Literariis Jani Brantii. Avtstelaedami 
Apud Janssonio-Waesbergios 17 15, blz. 118. 

8) Vgl. CUNAEI Epist., blz. 270. 

») T. a. p., blz. 272. 
10) Vgl. HoOFTS Brincn, II. blz. 265, 266. ' 



f» 



98 GASPAR VAN BAERLE. 

Waarschijnlijk heeft Barlaeus Hooft eerst persoonlijk leercn Iccnnen, toen hij 
zich te Amsterdam had gevestigd. De goede verstandhouding, tusschen de beide mannen 
ontstaan door het wisselen van brieven en gedichten, werd nu door persoonlijken omgang 
versterkt. Terwijl er in de eerste jaren na 1631 nog weinig sporen zijn van een druk 
verkeer, nam dit spoedig toe en beginnen HoOFT's brieven over te vloeien van uitnoo« 
digingen aan VAN Baerle gericht, van het vermelden van zijn naam, van zijne gedichten 
en aardigheden. 

Barlaeus gebruikte zijne zomervacantie tot het schrijven van een groot gedicht, 
waarin hij de krijgsbedrijven van den stadhouder verheerlijkte, en dat tot titel had Trivmphus 
federati Belgü^), Den 6den September schrijft hij na eene lange tusschenpooze aan 
HUYGENS'): „De algemeene vreugde, waartoe de heldhaftige moed en bedachtzame ver- 
metelheid van onzen prins zulk eene heerlijke stof heeft geleverd, duldt niet, dat ik langer 
sprakeloos blijf. In al te droevige stemming had ik de Muzen al vaarwel gezegd, en 
Phoebus, al de gratiën, en die liefelijker studiën, waaraan ik, toen mij meer vrije tijd ten 
dienste stond, mij met geheel mijn hart had toegewijd, van mij gestooten. Maar, evenals 
de vreeselijke namen van Gonzala en Pappenheim u niet toelaten om rustig in het leger 
te slapen, zoo verdrijven bij mij de verbazende waagstukken en het gelukkig succes van 
den prins van Oranje de slaperigheid. En daarom wil ik liever stamelen en een wan* 
klinkend lied zingen, dan bot zwijgen, vooral daar vrienden mij aansporen, om toch den 
grooten aanwas van ons land niet onbezongen te laten. — Ik had wel iets willen geven, 
dat met meer zorg geschreven was, maar de tijd ontbreekt mij, om mij lang met dit 
soort van werk op te houden; bijzaak is thans, wat vroeger hoofdzaak was. Daarom 
tracht ik den Areopasfus en de rechtbank van Minos te verbidden. Niet altijd dondert 
Jupiter in de wolken, nu en dan rommelt hij ook; hij bliksemt niet altijd, maar hij weer- 
licht ook wel". Het gedicht werd door HuYGEXS aan den prins overhandigd, die het 
goed opnam ^) en met 400 gulden beloonde *). 

In dezen tijd deden HoOFT*) en HuYGENS*) hun best om aan BrosterhuysEN 
een professoraat te Amsterdam te bezorgen, waartoe ook VAN Baerle in den arm werd 
genomen. Die pogingen zijn echter mislukt; eerst 14 jaren later werd hij hoogleeraar 
aan de toen opgerichte Illustre School te Breda. In het vorige jaar had BARLAEUS aan 
Hermannus Conringius, een Oostfries, die te Leiden in de theologie en medicijnen 
had gestudeerd en later een tijd lang lijfarts van Christina van Zweden is geweest. 



1) iuiicr debellatis ad Mosam urbibus, Venlou, Sfm/jy Rznnz'nda, Traiecto, etc. pluribusquc ad ScaldtnvicÜs Casiellis 
Iho -.7//.//. -f, Auspiciis Poh'ntissimorHtn D. D. OrJinum, ar mis itc stupenda virtutc Ili^. Principis Frederici Hcnrui^ Arau- 
iijtunsium Principis etc. Amstcrdami^ Aptid Gvilidmvm Blaez: 1632 (Zie ook Pocmata, I, hlz. 260 — 278). 

-) Vgl. HOOFTS Briez'Cfty IV, blz. 288. De brief komt voor een groot deel woordelijk overeen met een brief aan 
Ci:Ny\EUS (Iipist., blz. 423.) Of BARLAEUS schreef aan beiden hetzelfde, of Branut heeft twee brieven tot één versmolten. 

:■:) Vgl. Epist.^ blz. 431. De brief is niet van 14, maar van 12 December (vgl. HooFTS Brieven^ IV, blz. 289). 

4) Volgens een onuitgegeven brief van Huygens (Koninkl. Acad.) van Non. Jan. 1633. 

^) Vgl. HooFTs Bric.etiy II, bl/. 288, vlgg. 

'■') T. a. p., IV, blz. 286, on E/it^'., t. a. p. 



GASPAR VAN BAERLE. &9 

maar toen een professoraat te Amsterdam boven een dergelijk ambt in Duitschland 
verkoos, de hoop daarop moeten benemen ^). 

In December moest VAN Baerle zijne lessen weer eenige dagen staken, daar eene 
kleine ongesteldheid hem het spreken moeilijk maakte. Hij haalde zich eene berisping 
van CUNAEUS op den hals'): „Ik bid u toch in allen ernst, om zorg te dragen voor 
uwc gezondheid en om bij uwe keuze van spijzen, dranken, en vooral van wijn voorzichtig 
te zijn. Gij zijt nu op den leeftijd, dat gij ook de meest nauwgezette voorschriften van 
uwe medische wetenschap niet moogt verachten." En Barlaeus belooft'), dat hij „vol- 
gens de leer van Hippocrates langzamerhand tot het ongewone zal komen." Hij was 
al weder hersteld, toen hij bericht kreeg van het overlijden van zijn vroegeren leerling 
en huisgenoot JACOBUS VAN DER Straten*). De jonge man, die te Haarlem t'huis 
hoorde, was in 1620 te Leiden komen studeeren en woonde :n 1623 bij VAN Baerle 
aan huis, toen deze zijn testament maakte, waarbij hij als getuige fungeerde. Hij was 
in den zomer van 1632 naar Hamburg vertrokken, was daar gehuwd, maar dadelijk na 
de bruiloft ziek geworden en gestorven. In zijn testament bedacht hij zijn ouden leer- 
meester met een legaat van icx)0 gulden. Barlaeus schreef een lijkdicht op hem'), dat 
later door van DER BURGH werd vertaald*). 

In het begin van het volgende jaar schreef hij op verzoek van Pontanus ^ een 
bruiloftsdicht, toen zijne dochter Anna in het huwelijk trad met den bekenden Harder- 
wijkschen professor, Antonius,Matthaeus, den uitgever Atr AnaUcta^). Met Pont ANUS 
bleef VAN Baerle in briefwisseling?). Aan eene opwekking van VAN DER BURGH, om 
de geschiedenis der krijgsbedrijven van het vorige jaar te boek te stellen, gaf hij geen 
gehoor. De tijd ontbrak hem, en hij voelde, dat hij voor zoo iets niet de man was. 
„Het is mij gegeven een middelmatig gedicht te kunnen maken," schrijft hij aan HuYGENS'®)^ 
„maar van den roem van geschiedschrijver ben ik afkeerig. Daar is voorzichtigheid voor 
noodig en een stijl, die voor het genre geschikt is, want vooral moet men hiervoor 
zorgen, dat de dichter den geschiedschrijver geene parten speelt, zooals op vele plaatsen 
bij Florus het geval is. Ook door het voorbeeld van Hevnsius heb ik geleerd, hoe 



1) Vgl. den brief van Conringius in de Efistoïae celeberrimorvm virorum^ blz. 173. De brief is gedateerd 27 Juni, 
maar zonder jaar. Doch Barlaeus' brief (-£/ij/., bl«. 404) aan Conbino is een antwoord er op, en werd 3 Juli 163 1 geschreven. 
3) Vgl. CUNAEI Epist., blz. 273. 

3) T. a. p., blz. 274. 

4) T. a. p. 

6) Lachrymae, in obitvm Amplissimiy doctissimique virt Jacoèi Z'on der Straten, Hamèurgi ad Alhim^ post Sponsaïia^ 

placidd morte exatincti {Poem.^ I, blz. 501). 

6) Casparis Bar loei Tranen^ op het Overlijden tan den voorireffelijcken en seer Geleerden Jacot vander Straten {Ver- 
scheyde Nederduytsehe Gedichten^ I, blz. 48). 

7) Vgl. Epist., bk. 435. 

8) In nvptias Antonii Matthaei ivrisconsvlti. Et Lectimissae Virginis Annae Pontanae. (Poem,^ II, blz. 179). ; ^ 

9) Een brief van PoNTANUS aan B, van 18 Mei 1633 is opgenomen in de Episiolae cekherrifnorvm tirdttih^- 

blz. 121. -• : 

10) Vgl. Epist., blz. 439. 

13* 



100 GASPAR VAN BAERLE. 

moeilijk het is voor hen, die gewoon zijn om te zingen, om op kalme wijze gebeuxte- 
nissen te vertellen. Misschien is Grotius de eenige, die deze klip kan vermijden/' 

Den I5den Maart opende onze professor een college over de moraal, waar hij de 
Ethica van Aristoteles zou behandelen, met eene redevoering „over den goeden vorst," 
die tegen de leerstellingen van Machiavelli was gericht ') en zeer werd gerezen, omdat 
zij in een kort bestek en fraaien stijl al de argumenten bevatte, die tegen den beroemden 
Italiaan kunnen worden ingebracht"). 

Toen Erycius Püteanus, hoogleeraar te Leuven en opvolger van LiPSlUS, historio- 
graaf en gouverneur van het kasteel, die tal van kleine werkjes heeft geschreven, en in 
wiens boedel men na zijn dood 16000 brieven vond, die aan hem gericht waren^ rijn 
Stater a belli et pacis, qua induciae inter Provincias regias atque foeaeratas tractari coepiae 
expendunttir ^) het licht had doen zien, schreef Barlaeus hem een brief, waarin hij dat 
boek zeer prees *). Toch was zijn oordeel niet zoo gunstig, als hij het den schrijver 
deed voorkomen. Hij sprak eene andere meening uit in een brief, van welken men niet 
weet, aan wien hij gericht is*); die brief werd buiten zijn weten uitgegeven in een 
boek, dat tegen het werkje van PuTEANUS werd geschreven •) en Anti-Puieanus was 
getiteld'). Het bracht echter geene verkoeling te weeg tusschen den Amsterdamschen 
en den Leuvenschen professor'). 

Het schijnt, dat VAN Baerle in dezen tijd voor het eerst in aanraking kwam met 
JOACHIM WiCQüEFORT. Deze Staatsman, die in 1600 waarschijnlijk te Antwerpen was 
geboren, was op jeugdigen leeftijd met zijn vader te Amsterdam komen wonen. Hij 
was een oudere broeder van Abraham Wicquefort, die zulk een vreemden levensloop 
heeft gehad en de Histoire des Provinces-Unies des Pays-Bas heeft geschreven. In den 
3qjarigen oorlog heeft JOACHiM WiCQüEFORT eene rol gespeeld als diplomatiek agent 
van Bernard van Saksen-Weimar in de Nederlanden, Frankrijk en Duitschland. In 
1639 werd hij resident van Hessen-Cassel bij de Vereenigde Provinciën, welk ambt hij 
gedurende twintig jaren heelt bekleed. WiCQUEFORT, die gehuwd was met eene juffrouw 
DE WiLHEiM en zoo in de verte verwant met HüYGENS, stond ook in betrekking met 
Hooft. Onder al zijne omzwervingen, want zijne betrekking liet hem weinig rust, behield 



^) De titel is : Casparis Barlaei Dissertatio dt bono prindpe, adversus N, Machiavelli FlorcHtiui Script^ris suasorias, 
tjitas libris suis de Principe, Rcpublica^ aliisque insparsit; recitata in lllustri AmstelodameHsivm Gymnasia, citm PhilosfphMm 
MoraUm auspicaretur /psis Idibus Marliis, An, 1633. Atnsterdami, Ex typographia Gviiielmi Blacv, Anno 1633. 

») Vgl. CUNAEI Epi8t.j blz. 275. 

3) Het boek werd te Leiden nagednikt (vgl. Meulman, Catalogus van de Tractaten, enz., no. 2259), en ook vertaald 
(vgl. Muller, Bibliotheek van pamJUtten, enz., no. 25 11). 

<) Vgl. Epist., blz. 438. 

*) T. a. p., blx. 450. 

*) T. a. p., blz. 483. 

') Sive Politico-Catholicvsy SUteraia Putcani huiiicias expcndentis alid StaUrd expendtns. Cosmopoli, Apud Belgam 
i\icUm. Anno 1633 (vgl. Meulman, t. a. p., no. 2260). 
* " . . Noch de Statera^ noch den Anti-P uteanns heb ik kunnen opsporen . 

") Vgl. Vossii Epist.f blz. 163, 165, 166. 



CASPAR VAN BAERLE. 101 

hij liefde voor de wetenschap en voor den omgang met geleerden. Met Barlaeus is hij 
steeds bevriend gebleven, en talrijk zijn de brieven door de beide mannen gewisseld^). 

Toen in het voorjaar van 1633 één der oud-leerlingen van BarlaeüS, Arnold 
VAN DER Myle, de zoon van zijn beschermer, stierf, richtte hij een brief van rouwbeklag 
en een vers tot den treurenden vader'). Kort daarna volvoerde hij ijn plan om de 
krijgstochten van den stadhouder op den voet te volgen met zijne gedichten; een plan, waarvan 
hij telkens melding maakt In den zomer schreef hij h^t Poe mat ion in dvcitum Limbvr- 
gicvm^)y waarvan VAN DER BuRGH eene vertaling bezorgde*), en kort daarna bezong 
hij de inneming van Rijnberk*), die den 2den Juni plaats had. Het was zeker voor deze 
beide gedichten, dat hij van den prins de belooning van 400 gulden ontving^). 

In Juli woonde Barlaeus de bruiloft bij van Daniel Schonck en Catharina 
OVERBEKE, waarschijnlijk eene zuster van Matthias. Deze gaf eene partij te Alphen, 
waar hij een buiten had. Gedurende zijn uitstapje naar Leiden en Alphen vergat onze 
professor zijne correspondentie niet, want, hoewel hij hoofdpijn had van het zwieren, 
schreef hij den 20sten en 22sten Juli aan WiCQUEFORT') en den volgenden dag aan 
HüYGENS®). In het laatst van Augustus kreeg VAN Baerle eene uitnoodiging om met 
Baak en VOSSIUS op het Muiderslot te komen *). Bij hem aan huis heerschten de pokken . 
het jongste kind, jACOBüS, stierf er aan, en de oudste zoon, Gaspar, werd ook door de 
ziekte aangetast, maar genas. „Gij zoudt hem voor Zopyrus of Deiphobus aanzien", 
schrijft zijn vader, „zoo ziet hij er uit* maar hoewel met stuk gekrabde wangen dreunt 
hij zijn yLfïviv &€tSs op "). Van Baerle bezit opgewektheid genoeg, om met CUNAEUS en 



1) In de Epist, van Barlaeus zijn een 30 tal brieven van hem aan Wicquefort opgenomen. In 1696 werden 
door Petrus Huguetan uitgegeven: yoach, Vico/orUi, \Ordinis S, Michailis EquitiSt Sfrem'ss. Hassiae Landgraviae cum 
a Consiliis^ turn ad Praepotent, Ordtnes Foederati Belgii Ablegati^ etc, Epistoiae ad Gaspantm Barlaetim V, CL Cujus 
Responsoriae itiam insertae. Amstelacd imi, Apud Gforgium Gallet, 1696. 

Dit werkje, dat aan Gerard van Papenbrobck werd opgedragen, bevat 62 brieven van Wicqefort. terwijl er eenige 
brieven van Barlaevs uit de Ëpist, in rijn overgedrukt. In hetielfde jaar verscheen er bij denzelfden uitgever eene Fransche 
vertaling van, getiteld: Lettres dt Af. J. de Wicquefort, enz. 

Dr. VAN Vloten gaf in Hoofts Brieven, IV, blz. 329—387, nog 57 brieven van B. aan W. uit. Deze bevinden 
zich, evenals de meeste der in de EpUt, afgedrukte brieven, in HS. in de collectie Papenbroeck op de Leidsche bibliotheek. 
Uit diezelfde collectie worden hier in de Bijlagen nog eenige onuitgegeven brieven van B. aan W. afgedrukt. 

*) Vgl. Epist,j blz. 440 en Poem., II, blz. 113. Beide zijn ook onder den titel Consolaiio opgenomen 'mCasparis 
Burlaei Orationum liber {ed, sec, 1652, blz. 375). 

8) additum Eederator um imperio^ artnis et Virtute III^^ Principis Frederici Henriciy ArausionensiMtn Princtpis, etc, 
Amsterdami, Apud Gvilielmvm Blaev, 1633. (Vgl. Boem,, I, blz. 284). 

*) Ghediiht op de veroveringh van Limivrgh^ Jh Latijn ghestelt door D. Caspar Barlaevs, en in Hollandts naer- 
gcvolght door D. Jacob vander Bvrgh. t' Amsterdam^ By Willem Blaev 1633. 

Ook opgenomen in Verscheyde Neder duytsche Gedichten, II, 1653, blz. 71. 

5) Canpari Barlaei Rheno-Berca cafta^ Federatorum Ordinum auspiciis, Duce belli Illust»* et Jnvicf^ Principe^ 
Frcderico Henrico Arausionensium Principe^ etc, Amsterdami Apud Gvilielmvm Blaevu) 1633 (Vgl. ook Poem.^ I, blz. 278). 

«) Vgl. Boot, t. a. p. 

') Vgl. Hoofts Brieven, IV, blz. 329. Wicquefort antwoordde ook met twee brieven (vgl. Vitofortii Epi^t.^ blz. 
5, ó.). — De brief van B. aan N.N. {Epist., blz. 446) is aan Wicquefort gericht. 

n) Zie dien brief in de Bijlagen. 

b) Vgl. Hoofts Brieven, II, blz. 337. 

10) Vgl. Epist., blz. 477, 478. 



102 GASPAR VAN BAERLE. 

VoRSTius te schertsen *), met JOHANNES Beverwijck, den geleerden Dortschen me- 
dicus, te correspondeeren over zijn ondernomen werk: de termino vüae fatAli^\ en om 
het huwelijk van Willem van Schagen en 'Anna van Mathenesse te bezingen '), 
omdat hij de ouders van het bruidspaar kende *). Ook zag een gedicht van langen adem 
op den dood yan GuSTAAF Adolf in dezen tijd het licht*); het werd met een begelei- 
denden brief ;door VAN Baerle aan Oxenstiern toegezonden*). En zoo kwam er niet 
veel van het werk over Sextus Empiricus, hoewel zijne Leidsche vrienden hem aan- 
spoorden dit te voltooien. Iedereen valt hem lastig om gelegenheidsverzen, en hij kan 
niet goed weigeren ; het is dus maar goed, dat hij geen meisje is '). Juist had een meisje 
hem een gedicht toegezonden, maar, roept hij uit, „zoudt gij wenschen, dat de goden u 
zulk eene geleerde, ernstige en gestrenge vrouw hadden geschonken?... De orakels van 
zulke Sibylles zijn beter dan hare kussen" ^\ Het was de 26jarige Anna Maria 
SciiuuRMANS, die aan Barlaeus een vers en aan Huygens haar portret vereerde. 
IIuygens maakte er drie Latijnsche en vijf Hollandsche verzen op*), en ook VAN Baerle 
bezong het kunststuk, waarop de geleerde vrouw zonder handen was afgebeeld '•). Maar 
bovendien plaagt hij HuvGENS, die zich in een brief zeer sceptisch schijnt te hebben 
uitgelaten "). Het was het begin van eene langdurige plagerij tusschen die twee. Want 
op het tweede gedicht van van Baerle antwoordt Huygens met een vers ") ; de pro- 
fessor schrijft den 7den Januari een brief over niets *'), waarin hij op vermakelijke wijze 
zijne gelukwenschen aanbiedt bij de geboorte van den vierden zoon van HUYGENS; 
de secretaris gaat den 20sten Januari verder met woordspelingen op niets "); VAN 
Baerle begint den 24sten met het thema iets "), en HuYGENS eindigt met een 



i) V^I. Kptst., t. a. p., en biz. 485. Deze brief is gedateerd van 24 Deo. 1633, maar die van CUNA.BUS, op 
7 November geschreven (CuN. Jipisf., blz. 377), iü er een antwoord op. 

2) Vgl. een brief van Beverwijck {Har/. J-pist. blz. 460) en een van Barlaeus (t. a. p., blz. 467). 

3) Ca.'iparh Ihtrlaei tkha^^a^ sirc (pithalamhtm^ //.- mptias Nataluwi €t gcneris Uhtsiri spUndore nabilissimi clarissi» 
miqitc Domini^ D. (h'ilic/un van Schaden, Dotnini Burchornlac^ tic. et A'obilisshnae Virflitiis^ ac Dcminae Aftnae van 
Mathïtics. Amstirdtimi Apvd Gnilithnvm Blan-w. 1633. (Vgl. roem., I, blz. 504). 

*) Vgl. Epist.y blz. 476. 

5) Tttmidui CustiWi Ado/phi, Jhi gratia Suacrum^ Cothoruni^ ravdnhrnvigve J\\ffis, Magvi Principis FtK' 

noniac etc, etc. Amst. apud Thevd. Danielis. 1633. (Vgl. hom^ t. a. p., blz. 15). Zie ook Pcem.f I, blz. 45 — 75. 
•) Vgl. /ipist., blz. 478. 
7) T. a. p.„ blz. 477, 

«) Zie den brief aan den hoogleeraar AuoLrnus A'okstiis te Leiden (t. a. p., blz. 478). Deze had kort 
geleden, den lodcn September, een brief van haar ontvangen (Vgl. NoHIiss. virginis Annae Mariaeh tkhurman Opuscultn 
HebKiieat Graeca, Lathia, Gallica: Pros,uca et Afetrica, liditio tertia^ aueiior et einendatior, Trajeeii ad Rhenwn, Ex 
Ofjicina Joh<innis h Wacsbcrge, 1652, blz. 167). 

!») Vgl. Mom. Desult., blz. 94, en Km-cn'blocmen (1672), II, blz. 150, 151. 

*0) /// virginem L'Itrajciiitmw^ sine tmnibus pictavi, ad Comtanthii>m Hitgetiium. Het onuitgegeven gedicht, geda» 
tcerd 25 December, is in de Hijlagcn afgedrukt. 

") Constanino lin^euio scctac Fyrrhoniorum noio Cundidaio^ inceriiori quatn dvdtnn^ C. Barlaeus eer Hor qnamvnquam^ 
S. P. D. Het vers is van denzelfdcn datum; zie de Bijlage. 

'*; Ad Barlaei /ipis/olam eïe^fauthsimam antbiqidUitis {Mom, desult, ^ blz. 96). 
") Vgl. lipist., blz. 486. De brief is volgens het HS. van 7 ïdus Jan. 1634. 
") Vgl. HoOFTS Brieven, IV, blz. 389. 
ï'') Vgl. Epiit,^ blz. 488, en IlüOFTS Brieven, t. a. p., blz. 290. 



GASPAR VAN BAERLE. 103 

gedicht '). En één der Nederlandsche gedichtjes van HüYGENS op het portret der geleerde 
vrouw bracht Barlaeus er toe, om eens weer de Nederlandsche lier te tokkelen '). Zij, 
die tot deze correspondentie aanleiding had gegeven, werd er voor een deel althans mede 
in kennis gesteld *). 

Maar de beide heeren gingen nog een heelen tijd door. Van Baerle hield den 
27sten Februari ter opening van zijn college over de Metaphysua van Aristoteles eene 
rede over het zijn, die hij aan HUYGENS toezond *). Daarop volgde den /den Mei een 
brief over geen van beide ') en later een over allebeide *), terwijl ook niets nog eens werd 
behandeld \ Dan was er nog eene andere quaestie. HUYGENS had eenige puntdichten 
geschreven op eene verzameling van oude munten, die door ROCHUS VAN DEN HONAERT 
in Latijnsche versjes waren beschreven, en op twee Latijnsche treurspelen van dien 
rechtsgeleerde ); hij had ze natuurlijk aan Barlaeus laten lezen, die er bij had geschre- 
ven: goed, beter, best Over dezen trap van vergelijking richtte VAN DEN HONAERT 
twee versjes aan Hüygens; van Baerle werd er in gemoeid en dichtte twee verzen 
aan Huygens, twee aan van den Honaert en één aan beiden te zamen '), terwijl hij 
ook aan beiden een brief richtte "). Het bracht de beide mannen nader tot elkander, 
want van den Honaert had zoeveel genoegen in de vermakelijke brieven van Barlaeus, 



i) Barlaeo, ad ipsius epistolam de Aliquid^ missis aUquot Epigrammatis {Mom. desu f t.^" bh. 91). 
'-) Het versje van Huygens luidt (vgl. Karen-bloemen, 1672, blz. 151): 

„Is het aengesicht vol kerven, 
Die en kost de kunst niet derven: 
Leser, siet my door de borst, 
Des' en is maer koele korst. 
Magh's haer uyterst niet bederven 
Die ten uyterst Maeghd wil sterven?" 
En Barlaeus dicht den 24sten Januari 1634 (vgl. Hoofts Brieven, iV, blz. 291 ): Constant int Hugenii 
torepov Casparis Barlaei rtpóncoj, ofte op een joffroUy die ten uyterst maeghd wil sterven . 

„Die ten uyterst maeghd wil sterven, 
Mocht de macghdom liever derven; 
Want waer toe dat poppegoet. 
Als het niemant deucht en doet?'' enz. 
3i Zij schreef er het volgende versje op (Vgl. Opuscu/a, blz. 296): 

Ad D, Sarïaeum. 
QUvis ego pro tanto persolvam Munere grates? 
Anne tuis referam carmina carminibus? 
Ast mea fama jubet, falsae si parccre fas est, 
Scribere Barlaeo nil, nisi scribo nihil, 

Neque silens neque respondens 
A. M. S. 
*) Vgl. Hoofts Brieven, t. a. p., blz. 292. 
6) Vgl, Episi., blz. 515. De brief is niet van 6 Juni, maar van 7 Mei (Vgl, Hoofts Brici'tn, IV, blz, 293). 

6) Vgl. Epist., blz. 516. 

7) T. a. p., blz. 554. 

s) Vgl. Mom, dauli; blz.. 89, vlgg. 

9) Vgl. de Lis de gradibus comparationis, in ter Ampl. R. Honerdum et C. Barlaeum fPoem.^ II, blz, 449), waar 
ook de versjes van van den Honaert zijn opgenomen. Volgens het MS. is één der gedichten van Barlaeus den 
i5den Maart, een ander den ló^*** peschreven. 

*o) Vgl. Epist,, blz, 502, 508, en HoOFTS Brieven, IV, blz» 292. 



104 GASPAR VAN BAERLE. 

dat hij verzocht om, als de professor weer iets aardigs aan HUYGENS had te zeggen, er 
ook van op de hoogte te worden gesteld '). Van Baerle antwoordt dadelijk met een 
geestigen brief en met een paar versjes op het muntkabinet van den raadsheer'). 

Wij zijn intusschen iets vooruitgeloopen. In het laatst van 1633 trouwde de 
broeder van Barlaeus, Lambertus, die conrector was aan eene der Latijnsche scholen 
te Amsterdam'). Met dezen broer schijnt de professor niet veel omg^ang te hebben 
gehad, en hij heeft zijn huwelijk ook niet bezongen. Den 24sten Februari 1634 werd 
aan van Baerle weder een zoon geboren, die, evenals het onlangs overledene kind, jACOfiUS 
werd genoemd*) en den uden Maart in de Remonstrantsche Kerk ten doop werd gehou- 
den*). Den 27sten Februari hield BARLAEUS zijne redevoering de re sive ente reali^); 
dienzelfden avond gaf Reael een feest, waaraan o. a. ook HoOFT deelnam, en waarvan de 
redenaar laat en opgewonden te huis kwam"). De professor verkneukelde zich in dezen 
tijd in de dwaasheid van zijn ouden vijand, den schout van Leiden, BONT, die zijn 
hond plechtig had doen begraven en daarvoor door VoNDEL in zijn bekend hekeldicht 
werd afgestraft; met welbehagen vertelt VAN BAERLE allerlei aardigheden, die over het 
geval werden gedebiteerd, en die hij zeker voor een deel zelf verzonnen had*). In het 
midden van Maart vertoefde hij drie dagen in den Haag*), waar hij ontboden was door 
den Zweedschen gezant, JOHANNES OxENvSTlERN, die, zooals hij zegt**), „de tranen, die 
ik het vorige jaar vergoten heb om den dood van koning GUSTAAF, met een gouden 
doek heeft afgedroogd. Die storm uit het Noorden was voor mij volstrekt niet bar. Het 
zou bepaald voordeelig zijn, als koningen dikwijls zoo voor mij stierven". Van Baerle 
was er de man niet naar, om de kennismaking met zulk een gewichtig man als OXENSTDERN 
niet voort te zetten; hij schrijft hem brieven"), stuurt hem verzen'") en bezingt hem"). 
In April kreeg hij bezoek van een minder voornaam, maar beroemder man, den grijzen 
Wtenuogaert, die, ter gelegenheid van het huwelijk van Dr. DANIEL Arminius, van 



*) ^'fil« J'pist,, biz. 519. 
-) Vgl, Poem.^ II, blz. 456. 

3) Hij werd 20 Octobcr in huwelijk ingeteekcnd met Bakbara Jelis van Amsterdam, oud 22 jaar. Grenealogie van 
DL Vkies. Vgl. ook Fpt'si.j biz. 491. 

*) Volgens de zoo even genoemde genealogie. 

5) Mcdcdeeling van Mr. N. de Roever. 

6) Casparis Bar Lui oratio festiza de re sive ente rcali, habita in lUmtri Amstelodamensium Oymnasio^ cum LU ros 
Metaphysicorum Aristotelis auspicaretur^ 27 Feb, 1634. Amsteicdami. Apud Gvilielmrm Bïaev. 1634. (Vgl. ook Orat, /»^. , blz. 73 . ) 

7) Vgl. HüOFTS Brirjen^ IV, blz. 331. 
«) Vgl. Epist.^ blz. 500, 501. . 

*) Het vers Ad Clarissimvvi Honerdxvi et Hvi^enium '/.vlechemi Dcmitinm fPonn.^ II, Mz. 451) is, volgens hetHS., 
den iS^»"* Maart in den Flaag geschreven. 

1^) Vgl. een brief aan Petitius in de Epiêt. celcberrimorvm viroruni, blz. 127, 128. In de Jipist, (bli. 504) komt 
een gedeelte van dien brief voor; Brandt heeft er een en ander uit weggelaten. De brief i tin de eerstgenoemde veizumeling 
gcdjt'.crd: 22, 1634; de maand is uitge> allen; het moet Maart zijn. 

") Vgl. F.pist.. blz. 512, 531. 

1') 'V . a. p., l)lz. 531. 

»3) Vgl. ƒ'...■•//.•., n, bi/,. 159. 



GASPAR VAN BAERLE. 108 

den Haag naar Amsterdam reisde en daar zijne oude vrienden en o. a. ook Barlaeus 
opzocht *). 

De Pinkstervacantie bracht Barlaeus te Dordrecht door, waar hij de gast was 
van Cats. Deze had hem in het laatst van het vorige jaar verzocht, om den Trouringh 
in Latijnsche verzen te vertalen, doch hij zag er tegen op, wegens de uitgebreidheid van 
het werk*). Maar Cats zendt hem een paar stukken, en Barlaeus belooft er in de 
Kerstvacantie mee te zullen beginnen*), omdat hij, evenals zijne vrouw, een groot be- 
wonderaar is van den Dortschen dichter. ,,Ik leef in eene stad", zegt hij % „die Neder- 
landsche dichters bezit, verheven en op cothurnen gaande, maar wier wijze van uitdrukking 
niet door ieder wordt gevat. Zij stappen over de wolken en verachten waterdrinkers." 
En spoedig gaat hij dan ook aan den arbeid ^). Maar, om nu eens de zaak nader te 
bespreken, zocht hij den Dortschen pensionaris op, en bemerkte tot zijn genoegen, dat 
men in die stad niet meer zoo op hem gebeten was als voor 15 jaren. Hij ontmoette er 
GOLIUS en den burgemeester Paets, en de Dortsche patriciërs „besproeiden (hem) met 
Rhijndauw" •). 

Den eersten Juli deed hij met Overbeke een tochtje naar het Horstermeer, waar 
diens vrouw op het buiten van Reael logeerde '). En den volgenden dag zond hij een 
bruiloftsdicht aan CORNELIS VAN DER Myle ■), wiens zoon Adriaan, zijn vroegere leerling 
en huisgenoot, in het huwelijk zou treden; het vers mocht eerst bij de bruiloft worden 
rondgedeeld '), en de bruidegom werd door zijn ouden leermeester in een plechtigen brief 
gefeliciteerd'). In het midden van Juli bracht BARLAEUS met VOSSIUS en MOSTAERT 
eenige dagen op het Muiderslot door; de advokaat Johannes Ingel zond een paar 
Latijnsche verzen, die door onzen professor werden beantwoord **). 

In dezen tijd kwam VAN Baerle in aanraking met DE Baugy, Fransch gekant 
in ons land, dien hij bij WiCQUEFORT ontmoette, met wien hij wandelde ") en aan wien 
hij brieven en een vers schreef"); met baron DE CharNASSÉE "), ook gezant van Frankrijk, 
die in 1637 bij het beleg van Breda is gesneuveld; met den gezant van Zweden, 
CamerariüS, dien hij op de bruiloft van ScHONCK had aangetroffen "). „Gij moet, nu 



*) Vgl. Dr. H.C. Rogge, Johannes Wtenbogaert en zijn tijd. Amsterdanty V. Rogge^ 1876, III, bU. 274. 

>l Vgl. Epist., bl7.. 493. 

') T. a. p., blz. 496. Deze beide brieven (no. 228 en 231) zijn verkeerd gedateerd, want zij zijn nog in 1633 
geschreven . De eerste is blijkbaar zijn eerste brief aan Cjlts, en in den tweeden spreekt hij van de aanstaande Kerstvacantie. 

*) T. a. p., blz. 491. 

*) T. a. p., blz. 497. 

«) Vgl. CuNAEi Epist., blz. 278. 

7) Vgl. HOOFTS Brieven^ IV, blz. 331. 

®) Vgl. den brief van 2 Juli in de Bijlage, en het vers P(V»».. II, blz. 135. 

•) Vgl. Epist,, blz. 521 = Oraiionum liber^ blz. 387. 

*•) Vgl. HoOFTS Brieven^ II, blz. 397, en het vers Poem,y II, blz. 573. 

ii) Vgl. Eput,, blz. 536. 

'^j T. a. p., blz. 548, 592, en Poetn,^ II, blz. 196. 

") Vgl. HooFTS Brieven, IV, blz. 331. 

• i«) T. a. p., blz. 330. 

14 



106 CASPAR VAN BAERLE. 

zooveel mannen met weidschen titel uw omgang zoeken, uw eenvoudigen ouden vriend 
niet gaan verachten", roept CuNAEUS hem toe^). De Leidsche professor zou zijn bloed- 
verwant spoedig een ernstiger verwijt maken. In het voorjaar had Barlaeus kennis 
gemaakt met Frederik Gunther, secretaris van den koning van Denemarken *), op wien 
hij een paar gedichten schreef). Deze had hem aangespoord om het huwelijk van 
Christiaan, kroonprins van Denemarken, dat in Augustus zou plaats hebben, te bezingen, 
en Barlaeus voldeed aan dat verzoek. In het midden van Augustus zag de Venus 
Cimbrüa*) het licht, die den dichter eene berisping van CuNAEUS op den hals haalde, 
waartegen hij zich aldus meende te moeten verdedigen'): „Gij schrijft op vriendelijken 
toon, dat alle menschen zullen denken, d<it ik van de poëzie eene kostwinning maak. 
Wat mij betreft, mogen zij het denken. Als ik het deed, zou ik niets ongewoons doen. 
De theologie, de medicijnen en alle mogelijke wetenschappen worden beoefend, om er wat 
mee te verdienen. Zelfs de vertaling der bijbelboeken, anders een heilig werk, is onlangs 
bij opbod verkocht. Zij, die verlangen, dat alleen de dichters voor niets zouden schrijven, 
en evenals EUMOLPUS bij Petronius in gescheurde kleederen gaan, doen een onrechtvaar- 
digen eisch. HORATIUS schaamde zich niet, om aan Maecenas te ischrijven: Nee si 
plura velinty tu dare perneges. En als hij niet telkens rijker van dien uitstekenden man 
van daan was gekomen, zou hij nooit de choriamben hebben geschreven: O et fraesu 
diiitn etc. Ik herinner mij van een geleerd man, die bekend was doordat hij hier en 
elders tal van boeken aan verschillende personen had opgedragen, gehoord te hebben: 
De Muzen zijn er om ons, niet wij om de Muzen. Hij zeide ronduit eene waarheid, die 
anderen, welke evenzeer op voordeel uit zijn, ontveinzen. Een fatsoenlijk dichter vraagt 
niet om eene belooning voor zijn werk, maar wijst haar ook niet uit de hoogte af, als 
zij met vorstelijke mildheid wordt aangeboden. Om u een helder inzicht te geven in 
mijne wijze van handelen, diene, dat ik dit gedicht niet uit eigen beweging heb geschreven, 
want wat heb ik met Denemarken te maken .^ maar op aansporing van menschen, aan 
wie ik zulk een dienst moeilijk zou kunnen weigeren." 

De verdediging is goed en in dit geval gepast, omdat VAN Baerle door GUNTHER 
aangespoord was, om zijn vers te schrijven. Zeker staat het den dichter vrij met zijne kunst 
geld te verdienen en eene belooning aan te nemen voor het werk van zijn geest. Maar, 
als hij steeds zoekt naar personen en gebeurtenissen, die hij kan bezingen, als hij den 
dood eener hertogin van Beieren of den lof van een Franschen minister tot onderwerp 



i) Vgl. CUNAEl Epist, blz. 379. 

5) Vgl. /:>«/., bk. 505, 534. 

s) Vgl. Pocm,, II, blz. 118, 460. 

4) Caêparis Barlaei Vetws Cimbrica^ sivt Xvptiae Ser^ Pruuipis Chrisiiaui Electi Dania€,tt Norvtgiae Regis Hoer . 

€t Srr^^ Principis MagdaUnat Siby/iae, Serenisi»^ Ditcis Saxoniae ei S. R. J. EUctoris Filiae, CeUbratae Hafniae Danormm 

ïó Sext* 1634. Amêterdamiy Apud Gvilielmvm Blaev* 1634. Vgl. ook Poem,^ I, blz. 75—91). 

*) Vgl. CUNAEI Epist., blz. 282. 



GASPAR VAN BAERLE. 107 

kiest, als hij iedereen in den arm neemt, om toch zijn werk onder de oogen te brengen 
van den grooten man, die bezongen is, en om hem aan eene vereering te helpen, dan 
verlaagft hij zijne kunst en heeft geen recht om eene verdediging, als die tegen Cünaeus, 
voor te dragen. 

„Wat voert gij toch uit, Barlaeus?" schrijft HuYGENS den i8den Augustus uit 
Nymegen *), en VAN Baerle antwoordt den 2Ssten met eene grappige beschrijving van 
zijne manier van leven en van de lectuur, waar hij zich mee bezig houdt *). Die bezigheden 
werden spoedig aangevuld, doordat hij zich tegen HuYGENS moest verweeren. Maastricht 
was door den vijand belegerd, doch Frederik Hendrik had door een aanval op Breda 
het beleg doen opbreken. Barlaeus had er een versje op geschreven *), waarin hij wijst 
op het vreemde geval, dat twee legerhoofden ongeveer gelijktijdig een einde aan een 
beleg maken; de dichter gebruikte hier het woord vluchten. Daar plaag^t HuYGENS hem 
mee in een brief en een puntdicht *), en VAN Baerle heeft zich te verantwoorden tegen 
HUYGENS en VAN DER Myle, aan wien hij zijn vers had toegezonden. Behalve in 
brieven, doet hij dat natuurlijk weer in een vers '), dat nog eens door HuYGENS wordt 
beantwoord'). Maar VAN Baerle wreekt zich spoedig. HuYGENS had in een versje 
Anna Maria Schuurman aangespoord, om zich niet zoo te verbergen '); zij antwoordde ^); 
Hlygens repliceerde'), en zond zijn vers met een dubbelzinnig epigram aan Barlaeus *•). 
Dit was een koltje naar de hand van den professor, die natuurlijk op denzelfden toon 
doorging ") en weer een antwoord njtlokte "). ' 

In het laatst van het jaar zag VAN Baerle zijn ouden vriend Episcopius te 
Amsterdam, waar hij aan het hoofd kwam te staan van de kweekschool der remonstranten, 
die den 28sten October 1634 werd geopend. Een jonger vriend, Hermannus CONRINGIUS, 
die sedert 1632 te Helmstedt hoogleeraar was, droeg aan Barlaeus een deeltje zijner 



») Vgl. HOOFTS Brieven^ IV, bit. 391. 

*) Vgl. Epist., blz. 537, en H0OFT8 Brieven, t. a, p., blz. 293. 

') In irritam obsidionem Traieett ad Mosam, tentatam aè Jlispano, et Braedae tentatam, ut videbatur^ ab Auriacc 
{Poem., II, blz. 460). 

*) Vgl. Insignium virorum epist., blz. 147, weer afgedrukt in HüOFTS Brieven, LV, blx. 392. Het vers heeft tot 
titel: In Barlaei lapsum^ de fuga Impp» ntriusque exercitus ad Mylium. In de Mom, desult,, blz. 96, is de titel veranderd 
en VAN Baerle's naam weggelaten. 

*) Ygl. Epist.y blz. 540, 541, 547 en 546. De brief aan van der Mtle is volgens het HS. van 25 October. 

6) Vgl. Mom, desult., blz. 97. 

7) T. a. p., blz. 92. 

8) Vgl. Opuscula, blz. 297 = Mom, desult., t. a. p. 

9) Vgl. Mom. desult,, blz. 93. 
10) T. a. p. 

n) T. a. p. 

ij) T. a. p., blz. 94. De strijd werd voortgezet met het onuitgegeven vers: Ad Comtantinum Hugenium /rustra Atmam 
Mariam è Schurman in lucem ac solem frotrahentem (zie de Bijlage), op hetzelfde papier geschrtven, als het op blz. 93 
der Mom. desult, afgedrukte vers van Barlaeus, van 11 Januari 1635 gedateerd; met het vers op hetzelfde onderwerp, af- 
gedrukt in de Poem,, II, blz. 485, in HS. van 17 Januari gedateerd, en meihet gedicht: Ad Constantinum Hugenium, Poetam 
Euchymum, et boni aucci, non caco-ckijmicum (vgl. de Bijlage), op hetzelfde stuk papier geschreven als het vorige. 

14* 



108 GASPAR VAN BAERLE. 

redevoeringen op i). Briefwisseliing met Heinsius*), Cats') en Beverwijck*) bracht 
afleiding van de dagelij ksche bezigheden^ evenals een tochtje naar Leiden, waar Barlaeus 
in het begin van December, in weerwil van het booze weder, heentoog *), om peet te staan 
over een kind van CuNAEUS'). Maar daar was heel wat bij in acht te nemen. Barlaeus 
had geene gemoedsbezwaren, om de godsdienstplechtigheid bij te wonen, maar hij vreesde 
sommige remonstranten te ergeren, en wilde zich niet aan het gesis der heftigste contra* 
remonstranten bloot stellen. Hij verzocht dus een ander in zijne plaats te mogen stellen, 
om in de kerk voor hem te antwoorden. 

Zoo werd door hem in opgeruimde stemming het jaar 1635 begonnen met scher- 
mutselen tegen Huygens. Behalve uit die verzen, is zijne stemming wel het best te zien 
uit een brief aan HoOFT, die hem patrijzen had gezonden '). „Het vorige jaar," schrijft 
hij, ,,zondt gij mij een haas, en thans stuurt gij patrijzen, om mij door dit dubbele geschenk, 
hemelsch en aardsch, aan u té verbinden. Maar, met de u aangeborene scherpzinnig- 
heid, zondt gij niet toen uit eene open reden een haas, en nu niet zoo maar patrijzen. 
Gij wilt mijne inborst aanduiden, die veel met een haas, maar ook veel met patrijzen 
gemeen heeft. De haas wordt gewoonlijk niet gerekend tot de wilde dieren, die geboren 
zijn tot den strijd. Ook ik laat mij niet opnemen onder de Atriden, de Peilden of de 
Lapithen. De natuur heeft mij eene zachte inborst geschonken, en, wat ik niet alleen 
met den haas, maar ook met den grooten Achilles gemeen heb, is dit, dat ik zeer snel- 
voetig ben, vooral als de punt van het staal met d^zaak gemoeid is. De vlugheid van 
den haas, die over de korenaren kan heenvliegen zonder sporen na te laten, is bewonde- 
renswaardig, maar ook mijn geest is al te overijld, hij kan niet met bedaarden tred gaan, 
maar holt als dronken, vooral als er een vers te maken is. En daarom breng ik vorm- 
looze jongen ter wereld, omdat ik mij den tijd niet gun om ze te likken. De schrijvers 
over natuurlijke historie verhalen, dat hazen met gesloten oogleden waken. Ik doe dikwijls 
hetzelfde, want ik heb de gewoonte des nachts met gesloten oogen over versregels na 
te denken, die ik dan, om ze niet weer te vergeten, in bed in een zakboekje opteeken. 
Daar hebt ge nu den hazigen Barlaeus", enz. 

In het laatst van Februari opende VAN Baerle zijn college over AristoTELES' 
de anima met eene redevoering, die tot titel had: Oratio^ de animae humanae admi^ 



*) Vgl. A//J/., blz. 564. 

1) Vgl. hpist. ceUberr, vir., blz. 133. 

«*) Vgl. Ifisigtiium viroruin ipist., blz. 161 die brief van Beverwijck is van 19 Ociober; Barijiel's beantwoordt 
hem \hpi6t.^ blz. 551) den isten Oclober! 

**) T. a. p., blz. 294. 

•*) Vgl. HOOITS Bricitti, IV, blz. 332. 

^') Vgl. CuNABi A//J/., blz. 298. De brief is gedateerd van 29 November 1635; het moet 1634 zijn, want er is 
spraJti, \an zijne vrouw, die in den zomer van 1635 stierf. Plaatsen wij den brief in 1634, dan komt alles uit (vgl. 
Hüons ///■/€ i'tv/, t. a. p., en Cu.naei /•>/*?/., blz. 285. 286J. 

M Vgl. KptHt., Mz. 578. 



CASPAR VAN BAERLE. 109 

randis ^\ Zij werd niet alleen in het Nedcrlandsch '), maar ook in het Fransch vertaald ; 
deze laatste vertaling werd bezorgd door DE MORY •). De brand, die den iQden Januari 
op het Binnenhof in den Haag was uitgebroken, gaf aanleiding tot eene reeks van ge- 
dichten door HUYGENS, Barlaeus en van den Honaert gewisseld *). Den 2den Maart 
stierf het jongste kind van VAN Baerle aan de stuipen ') ; de vader en HUYGENS schreven 
er een grafschriftje voor •). Dit verlies had echter geen invloed op de opgewektheid van 
den professor, want reeds spoedig bezingt hij het feit, dat aan het Fransche hof door den 
koning, de koningin en eenige anderen een dans was uitgevoerd^); HUYGENS schrijft 
drie gedichten en zinspeelt in één er van op de vergissing van Barlaeus in zijn vers 
over het opbreken der belegering van Maastricht en Breda*); BarlaeüS antwoordt^), en 
nu wordt bovendien VAN DEN HONAERT er bij ingehaald, wat weer aanleiding gaf tot 
nieuwe poëtische plagerij *°). Juist in dezen tijd ") kwam de bescherming zijner machtige 
vrienden BARLAEUS zeer te stade. Sedert lang hoopte hij op een jaargeld van dei\ prins 
voor zijn zoon, en telkens werd HUYGENS aangespoord, om hem dat te bezorgen "). 
Uit de opbrengst van goederen, in de buurt van Rhenen gelegen, werd nl. aan vier 
jongelieden jaarlijks eene som geld uitgekeerd. De Staten van Utrecht en de stadhouder 
hadden om beurten de beslissing hierover. BARLAEUS was door zijn vriend BUCHELIUS 
precies op de hoogte gebracht, wie de vier gelukkigen waren "). Den 243 ten Maart, 



ï) Hahita in Illustri AmsUlodamensium Gymnash, cum Libros AristoUlis de Anima interpretaretur. Amstf/odami ^ 
apud Gvilielmvm Blaev. 1635. (Vgl. ook Orationnm liè, blz. 96). Het exemplaar er van, dat op de Amsterdamsche bibliotheek 
is, werd door den schrijver aan Vossius aangeboden. 

') In 1660 zag de tweede uitgave er van het licht onder den titel; Oratie van V wezen en de wonderheden van des 
mtnschen ziele, op nieuw uit latijn vertaalt^ door N. Borremans, Den tweeden druk^ oversten en verbetert^ tot Rotterdam bij 
Johannes Naeranus. Anno 1660 (Vgl. BOM, t. a, p.) 

3) Vgl. Epist.y blz. 591, en CuN. Epist,, blz. 291. Op de eerstgenoemde plaats wordt de vertaler Demorius genoemd ; 
zijn naam blijkt duidelijker uit een onuitgegeven brief aan Hüygens van 6 Maart 1636. Ik heb het boekje niet k;unnen vinden. 

4) Vgl. Mom. desult,, blz. 30—34, Barlaei Foem., II, blz. 461—463, 464, 466 en 467. De drie verzen, die op de 
beide laatstgenoemde bladzijden zijn afgedrukt, zijn in het HS. allen van i Maart gedateerd. 

*) Vgl. CuN. Epiét,^ blz. 289. 

t) Vgl. Focm., II, blz. 465, en Mom. desult.^ blz. loi. 

7) Vgl. Foem.^ II, blz. 463, en Mom. desult.^ blz. 97. 

8) Vgl. Mom. desuit.y blz. 98. Van Baesle had vroeger de woorden gebruikt: »fugit horret uterque'*, en HuygkKs 
dicht in zijn Nodus in scirpo. ad Barlaeum, in suptrius Epigramma den regel: 

^jMylius hoc fugit, Hugenius fugit, horret uterque." 

f) Met het vers; Constantino Hugenio. Scirpus enodis^ in de Bijlage afgedrukt. 
, . 1°) Vgl. Mom, desult., blz. 98 en 99, en het vers van 24 Maart in de Bijlage. 

u) Ik teeken hier aan, dat vele brieven van Barlaeus, in dezen tijd geschreven, verkeerd door Buandt zijn geda- 
teerd. De brief aan Huygens (Epist., blz. 582) is van 21 Febr., een latere (t. a. p., blz. 586) van i Maart, een derde 
(t. a. p., blz. 588) van 11 Maart, een vierde (t. a. p., blz. 561) van 2 Dec. (vgL Hoofts Briroen^ IV, blz. 296.) De brief 
aan Wicqefort [Epist., blz. 585) is van 6 Dec. 1634, een tweede (t. a. p., blz. 598) van 28 April 1635, een derde (t. a. 
p., blz. 601) van 5 Mei (vgl. Hoofts Brieven, IV, blz. 332, 333). 

ïs) Reeds in 1629 is er sprake van (vgl. Epist., blz. 306). Zie ook Hoofts Brieven, IV, blz. 287 en 390. 

•3) Uit een onuitgegeven brief van Buchelius aan Barlaeus van Mei 1631, blijkt, dat hij, op verzoek van den 
professor, nasporingen in het werk had gesteld. In een anderen brief van 12 Mei 1634 schrijft de Utrechtsche geleerde nog 
eens over dezelfde zaak in deze bewoordingen: 

„Bona collegij Hortensia, cuius collatio ad Principem spectat, in agro Rhenensi sita, non ita pridem Ordd. nostrorum 
Decreto venierunt, ex quorum pretio duplo maiores reditus vt vocant percepturi sunt qui Ijs Beneficijs fniantur. Hi sunt 
quattnor, nempe Sprenckhusius Leydae; Fil. Senatoris de (?) Deelen, Hagae; Pil. Dom. de Amerongen, et F. Dom. de la 



110 GASPAR VAN BAERLE. 

• toen VAN Baerle juist aan HUYGENS had geschreven i), kreeg hij van VAN DER MVLE 
bericht, dat er ecne open plaats was, en nu wordt de secretaris van den prins aangespoord 
om hem te helpen '). Een paar dagen later kreeg hij bericht^ dat hem de helft van dat 
jaargeld was toegestaan, en hij schrijft terstond een grappig vers aan HüYGEKS ea VAN 
DER Mvle'). Barlaeus ont\'ing nu jaarlijks 2O0 gulden van den prins*), en hij is er 
wel een beetje trotsch op, dat de lezing van de Fransche vertaling zijner laatste rede- 
voering Frederik Hendrik in zijn voordeel heeft doen beslissen'). 

Van 29 Maart tot 6 April was HuvGENS te Amsterdam*), waar hij natuurlijk 
zijn vriend opzocht ^), die echter tot zijn spijt juist toen een paar dagen naar Utrecht 
moest, om er eenc bruiloft te helpen vieren. Den 27sten April nam onze professor deel 
aan een maaltijd, aangeboden aan VAN DEN HONAERT, Andries Bicker en JOACHIM 
Andrèe, die tot buitengewone gezanten naar Zweden en Polen waren benoemd"). Den 
31 sten Mei noodigdc Hüoi'T hem te Muiden*), maar waarschijnlijk is hij daar toen niet 
geweest.. Want den Sdcn Mei was zijne vrouw ziek geworden; toen zij voor de huisdeur 
een luchtje zat te scheppen, zakte zij in het voorhuis plotseling ineen. Gedurende de 
eerste dagen bestond er levensgevaar, maar langzamerhand werd het iets beter, hoewel 
er cenc gedeeltelijke verlamming overbleef, en de patiënt zoo zwak was, dat zij nauwelijks 
kon spreken "). Barlaeus houdt zijne vrienden VAN DER Myle, Cunaeus en WiCQUEFORT, 
die het gcheelc voorjaar te Hamburg vertoefde, getrouw op de hoogte. In het begin 
van Juni was de zieke genoeg hersteld "), dat VAN Baerle met zijn ambtgenoot VOSSIUS 
gehoor kon geven aan de uitnoodiging van de Amsterdamsche regeering, die de Zweedsche 
gezanten OXENSTIERN en Camerarius plechtig ontving, om met deze heeren aan een 
officicclen maaltijd deel te nemen. BARLAEUS sprak OxENSTlERN toe en overhandigde 



Vacaric. Si quis horuin dccedere contingct, vigilabo, vt cius in tempore certior fias: nee spero ei rei defuturum adfinem 
nostrum D. Martiniuin, (jui iain qucsturam Bonoruin Hcncficiatoruni, vt indigitant, agri Traiectensis adeptus est. Sed hoc 
inipcdcnienti vcreor. quod liltcrnatim hacc coliatio veniat <id FVincipem et Ordd. Et plerique nostri adeo ad rem attenti 
suntf vt non sufliciant ipsis maiora illa Beneficia, verum et minima quaeque deglutiont/' etc. 

iicide brieven bevinden zich met 9 anderen, door Buchelius aan Barlaeus gericht, in de collectie Papevbroeck. 
Van de vicaric van het Capittcl Teu Hosst wordt met een enkel woord melding gemaakt door Mr. H. Vbrloxbn van 
Thema AT, Geschiedenis der vicarien in de Pnn'incie Utrecht en der geestelijke of gebeneficiceer de goederen in het algemeen na 
de reformatie (in Itijdragcn en mcdedeclingen van het Historisch Genootschap, gei'Cstigd te Utrecht, IV, i88z, bic. 98 — 665; 
vgl. bh. 316). 

1) Zie den brief in de Bijlage. 

'i) Vgl. den tweeden brief van 24 Maart in de Bijlage. 

'*) Zie het vers van 37 Maart in de Bijlage.', 

4) Vgl. Epist,, blz. 603. 

*) Vgl. Clnaei Epist. ^ blz. 291. 
«j Vgl. Dagboek^ blz. 36, 

') Vgl. Fpist,y blz. 596. Misschien was het bij deze gelegenheid, dat Barlaeus het vers schreef: Ad Constant, 

Hugenivm^ cum Amstelodamum venisset {Poem.^ II, blz. 465). 

«) Vgl. Epist, ^ blz. 598. Van Baerle schreef vijf verzen op de gezanten {Poem.y II, blz. 168—172). 

9) Vgl. lIooFTS Brieven^ III, blz, 42. 

10) T. a. p., IV, blz. 333, 334. 
W) Vgl. Clnaei A^/j/., blz. 393. 



CASPAR VAN BAERLE. 111 

hem een exemplaar zijner laatst gehouden redevoering en een vers ^). Zijne vrouw kon 
weer, als zij op een stok leunde, door huis loopen, toen zij plotseling den igden Juni 
door eene beroerte werd getroffen, waarin zij bleef*). Zij werd den 22sten Juni ter ruste 
gelegd ^) in de Oude Kerk, in het graf, waarin ook hare beide jongste zoontjes waren 
begraven; dit was haar verlangen geweest^). 

Over eenige maanden zou VAN Baerle vijfentwintig jaren gehuwd zijn geweest'), 
toen zijn vrouw hem ontviel. Hij bleef nu met zevtn kinderen achter, van welke de 
oudste, ADRIANA, 22 jaren telde, en de jongste, Antony, 7. De meisjes — er waren 
er ook nog van 19 en 18 jaar — waren oud genoeg, om het huishouden te besturen. 
De weduwnaar zocht troost in zijne godsdienstige wereldbeschouwing en in het mede- 
gevoel zijner vrienden *). Niet alleen landgenooten spraken hem een woord van troost 
toe, maar ook vreemdelingen; MOLINO schrijft over zijn verlies aan VAN DER MvLE, en 
BONIFACIUS zendt aan van Baerle een gedicht^). Zeer spoedig voert BarlaeüS weder 
zijne gewone geleerde correspondentie met allerlei menschen; aan Huygens schreef hij 
later den volgenden brief): 

„Een huiselijk onheil heeft mij getroffen, voortreffelijke HuYGENS! Ik ben een 
tortelduif zonder ga, een olm zonder wijnrank, een wandelaar zonder gezellin. Wanneer 
ik Aurora aanschouw, dan jammer ik, arme Tithonus, dat mijne Thaumantia niet opstaat. 
Wanneer ik den dag met mijne oogen aanschouw, dan klaag ik met Apollo, dat mijne 
Leucothea niet meer leeft. Ik, Adonis, zoek vergeefs naar mijne Venus; maar wanneer 
de nacht zich over het aardrijk spreidt, dan ben ik Morpheus, en ik zoek de* schaduw 
mijner Psyche met eene ledige omhelzing. Zoo gaat de tijd mij voorbij, onder zuchten, 
gesnik en droevige gedachten. Mijne boeken zijn getuigen van mijne klachten, mijn 
middag- en avondmaal van mijne tranen, mijn dorpel, mijne slaapkamer, mijne sponde 
van mijn geween. De pen, waarmede ik u en zoo vele vrienden bezongen heb, is droog 
en slorpt geen inkt. Ik klaag (om met Persius tè spreken) dat het vocht verdikt in 
mijn veder blijft hangen. Mijn papier trekt zich in vouwen en rimpels samen, omdat 
het geene dichtregelen wil ontvangen. De kracht van mijnen geest is verslapt. Mijne 
verzen stroomen daarheen, zonder wet en maat, omdat mijne Terpsichore mij ontrukt is. 



*) Vgl. HOOFTS BrievfM, IV. bk. 338. 

2) Vgl. CuNAEi Epist,, bk. 295, en Epi»t., blz. 608. 

') Vgl. CuNAEi Episi,, t. a. p. 

<) Volgens de genealogie van Mr. A. D. de Vries Az. 

t) Hij was in 't najaar van 1610 getrouwd. In Hoofdstuk I is bet jaartal bij toeval uitgelaten. 

*) Een brief van Buchelius is opgenomen in de Insigmmm virorttm epist^ blz. 169. 

7) Vgl. Epistt blz. 625. Het vers, dat zich in HS. in de collectie HuYGBXS bevindt» werd door Barlaeus beant- 
woord (Vgl. Poem,y II, blz. 468). 

*) ^S^i ^^ • 6 '4* I^c ^n^f is voorVen deel door GSRL vertaald (vgl. Onderzoek en phantasie. Gesprek op den Dracken/eh • 
Hei Prota, Mei eene voorrede van W, P. Woliers. Leiden^ Gebroeders van der Hoek, 1871, blz. 260), en eveneens door 
VAH Vloten (vgl. Taseiêckade Roemers en kare vrienden in 1632—1649. Leiden E. 7. Brill, 1852, blz. 16). Ik zal hier 
geen derde vertaling aan toevoegen» maar die van Gbkl aanhalen. 



112 CASPAR VAN BAERLE. 

Het verschil van accenten is verloren; zij zijn alle zwaar {fixpurovot) voor mij. Geen voet 
staat overeind, omdat de mijne wankelt. Mijne syllaben zijn stijf, omdat zij gevoel hebben 
van mijnen rouw en liever stom zouden willen zijn. In het heldendicht ontbreekt imj 
die vroolijke sprong der dactyli. In mijne jamben is nog meer mankheid dan in de 
laatste lettergreep. In de elegie ben ik nog treuriger dan de elegie zelve. In het lier- 
dicht ben ik al te ongebonden. In den dithyrambus sta ik, als door den donder getroften, 
op ééne plaats, en ik onderscheid geen cpanodos^ geen strophe en geen antistrophe meer. 
Welke Apollo zal mij de vorige kracht hergeven? Welke Thalia zal in staat zijn den 
lof mijner echtgenoot te verkondigen, die vroom was zonder geveinsdheid, zedig zonder 
gemaaktheid, eerbaarder dan hare eeuw, spraakzaam zonder praatzucht, geestig waar het 
pas gaf, verstandig tot benijding van haar geslacht, eene voorbeeldige bestuurster van 
haar huishouden^ haren man beminnende zonder dartelheid, hare kinderen zonder zwakheid. 
Zoo ik Orphcus was, zou ik deze Eurydice terughalen, al blafte Cerberus mij nog zoo 
aan. Indien ik Admetus was, zou ik doen, wat Alcestis gedaan heeft. Indien ik 
Antoninus was, ik zou mijne Barbara, niet minder dan hij zijne Faustina, als eene 
godin vereeren." 

En zoo gaat het nog een paar bladzijden door. Geel legt dezen brief*) naast 
dien van CiCERO, waarin hij over den dood zijner dochter treurt, en trekt met recht de 
slotsom, dat die van den Romein heel wat natuurlijker is, dan de opgesmukte en geleerde brief 
van den professor. Barlaeus is trotsch op de geleerdheid, die hij ten toon heeft gespreid; 
hij zendt een afschrift van zijn brief aan HoOFT -), en wil gaarne, dat ook VAN DER 
MVLE hem lezen zal ^). Toch geeft deze brief niet het recht om VAN Baerle van gebrek 
aan hart te beschuldigen. Hij werd anderhalve maand na den dood zijner vrouw geschre- 
ven. Dat Barlaeus ook heel eenvoudig en natuurlijk over zijn verlies kon spreken, blijkt 
uit zijne brieven aan VAN DER Myle, aan Ploos, SCHREVELIUS en CUNAEUS *). BARLAEUS 
was zenuwachtig, opgewonden en vatbaar voor indrukken. Als dichter en redenaar 
betrachtte hij niet den grootsten eenvoud, en het laat zich begrijpen, dat hij zijne smart 
een enkelen keer uitte in woorden en beelden, die niet in een brief aan een vriend, maar 
op de tribune te huis behooren. 

Groningen f Fcbr. 1886. 



O Geel noemt hem onuitgegeven, en geraakte in strijd met Simons, die het uitgeven van zulk een brief afkeurde 
(vgl. Geeli t. a. p,, blz. 270). Maar de brief werd reeds door Brandt opgenomen in de Epist. 

«) Vgl. F.pist,, blz. 628. 

3) Een onuitgegeven postscriptum van een brief aan van der Myle (E/^isi.j blz. 625) luidt: „Scripsi epistolam ad 
Dominum Zulechemi, super obitu uxoris meae. Nescio an vidcris. non aegre feram si lectionem eius N. T. induUeriL" 

*) Vgl. F.pist,, blz. 608, 611, 613, en Cunaki F.pist.^ blz. 295. 




BIJLAGE L 

ONUITGEGEVEN BRIEVEN EN VERZEN VAN BARLAEUS '). 



I. 

CONSTANTINO HUGENIO. 

Nobilissime ac doclissime Hugeni, 
mitto A T. exemplaria aliquot Trophaej mei Arausionensis, sive Poematij istius, quod 
in victam egregio successu Hispanorum classem deproperavi. Ita enim semel apud me 
statui, nee Patriae meae, nee 111. Principis Auriaci laudibus deesse. -Et quanquam parum 
tantis heroibus sit h. vatibus laudarj, interest tamen posteritatis nosse, nee animum Bel- 
garum populo defuisse res magnas gerendi, nee studium easdem litteris consignandi. Tu 
qua solesy vir summe, humanitate ac aequitate haec nostra lege, et autorem patriae suae 
studiosissimum amplecti perge. Vtinam his meis grandiloqua tua Musa initaretur, nee 
ferres me solum in hac orchestra loqui. Curassem exemplaria nitidiore veste involvi, 
sed cum adhuc a proelo maderent chartae, et ne gratia novitatis decederet, misi ocyus, 
nee moram tuli. lUa ijs distribue, quibus voles, et inter ceteros exemplar rogo tradas 
Nobiliss"** D. Witz. Vale vir clarissime et doctissime. Si praedam, si captivos, si proelii 
navalis faciem coram, uti vos, vidissem acrjor forte in carmen insurrexissem. Raptim. 
Amstel. 20 Sept. 1631. 



1) Deze stukken bevinden zich in de collectie Hugeniana op de I^idsche bibliotheek, behalve de beide brieven 
aan Wicqüefort (collectie Papenbroeck) en de brief aan van der Myle van 2 Juli 1634. Dexe is in het besit 
van den heer Ungek. 



15 



114 BIJLAGE. 

II. 

CONSTANTINO HUGENIO. 

Nobilïssime, doctissimeque Hugeni, 
intersum hic Nuptijs cognati tui D. Schonckij, in quibus optaveram vultu tuo et suavis- 
simo frui alloquio. Sed invidit nobis felicitatem istam febriculay quae te afflixit et una 
per (TUfi'jcaL^ztaLv nos. Non debebas morj, vir summe, quj amicis magis tuis vivis, quam 
tibi. Et tarnen debebas aliquando morj, ne semper hic nobiscum miser sis. Verum 
haec 3-ecD h yoCvcKfn, k quo ardentibus precibus petam, uti valetudinem pristinam tibi, te 
vero patriae, Principi nobisque integnim vegetumque restituat. Mitto per amjcos exemplar 
unum atque alterum poematis, quod scripsi in Ducatum Liniburgicum. Berkam captam 

submittam. Persto in proposito. Victorjas lUustrissimi Principis jwcra «-cïflt. Nuptiae 

hic ex voto successere. lUae si fercula spectes opiparae fuerunt, si convivas epicoenj 
generis, si citharoedos plane coelestes, si spumantes pateras uberrimae, si sponsum lae- 
tissimae, si sponsam minime tristes, si me, non sine epigrammate, quod vides. Utinaxn 
cantu meo febriculam afflicto de corpore deducere possem, uti ille ab inferis Eurydicen 
reduxit. Vale vir summe et seculi nostri decus. Haec raptim festinantibus Hagam amicis 
tuis. Salveat a me uxor. Si iudicium istud meum de statera Pacis et belli vidisti, scito 
istud me inscio excusum esse. Non debebant privatae amicorum literae inconsultis auto- 
ribus in lucem edi. Valde me haec res offendit. E^o D. Puteano amicissimus sum, 

nee cupiam illum meo ludicio gravarj. Lugd. Bat. 23 Jul. 1633. 

» 

Veh'm per famulum exemplar mitti D. Mylio, quod ex inscriptione cognosces. 



III. 
CORNELIO VAN DER MYLE. 

Nobilissime Myli, 
significavj ea, quae iusseras, Consulj Bickaero. In causa Manassis nihil adhuc actum. 
Verum illud retulit mihi Amplissimus Bickerus, scriptas esse literas ad Magistratum 
Amstelodamensem a Deputatis DD. Ordd. uti Manassi imperarent Dedicationis mutatio- 
nem. Haec sunt mali ominis. Reges Atheniensium iam iam prodibunt. Dabo operam 
ut exemplaria ista habeas. Mitto exemplaria duo carminis in Gallum. Etiam quaedam 
exemplaria Epithalamij, quod Filio Consulis Gravij scripsi. Inscripsi aliquot (?) Molino, 
Bonifacio, Ploosio, Hugenio, Filio tuo. Rogo famuli tui operam mihi commodes, in 
deferendis exemplaribus. Reliqua impartire, quibus voles. Ubl Illustrissimus Princeps 
domum reversus fuerit, capta mollia fandi tempora, ut literas illas ad secretarium van 



BIJLAGE. 115 

Hilten impetrare possim. Puto enjm ca quae vicariatus istos concernunt, ac fatales illos 
casus, qui ab inhiantibus avide arripi solent, citius et propius ipsi innotescere. Vale 
vir summe ac praestantissime. 4 Nov. 1633. 



IV. 

IN VIRGINEM ULTRAJECTINAM, SINE MANIBUS PICT AM, AD 

CONSTANTINUM HUGENIUM. 

Cursc privatam manibus depinxerit ANNA, 

Scire cup is? causas vatis et omen habe. 
Quae vetitos pulchra decerpsit ab arbore fructus, 

Facta rca est magni criminis Eva manu. 
Quae petulans sterili quondam convitia Sarae 

Dixit Agar, foribus vindice pulsa manu est. 
Fallere cum patrem voluit, suadente Rebecca, 

Jacobum hirsutas scis habuisse manus. 
Cum patriam Rachel patriasque relinqueret aedes, 

Supposuit vesti numina rapta manu. 
lila ferox, grandisque animi, nee segnis loël 

Martia diffregit tempora, quassa manu. 
Ipsa suo incumbens ferro Lucretia fecit 

Quod thalami crimen non erat, esse manus. 
Peccat saepe manus raptu, certamine, peccat 

Cum turpes format mobilis auriculas. 
Peccat, cum stolidos aversa ciconia pinsit, 

Peccat saepe sua Laodamia manu. 
At tua mitis et k tantis alienior ausis 

ANNVLA peccantes odit habere manus. 
Forsan et illustris Senecae virguncula vultus 

Vidit, et hic nuUas marmoris esse manus. 
Forsitan, Auriaci media dum parte notantur, 

Auriacos nullas vidit habere manus. 
Non opus in tabula manibus, cum prostat imago. 

Signa bonae mentis frons dabit, anne manus? 
Forsan et hoc voluit: se non textricis Arachnes 

Tela sequi, atque ideo non opus esse manu. 
Forsan in ingenio manus est, in vertice dextra. 

Et digitos illic mens habet ista suos. 
Nugamur. manibus, manibus cupit Anna care re, 

Et causa est: non vult tangere virgo virum. 

Amstel. VIIl Cal. Jan. 1634. 



15^ 



116 BIJLAGE. 

V. 

CONSTANTINO HUGENIO SECTAE PYRRHONIORUM NOVO CANDIDATO, 
INCERTIORI QUAM DUDUM, C. BARLAEUSCERTIORQUAMUNQUAM,S. P. D. 

Amphitruo vis esse? miser fallere. vel esse 

Jupiter? Alcmenae gratior hospes eris. 
An mavis dici surrepto fratre Menaechmus? • 

Vah, foret haec titulis sors aliena tuis. 
Non sinat hoc Zulechcm, Vahali vicina, nee ista 

Te credat Dominum conditione suum. 
Quin potius üas dubiac pars magna palaestrae, 

Aut saltem simula, Te dubitare mihi. 
£t dubita, an dubites. dubita num talia dicas. 

Postremum hoc etiam dicere te, dubita. 
Et dabita, an possit domus acdificarier uUa, 

Aut hanc quo possis aediücare modo, 
Ut spatijs possint poni quadrata rotundis, 

Et vanus nullis angulus esse locis. 
Quin dubita, an mea sint, quac nuper ludicra scripsi, 

An Pyrrho, an Sextus scripserit illa prius. 
Et dubita, an sapiant, an sint de gcntc Menenj, 

Oui tanta impugnant sedulitate domos. 
Hinc dubita, an scribas, an scripseris, an nova scribes, 

An stes, an sedcas, an potius iaceas. 
Anne manus habeat pulchro formosior Anna, • 

Anne manus gremio abscondcrit illa suo . 
Tune mihi Sextus eris, vel maior habebere Sexto, 

Tune oporis ües pars aliquando mcj. 
At tribus in rebus noli dubitare, pcnates 

Si struis, in charta pingcre ne dubita. 
Cum vocat Auriacus circumdarc pallia, pontes 

Tunderc, deinde gradus scandere ne dubita. 
Cum cortina silet, Veneris cum causa laborat, 

Solvcrc, cui debcs, basia ne dubita . 

Hoc addam: seu sis Zcno, vel iniquior illi 
Carneadcs; nobis vivcre ne dubita. 

Am^tclod. VIII Cal. Jan. 1634, 

VI. 

CONSTANTINO HUGENIO. 

Nobilissime Hugeni, 
mitto exemplaria aliquot Orationis, quam de Re habuj. De nihilo privatim tecum mihi 
fuit sermo, de re verba feci publice. Interdum seria, interdum jocosa loquor. Tali.s 
sum, non possuin seinper severus esse et tetricus. Quid dicebat Alartialis Sophronisco» 
viro semder gravi.^ 



BIJLAGE. 117 

Tanta tibi est oris gravitas, Sophronisce, severi, 
Ut mirer, fieri te potuisse patrem. 
Jam totum me habent Poemata tua, ex Anglico translata. Stupeo ad autorem, stupeo 
ad interpretem. Fateor nihil me in amoribus legisse unquam istis commentis et acumj 
nibus par vel secundum. Et tanta tu felicitate transtulisti, ut videantur apud te nata. 
Quam est divina et stupenda illa ad puHcem allusio, quam suavis, quam ivepyrrrocóg. Cum 
somnium lego, cum ht(rrcKa-ty^ rapior extra me. Et tergeminus ille Coroebus me pene 
fecerat quartum. Conatus fui latino Epigrammate vertere, non potui. Fateor deesse 
linguae latinae ista acumina et argatias, et hac parte Belgicum sermonem praestare. 
Exclamo admirabundus : 

Huccine mortalis progressa potentia curae? 
Nescio an Tu elegantiae aliquid addideris: an par sit verborum et phrasium em- 
phasis in Anglico. Opinor ectypon tuum praestare prototijpo. Ubi legero saepius et 
legendo animum explevero, reddam Domino Baeckio affini D. Hoofdij. Is mihi tradidit, et 
k me chartas tuas et coeleste illud depositum repetet, Exemplaria rogo per famulum cura 
deferri ad eos, quibus inscripsi. Vale vir summe etaSi/(?) kptfrTti^y. Raptim 29 Mart. 1634. 



Vil. 

CORNELIO VAN DER MYLE. 

Nuper, Nobilissime Mijli, filij Tibi dilectissimi obitum luxi. Nunc primogeniti 
nuptijs applaudo et gratulor. Poetarum quoque haec sors est, gaudere cum gaudentibus et 
flere cum flentibus. Protej instar in omnes nos formas vertimus modo laeti, modotristes; 
modo pulla, modo candida veste indutj. Gravia et seria locutus non fui. Nee enimhaec 
nuptijs conveniunt. In carmine ad Martis et Amoris discrimina alludo. In Epistola 
contra misogamos disputo. Quaerenda mihi saepe sunt hic illic argumenta, ne cogar de 
Nuptijs semper eadem dicere. Rogo N. T., uti curare velit haec uti exemplaria in nuptijs 
distribuantur. Cuperem filium tuum sponsum non legere, nisi inter pocula et mensae 
genialis gaudia, gratia siquidem novitatis decedet, si leget citius. Faxit Deus Opt Max. 
ut in familiae tuae honorem, patriae bonum, coniugum salutem, et quod praecipuum est, 
nominis divini gloriam cedat haec copula. Aptam indoli suae et probatissimis moribus 
coniugem nactus est filius. Scriberem ipsi; sed iam, quae dicenda illi habebam, Elegia 
et Epistola exposui. Haec commenta licet minus ipsius virtutibus digna sint, ijsque infe- 
riora esse Q) libens fatear, non poterit tamen non, qua est in veterem praeceptorem bene- 
volentia, afiectum candidum exoscularj. Plura exemplaria si petat, mittam ocijus. 
Epigramma illud D. Bonifacij in filiolum D. Loosij generi tuj mihi placuit. Nullum unquam 
vidi ab ipso profectum melius. Placent etiam illa Romanorum epigrammata. Vale Vir 



118 BIJLAGE. 



Nobiliss. et clarissime. Sponso, Sponsae, parentibusque huius felicissima omnia meis 
verbis per occasionem precare. Uxorem quoque, Dominum de Leges (?) cum coniuge, 
aliosque saluta. Raptim 2 Jul. 1634. 



VIII. 

JÜACHIMO VICOFORTIO. 

AinpHssiine vir et amicorum integerrimc, Totus eram in describendis luculento 
Pot^mate Nuptijs Adamj en Evae, cum tuas mihi literas traderet famulus, in quibus scribis, 
in Gallijs de rescindendis Ducis Aurelianensis Nuptijs cogitarj. Cogitabam ego, (uti 
apud Te facetior esse solco) in quibusdam Nuptias hasce Ducis Aurelianensis convenire 
cum Nuptijs primorum parentum, in quibusdam differre. Conveniunt in hoc, quod 
Adamus nuptias istas conti'axcrit sine Fratris, sinc Parlamenti consensu, quod et fecit 
Aurelianensis. Deinde, quod non expectavcrint approbationem Pontificis, quod nee fecit 
Aurelianensis. Practerea, quod e somno expergefactus Adamus praeter expectationem 
incidcrit in Evam. nee aliter fere Dux iste, veluti per somnium, in Lotharingiam delatus, 
praeter expectationem inciderit in Lotharingam. Denique, quod uti Adamus cognovit 
Evam, ita verisimile sit etiam Ducem istum, prisco amiantium more, Coniugis ingremium 
lactae descendisse. Differre tanicn in multis videntur: Adamus quippe et Eva matri- 

monium inivcre in Paradiso, Frater regis extra Galliam, Europae Paradisum. Ad haec 

* 

Adamus Evam amavit, quia non erat alia, quam amarc possct. Dux Aurelianensis amivit 
Lotharingam, cum essent aliac, quas amarc potuissct. Insupcr, Adami et Evae coniugium 
ratum habuit Rex Regum, quia iudicabat forc ex bono Universi gigni homines. At 
nuptias Ducis Aurelianensis cum Lotharinga non habct ratas Rex Gallorum, quia iudicat 
ex re Galliae minus forc, Lotharingicam do mum Lilijs insignirj. Postremo, non deseniit 
Adamus Evam, nee opus habuit octo Theologis, duobus politicis, alijsque oratoribus, ut 
dirimcrentur nuptiae. At Lotharingam deseruit Aurelianensis, ut opus jam sit Theologorum 
et politicorum operA, quo nuptiae male contractae dirimantur. Adde et hoc discrimen. 
Non potucrunt primaevae Nuptjae dirimi per arbitros, spe obtinendi Ducatus, cum solus 
et unus Adamus terra rum omnium sibi Ducatum vendicaret. At possunt hae dirimi, quia 
et plures sunt Ducatus in Gallia, quorum sj^e facundiam suam explicabunt arbitrj; et si 
plurcs confcrat Rex, sibi tamen hoc unum servat, quod Rex sit. Scribis Regemeundem 
1 ( ca cis-Ehtrara in tulclim suam rccipere, non trans-rhenana; quasi diceres, prudenter 
viam ad Aquilae nidum sternj, Sed quam, mi Wickefortj, abditos sensus gerunt Principes, 

quanlas per ambages ambitio incedit, quam amant illi lente festinare, ut impetrent, quod 
volunt. Suecorum erit posthac versiculos istos sibi applicare : Sic vos non vobis etc 
Ducem Vinaricnsem exercitus esse designatum Imperatorem gaudeo. Diluet haec res 



BIJLAGE. 119 

aspersam Duci fortissimo maculam rei nuper in proelio ad Nortlingam non bene gestae. 
Inter Helvetios et Rhaetorum pagos non bene convenire, non miror; distant patronis et 
Diis tutelaribus, Pontifice nempe, et Calvino, quos conciliabis, cum Ararim Parthusbibet 
et Germania Tigrim. Audeo apud Te loqui liberius, apud alios gravis sum ad morosi- 
tatem usque. Raptim XX Nov. 1634. 

Tuus, quem nosti. 



IX. 

AD CONSTANTINUM HUGENIUM FRUSTRA ANNAM MARIAM A SCHURMAN 

IN LUCEM AC SOLEM PROTRAHENTEM i). 

Cum totus lateat Titan in Virgine, cur vis 

Virgineum nullo Sole micare decus? 
Eripe doctrinae iubar immortale puellae, 

Eripe ab ingenio, quas habet iUa, faces, 
Eripe Phoeboeo Phoebum de pectore pulsis 

üt Mariam tenebris reddat aperta dies. 
Dum clausi latitant in virgine Solque dicsque, 

Quid mirum est, oculos si fugit illa tuos. 

C. B. 
Amstel. XI Jan. 1635. 

Epigramma postremum, quo me alloqueris, et ad quod respondi, est terribelement 
bon. uti et fuit illud ad Sextum Empiricum philosophum domesticum. Nihil acutius, 
expertius, cytiusc.^) responderi potuit. Iterum audeo censuram stringere. 



X. 

AD CONSTANTIUM HUGENIUM, POÊTAM EUCHIJMUM ET BONI SUCCI, 

NON CACO-CHIJMICUM »). 

Cum tua magnifici s generosa modestia rostris, 

Cum sapiat doctis cocta Camoena viris: 
Cum bellatori sapiant tua verba Batavo, 

Et manus Auriaco scribere prompta Duci: 
Cum non cruda tuae sapiant quoque basia nuptae, 

Atque alibi tropicas appetat Anna faces: 
Cum generes pulchros, Barlaea coniuge, natos, 

Nee possis alios quam generare mares: 
Euchijmus es, gratique placens buccella saporis, 



\) Dit vers werd op hetzelfde blad papier geschreven als het in de Mam, Desuli.^h\z. 93, gedrukte vers:, 

„Non equidem invideo, mi Constantine", etc. 
j) Dit vers is op hetzelfde blad geschreven als het in Poem,, II, blz. 485 gedrukte gedicht op Anna Makia 
ScHUURMANS, dat gedateerd is: 17 Jan. 1635. 



120 BIJLAGE. 

£t pijxis centum plena cupidinibus, 
Quin, tua dum Latio stillant epigrammata succo, 
Sic mihi saepe velis csse caco-chijmicus. 

vel 
Pimpla mihi et succi Fons melioris eris. 

C. B. 

Moeche prior etc. cestuy-la vaut quinze et bisque. ita turdus sibi malum etc. valde 
riserunt mecum Van der Burchius et Wickefortius. 



XI. 
CONSTANTINO HUGENIO. SCIRPUS ENODIS. 

I. 

Currcre semidcos, fligere est? Atalanta cucurrit, 

Ncc tarnen haec pavidae sit rea virgo fugae. 
Currcre scmideos, fugere est? cum laude cucurrit 

Hippomenes, timidac nescius ipse fiigae. 
Cursor erat Graios inter r.óSoct ««w Achilles. 

Nee tarnen huic vates exprobrat iste fugam. 
Candide fallacem cur Constantine Sophistam 

Induis, et veri ludis imaginibus? 
Dum bene subsiliunt Druidae, male substitit Haga, 

Nam genere a toto transilit ad speciem. 

II. 

Hoc dixi, fateor: Rcx et Regina cucurrit, 
Nee tamen Augustos horret Apollo pedes. 

Non me longa Du cum terrent vestigia. plus me 
Terreat hoc: longas Regibus esse manus. 

III. 

Cur pro me Reges supplex el sceptra precaris? 

Barlaeo venia est nulla petenda tuo. 
Hugcni, vis vera loquar? Tu Pelias hasta es 

Et Medicam confcrs vulneria autor opem. 
Pro me verba facis; nunc in me verba retorques. 

Me cupis esse reuni, nee sinis esse reum. 

C. B. 



XII. 

CONSTANTINO HUGENIO. 

Acqu(» animo, mi Hugeni, ferenda suiit fulmina ista, aut potius fulgetra, quae in 
nobtrum caput iaculatus fuit gravissimus Senator. Ferenda sunt, inquam, 

Stantibus a tremulo, fortibu.s h victo, 



BIJLAGE. 121 

ut lu canis /c^A« Xtyé(t)g Senum ictus tardiores sunt, sed ceidores. Nos Daretes sumus^ 
ïUe Entellus est quo isti eventu pugnaverint, apud Maronem videre est, Nolo ferire ego, 
ut feriar. Nos dum impetu rem gerimus, consilio et senili prudentia eludimur. Habent 
occultos feriendi modos decrepiti mirmiJlones. Metuo mihi h dentibus exercitatis et eru- 
ditis. Nee enim senes omnes edentuli sunt. Verta i^Hs et verbera dare, diffici^e est. 
Sunt edaces, et cum irascuntur, dicaces. Maxillae illis pro baculo sunt ItaGraeciaiunt: 
avSpo^ yépouTog cci yva^ot fifiycTYjpia, Silentij et patientiae tutum praemium. Non valde me 
offendit suo Epigrammate. Ideo contentus fui leviter decoxisse bilem. Si te laesit magis, 
per me licet, ut tibi vapulet magis. Tu feri inclementius, sed tuo periculo. Minore 
discrimine ad bella instigamus alios, quam pugnamus ipsl Suave mari in magno est. 
Quid si vindictae immemores mittamus Faunos, Satyros et Satijras.^ et pacatis animis 
gratulemur optimo seni Legati honorem, aut Propemptico abeuntem prosequamur .^ In hoc 
totus ihclino. Non bellaturio. Ista iam Gallorum est Sparta. De Epigrammatibus, quae 
in Parentis tui effigiem scripsisti, quid dicam? Veneris sandalia sunt, et lineae Apelleae, 
praesertim duo priora. Vale cordatissime, et puplissimo Honerdo meis verbis Legati 
provmciam gratulare.. Amstelod. 24 Mart. 1635. 



XIII. 

AD AMPLISSIMUM SENATOPEM ROCHUM HONERDUM, CUM A CONSTANTINO 

HUGENIO ZULICHEMI DOMINO, ET CASPARO BARLAEO AD APOLLINARE 

TRIPUDIUM INVITATUS, LEGATI SE MAJESTATE EXCUSASSET. 

Cur Satijii Faunique tibi, cur dicimur ambo 

MoribuB et tremulis cruribus esse leves? 
Cur lymphata tuis, cur eet mens ebria, vates, 

Vatibus? et Salios spemis, Honerde, duos? 
Si novus Arctoas properas Lcgatus ad oras, 

Parrhasis ad salttis presilit ursa novos. 
Dum Cellatrices pulsat Germania chordas, 

Ultoresque movet Caesaris ira pedes, 
Territus Arctophijlax resilit* Finnusque Gothusque 

Non bene, Gustavo non saliente, salit. 
£n magni saliunt Reges; en, Gallia saltat. 

£n non indecori purpiu-a' lege salit. 
His meus exemplis poterit saltare Senator, 

Nee credet rostris sceptra minora suis. 
Hoc quoque Legatos deceat, cum regia saltant 

Numina, saltando numina veile sequi. 
Saltant rostra, scholae, saltant palatia, nuper 

Templa etiam tragicis subsiliere modis. 
Qmnia cum saliant, coelum, mare, sidera, gentes, 

£t satijros habeat quilibet ordo suos, 

16 



122 BIJLAGE. 



Cum cunctas agitent furor et dementia terras, 

Solus ab hoc rerum turbine liber eris? 
Ni salias, capiti Faunos mox imprecor omnes, 

Sylvanosque omnes, capripedesque deos. 
Ni salias, in te arcessam modo Pana Cupenim (?) >) 

Comugeroaque viros, comupetasque senes. 
Fallor, Honerde, salis, satyrosque imitaris amices 

Dum satyri geminos asperiore notas. 
Seu Sueconi pacem referis, seu bella senator, 

Egregius nobis Alphesibeus abis. 

C. Barlaeus 
24 Mart. 1635. 



XIV. 

CONSTANTINO HUGENIO. 

Nobilissime Hugeni, 
vix literas tradideram nautae, cum domum reversus incidi in literas Nobilliss. Mylij, 
quibus scribit vacare vicarjatum, et se super hac re locutum cum Principe. Videtur Prin- 
ceps non totum vicariatum in me coUaturus, sed partem. Tu iudica, an non pro modulo 
meo de lUustrissimo Principe bene nieritus sim et indies bene mereri studeam. Si inte- 
grum impetrare possem, beaverit me Auriacus, et filio meo Gaspari Barlaeo annorum XV, 
praestantis ingenij puero stimulos addiderit ad doctrinae viitutisque laudem. Tua hic 
multum poterit intercessio. Mitiorem forte reddes et liberaliorem in me Auriacum. Sin 
minus, contentus ero ea parte, quam indulgere mihi cupiet III. Princeps. Vale praestan- 
tissime, et jam fac, ut impetrem ALIQUID, postquam de nihilo philosophati fuimus 
abunde. Raptim Mart. 24. 1635. 



XV. 

NOBILISSIMIS, AMPLISSIMIS, DOCTISSIMISQUE VIRIS, DOMINIS 
CORNELIO VANDER MYLE, DNO. VANDER MYLE ETC. ET CONSTANTINO 

HUGENIO, ZULECHEMI DOMINO «). 

Vicariatum postulavimus duo. 
Vicariatu nunc beabimur duo. 
Peccare sed me cogit hic vicarius. 
Peccare et illum cogo par vicarius. 
Nam si vel ille postulet vicarius 
Fieri Deorum, et ferculis frui Jovis, 
Optabo obire hunc ocyus vicarium. 



*) Ik begrijp dit niet, maar kan cr niets anders uit lezen. 

J) Aanwezig in de collectie Huygens. Een afschrift er van bevindt zich in de collectie DiEDERiCHSOphet Amster. 
damsch archief (gedateerd: 27 Maart 1635) en een ander in de bibliotheek der Remonstrantsche gemeente te Amsterdam 
Zonder datum). Alle 3 zijn van de hand van Barlaeus. 



BIJLAGE. 123 



Vicariatu ut solus integro fruar. 
At semi-quando Fata me vicarium 
Non esse cupient, alter hic vicarius 
Detrudi in Orcum me volet vicarium. 
Vicarius quin alter in vicarij 
Inquiret annos, antequam vicarios 
Mortalitatis esse cupient coelites 
Aetemitatis perpetcs vicarios. 

At Tu benigno Principi vicarij 
Verbis benigne gratias vicarias 
Zulecheme redde, et qui mihi vicariam 
Opem tulisti, maxime assertor(?) tui 
Vatis diuque postulantis hanc vicem 
Vicariaeque sortis offaa annuas, 
Felix pcrenna. Tuque Barlaej decus, 
Myli, recentem perge iam vicarium 
In Regularis lautioris ordinem, 
Episcopatus inde per, vel Abbatum 
Gradus et Archiêpiscoporum pulpita. 
Et porpuratos Cardinalium choros 
Raptare, donec Papa fiat et caput 
Ecclesiarum. Tune referre gratias 
Potcro Sacerdos summus, et vicarius 
Ex parte iam nunc, vos amicos (do fidem) 
Ex asse faciam, si velitis, Haeredes. 

Vestrae Nob. obscrvantissimus 
Gaspar Barlaeus. 
Raptim 27 Martij, lectis amoenissimis tuis et Evangelicis Jambis. 

Nil mihi rescribas, attamcn ipsc venj. 



XVI. 

CONSTANTINO HUGENIO. 

Clarissime Hugeni^ non morabor tua tempora longo sermone. Scio enim Te hoc 
tempore, quo abitionem parat Princeps, clitellis aulicis et castrensibus plus satis oneratj. 
Intelligentia nunc es Peripatetica, quae vastissimos movet orbes, ipsa immobilis. Hybemis 
undique excis militem^ caballos stabulis^ et lixas quoque per consequens ac calones e 
latibulis suis, in aulae angulo positus. Si unquam antehac iam quoque gratae fuerunt 
literae tuae, quanquam Laconicae, ob insertam Auriacae liberalitatis syngrapham. Aristo- 
teles meus in Categoriarum libello (meministi opinor) ait: Substantia significat oiSi{^)Ti' 
Quod de Diplomate isto verissimum est Superiore aestate de Aliquo disseruimus, quae 
sane velitationes praeludia fuere huius felicitatis, quam pronomine isto designavimus. 
Non ignoro, quibus post Principem istud beneficium debeam. Sed non attinet semper 
iterare gratiarum actiones apud illos, qui beneficii in se^ quam in alios collati, memores 

•16 



124 BIJLAGE. 

esse malunt. Fruar hoc beneficio quoad vivam, ut habet textus. Sed et me laudatissimus 
Princeps Encomiasten habebit, quoad vivam. UUra vatem agere non possum. Mortui 
non laudant Dominum, nee Principes. D. Graphiario gratias egi pro beneficae chartae 
subsignatione. Verum non debebant istae gratiae intra verba stare. Rogo tribus verbis 
indices, quo honorario redimi soleat istiusmodi diploma. Habebo rationem honoris mei 
et moris aulicj. Si quid k me conferri posse in Rlium suum putat vir amplissimus, con- 
feram id omne liberalissime. Et iam habeat hos de conscribendo carmine aphorismos. 
Vbi adoleverit aetate et doctrina instillabo graviora. Cum hic esset clarissimus Honerdus 
meque prandio suo dignaretur, uti est tacetus senex. Nihil habebimus inquit. Quare 
domum reversus co^gi ocyus in pedes epigrammata aliquot. Et ne laevis me oculis 
adspicerent Legationis socij, etiam illis valedixi. Vale amicorum praestantissime. Profi- 
ciscere, abi quo voles, vel ultra Eburones et Tungros, sequar Te animo, votis, literis. 
Quod si hae forte incident in hostium manus, videbunt illi inter arma po^tis otia esse, 
inter arma nos amare et scribere, nee metuere sibi valde k Cardinalibus Infantibus quatuor 
Virtutum Cardinalium inpraesentiarum professorem. Iterum vale et Dominam de Zulechem 
liberosque saluta. ' Nobilissimo Mylio scribam cras. Verburchius hic est Wickefortius 
Hamburgi de herciscunda haereditate cogitat. Raptim Amstelod. 12 May. 1635. 

Literis meis ad Graphiarium datis ceram tuam vel linum commoda. reliqui apertas, 
ut legeres. 



XVII. 

JOACHIMO VICOFORTIO. 

Vix animus mihi est scribendj, * Amicorum integerrime, cum illum mihi totum pene 
expectoravit conceptus ex gravissimo uxoris meae morbo dolor. Dubia adhuc est vale- 
tudine, spemque simul meam et metum exercet morbi pertin acia, quae modo remissionis 
aliquid aegrae concedere videtur, modo vires capit et illam ac me simul deijcit. Noctem 
proxime elapsam acerbissimam experta fuit, ob acutissimos lumborum dolores parturien- 
tium doloribus simjles. Atque hinc suspicio iniecta Medicis, rudimenta quaedam foetus 
in utero male se habere, et hinc dolores aljaque sijmptomata nasci. Ita mecum conijciunt, 
ut eredam non esse eam Medicae artis certitudinem, quae est Geometriae vel Arithmeticae. 
Ego dum domesticam scenam intueor, deploro sortem eminini sexus, cuï tot calamitatum 
causa ipsi sumus. Scilicet hoc precio uxores sunt et bonae matres, ut spectaculum prae- 
beant non uniformis miseriae. Nee tarnen ineuso providentiani divinam, in cujus abdita 
dum se recipit animus, cessat querj, et coelestis sapientiae consilijs tacitus acquiescere. 
Noctem hanc insomnem traduxi, cum ab affljctissima coniuge avellj non potuerim. Scribo 
haec conniventibus subinde et somno obrutis oculis. Sic dum ego de privatis, Tu de 
publicis malis disseris. Corpus Protestantium Principum aegra membra vix trahere, quis 



BIJLAGE. 125 

dubitet? carent capite, sine quo corpori bene esse posse negamus omnes. Saxo de pace 
cogitat, quid mirum? nee enim tuta omnia sibi persuadere audet, vincente Sueco. Nisi 
Circulos istos Germaniae turbatas restauret Gallus, vergere omnia in ^xi/oXeB-ploc/ videntur. 
Princeps Auriacus herj Hag^ discessit, ac Neomagum ad exercitum abijt. AHquot retro 
diebus Infans Cardinalis, tanta indole dignum aliquid daturus, Arcem sive Munimentum 
Philippinum magnis animis oppugnavit Verum irrito conatu desideratis suorum plurimis. 
Nee fuit nobis incruenta victoriay pugnatum acriter super Lunarj vallo, quem modo 
hostes, modo nos victores tenuimus. Post octidui obsidionem abijt inglorius, postqaam 
appulissent cum copijs Guilielmius Nassovicus, Morganius, Ferensius quoque noster, ut 
ajunt. Regem Gallorum ad Fanum S. Quintinj cum copijs haerere fama est. Expecto 
ut Rubiconem transeat. Tune desinam cum Scepticis dubitare et ero tecum dogmaticus 
et veri constans assertor. Vale vir amplissime et doctissime ac inconcinnos characteres 
excusa, quos dormitans exaravj. Coniugem et amplissimum virum D. Smitsium aflfinem 
tuum aliosque amicos plurima a me salute Imparti. Amstelod. XIX. May 1635. 

Literas meas ad 111. Oxensternium puto curatas jam esse, ï). 



1) Het slot van het postscriptum is onleesbaar geworden. 




BIJLAGE II. 

BRIEVEN, WAARVAN DE DATUM MET ZEKERHEID BEKEND IS ■). 



Efüt., no. 176 (bil. 394). 


tan Hnjgcns 


13 Mei 


163.. 


Bijlage, 


, no. 7 




aan V. d. Myle 3 Jnli 1634. 


BijUg'.,, i 






20 Sept. 




EpUt., 


«ïSSCbli 


SÏ7) 


„ Huygens 15 Aug. „ 


Hoo/ls Briivtn, , 


„ a86 




18 >n. 


1632. 




..2SS ( » 


S40 


« 3' Ang. „ 




, 285 




"9 .. 




lloBftS 


Brieven, „ 


33" 


_ Wicqueiort 14 SepL „ 




, a87 




14 Maart 








1 332 


7 Oct. „ 


Ephl., no. I9S ( . 


. 42a) 


„ Cun«eus 


24 Mei 




Bpht., 


no.2s8 ( ,i 


. S49) 


„ Hnygenj 18 Oct. „ 


H«>fU Briivtn. , 


, 288 


„ Hnygens 


6 Sept. 






.. 256 ( , 


. S47) 


„ V. d. Myle as OcU - 
„ Wicquefort 20 Not. „ 


£/isl., no.203 (. 


■ 430 




12 Dec. 




Bijlage 


« 8 




., ,. ao6 ( „ 


436) 




4 Maart 


1633. 


Epitt., 


., 261 ( „ 


SS4)' 


„ Huygena 1 Dec. „ 




, 446) 


„ Wicquefort 


20 Juni 






.. 277 ( « 


S8S) 


„ Wiequ«fort G Dec. „ 


//t>ff/lt Briivtv, '. 


.. 329 




20 Juli 






.. 275 ( ., 


582) 


„ Hoygens 21 Febr. 1635. 








22 Juli 






., 278 ( „ 


S86) 


„ „ 1 Maait , 


Bijlage, na. ï 




„ Huyeens 


23 J-li 






» 279 ( « 


S88) 


„ „ II Maan „ 


ffeofis Brieven, , 


, 289 




1 Oct. 




Bijlage 






„ „ 24 Maart „ 


Bijlage, no. 3 




l vanderMyl. 


s 4 Nov. 






.> 14 




„ „ a4M«irt ., 


£//rt..no.2ïS(„ 


486) 


„ Hnygens 


7 Jan- 


1634. 


BpUt.. 


« 287 ( .. 


S98) 


„ Wicqnefort 38 April „ 


>. 2a6 ( „ 


, 488) 




24 Tan. 
31 Jan. 






« 290 ( „ 


, 601) 


SMei „ 


.. .- 233 ( ., 


, 498) 


", Wia}uefort 




mofts 


Brieven, „ 


, 333 


ia Mei 


„ 235 < .1 


, 50 




28 Febr. 




Bijlage 


no. 16 




„ Huygens lï Mei „ 


., ., «36 { „ 


. S°2) 


,. Hnygens 


S Maart 






.. 17 




„ Wicquefort 19 Mei 


Bijlage „ 6 






29 Maart 




ml/ti 


Brieven, , 


. 33S 


36 Mei 


//Ki>/tt Brieven, , 


. 293 




18 April 








. 336 


2 Jnni ., 
9 Jn-i ., 


Efiit; no. 244 ( r 


, SIS) 




7 Mei 








. 337 


Hbo f is Brieven, „ 


. 331 

brieven 


., Wic<inefort 
bevinden ïich 


. Juli „ 
in de colleciies 1 


Episl.. 

HUTGENS ( 


no."3O0 ( ,'■ 614) 

!n Papenbhobck. i 


„ Huygens 4 Aug. „ 


't Al deze 


jp de Leid'che BlbHoiheek. Van 


Hpofis Britvtn Is h 


lier dl. 1 


:V aangehaald. 

















AFBEELDING VAN DEN TOREN DER LIEVE- VROUWE-KAPEL :: 
TE AMERSFOORT. 

Fiii-similt Ttiii ffit ofmitin- dcor d,» Hier G, VAS AbK^L, 
Anhiukt tt AmiUrJam. 



128 DE ONZE LIEVE VROUWE TOREN TE AMERSFOORT. 

als haar in den droom gezegd was, het beeldje onder het ijs. Het water stroomde onder 
het ijs voort, maar het beeldje bleef stil liggen. Margriete nam het beeldje mede naar 
huis, stak er een kaars bij aan, en toen deze drie malen langer dan gewoonlijk brandde, 
kon zij niet langer verzwijgen, wat ha'ar overkomen was. Zij deelde haar zonderling* 
wedervaren mede aan Jan van SCHOONHOVEN, een pater Carmeliet, die haar biechtvader 
was en „onse Vrouwe broeder*' geheeten wordt. Er bestond namelijk te Amersfoort een 
kapel of kerk, gebouwd ter eere van de Moeder dés Heeren, welke kerk door een veree- 
niging van twaalf personen bestuurd werd. Reeds in 1390 is er spraak van een Broe- 
derschap van DeekenSy Procuratoirs en gemene Broeders van onzer Vrouwe CapelUj 
staande in onser Vrouwe Kerke f Amersfoort^ ende Kerkmeesters der Kerke van anser 
Liever Vrouwe voorschreven. Pater Ja.n van Schoonhoven, die zeer zeker in nauwe 
betrekking tot die Kapel en Broederschap gestaan heeft, nam het beeldje mede naar huis, 
en zie, ook daar, in zijn eigen woning hadden er in het bijzijn van dat beeldje won- 
derbare gebeurtenissen plaats, die op buitengewone wijze de aandacht trokken. Ten 
gevolge daarvan werd besloten, om het beeldje naar een meer waardige en passende 
plaats over te brengen. Zulks geschiedde op St. Stephanus-dag, 1444. De geschied- 
schrijver verhaalt, dat het beeldje „met alle eerweerdigheidt in de Kerke van Onze L. 
Vrouwe gebracht" werd. Ook in die kerk trokken talrijke voorvallen, die bij dat beeldje 
geschiedden en geheel buitengewoon waren, aller aandacht. Spoedig kwamen een groot 
aantal personen uit verschillende plaatsen toegesneld, om voor het beeldje van Onze 
Lieve Vrouwe aan God gunsten te vragen, of Hem voor ontvangen genaden te danken. 
In een Handschrift in 4*, Archief van de Kerk van O. L, V. Hemelvaart te Amersfoort, 
vindt men meer dan 440 voorbeelden opgeteekend van personen, die hun genezing, of 
bevrijding uit de gevangenis, vooral hun redding bij storm op zee, aan de voorspraak 
en het gebed van Onze Lieve Vrouw van Amersfoort toeschreven. Spoedig, reeds in 1446, 
werd besloten, om jaarlijks op Zondag voor Pinksteren, het beeldje, in plechtigen optocht 
rond te dragen. Vrijgeleide werd dan gegeven. Zulks duurde tot Pinksteravond. De 
geheele stad vierde feest. Van heinde en ver kwamen duizenden en duizenden toegc^ 
stroomd, om aan den optocht, die Verscheiden uren duurde, deel te nemen. Door de 
offeranden der vele pelgrims die, uit dankbaarheid voor een verkregen gunst, of wel, om van 
God een gunst te verkrijgen, groote geschenken gaven, werden aanzienlijke sommen bijeen- 
gebracht. Met behulp van cfie gelden werd, ter vereeuwiging 'en verheerlijking van het 
wonderbare feit, „de Kerk vergroot en de heerlijke Toren gebouwd." Ook werden eenigc 
hoeven lands gekocht. 

In het Sted. Archief vindt men omtrent het bouwen van den Toren geen enkele 
bizonderheid. Het Archief der L. V. Kapelis, öf vernietigd, öf in 1579 vermoedelijk 
naar Brussel, misschien naar Keulen, overgebracht. Van daar, dat met zekerheid niets 
bekend is van den naam van den bouwmeester, of van het jaar waarin de bouw begonnen. 



DE ONZE LIEVE VROUWE TOREN TE AMERSFOORT. 129 

of het jaar, waarin de bouw geëindigd is. Niets bestaat er van plannen of teekeningen. 
De eenige bijzonderheid, die men vindt opgeteekend, bestaat in een waarschuwing, door 
den Raad of de Magistraat in 1471 tot de burgerij gericht. 

Die waarschuwing luidt als volgt: 

„Die Raedt laet weten dat een ygelikc sijn kinder^^ en hem selven huede en waerr, 
„also men op ons vrouwen toren metselen sal, dat sij daar nyt of beschediget of gequeest 
„en werden, want die rait en sell dair geen richtynge van doen." Twee zaken schijnen 
met zekerheid hieruit te kunnen worden afgeleid: i**. in het jaar 1471 was de toren nog 
niet voltooid; 2*. de bouw schijnt een tijdlang onderbroken te zijn geweest. Zou men 
uit die uitdrukkelijke waarschuwing ook niet mogen besluiten, dat er vroeger ongelukken 
hadden plaats gehad, en dat de Raad, ten gevolge der moeilijkheden, die daaruit ontstaan 
waren, besloten had in het vervolg „daer geen richtijnge van te doen." In het jaar 1579 
ging de O. L. V. Kapel, die met den Toren een geheel uitmaakte, over in handen van 
de Protestanten. De Broederschap, die tot dusverre het bestuur van de Kapel en den 
toren in handen had gehad, hield op te bestaan, en in plaats daarvan werd een Boek- 
houder en twee Adjuncten aangesteld. Zulks duurde tot 1634, i4 April, toen, in navol- 
ging van de voormalige Broederschap, een Collegie van twaalf personen werd opgericht, 
van hetwelk jaarlijks twee leden, een tot Rentmeester^ en een ander tot Dispenster^ 
benevens twee anderen, tot Adjuncten werden benoemd. Zij hadden vooral voor de 
finantién van Kapel en Toren te zorgen. De Magistraat der stad had de opperste leiding 
der zaken in handen genomen. 

In Nov. 1787 was, ten gevolge der tijdsomstandigheden de O. L. V. kapel niet 
alléén tot een verzamelplaats van ammunitie, maar ook tot een soort van laboratorium ver- 
laagd, waar bommen schoongemaakt, gevuld en verder afgewerkt werden. Een der soldaten 
beging de onvoorzichtigheid met een mes den roest van een bom te schrappen. In het 
nabijliggend kruid vloog een vonk, en een vreeslijke ontploffing volgde. Het gewelf 
stortte in en overdekte zeer gelukkig een voorraad van ruim 160 vaten buskruid, die 
daar met onvergeeflijke onvoorzichtigheid, in het midden van de stad, opeengestapeld 
lagen. Zeventien menschen verloren het leven, anderen werden geblakerd en gekwetst. 
Ook de kanonnier, die de oorzaak was van het onheil, moest zijn onbedachtzaamheid 
met zijn leven betalen. De toren, die door een breede straat van de kerk gescheiden 
en slechts door middel van een boog over de straat, verbonden was met de kerk, had 
door het ongeval niets geleden. In het begin van deze eeuw werd de kerk voor afbraak 
verkocht. Nog bleef hetzelfde College of Bestuur voortbestaan, totdat in 1838 de goe- 
deren van de voormalige L. V. Kapel en Toren, publiek verkocht zijn, en de opbrengst 
tusschen de stad en St. Joris-kerk gedeeld werd. 

Toen eenmaal het besluit genomen was, dat er ter vereeuwiging van den St. Stepha- 
nus-dag, 1444, een hooge toren zou gebouwd worden, kwam men spoedig op het denkbeeld 

17 



130 DE OXZE LIEVE VROUWE TOREN TE AMERSFOORT. 

om aan den toren, zooveel mogelijk, de vormen van het gevonden beeldje te geven. Een- 
stemmig is de getuigenis van het nageslacht, dat die gedachte op voortreffelijke wijze 
is uitgevoerd. Ziehier wat v, Bemm. I, 142, daaromtrent getuigt: „Bij deze Kerk staat 
«een schoone, hooge Toren, mede de Z. Vrouwe Tooren genoemd en in verbeelding van 
vdeselfden L. Vrouwe gebouwdt, want men de trap tusschen de tweede en derde omme- 
^ig^ng niet die intentie buiten het muurwerk gemetselt ziet, met een klein spits daar 
„op, om daardoor een kind te vertoonen, wijl men dusdanig die Maget afbeeld." Treffend 
zijn de bewoordingen, waarin J. Craandijk, Predik, bij Doopsg. gem. te Rotterdam. 
Wandel, door Nederl. 1875, bldz^ 324, hetzelfde erkent : „het omwonend landvolk begroette 
„in het statig gevaarte het beeld der Gezegende onder de vrouwen, en vooral als de 
„schemering de vormen wat omsluierde, als de verre afstand de détails in een* nevel 
„hulde, dan zag hun oog de statige gestalte der gebenedijde Moeder des Heeren met haar 
„goddelijk kind op den arm, die beschermend en zegenend te midden van het uitge- 
„strekte landschap stond, en de geloovigen tot dankbare aanbidding (van het kindjesus) 
„en vertrouwelijke vereering noodigde." Op eenigen afstand vóóral, beantwoorden de 
„grootere lijnen van den toren geheel en al aan den vorm van een beeld van Maria, 
met het kind Jesus op den arm. Het kindje wordt voorgesteld door een torentje, dat 
tusschen den tweeden en derden omgang buiten het muurwerk van den toren, als afzon- 
derlijk geheel, werd aangebracht. Zoo gelukkig is de kunstenaar geslaagd, dat het torentje 
nog heden door het volk ,,het Kindje" geheeten wordt. Die bouwmeester was eengroot 
kunstenaar. Inderdaad, alleen een kunstenaar van groote talenten kan het geweest zijn, 
die een dergelijk geheel oprichtte, zonder dat daardoor een misstand veroorzaakt werd. 
Niet alleen is er van een misstand in het geheel geen spraak, maar het „Kindje" vormt 
een karakteristiek sieraad van dezen toren, terecht Lieve Vrouwe Toren geheeten. Rank 
en slank, fier en stout, sober van lijnen en rijk van vormen, rijst de O. L. V. toren ten 
hemel, Op verren afstand zichtbaar overheerscht hij het geheele Eemdal, en trekt hij, 
sints meer dan vier eeuwen, de oogen van alle geslachten tot zich, als stond hij daar 
sints den dag van gisteren, en werd hij voor den eersten keer aanschouwd. Men behoeft 
waarlijk geen profeet te zijn, om te voorspellen, dat ook de verste nakomelingschap, als 
met godsdienstigen eerbied, tot den monumentalen bouw zal opzien. 

De overlevering zegt ons, dat de kunstenaar, die te Antwerpen en te Rhenen den 
toren bouwde, ook hier ter stede werkzaam zou zijn geweest. Volgens Dr. LUBKE, 
Geschiedenis der Architectuur, is JOANNES AmeliüS, uit Boulogne, bouwmeester van den 
toren te Antwerpen geweest 

De toren staat gebouwd op een stuk grond, tegenover de Kapel gelegen, op dezelfde 
plaats, waar de oude stadsmuur gevonden werd. Kapel en Toren waren van elkander 
gescheiden door een breede straat. Om beiden aan of met elkander te verbinden, was 
er over de straat een spitsboog gebouwd, die den doorgang vrijliet. Nog heden zijn op 
den toren de lijnen van dien boog zichtbaar. Aan de tegenovergestelde zijde grenst het 



DE ONZE LIEVE VROUWE TOREN TE AMERSFOORT. 131 

terrein aan den binnensingel, een gracht, die vroeger rondom de stad gevloeid heeft, 
maar die in lateren tijd door de buitenstad werd ingesloten. De toren, in N. Oostelijke 
richting, heeft van den beganen grond in het Westerfront, een hoogte van M. 94,50. 
Bij den ingang, aan de N.0. zijde, bedraagt die hoogte, gemeten van de straat: 

Eerste omloop . . . . M. 31,60 

Tweede y, „ • . . . « i9iSO 
Derde „ „ . . . . „ 19,60 1) 

Spits „ 22,20 

M. 92,90 

Volgens V. Bemm. I, 146, heeft de tweede omloop een hoogte van voet. 72, en 
de derde omloop een hoogte van voet. 70, hetwelk met bovenstaande opmeting een verschil 
oplevert van niet minder dan M. 1,60. In de opgave van de hoogte van de spits bestaat 
een nog grooter verschil. Bij v, Bemm, I, 146, leest men, dat hij de nette voetmaat heeft 
opgenomen. Wie twijfelt er aan? In een Handschrift van het Sted, Arch. treft men 
de opmeting aan, door Lenart NiCASiüS, A*. 1656, gedaan. NiCASiUS heeft in 1655 de 
spits gebouwd, zoodat hij volmaakt op de hoogte was van de verschillende afmetingen. Uiterst 
toevallig komt de opgave van V. Bemm. in 1760, het jaar, dat hij zijn Beschrijving heeft 
uitgegeven, geheel en al overeen met die van NiCASlUS in 1656. Ziehier beider opgave: 

Van den 3den omgang tot de loode zolders .... Voet. 17 — 

Van daar tot de voet van den kruk ^ 12 — 4 d. 

De voet onder den kruk <»•> 10 — 3 

De kruk hoog ^^ 1 3 — ^ 

De lantaarn <»•> 10 — 

De voet boven den lantaarn „ 6 — 

De kroon of peer ^«j 16 — 

De makelaar boven den kroon ,, 4 — 

Het spits in 't geheel hoog van houtwerk ^ „ 89 — 5 — 

Het kruis met den haan is samen hoog boven den makelaar „ 12 — 

„ loi — S — 

In onzen tijd bedraagt de hoogte van de spits, gelijk reeds gezegd is, niet meer 
dan M. 22-50 = Voet. 77,75. Er bestaat dus een verschil van niet minder dan M. 7 
of voet. 24. De lantaarn, hoog 10 voet, en de voet bovön den lantaarn, hoog 6 voet» 
nog aanwezig in 1760, toen v. Bemmel zijn Beschrijving uitgaf, zijn dus in lateren tijd 
weggenomen. Ook is het duidelijk, dat tegenwoordig de kroon of peer geen hoogte heeft 



i) Na nieuwe, zeer nauwkeurige opmeting door den Heer W. H. Kam, Stads-Architect en Leeraar aan de H. B. 
school. In Amersfoort. 777*- 1580, staat opgegeven M. 19,20. 

') De drie omloopen zijn door fijnbewerkte steenen balnstraden zoodanig afgezet, dat er zonder de minste vrees 
voor eenig gevaar oveivloedige ruimte bestaat, om van alle de kanten de heerlijkste vergezichten te genieten. 

17' 



132 DE ONZE LIEVE VROUWE TOREN TE AMERSFOORT. 

van 1 6 voeten = M. 4,50. Men heeft dus na 1760 de spits ingekort, maar, helaas, niet fraaier 
gemaakt. Een bespottelijk figuur is het hakmes, dat boven op het kruis den traditioneelen 
haan vervangen heeft. 

Ten gevolge van den afhellenden grond naar het Westen, bestaat er, tusschen de 
hoogte van het Westerfront en het Noord-Oosten, een verschil in hoogte van M. 1,60 
Onder den beganen grond bevindt zich een vrij ruim gewelf of kelder, waarin tot zelfs 
in onzen tijd, personen, die zich aan kleinere overtredingen hadden plichtig gemaakt, 
voorloopig in bewaring werden gebracht. Reeds in 1528, leest men, dat die kelder tot 
datzelfde doeleinde werd gebezigd. Eenige Geldersche krijgsgevangenen, aan wien aldaar 
in dat jaar een verblijf was aangewezen, wisten te ontsnappen. Van den beganen grond 
in het N. Oosten heeft de voet van den toren een breedte van M. 11,80. De eerste en. 
tweede omloop vormen elk een langwerpigen vierhoek. De derde omloop is achtkantig, 
terwijl het kleine torentje (het kindje) vijfkantig is. 

Rijkversierde steunbeeren in laat-gothischen stijl staan aan de hoeken. Nissen met 
maaswerk versieren dit gedeelte, dat in bak- en bergsteen is opgetrokken en van boven door 
een balustrade wordt afgesloten. Vooral tusschen die balustrade en het tweede gedeelte 
van den bouw is langs de vier zijden genoegzame ruimte, om zich ongehinderd te be- 
wegen, en het prachtig panorama, dat de schilderachtige omgeving oplevert, te bewonderen. 
Het achtkant op den derden omloop is geheel van bergsteen en zeer doorluchtig gebouwd; 
iedere zijde is met maaswerk gevuld en door wimbergen gekroond. In dit gedeelte wordt 
het fraai klokkenspel gevonden, waarvan de meeste klokken door den beroemden Hemony 
gegoten zijn. Aan de oostzijde bevindt zich de traptoren „het kindje" geheeten. 

De spits van den toren heeft in den loop der tijden veel te verduren gehad. In 
1547, op Vitalis-avond, 27 April, sloeg de bliksem in den toren, waardoor „de cap" geheel 
en al verbrandde. Het geliet, of als de stadt verbrandt soude hebben door dt swaeren 
bliksem. Er werden herstellingen aangebracht, maar deze werden zoo onvoldoende uit- 
gevoerd, — Maarten van Rossum had kort te voren de stad geheel leeggeplunderd, 
er zullen dus geen genoegzame geldmiddelen aanwezig geweest zijn, om de restauratie 
naar behooren te doen plaats hebben, — dat reeds spoedig daarna, in 1558, de spits door 
den wind werd nedergeworpen. Van de restauratie, die toen plaats had, is, bij gebrek 
aan bescheiden, niets te melden. 

In 1623, 9 Febr., werd de toren op nieuw door den bliksem getroffen. Kruis en 
weerhaan werden afgeworpen en een gedeelte van de spits vernield. In /iet Handschrift 
van het Sted. Arch. leest men, dat zulks plaats had op den 30sten Januari. Op diea 
dag ,,syn met een onweder dry e vrt^s^lyke donderslaegen nae malkanderen gegaen, en 
,,is den brand boven in den L. Vrouwen Toren geraeckt, sonder dat men het wiste, voor 
,, omtrent ten thyen uyren voor de noen, soo alsdoen het kruys en den weerhaen van 
„boven nedervielen en heeft den geheelen dagh voorts het houten werck boven in den 



DE ONZE LIEVE VROUWE TOREN TE AMERSFOORT. • 133 

Toorn gesmeiilt, en is eindelijk gelescht sonder meerder schade te doen." Waarschijnlijk 
heeft het weder eenige jaren geduurd, eer men tot restauratie overging. 

In 165 1, 7 Febr,, had de toren het op nieuw hard te verantwoorden. De bliksem 
trof de spits, waardoor dese tot over de veertig voeten afbrandde, en aan het overig ge- 
deelte van den toren groote schade aanrichtte, „'t welk een deerlijke en schrikbarende 
„vertooning voor de stad was." In het reeds vermelde handschrift, aanwezig in hetSted. 
Archief, lezen wij daaromtrent het volgende: 

,,Den 7den Februari, des voernoens even nae thyen uyren, heeft de plaegende en 
„opgeheven handt van Godt door wyndt, sneeuw, donder en blixem het spits van L. 
„Vrouwen toorn geraeckt en in brandt gestoocken, omme wekken brandt te slissen 
„Lenert Nicasius, timmerman, goede plichten heeft gedaen, klimmende door het luyk 
„van bovenste loodesolder uyt, allwaer hij rondom van de brandende styllen omcingelt 
„sto«dt, sulx dat syn klederen van syn lyf z/^rbranden en seer vant smeltende lood als 
„met sneeuw bedropen wierdt, doch echter heeft door Godts goedheyt den brandt vorder 
gesteuijt." NiCASlUS kreeg den 24sten Februari, 1651, tot recompensie, boven een ver- 
eering van 50 Car. guld., een nieuw kleed, benevens een lyfpensioen insgelijks van vijftig 
Car. guld., in te gaen den /den Febr. 1651. Keeds in 1658, 4 Jan. wordt vermeld, dat 
hij overleden was. Op het Raadhuis, in de kamer van den Burgemeester, hangt het 
portret van Leonard Nicasius, geschilderd door de meesterhand van onzen stadgenoot, 
Jacob van Campen, den bouwmeester van 't achtste wonder. Onder het portret leest 
men de volgende dichtregelen: 

Nicasius alto pectus inflatus Deo 
Ignes Olympi perdomat forti manu. 
Urbi salutem, gloriam quaerens sibi 
Hunc arte pingens Campius coelo sacrat. j) 
De toren Godts ontstack dees toren 
Doch Godt Leent *t hert (opdat verloren 
Niet gaen) Nicaes, die blust de vlam. 
Hem loff, dies 't beeldt van Campen quam. 

Den 7 February, 165 1. 

Vrijdaghs omtrent half elf 

des morgens. 

Het duurde geruimen tijd, eer men het besluit nam wederom een spits op den 
toren te plaatsen. De herbouw was een groot en moeilijk werk, dat vele uitgaven vor- 
derde, en, nog meer dan tegenwoordig, scheen men het spreekwoord: Festina lente^ in 
toepassing te brengen. Eerst in 1654 vindt men van restauratie melding gemaakt. 

In het Resolutieb, 1654, 21 Aug., vindt men daaromtrent het volgende opgeteekend. 
De Heeren Burgemeesteren en Oud-Burgemeesteren waren met de Heeren Regenten van 

1) De vertaling van het latijnsche onderschrift luidt als volgt: Door hooge geestdrift vervoerd, bedwingt Nicasius 
met krachtige hand het hemelvuur. Ten dienste der stad, tot eigen glorie schenkt van Campen hem op 't paneel de 
' onsterfelijkheid. 



134 DE ONZE LIEVE VROUWE TOREN TE AMERSFOORT. 

de Kapel in overleg getreden, om met hen te beraadslagen over de wijze, waarop de 
,,Toren van vooxzeide Kercken weder opgebouwt soude kunnen worden." In het rapport, 
dat zij daaromtrent aan de Magistraat mededeelden, verklaarden zij met verscheiden 
meesters en werkbazen, zoo van Amsterdam, Arnhem, als deze stad, in conferentie te zijn 
geweest Verschillende modellen tot dien einde hadden zij geëxamineerd. Door eenige 
timmerluyden alhier was „seecker modell beraemt ende opgegeven, t'welck in den Raad 
„wederom gevisiteert" werd. Nogmaals werden de voorseide timmerluyden daerop gehoort, 
„totdat eindelijk door gemelte Regeerders wert verstaen en geresolvcert, dat conform 
„t'voorseide leste model den voorseide toorn wederom sall worden opgebouwt" 

In het Handschrift van het St Arch. leest men dat „dit spits in den jaere 1655 
„in de somer wederom opgebouwt door Lenert NiCASlUS voornoemt en NiCASlUS sijn 
„soon, die het steygerwerck daer toe noodich voor ses hondert guld. hebben aengenomen, 
„boven yder een Roosenobel tot een vereeringe, maecken^f^ het vorder werck bij dachhuyr, 
„welï/^fstaende, dat sij tot het voorsegde steygeren all het hout, ijser en touwen op haer 
„costen mosten leveren en mosten 't oock weder affbreecken." 

Op dezelfde uiterst voorzichtige wijze werd gehandeld, eer de Raed er toe over- 
ging, om de spits met koper in de plaats van lood te bekleeden. In het Resolutüd., 1655, 
17 April, leest men daaromtrent de volgende bizonderheden, die van belang genoeg zijn, 
om beknopt te worden medegedeeld. De Borgemeesteren en Oud-Borgemeesteren waren 
over de zaak in conferentie geweest met de Regenten van de Capelle, en brachten verslag 
uit van het verhandelde aan den Raad. Herhaaldelijk waren zij te zamen geweest, om te 
beslissen „off t'nieuv/ te makene spits van deselve Kerckx Toorn becleedt ofte bedeckt 
„soude worden, met loot ofte met kooper'*. Zij hadden daaromtrent de advyzen inge- 
wonnen van de „Heere JACOB VAN Campen, Mr. Jan Wijbrantsen, woonende tot Am- 
sterdam, (JOHAN WijïjRANTZEN COLCK, Resolutieb. 1655, 7 Mei), mitsgaders verscheyden 
Cooperslagers binnen dese stad, alsmede de Jeydeckers. 

Eindelijk was op den . . . ? Martij voorleden, na langdurige deliberatie en onderzoek 
besloten dat „de Cooperslagers en leydeckers yder een schinckel van de Peer tot een 
„proeve souden becleden met cooper en loodt respective t' welck doenmaals geoordeeld 
„wierdt het swaerstc en difficylste werck te wesen, oock sulcx, dat hetselve werck, bequa- 
„melick kunnende worden becleet met cooper, oock alle het vordere werck insgelijks 
„bequamelick met cooper soude kunnen worden becleet". De proeven werden genomen, 
en door de Gecommitteerden (van den Raad), en de Regenten onderzocht Op den i6den 
dezer waren genoemde Heeren weder „in cjDnferentie gecomen". Wederom was gehoord 
het advies van „Heere VAN Campen en voorighe werckbasen". Er was van hen vernomen, 
dat „het coopcrwerk den toorn merckelick soude verlichten, ende oock veel durabelder 
„wert geoordeelt als het loodt, t* welck gehouden wort door de locht, cou ende windt 
„te worden geconsumeert ende dienvolgende meer opsicht, costelijcker reparatie ende 
„onderhout van nooden te hebben", enz. Op approbatie van de Regeerders hebben 



DE ONZE LIEVE VROUWE TOREN TE AMERSFOORT. 135 

gevolgelijk de „Regenten van selve Capelle geresolveert om all het voorseide werck voor 
„sooveel doenlick en mogelick is met coper te bedekken en te becleeden". Alvorens 
echter daartoe over te gaan „sullen de cooperslagers, soo haest doenlick, hebben te be- 
„cleden t'onderste vant nieuwe werck en van daer een stijl opg^ende, met sijn onderste 
„en bovenste carbeelen tot aen de tweede lijste incluys". De koperslagers werden daarop 
in den Raad ontboden, en hebben waarschijnlijk op zich genomen het werk in dier voege 
uit te voeren. Er werd althans besloten, dat de bekleeding van de spits met koper zal 
plaats hebben. — In bovengemeld handschrift leest men daaromtrent : „de Regenten van 
„de L. Vrouwen C^zppelle, met assum/^ van de Borgem^'é'j/^en en oudt-Borgem^é'^/^ren, 
„op den 30sten May, 1655, z;^fgadert sijnde, hebben, allvoorens oculaire inspectie van 
„een proefie van cooperslaghers op den toorn genomen hebbende, eenpaerich goedge- 
„vonden, het nieuwe gemaeckte spits met deckplaten van kooper in plaetse van loodt te 
„beklee^/é^w, waerop sij voorts door haer Gecommit/<?^fdens, DOMSELAER en Bronchorst, 
„int bijsijn van een kooperslagher JoosT Jansen Baecken, kooper, daertoe noodich, tot 
„Amsterdam hebben gedaen koopen, omme het selfde alsoo te volbrengen." 
Het volgende Chronicon werd daarop gemaakt: 

Het Cooper nolt Vergae Vant spits soo braef geMaeCkt, 

'k Wensch U geen tilt Verteer, noCh Wint, noCh Vueren raeCkt. 

Benevens de volgende wensch: 

Faxit deus, ut hoc monumentum sit aere perennius. Geve God, dat dit monu- 
ment langer dan het koper besta. 

Het handschrift vervolgt in dezer voege: Het Cruys van (den) Toorn isgemaeckt 
tot Amsterdam bij WiLLEM Hermansz van Till, weegende 750 ponden, sonder veeren, 
te samen, yder pont is aenbestaedt voor twaelff sts : daer onze amersfoortsche smits het 
pond hadden verlaeten voor 18 sts. In margine: yder pondt kooper gekoft tot 14 sts., 
en bescheyden yder pondt van snipperingh te moeten aennemen voor 10 sts. 

't Voorseide Cruys mette spil sonder de veeren is hoogh iiVj voeten, breed 8 
voeten, de veeren sijn langh 5 voeten, de spill is int geheel lang 23 duym en schiet 15 
duym int lichaam van den haen; desen haen is langh 4)^ voeten, hoogte 3^^ voeten en 
breed 6 duym in sijn borst. Den haan is iio pondt swaer. 

Den appel is wijdt 3Y2 voet en hoogh met de kroon 4 voeten, weegt 72 ponden. 

't Kruys 750 pond 
D'haen iio „ 
D* appel 72 „ 
932 „ 

Het staat wel niet vermeld, dat het zeer belangrijke werk, zonder tegenspoed, over- 
eenkomstig de gestelde eischen en naar genoegen volvoerd werd, maar wij mogen veilig 
besluiten, dat zulks het geval geweest is, juist, omdat wij niets bijzonders omtrent het 



136 DE ONZE LIEVE' VROUWE TOREN TE AMERSFOORT. 

verloop en den afloop der restauratie vermeld vonden. Neerlands Dichter, J. V. D. VONDEL, 
heeft, waar, naar het schijnt, ieder gezwegen heeft, het groote werk herdacht 

Hij [God] treft door 't Vier de Kroon van haaren schoonen Tooren, 
Nu heerelijk herbouwd en in den top voltoit. 

De Nachteg. van Amersfoort, 

De gelden, benoodigd tot goedmaking der kosten, alsook tot blijvend inkomen 
van de Kapel en den Toren, werden gevonden uit een belasting op de doodkisten. ^) 
Van iedere doodkist, die door de timmerlieden werd afgeleverd, moest tot dat doel eenig 
geld gestort worden, dat, in cas van onwilligen, door den deurwaarder van het kwartier 
„bij parate executie en tot kosten van de gebreeckigen" kon ingevorderd worden. Ziehier: 

Eyckenkisten.^'* 

Daerboven de Capelle 
Gld. sal genieten. makende tsamen 

Dat den maecker van een groote eycken 
overhoefde doodkist s wart geverft sal genieten 9 — i — 4 — . — 13 — • — 

Van een eycken kist als voorens, lang 
S voeten 6 — i — 2— . — 8 — . — 

Van een een eycken kist, als voorens, 
lang 4 voeten 4 — 10 — i — 10 — 6 — . — 

Van een eycken ongeverfde overhoefde 
groote kist 8 — . — 3 — . — 11 — . — 

Van een ongeverfde eycken doodkist 
langh 5 voeten 4 — 10 — i — 10^- 6 — . — 

Item van eene langh 4 voeten 3 — 10 — 1 — 5 — 4 — 15 — 

Van een eycke platte en de groote 
doodkist 6 — . — 2 — . — 8 — . — 

Van een van 5 voeten 4 — . — i — 10 — 5 — 10 — 

Van een langh 4 voeten 2 — 15 — i — 5 — 4 — • — 

Vuyre kisten. 

Van een overhoefde groote vuyre kist 4 — 10 — i — 10 — 6 — . — 

Van een platte groote kist 4 — . — \ — . — S — • — 

Van een langh 5 voeten 2 — 15 — — 15 — 3 — ^^ — 

Van een langh 4 voeten of daaronder, i — 10 — — 10 — 2 — . — 

1) Re%oluticb. 1652, 12 Januari. De Regeerders resolveren in crachte deser, dat de timmerluyden nyet en sullen 
vermogen eenige dootkisten te leveren, anders als volgens schriftelijke ordre cnde laste van een der Borgemecsteren, ofte 
in derselver absendc van den eersten Schepen, ende Raedt, met expressie van de namen voor wyen, de tijdt waaneer, 
ende qualiteyt van de persoon, ende dat voor een groote doodkist in voegen \ooTseid gelevert, nyet meer gevalidcert sal 
worden als een gulden thyen sts., ende voor een kleyne vijfthyen sts. ofte twaelf sta., naer proportie, de spijckers daer in 
gereeckent, die ten dien regarde tot laste van de stadt nyet gehaelt sullen mogen werden.. 



DE ONZE LIEVE VROUWE TOREN TE AMERSFOORT. 137 

In 1657, 28 Sept. klaagden NiCASlus Lenardtz en Peter Woutersen van 
Lookhorst, stadstimmerluyden, er over, dat hun bij resolutie van 12 Jan. 1652, te 
weinig was toegelegd voor het maken en leveren van doodkisten voor arme luyden. 
Daarop werd den 29**«° Maart, 1658, vastgesteld, dat een kist van 6 II y voeten lang, 
in plaats van i gld. 10 sts., zal worden betaald met 2 gld. ; een kist minder dan 4 tot 5 
voeten, zou gelden i gld. 5 sts.; mitsgaders voor de kleinste tot onder de vier voeten 
15 sts., in plaets voor een kleyne vyftien of twaelff sts. naer proportie, de spyckers 
daerinne gerekent, die ten dien regarde tot laste vfin de stadt gehaelt noch gebracht 
sullen mogen worden. Gelijk men ziet, was het eert zuinige tijd. Tot op de spijkers voor 
de doodkisten werd nauwkeurig acht gegeven. 

Op den 6^«* Mey 1726 klaagden de Regenten van de L. V. Kapel, dat de invor- 
dering van dat Reglement was genegligeert, en buiten usantie en effet gekomen, waarop 
door de Magistraat besloten werd, dat gemelde Resolutie van kracht soude blijven, en 
in dezer voege geampliëert worden: 

Voor de maker ^oor de Kapel, 
van de kist. '^ 

van een groote overhoefde greene kist swart gevervt. . . 5 — . — 2 — . — 

van een greene platte kist als vooren 4 — 10 — i — 10 — 

van een greene kist als vooren groot 5 voeten 3 — 5 — i — S — 

van een langh 4 voeten 2 — . — i — . — 

van een kinderkist van drie en vier maenden 15 — . — nihil. 

off 16— I— 

Deze prijsbepalingen werden op verschillende tijdstippen herhaaldelijk gewijzigd. 

In 1657, den 2^^^ Nov., werd een belangrijk besluit genomen. Door de „Heeren 

„Henrick van Ommeren, Rentmeester in de L. Vrouwe Capelle, Do' Henrick van 

v»ScHAAK, dispensier aldaer, uyt crachte van speciale commissie van de Regenten der- 

vjselver Capelle, geassisteert met Jan Mom en Henrick van Outerff, mede-regenten 

„aldaar, en op approbatie derselver Regenten, mitsgaders van de Heeren Regeerders deser 

„stad ter eenre, en Franco YS Hemonij ter andere zijde," werd een overeenkomst gesloten, 

waarbij Hemonij zich verbond te maken en „alhier ter Capelle te leveren op syn eygen 

„kosten, sonder buytenwerck, een nieuw klockspel, by hem opgegeven te wegen omtrent 

„ses duysent, twee hondert pont Amsterdamse gewichte, en dat soo suyver en van soo- 

„danigen accorderende toon ende resonantie, datter geen ander beter speelwerck -in dese 

„Nederlanden sall worden bevonden, t'oordeelen en t'approberen bij onpartijdighe meesters 

„en musicyns, hun dies verstaende, ende bij de Regenten voornoemt daertoe te kiesen 

„en te assumeren." Hemonij zal mede gehouden zijn „den'jegenwoordige groote clock, 

„aldaer mede t'synen costen, soo nae en soo goedt als doenlicA is, mede op synbehoor- 

„lyke toon, int selve «speelwerck Ie brengen en te bequamen, mits dat hem tot het be- 

18 



138 DE ONZE LIEVE VROUWE TOREN TE AMERSFOORT. 

„quamen derselver Clock bij de Capelle sullen worden bij geboeckt, (lees : gevoegd) een 
timmerman en „smith tot hetselve werck noodig en vereyst." 

Het werk zal binnen anderhalf jaar, „ten langesten van date deses" opgeleverd 
worderi. Voor ieder pond klokspys, Amsterdamsch gewicht, door hem te leveren, zal 
Hemonij ontvangen achttien stuivers, mits hij daarentegen ieder „pont spys ter selver 
„gewichte der oude klokken en clockgespel in betaelinge en affslagh aenneemt tot tien 
„stuyvers." Kwam tijdens de leverantie der oude klockspijs de prijs hooger te staan, 
dan zou dat meerdere ten yoordeele der Kapel strekken, en zal Hemonij gehouden 
zijn die tot dezelven meerderen prijs te nemen. De betaling zal geschieden in vier 
termijnen: een vierde bij het opnemen van het werk, een vierde een jaar daarna, een 
vierde wederom een jaar later, het laatste vierde gedeelte wederom een jaar later, zoodat 
de afbetaling plaats heeft binnen den tijd van drie jaren na de levering van het werk, 
zonder bijberekening van interest, behoudens een recognitie voor de huisvrouw van 
Hemonij en zijn knechts „tot discretie van de Heeren Regenten bij den eersten termijn 
„te furneren," enz. 

Volgens V. Bemm., I. blz. 143, werd reeds in het volgend jaar 1658 het klokken- 
spel in den toren geplaatst. 

Het speelwerk was echter niet geheel voltooid. Blijkens het Raadsbesluit van 1661 
20 Mei, ,,deficieerde eenige groote clocken ofte bassen, eer hetselve compleet was, waer 
„toe het alreecje gemaekte werck oock was aangelegt, waerdoor het geoordeelt soude worden 
„voor een van de frayste, heerlyckste, harmonieuste en van de eelste resonantiie, dat by 
„Francoys Hemony gemaeckt soude syn." Wijl echter „de Capelle aireede aent voor- 
y^seide werck merckelycke onkosten heeft gedaen en tyt van doen heeft van haer te ver- 
„haelen'* werd „geproiecteert" dat de stad voor den tijd „van z^s of langer jaren de 
„interesse zoude betalen van de Capitaelen," die tot het laten vervaardigen van die klokken 
noodig waren, 

Henrick van Ommeren werd diensvolgens door de Regeerders gemachtigd, om 
met Hemonij over de kosten van de verlangde klokken in onderhandeling te treden. 
Deze bracht den S***° Aug. rapport uit. Hemonij had twee voorstellen in schrift gebracht. 
Ten einde een „compleet accoort van 't jegenwoordighe nye speelwerck" te verkrijgen, 
moesten de clocken vermeerderd worden met vier bassen, wegende 10,000 pond, het pond 
tegen 17 sts., te zamen gld. 8500 — — ^ met vermindering van „den als nu wesende 
„uyrklock tot omtrent 4000 pond k 10 sts. per pond, dus gld. 2000 — o — ." Nog een 
ander voorstel werd door Hemonij gedaan, om namelijk „drye Bassen tot 6100 pond, het 
„pond als vooren, dus tot gld. 5185 — o — onder aftrek van de uyrclock totgld. 2000 — o — 
„te leveren." Er werd een commissie benoemd, om nader over die voorstellen te beraad- 
slagen. Het duurde tot den 6^«> Juüj, 1663, eer de zaak weer ter sprake kwam. Er werd 
medegedeeld, dat RUTGER EVERTZ, als rentmeester der Capel over het jaar 1662, „bij zijn 
rekening gehoort en gesloten den 6^^^ Mei, 1663," een tekort had opgegeven van gL 1993 — 8 — 6, 



1 



DE ONZE LIEVE VROUWE TOREN TE AMERSFOORT. 139 

„boven de renten van de aireede genegotiëerde capitaelen tot het opbouwen van Toorn, 
„koopen van nye kloeken en Ton cum annexis, die de Capel dagelycx drucken en onder- 
„houden." 

Op het voorstel van Mr. Jacob van Horsevoort, organist en klockenist alhier, 
had Hemonij goedgevonden, dat de grootste klok in St. Joris-toren alhier voor de grootste 
bas zoude worden gebruikt, en onder den toon gebracht, en de tegenwoordige uurklok 
van de Kapel in de plaats worden overgebracht, „blijvende in restant de drye minder 
„bassen, wegende ses duysent, vyf hondert pond, het pond als vooren, makende vyff 
„duysent, vyf hond*, vyf en twintig gl. boven alle andere oncosten, die soodanighe wercken 
„nootsakelyck mede slepen." Na omvrage, hoofd voor hoofd gedaan, werd besloten het 
„speelwerk .op de L. Vrouwen Toren te suppleren met vier bassen, daartoe gerequireert 
„doende ten dien einde de groote clock van St. Joris Kerck, en de uyrclock van de L. 
„Vrouwen Toorn weder aldaer, indien het geen belet aan 't geluy van St. Joris-Kerck 
„soude komen te veroorzaken." De Regenten van de L. Vrouwe Kerk werden gemach- 
tigd de noodige gelden te negottóeren, terwijl de Regeerders beloofden, gedurende den 
tijd van zes jaren, of totdat de Kapel in beter staat zoude gekomen* zijn, de renten te 
zullen betalen. ^ 

Reeds den XXVII»*«»» Aug. werd dit besluit in dezer voege gewijzigd, dat besloten 
werd de klok in St Joris te laten waar zij was, en ten spoedigste over te gaan tot het 
laten gieten van den vierden bas. De klokkegieter Hemonij en de horlogemaker Spraekel 
hadden, toen Dor. Henrick van Schaak, Rentmeester, en Henrick van Ommeren te ' 
Amsterdam waren gekomen, om de drie bassen in ontvangst te rjemen, moeilijkheid ge- 
maakt over het transporteeren van den klok uit St, Joris-kerk in de L. Vrouwe Kapel, 
en vice versa. Het gelui van St. Joris zou niet verbeteren, en na drie, vier jaren zou 
men toch wel besluiten, om een nieuwe klok te laten gieten. De stadstimmerman maakte 
insgelijks zwarigheid omtrent het doorzagen van eenige balken en andere verzwakkingen, 
die de toren zou ondergaan. Er werd daarom besloten, om ook den vierden bas of klok 
te laten maken. 

Hiermede was de zaak nog niet afgeloopen. 

Den I2den Oct. deelden de Reenten van de L. V. Kapel mede, dat de Borgers 
en Inwoonders inclinatie hadden tot „z;^rblijf van de uyrclock in plaets van te versenden, 
„om versmolten te worden". Zij stelden daarom voor om gemelde klok te gebruiken tot 
een „luyklok, onder een recognitie van vier gid. boven het loon van treckers bij die 
„geene [te betalen], die gemelte clock sullen willen doen luyen, welverstaende, dat de 
„penningen, die de clock sa] komen te renderen, te weten tegen lO sts. het pond, sall 
„komen en blijven tot laste van de capelle". Dit voorstel werd aangenomen. 

Zoo kwam de stad in bezit^van een klokkespel, dat door kenners als zeer fraai en wel- 
luidend geroemd wordt. In onzen tijd bevinden zich daar 33 klokken, op welke met hoofd- 
letters de volgende randschriften te lezen zijn: 

18* 



140 DE ONZE LIEVE VROUWE TOREN TE AMERSFOORT. 

1 Heelslagklok. -j. Zoo menigmael gij hoort den beld'ren dockeslach, gedenk 
aendachtelijck acn uwen jongsten dach. H. van Schaak, reatmr. en H. VAX 
Ommeren dispens. deser CappeL Anno 1663. Amersfoort. 

2 Halfslagldok. -j. Dum campana sonor, properantem advertite mortem. Fkak- 
CISCUS Hemony me fee. Amstellodami. A^ 1662. 

3 + Grata est angelicis mea musica mixtca choraeis. F. Hemony me fecit, 
Amstellodami, anno domini 1662. 

4 + Dulcior e nostris resonat tinnitibus aêr. Franciscus Hemony me fecit. 
Amstellodami. A* 1662. 

5 + Laudabo nomen Dei cum cantico et magnificabo eum in laude. F. Hemony 
me fecit anno domini 1659. 

6 + Cantate Domino canticum novum id. 

7 + Sit nomen Domini benedictum. id. 

8 + Laudate Dominum in cymbalis benesonantibus. id. 

9 + Anno Domini 1659 Franciscus Hemony me fecit. 

27 en 28 „ „ MDCLIX fecit 

29 en 30 Anno Domini MDCLVIII fecit. 

31 D. Grave Amsteldam 1725. 

32 Melchior (verder onleesbaar.) 

33 Petrus Hemoni me fecit anno domini 1674. 

De vier klokken, die het eerst genoemd worden, zijn blijkens het jaartal, de vier bassen, 
die in 1662 en 1663 aan het klokkespel werden toegevoegd. Bij besluit van de Magistraat 
den 5 den Sept. 1725 is de Kapel nog vereerd met drie klokjes, die aan het geheel 
ontbraken, en den 3den Octob. te Amsterdam gekocht werden. Aan den klokkenist Han 
werd in het volgend jaar, 1726, den 26sten Mei, voor diensten aan deze stad (waar- 
schijnlijk bij gelegenheid van het aankoopen dier klokjes) bewezen, een geldelijke belooning 
van 52 gld. 18 sts.. toegekend. Van de klok No. 31 is vermeld, dat zij in 1725 te 
Amsterdam gegoten is. Misschien geldt zulks ook van No. 32. Een derde klokje uit 
dien tijd blijft onvermeld. 

Uit het hierboven medegedeelde blijkt, dat er reeds in oude tijden in den L. V, 
Toren luiklokken hebben gehangen. De kokergaten voor de touwen zijn nog aanwezig. 
Ook schijnt de toren reeds vroegtijdig voorzien te zijn geweest van een uurwerk. In het 
Resoluiieb.^ 1601, 6 Junij, leest men, dat de reparatie van het uurwerk in de L. V. Kapel 
wordt aanbesteed aan twee personen. Men zal toch hier het woord toren in plaats van 
kapel moeten lezen. Zulks blijkt daaruit, dat volgens VAN Bemm. I, 144, in dat jaar 
twee nieuwe borden en wijzers aan de Oost- en Westzijde geplaatst werden op de hoogte, 
waar men óaq, tegenwoordig nog ziet. Er hebben dus reeds vroeger borden en wijzers 



DE ONZE LIEVE VROUWE TOREN TE AMERSFOORT. 141 

gehangen. Misschien niet op dezelfde plaats. Volgens het Resoluiieb.y 1641, 16 Aug. 
,verstaen de Regeerders, dat de Regenten van de L. V. Capelle metter eersten sullen 
,doen vermaecken 't uyrwerck van dezelve kerck en tselve mede augmenteren met twee 
„groote «wijzers, te stellen op de ledige zijden neffens de wijsers aldaer ]Qgtnvfoordich 
y^wescndej tot welck werck en in de costen van dien de stad deselve Capelle sal te gemoet 
commen". Die borden en wijzers werden geplaatst aan de Noord- en Zuidzijde. 

Een nieuwe ramp trof den toren in 1683. Op den 7den Febr., juist op denzelfden 
dag, waarop ook voor 32 jaren zulks had plaats gehad, sloeg de bliksem weder in den 
toren. Reeds was de spits aangestoken en irt brand, maar gelukkig werd het vuur in 
tijds gebluscht. BarthOLEMEüS VAN StrüYVENBERG, in dat jaar Penningmeester van de 
L. Vrouwe Capelle, verhaalt, dat het vuur zoo hevig was, dat alle draden en andere 
werktuigen, noodig tot het klokkespel, gesmolten waren. In de volgende rijmregelen 
werd door STRÜYVENBERG dit voorval vermeld: 

God liet een donderslag seer vreeselijk ons hooren, 
Die met een wolk vol vuyr neerborst op Kerk en Tooren 
Ja stakse beyd* in brand tegen de swarte nagt, 
Met een Noordwesten Storm, en 't hagelden met magt 
Soo dat een yegelijk daar stond met schrik en beven 
En dagt dit kost de stad en menig menach sijn leven. 
Maar Gods barmhartigheid door zijne sterke hand 
Wend sijnen Toorn van ons Tooren die daar brand 
En spaart de Kerk en Stad Miraculeus waaragtig 
Och Zielen vreest den Heer, die groote God Almagtig, 
Die door de wolken voert sijn Hcmelsche Canon 
En in een oogenblik het al vernielen kon. 

Het duurde tot 1686, eer men er toe overging, om de schade door den bliksem 
aangericht, te herstellen. Daar men van een restauratie echter niets vermeld vindt, schijnt 
de schade niet groot te zijn geweest Gedurende geruimen tijd vindt men geen bijzonder- 
heden omtrent den Toren vermeld. In de Novembermaand van 1787 werd, gelijk hier- 
boven reeds gezegd is, de L. V. Kerk geheel en al vernield, zoodat zij voor het vervolg 
onbruikbaar was. Gelukkig bekwam de toren geen schade. Wel werden er herhaaldelijk 
pogingen aangewend om van de Provinciale Staten de noodige gelden tot wederopbouw 
te verkrijgen, maar deze haastten zich niet; de zaak werd op de lange baan geschoven, 
en raakte, onder de drukkende omstandigheden van het begin dezer eeuw, in het vergeet- 
boek. Zonder dat iemand in verzet kwam, werd vermoedelijk omstreeks 1805 ^e L. V. 
Kapel voor afbraak verkocht. 

In 1802 werd bij gelegenheid van het vredesverdrag tusschen Frankrijk en Enge- 
land, de O. L. V. Toren op den Ji*'*** Mei door middel van lantaarnen geïllumineerd. 

Inmiddels was de Toren in het jaar 1803 op nieuw door den bliksem getroffen. 
De bliksem was op den derden omloop ingeslagen. Als mede-Regent van de L. V, Kapel 
stelde Mr. E. Methorst voor aan den Raad, om een bliksemafleider op den toren te plaatsen. 



142 DE ONZE LIEVE VROUWE TOREN TE AMERSFOORT. 

In 1804, 22 Feb., schijnt er brand in den txwen te zijn geweest Aan Gerrtt 
DE Jong, Andries Nisters en Ryk Cruyf, die zich bij het blusschen verdienstelijk 
hadden gemaakt, werd met een gepaste aanspraak van den President een zilveren tabaks- 
doos vereerd. Op de doos stond het wapen van de stad gegraveerd. Wederom wordt er 
gedurende verscheiden jaren geen melding gemaakt van den Toren. Op den 4<*«* Julij 1854 
nam de Raad het merkwaardig besluit, om tot afdoende restauratie over te gaan. 
Aan de stadsfabriek werd opgedragen, het doen herstellen van het kleine torentje, 
aan den derdeq omloop van den L. V. Toren. Bijna ieder jaar werd een gedeelte van 
den Toren, die er zeer vervallen uitzag, vernieuwd. De verweerde steenen werden uit- 
gehakty nieuwe steenen ingevoegd, terwijl de sieraden in den Grothischen stijl en zooveel 
mogelijk van Bentheimer steen vervaardigd werden. Verscheiden jaren duurden de werk- 
zaamheden voort In 1877 waren zij afgeloopen. Die restauratie was aan de gemeente op 
een som van meer dan gld. 26,000 te staan gekomen. In het Verslag van den toestand 
dér Gemeente over het jaar 1882 leest men, dat er binnen een paar jaren eenige herstel- 
lingswerken vereischt worden aan de lichte steenen tüsschenpijlers tusschen den tweeden 
en derden omloop, welke thans door ijzeren staven en knelbanden bij elkander wordea 
gehouden, doch waartusschen de steen geheel verweert en vergaat. Volgens het Verslag 
over het jaar 1886 verkeert de toren, over het algemeen, in voldoenden staat Eerlang 
zal, voor zooveel betreft de tusschenpijters en het k jour gedeelte, tot belangrijke ver- 
nieuwing moeten worden overgegaan, om te voorkomen, dat groote brokken steen uit- 
vallen. 

Amersfoort, 26 Mei, 1887. 




ARENT VAN BUCHEL'S RES PICTORI^, 

AANTEEKENINGEN BETREFFENDE KUNST EN KUNSTENAARS. 



DOOR 

VAN RYN. 




ÏP den 17" Maart 1565 werd te Utrecht de man geboren, die alscommen- 
tator van Beka en HeDA's: ^Geschiedenis van het Utrechtsch bisdom" 
de meeste bekendheid heeft gekregen. In 1641 overleden, werd er, 
volgens het Tijdschrift van Utrecht, in de Geertekerk aldaar een graf- 
schrift voor hem opgehangen, waarin zijne rechtsgeleerde werkzaamheid 
zoowel als de arbeid aan Beka'S werk werd verheerlijkt. Volgens de mededeeling van 
den Heer Dodt van Flensburg en A. A. F. is er omtrent zijn leven betrekkelijk weinig 
bekend. In de gelegenheid uit '3 mans eigen aanteekeningen het bewijs te leveren van 
zijne groote belangstelling in al wat de hollandsche zoowel als de buitenlandsche schilder- 
kunst betrof, is het, naar ik meen, niet ondienstig, om die aanteekeningen door den druk 
algemeen bekend te maken. 

Al deze aanteekeningen zijn geschreven op reeds gebruikt papier, dat thans door 
tijd en vocht niet weinig heeft geleden. Nu doet een brief van hemzelven, dan een van 
zijn zwager VORSTius, dan weder een van Walraven van Zoudenbalch daartoe dienst 
Het schijnt mij toe, dat hoeveel hier ook reeds gegeven wordt, nog meer is te loor 
gegaan. Het is nauwelijks aan te nemen dat een man, die reeds in 1605 opschreef wat 
hem merkwaardig voorkwam, eerst weer in 1620 daarmede zou zijn voortgegaan. 

Van Buchel schreef zijn eigene opmerkingen en aanteekeningen vrij onregelmatig 
dooreen, en tusschen uittreksels uit werken als VASARI, VAN MandER, OpMEER e. a., waaruit 



144 ARENT VAN BUCHEUS RES PICTORLE, ENZ.' 

hij ter gemoetkoming van zijn geheugen uittreksels maakte. Veel kon er alzoo uit het hand- 
schrift weggelaten worden, en wat er overbleef werd gerangschikt in twee afdeelingen, als : aan- 
teekeningen over schilders, en aanteekeningen over schilderijen en prenten, die hij zag bij 
enkele kunstliefhebbers of kunstkoopers van zijn tijd, wier oordeel hij niet zelden aanhaalt. 

Stellig heeft hij nooit de bedoeling gehad ze uit te geven, gelijk ik het thans doe. 
Was hij daartoe overgegaan, dan zou hij het latijn voorzeker aan eene revisie hebben 
onderworpen, waartoe ik mij bij deze uitgaaf niet gerechtigd achtte. 

Omtrent van Buchels leven, vóór hij als advocaat bij de Staten van Utrecht 
optrad, bezit men niet veel gegevens. BüRMANS Trajectum Eruditum wordt in den regel 
nageschreven. Hij was een natuurlijke zoon van Arent van BüCHEL, den oude, kanun- 
nik van St Pieter te Utrecht. Zijne moeder Brigitta EVERTSdr. huwde later met 
Jan Rüysch, van wien zij weduwe was in 1590. De volgende aan zijne moeder gerichte 
brief verspreidt wellicht eenig licht over de wijze, waarop hij zijne reizen door vele landen 
van Europa maakte. Toen hij dien brief schreef schijnt hij secretaris van een of andere 
voorname familie te zijn geweest. Te betreuren is het, dat de schrijver in den brief noch 
den naam der familie, noch de plaats van afzending vermeldt 



Aen den Eersamen Brigitta, za. Jan Ruysch Adr 
Weduwe, woonende in de 



Dat ick noch gesont ben, beminde, moeder en hebbe ick V. L. niet connen lafen 
te scrijven, daer ick Godt aflF dancke, endehoopedatU.L. met mijn sustersende alle andere 
goede vrunden oeck bent Voorts hebbe ick ontfangen een briefken van mijn nichte DE 
Lange welcke mijn scrijft (soo mijn oock vAN Dam mette mont geseyt heeft), dat de 
Heer VAN Boxtel haest wilde opwart reysen ende mijn nog wel soude begeeren met 
hem soe het soe gelegen ware ende ick met eeren hier vandaen conde comen, waervan 
ick hem seer bedancke, maer en soude dat met geender eeren connen doen, ende all 
hoe wel dat het soe is, dat, soo ick de gelegentheyt van te voren soo wel geweeten hadde 
als nu, ick de Heer VAN BOXTELS dienst soude geprefereert hebben, soo wast nochtans 
dat ick dies gans onseecker was ende mij aen den eersten begaffdueraengeven van VlANEN 
ende prijsens van sommige. Waer inne ick mij nu moet contenteren tot gelegender tijt. 
Want ick hier met geen consent en soude connen scheyden, eii sonder consent ofte hey- 
melick te verreysen soude mijn viantschap aen mijn heer maecken, en die geenre, die mijn 
ter goeder trouwen gerecommandeert hadden schaempte. 

'..... het welcke soo ick hoope, door mijne occasie sall. Wan- 
neer ick hier etlicken tijt soo 't mij als dan niet beeter aen en staet 

mag ick met vrindtschap scheyden ; 't can oick comen, dat het tsindert die tijd verandert 



ARENT VAN BUCHEL'S RES PICTORI^, ENZ. 145 

en mij beet er dese staet aenstaet. Mijn vrouwe heeft mij belooft een ander camere op te 
doen stellen, daer ick alleen mach sijn, want haer seyde nyet soo te connen scriven. Het 
is een goede vrouwe dan wonder nueswijs ende mijn Heer houdt wonder van hem selven. 
Het avancement is cleyn, daer ick sie, dat yemand van hunne dienaers (oick die daer over 
twintich iaeren hebben gewoont) mede gerecompenseert is, de proufijten noch cleynder 
soo dat ick mij daer niet op en sall connen onderhouden. Ick soude meer scriven dan 
de tijt valt mij te cort, soo Santwijck terstond gaat verreysen met wiens iongen ick 
deesen brieff sende. Ick soude mijn nichte ende Jan RüYSCH oock gescreven hebben dan 
en.hebbe de tijt nyet gehadt. Wilt desen anderen brieff aen DE WiT bestellen. Wilt dese 
quytancie mijn swager doen, soe hij het geit van CORNELISZ Adriaensz crijcht. Vaert 
wel en gruet mij mijn Swagers ende suster, Jonckheer RüYSCH met allen haer familie, 
iTTERVOORr, CORNELIS VAN WijCK ende alle andere guede frunden. Mitter haest den 
XIIIJ Juli op den nieuwen stijl Anno XV XC 

Aernt van Büchell, V, L. 
Zoon, wes ick vermach. 

Ik voeg hier twee brieven bij van BuCHELS zwager, den hoogleeraar in de genees- 
kunde E. VoRSTIüS, die enkele aardige bijzonderheden voor zijne biografie en voor de 
zeden van dien tijd bevatten, en een brief van Jonkvrouw Walraven van Zoudenbalch, 
die een proefje geeft van den stijl van stichtsche dames van hoogen stand. 



Swager BUCHELL, Wij hebben gisteren U. L. brieff door den scipper on vangen, en 
daerbij alle hetgeene dat ghij met hem gezonden hebt Wij sijn alle in redelijcken doene, 
dan mijn huysvrouw claccht seer, en heeft een moeijlijcke dracht. Godt gheve, dat sij 
bliede moeder mach worden, ick bin daer al wat in beswaert. De schout van Cortenhoven 
en is niet bij ons geweest ende de Valckenburgse merkt is al over, alsoo dat hij U. L. 
ende ons mit lueghen payt. Wij hadden ons rekeninghe op dat geit gemaeckt. Want 
mijn huysvrou twee bedden gecoft heeft, en daarbij is het Lettikant over gecomen. 

Wouden daerom wel, dat gij ons mit brenger dezes 4 ofte 5 pond groot condet 
oversenden, naedien wij het grootelijcks van doen hebben ende die craem van mijn huysvrou 

voor de handt is. Het cruysbeelt en heeft noch niet con aen veelen 

alhier. GOORLE en begeert het oyck niet Wij sullen ons beste doen. Ick sende 

U. L. hier wat saet voor Tulipans voor ons Cousin Gerrit Jansz, wilt hem seggen datt 
D. Clusius mij die heeft vereert, ende sijn van de allerschoonste. Ick hadde U. L. veel 

te schrijven dan den tijt en lijdt het nu niet Prima occasione. ... de rebus 

tecum agam. Mit haeste desen XVI J" Septemb. 1601. 

V. L. dienstw. Swager 
Salutabis conjugem et £ VORSTlüS. 

reliquos amicos omnes. 

19 



146 ARENT VAN BUCHEL'S RES PICTORIiE, ENZ. 

Wijsen discreten Mr. Arendt van 

BüCHEL, Advocaet voor den Hove van Utrecht 

op de niew graft bij de Bri gitten. 

Swager Büchell, lek zende U.E. hier in geslooten de somme van negen ende 

vijftich rijnsche gids. te weeten 34 gl. van de lijffrenten tot Delff, waer aff getrocken zijn 

de 7 gl., die ick aen Bassen verschoten hebbe. Noch 25 gulden die ick sende omde 

stoelen te betaelen, die mijn huysvrou aldaer heeft laeten maecken, maeckt samen 59 gl. 

Het geit van Jan van Straeten en hebben wij hier niet ontfangen, nochjACOB 

PiETERSZ en heeft daer oyt van vermaent, daerom zal U. L. dat aldaer van Straeten 

selffs ontvangen gereedt sijn zende die mit eerste gelegentheit mit het huyflTken 

van Petronella en het paruyck- van mijn huysvrou. Wilt ons mede laten weeten oft 
u.1. die 220 g. aen den camelaer op lijffrenten gedaen heeft ofte niet. 

Reliqua hic more solito se habent. De obsidione Graviensi incerta adhuc omnia 
Hostis in propinquo est et ne discriminis plena videre. Si fieri potest cumUxorehac. . . 

Lugd. Bat. 1602. 15 Aug. Totus affect. E. VORSTIUS. 



Weet Lieff neeft als dat mijn op huyden geseyt is van een mecht voor mijn die 
van CuyllenbüRCH van geboerte soude sijn ende ToENKEN, die vrou van CüLLENBURCH, 
soude haer meu sijn, ende wort hier seer gepressen, ende souden hebben gewoent in een 
brouwerij ende drye jair tot een die vettewary houdt veyl, hier bij die Raetheer LOEN, 
daer sij grooten arbeyt gedaen heeft, ende oock soude sij ander halffjaergewoont hebben 
tot die Raytsheer LOEN, dat mijn qualyckstx aen staedt, dan nyet te min begeer off gij 
er te Cuyllenburch eens na vereyssen wilt mit den eerste mijn sulckxbescheyt ofscrijven. 
Sij heyt Marij ende Toenken van Cuyllenburch is daer meu over. Mij is lieff als dat het 
Godt danck nu te Cuyllenburch weer wel gaet. Wij sijn hier versien ende verwachten 
noch meer, dan Godt hoep ick sal ons hulp sijn. Mijn man laet u wetten datter nouwelijck 

torff in Utrecht en is te crijgen. Buren heeft u van daech hier gesocht en moet U 

saecken met sal. Ick begeer gij nyemant van de mecht 

en segt dan mijn susters. Laet mijn soo haest bescheyt wetten als gij moecht. Mijn man 
en ick gebieden ons aen mijn susters en U huysvrou ende May. Blijft Godt bevolen. 

Wt Utrecht Den XXV Febrewarij. 

U nijcht Walraven van Zoudenbalch. ^) 

Desen bryeft zalmen geven 

Jan Ruysch Adryaenssz, 
Myn Lieff neeff tot 

Cuylenburch. 
Den brenger sijn Loen. 



1) Zij was de echtgenoot van Johan Ruysch van Pijlsweert. 



ARENT VAN BUCHEL'S RES PICTORI^, ENZ. 147 



A. BIOGRAFISCHE AANTEEKENINGEN OVER SCHILDERS. 

Ant. Blocklandus, Delphus, tabulas decorabat, cuius dum varia distihcte refert 
nova signa colore. Cedit Apelles a Cyprio picta manu. Decori etiam suis fuere Amsterodamo 
oriundi TheodorüS Bernardi, Titiani Veneti discipulus, et JODOCUS JOHANNIS, statuarius, 
quorum hic spirantes finxit de marmore vultus, ille oculos pictis fallit imaginibus. 

HenricüS Ter Brug, pictor Ultrajectensis mortuus initio novembris 1629. 

Abr. Blommart. Magni nominis apud omnes precipuè exteros, cuius artem 
frustra verbis conetur aliquis extollere, quod opera eius et facta videamus, tam excellentia 
ut omnia reprehensione sint maiora et quod cum priscï saeculi operibus componi possint. 
Inventione est uber et varius, dispositione (quod artis vocabulo „ordinantie" vocant) venus- 
tus, colorum distinctione vividus, cete;nm omnibus in pictoria dotibus absolutissimus ; 
quamvis seipsum in dies adhuc superat et cum virili aetate quum crescere ei incipit in 
eodem ars ipsa pingendi haud exiguum faciat incrementum. 

Aegidius ClaessoniüS, pictor domesticus Alex . Farnesii placent ducis 

exinde sequentium gubernatorum, demum archiducum pictor; habuit duos fratres Antoniüm 
et PetrüM, in eadem arte excellentes. 

CORNEIJUS CORNELII, Harlemejus, praestantis in hac arte industriae vir et quem 
Batavi non verenter praeferre omnibus huius aevi pictoribus. Attamen est ille superiores 
in inventionis praesertim dispositionibusque gratia, verum coloribus apte coUocandis pingen- 
disque nulli profecto secundus, ita eius pictura vita ipsa non specimen dare videntur. 
In florida est aetate. J. W. ^) 

Ponendus hic quoque KETEL, pictor non ignobilis, felix ad presentandum ad vivum 
lineamentis. Adhuc vivit. 

Henricus VltraiectinüS, *) statuarius nobilis, qui ob singularem in arte statuaria 
peritiam Amsterodamum a S. F. Q. Traiecto vocatus ibidem publico honorario detinetur. 

Fuit et Aertgen van Leyden, summi ingenii pictor, a summis sui aevi pictoribus 
magni aestimatus. Natura erat humilis et de se parum sentiens sed arte insignis; quodam 
tempore bene potus intempesta nocte properans solus domum in aquis vulgo de Vulders 
grafte perijt homo longiori vita dignus J. W. 

Vidi eius tabulam unam de pluvia mannae apud BONAVENTURAM VULCANII. 



1) De persoon, dien van Buchel hier blijkbaar aanhaalt, is een ons onbekend autheur. 
') Hendrik de Keyzer? 

19^ 



148 ARENT VAN BUCHEL'S RES PICTORI^E, ENZ. 

ISAAC Olivirius ^) in Anglia Francogallia habet filium 13 annorum divinum ad- 
modum patrisartem imitantem. 

Lucas Leydensis tam excellentis in arte pictori .... ingenij et merito orbi prepon 
debeat sine. . . artificis seculum .... artem ipsam spectes utroque . . . . jure laudatissimus 
eo namque tempore floruit quo fere artes hae elegantiores omnes despectae et pes- 
sumdatae ut ab hoc uno quem fonte .... amnes sui cursus auspitium sumunt, sic pictor 
.... HoUandici suae institutionis seminaria hauserint huius opera tanquam exemplaria 
singuli secuti. Videre est in urbe Lugdunensi in pubifca domo tabula ab eo picta referens 
12 apostolos, opus omnium iuditio aeternitate dignum '). Multos habet visitatores et viros prin- 
cipes et reges (Danum aiunt). Cuius viri visendi gratia non piguit Albertum Durerum per 
Germanias Lugdunum descendere. Michael Ang. Bonarato (Buonarotti) non semel literis 
ab huius patre flag^tavit filium hunc suum in Italiam uti mitteret, spondere se intra paucos 
menses inspectis ab eo antiquitatibus eo usque eum progressurum ut primus eius artis in 
Europa haberetur. Neque in hac tantum arte excelluit sed et calcographia, qua historias 
et varias inventiones ad vivum in aes incidebat, adeo venuste et tam subtilibus lineis ut 
in admirationem nedum hodie ingeniosissimi quivis inducantur. 

Moritur Leodii Lambertus Lombardus, Leodiensis, pictor percelebris, qui ultra 
artem pictoriam architectus fuit praestantissimus et simul peritissimorum pictorum magister 
et efformator, ut Francisci Flori et HüB. GoLTZii, Venlonii. 

Abstulit ille inter primos rudem illam et stupidam pingendi ration em longeque 
venustiorem ad antiquitatis percepta restituit et incoluit. Huius Lamberti vitam, mores 
ingenium libello particulari descripsit dom : Lampsonius, in litteris absolute doctus 

Ant. Morus obiit Antwerpiae anno ante direptionem hispanam,annos natus 57, qui um 
nepoti ex filio omnes suas reliquisset picturas et notata sub fidei commisso Poi JDAMANTIS, 
statuarii, et Egid. Cogneti, ipso mortuo cum tandem et COGNETIS Hamburgae obiisset, quos- 
dam libros in quibus ille quaedam notaverat quosdam quoque imagines DURERI et aliorum 
ad filias MORI pervenerant, quos sed non tanti momenti vidi Ao. 1604 20 Februarii, ubi 
inter alia conceptum Adonidis mortui tjuem pinxit Antwerpiae in Basilica Senatoria cum ei 
obiiceretur a F. Floro inventionis de nuUius quamvis neque is tantopere probetur ad 
vivas imagines cero exprimendas omnes fere sui aetatis superabat 

JO: Nagel, Harlemejus, cuius praecipuelaus in pingendi celeritate et inventionis faci- 
litate non sine venere et gratiis consistit. Versatur huius ingenium potissimum in depin- 
gendis locis rurestribus quos non tam vivide quam ingeniose exprimit. De eius celeritate 
hoc affirmare audeo me vidisse eum una die hiemali et inchoasse et absolvisse tabellam 



1) De Engelsche miniatuurschilder IsAAC Olivier. 

•) Zou VAN BucHEL rich hier hebben vergist met de bekende schilderij van 't oordcel ? Oi zou daarbij inderdaad 
nog een ander schilderij hebben gehangen, niet minder geacht dan het eerste 



ARENT VAN BUCHEL'S RES PICTORI^, ENZ. 149 

XLIJ libb. flani. quin ipsum audivi affirmantem, tribus horis tabulam pinxisse rudem 
quidem, ut existimare est, sed non in venustam si colorationem et dispositionem spectes. 
Homo est divino ingenio sed controversae gravitatis. J. W. 

Nuper periit summa in miseria et paupertate nudam rellinquens uxorem et liberos. 

Molitoris etiam Leidensis filius ^), magni fit sed ante tempus. 

Pet. Paul. Rubeniüs et Isabella Brantia uxor eius. In novellis Octob. med. 
refertur RUBENIUM pictorem obiisse. Nescio an in Hispaniis 1628. (est error). 

Elijas Veldenus pictor elegans sed levis, habitat nunc Hagae. 

Martin de Vos PETRifil, Antwerpiensis pictor egregius, multiplicis conventionibus, 
geb. 1519, gestorven 1603. 

Peter de Vos sijn broeder was oock een goet meester ende uytnemende schilder. 
Sijn vader PETER was van der Goude. 

JOACHIMUS DE Wael^') Ultraject. pictor egregius et celebris nisi quod neglectius 
et remissius artem exerceat, venusta alioqui et variae inventionis quod testantur eius 
opera quae non exiguo praetio quotidie distrahuntur, hic praeterquam quod pictoriam 
exerceat plastica. Adeo excellit ut maximam ex ea laudem iamdudum a magnis et summis 
ingeniis sit consecutus. 



B. aanteekeningen betreffende kunstwerken. 

1605 Junio vidi apud H. HONDIUM, Lugduni, manu signata GOLTZII, BlOMARTIJ 
Arnoldi Füllonis, qui et de Leyde, LucAE Leydensis, Srangeri, Joannis Jordani 
picturas et rurestres juniores Savory et QuiRlNi Adriani. Apud alium vitrarium vidi 
LuCAE simulacrum pingentis D. Virginem LuCAE CüNST pictoris non inelegantis. 

Vidi apud Fereriüm ') een crucifix van Breugel admodum divine pictum fi*equentibus 

admodu calis cum fenestris ex colore aqueo albidine temperatum fenestres, 

vero superius sive exterius erant oleodepictaealbo nigro coloribus annus erat 1559. GOLTZII 
Danaë annum habebat 1603; vidi ibid 2 feminas a Wenceslao COBERGERO in Italia factas, 
excisas Antwerpie ex quadam altari, ScORELll picturam LUDOVICI VANDEN BosCH, CORNELII 

er Blomardii Narrabat idem GOLTZIJ infortun ymicum nam mira quaedam sibi persua- 

deret de vitro quem in igne habuerat aliquandiu atque contemplandi gratia propius 
adhiberet vultum eo disrupto pene alterum oculum perdidit. 



1) Het is niet onbelangrijk hier aan te teekenen, dat deze getuigenis over Rembrandt geschreven stond op het 
blaadje, waarop tevens wordt melding gemaakt van Elyas (sic) Veldenus en van Buchelb bezoek bij den Rector 
ScRBVELius' te Haarlem (zie hierna), en dat het schrift het meest overeenkomt met dat van aanteekeningen van het jaar 1628 . 

1) Wttewael. 

') Te Leiden woonde in 't begin der XVIIe eeuw een schilder Jacob Ferreris. 



150 ARENT VAN BUCHEL'S RES PICTORI^, ENZ. 

1620. Tot Valckier 1) bij St. Antonis-poort t Amsterdam gesien eenige schilderien 

bij hem seer net gedaen, eenige oock na het leven, en waren daer onder een Adam en 

Eva cleyn, ende een groot stuck daer Christ seyt tot de kynderkens comt tot mij etc 

wesende de patroon, sijn huysfr. en de kynderen daer inne na het leven '), 

Tot Abr. vande Voort ofte Cornelis vande Voort na het leven de jonge 

Poliander en sijn huysfr. soo groot als het leven hebbende een pluim ... in de hant voor 

de son, met een goude lakense borst; noch de General Real tot de voeten, ende een groot 

getal andere ; daer was mede een stuck van een mans ende vrouwentronie so groot als het 

leven, seer schoon bij CC VAN Haerlem. 16 19. 

1621. (CORN)ELIS Engelsz ofte Egbertsz, *) scilder tot Haerlem, is noch vermaert 
(Ik he)bbe van hem gesien tot Leiden een cuecken ende de tronien (van) SCREVELIO, nuper 
Rector tot Haerlem, en Maria, sijn huysf. vande (Tey)lingen cuius patris et avi AUGüSTl- 
NORUM ibidem spectabantur (ef) figies, ut et FORESTIJ med. iuniore aetate ab HemskerkiO 
(de) pictam similitudinem, mit een muts seer aerdich, hij was oom van SCREVELIJ huysfr. 
Item een memori tafelken van een seer .... schilderijken van goeden ouder waer in een 
maria beeldken met sommige kijnderkens; oock een schoon landschapken (met c)aeboutgens 
efi cleyne beeldekens, op de dooren stond oock .... aerdich na het leven geschildert den 
ouden AUGUSTIJN VAN Teylingen (en syne) huysfrou, men meent dat het van den ouden 
MosTERT itiocht (sijn) sed incertum id, het landschapken heeft geen verneringe. . . apud eundem 
seqq: luditium Paridis K(AREL) M( ANDER) seer aerdich van.... een schilderijken met 
cleyne schone naecte beeldekens schinende een Acteon te willen sijn. Een Judith van 
Rubens hebbende het hooft van Holofernes, dat aerdich de doot uytbeelt. Een tronie van 
den Jongen Pier niet onbequaem, eeü tronie van SCREVELIO cleyn, seer wel gewerckt tot 
Haerlem. AuGUSTYN VAN Teylingen iunior bij Ketel gedaen met een hoet Een 
lant schap van CONINCXLOO, daer ESAYAS VANDE Velde de beeldekens in hadde gemaect 
Van Bloemart een stucxken, van Blockland 3 charites, noch een stucxken van 
Vroom (?) heel aerdich. 

De houtprenten Apocalypsis van Albert Durer sijn na andere noch ouder gedaen. 

Totten borgermr. BoOMS tot Leyden op de Bredestraat een fray Marienbeeltge met 
een kintgen ende Joseph van SWARTJAN, een Bachus en Ceres van CC, *) een cuecken van 

Lange pier. 

Tot BUYCK op de Vlaemse plaets, een naecte vrouwe leggende met het hooft in een 
oorcussen, seer levendich, bijcans als 't leven van DiRCK Beernts ; noch een lantschapken 
van denselven. 



1) Werner van de Valckert. 

«) Nu in het bisschoppelijk Museum te Utrecht. 

8) Verspronck. 

*) Cornelïsz Cornelisz V. Haerlem. 



ARENT VAN BUCHEL'S RES PICTORI^C, ENZ. 151 

Rector SCREVELIUS monstrabat et suam effigiem ab Halsio pictore Harlemensi 
in tabella pictam ^) admodum vivide, a quo et pictus SCRIVERIUS ad quam picturam eundem 
in aere expressit Veldius cuius mihi geminam effigiem dedit. 

Vidi et eodem tempore OVERBEKII ac conjugis effigies penna optima similitudine 
expressas a Balio, *) qui et veterem imaginem foeminae iuvenculae sed habitu anum refe 
rentis SCREVELIO pinxerat adeo genuina expressione ut non huius saeculi picturam 
jurasses. 

A GOLTZIO tum vidi expressam penna imaginem nudam vel pietatis vel veritatis. 

SCONAEI etiam pictum vultum habebat. SCREVELIUS et alias tabellas ad imitatio- 
nem Brüegelii pictas a quodam Harlemejo pictore. 

Bruegelii imitatiunculas etiam vidi a quadam puella factas non infeliciter. 

Het stuck van HuTER, dat ick a*. 1621 bij hem hebbe gesien van Bloemart 
gemaect i? redelicken groot, wezende een carsnacht, waer in sijn tronie compt tusschen 
de twee harderen na het leven. 

Ick hebbe gesien een schoon stucxkens (sic) dat G. Sadler heeft gedaen nae 
Albert DURER; men seyt de plaet te sijn bij den Keyser. 

WiERlcx heeft gesneden een Christus van den cruice leggende, daer Maria voor 
staet na een Italiaense prent van Raphael, dat van mij heeft BOYSSENS 

De Venus cum Adonide et puero bij den jongen Sadler gesneden compt nae 
een oude prent. 

1622. Apud BoiSSENS te Leyden vidi veel teekeningen van Lantschappen en andere 

als van Lier, Cock, Aelst, Grimmer, Savory, Cornelis Egberts, Schoor"), Palma, 
Bloem AERT, Cornelis Cornelisz, Goltzius, Swart Jan van Groeningen, Aertgen 
v. Leyen, Lucas, Bol, Bril, Heemskerck, Rottenhamer, Sadler, Altdorf, Geyn, 
Ketel, Blocklant, Michel Jansz., Hupsche Marten, eenige Italiaense aliaque prope 
infinita. 

Sommige dingen heeft Albert Durer gecopiöert vuyt enen ouderen snider 
teyckenend met een W. *) als is, het prent groot van den ridder vrou en andre onder 
de voet, oock het cleyne fortuyntge. 

Noch teyckeningen ibid gesien van MaubüiS, ende twee tronikens seer aerdich van 
waterverwe van LuCAS VAN Valckenborg als BoiSSENS meende, hoewel sij gedruct sijn 
op de naeme VAN Bruegel. 

Sijn van Raphael het juditum Paridis, sed de meo dubitatur an sit principale p. MiE •) 



1) In 1626. 
^ David Baillt. 
•) Vak Scorel. 
4) wohlgemuth. 
») Marc. Anton. 



152 ARENT VAN BUCHEL'S RES PICTORI^, ENZ. 

vidi de eiusd. concubits nudam nimpham ; het stucxken ad S. Marcum Rome, S. Celilien, 
des princen verdroncken soen ex vote .... volgenden gesusciteert, dat men meent TOBIAS 
metten engel te sijn, alle van Raphael. 

Teyckeningen van MOMPER en eenige fraye Lanschappen, bergen en ruïnen van 
Romen van een duyts wonder aerdich gedaen. 

Het Venusgen naect met Cupido alleen van Raphael, Keyser Kaerl van i^NEA 
Vico groot, en een groot houtprent gecoloreert van Vannius in 2 stucken. Teyckeningen 
noch van PoLiDORUS, van Candidus, Mandêr, Vroom, Velde, van Frans Floris, C. van 
DEN Brouck, Farnese, Roüen, Parmensis. 

Het paasschen van AltdoRP wort uytgegeven voor Albert Durer en is noch nasnede. 

Vidi de Max. i. Imp: van Albert Dur in hout bijcans als den mijnen, die 
s(onder) naem ofte teycken is. 

Een passie van houtsne in 8*. J. P. S. Item de passie van Marten Schon in koper. 

De goden van J. C. B. puto plures quamvis BoiSSENS 20 haberet. 

JüL. BONASORIUS erfg. van Raph., ende de meeste dingen van hem uytgegeven sijn vanden 
selven R Het satirken dragende een naecte vrou is oock van R. 

Swarte Jan compt seer op ScHOREELS maniere van schilderen. Vidi etiam 
Leonardi Thirii vel Theodorici historiam Jasonis multis in ambo emblematibus oma- 
tam non inscite PARMENSiS et ROÜSSIS more. Huius . . . Vermander non meminit. Sunt 
etiam huius metamorph. imag. in ligno et alia in aere itid. emblemata. DURERI decoUa- 
tionis Johannis imagini aliae additae sunt quae non habeo. SwARTE Jans Leven van S. 
Johannis Baptiste. De ijsere oude platen sijn met een beytel gesneden. 

Noch gesien eenige staende beelden bij BoYSSENS, die wel gedaen waren, ende 
noch 2 donsijnen silueren tellioren, waerop hij verscheyde duytse veersen in de circum- 
ferentie gesneden hadde, die toequaemen eenen, die wel 80000 gld. hadde geboden voor 
de heerlickheyt van Catwijck, et is putatur PauwiüS, pensionarius Amsterodamensis, cuius 
ille adfinitate gaudebat et promotus fiierat. 

De ruyters van S. Jan in hout gesneden sijn seer aerdich doch sonder naem. 

Apud advoc. Backer, Leiden 1622 in Mayo, vidi een tronie na het leven van 
TOUTIAN (TiTLAAN) geschildert, en een 'ander seer excellent van Hans Holbein, schilder 
vande dodendans, a cuius manu ibidem een waterverf ken vanden selven dans, dair de predicant 
opten stoel staat ende de doot achter hem, seer aerdich ende schoon van coleuren, adeo ut 

dubitur an eius erit vel copia ab alio facta ad eius exemplum a quo arum differt 

inventione. Vidi apud eundem virum verscheyde Lantschappen van ESAIAS VANDE VELDEN 
seer aerdich, princepael in figuren, een schoon peert van ROELANT VAN Savorij, een 
tronie ut dicebatur van MaübuiS, van Olivier eenige verlichterie, een charitas, een 
meyspel van Engelse vroukens ende jongman na het leven in Engelant gemaect, (hij is 



ARENT VAN BUCHEL'S RES PICTORLC, ENZ. 153 

nu doot); een lantschap seer aerdich van I-BOL en eeiien van BOELS, sijn schoonsoon, 
mede verlichterie, eenige tronien van Cay, i) ende een tronie met naecte borstgens van 
F.FL. *) Petemoey Driel was oock niet onbequaem geschildert in een stoel van verschoten 
frater professoris vernaculi. 

De oude tronikens in prent vuytgegaen ende diemen Bruegel toescrijft, waer van 
IC 2 principaele van waterverve seer aerdich gesien hebbe bij BOYSSENS te Leyden, 
meende deselve B. te sijn JOACHIM Patenier, van Dinant. Den Albert Durers triumph- 
wagen is bij LiEFRiNCK nagesneden in hout. Een tronie van HüBERT GOLTZ is seer 
raar. De hant van GOLTZIUS met de penn gedaen is seer aerdich gedaen, en is mede 
bij BOYSSENS; meene den mijnen copie daer naer te sijn. 

De groote stucken om hoghe van Santé sijn alle bij COERT ') gesneden, doch bij som- 
mige gecopieert, als het een bij mij sijnde. De ontcledinge van Mars als de mijne meent 
de principale, ego dubito quod viderim cum notis et nomine inventoris. Putabat de groote 
hemel mede van Rous te sij. 

De bello Ro. cum Pyrro et elephantis is tweemaal gesneden bij COURT,") eens sonder 
naem, maer nochtans van de selven eer hij in Italien quam. Vanden groten hemel bij 
COURT gesneden is een cleynder copie, quam habeo bij de Sadlers gegeven. 

Jan van Groeningen leefde bij tijde van Scorel, dien hij seer volchden, 

hebbe eenige houtprenten van hem gesien. 

Den Satir van Benaso gesneden is van Raphael; met een nymphe. 

Den triumphwagen van A. DuRER is bij LiEFFRiNCK t' Antwerpen na gesneden. 

De deuchden van L. VAN Leiden sijn sijn leste prenten, wat na de Italiaensche 
manier treckende, maar werden weyniger geacht. 

De ridder met sijn vrijster is eerst gesneden bij een die sette W ende bij A. D. *) 
gecopieert, als oeck het cleyn fortuyntgen. 

Den Goliath ende Davit is bij Raphael geteickent ende van een, die hetdruyfken 
sette, na gesneden; is noch eens in coper en eens in hout met coleuren. 

De brune tronie, die bijden Hercules staet van GOLTZIO, is Jac. Savarie. *) 

De bruynste bootschap van ToüTlAN meende BoiSSENS te sijn copie, als de prent 
van Raphael met de Machabeen. 

MAR •) en M. Raven, meende hij diuers, doch anderen één te zijn. 

BOYSSENS meent, dat het oudt gecrast goet sij van een .... Genoa ende den Acteom 
die ick hebbe, van RAPHAEL. 



i) Willem Keij. 

1) Frans Floris. 

l) CORNELIS CORT. 

4) WOHLGEMUTH cn ALBERT DURER. 

f) Bartsch 143. 

6) M, A. R. (Marc Ant. Raimokdi) cn M. Raven (Marcus pe Ravenna 

20 



154 ARENT VAN BUCHEL'S RES PICTORI.E, ENZ. 

Gesien tot Sciiellinger de bruloft van Cana Galïleen geschildert bij IsaAc Claesz., i) 
waer inne hij sijn selfs hadde naert leven geconterfeyt in gedaente eens speelmans en 
Albert Martens met sijn eerste hvysfr. en eenige kinderen, die hem tselve hadden doen 
maecken, wesen een wijncoper, in de Camptoorn. 

De stucken van Raph. DUKBIJN, gesneden van M. Ant, als dekinderdode en Judi- 
tium Paridis hielt ViSSCHER elcx op 3 gl. 

Den rijckeman van HeemSKERCK in opstaande fol. w(ordt) veel geacht, ïs gesneden 
bij Cornelis Bos. 

De passie van Heemskerck selfs geëtsch, is oock in estime. 

Een houtstuck lanckwerpich van Parmensi, seer geacht 

De dansen van Aldegreef sijn 12 int getal eü werden schoon sijnde elcx tot 2 
schell. geacht. bij Visscher. 

Deselve hout de goden van BiNCK voor 6 sch. 

De dingen van ISRAEL') insgelijcx 

In maio 1628 apud OVERBEKIUM Leidae vidimus praeter picturas Rubenii, bailly 
CoNiNCXLOTii, PORCELLIi, Veldeni, Savory, Vrancii, castra Ostendana elegantissime 
expressa, ac I. S, B. rurestrem, 

1631 in Junio vidi a Luca Cranach depictas duas foenimas ad vivam fere mag- 
nitudine non inscite pictas, nudas omnino, quarum una Justïtiam altera Charitatem expri- 
jnere voluit. Apud Schuermans. 

Octavianus Strada picturam exhibet Johis S. Imp. Constant. Paleologi hisce Itteris 
EPrON TOVniCA SwrpA*OV circa annum 1380. Huius etiam ibidem aurea moneta vidi 
sculptam effïgiem a Geinio. 




AANTEEKENINGEN OMTRENT EENIGE 

DORDRECHTSCHE SCHILDERS. 

DOOR 

G. H. VETH. 




/OEN ik bezig was een onderzoek in te stellen omtrent het leven van den 
beroemdsten der Dordrechtsche schilders Aelbert Cuvp kwamen mij 
van zelf ook aanteekenïngea onder het oog omtrent andere meer of minder 
bekende kunstenaren. 

Onder het verzamelen daarvan werd het verlangen bij mij geprikkeld 
naar verder onderzoek en zoo verkreeg ik een tal van aanteekeningen bijeen, die ik meende 
dat voor de liefhebbers en de beoefenaars der kunstgeschiedenis eenïge waarde zouden 
hebben en ik stelde daarom aan de redactie van Oud-HoUand voor ze van tijd tot tijd 
in haar Tijdschrift op te nemen. 

Zij zullen dan eens zeer kort, dan wat meer uitgebreid zijn, al naar mate van het 
door mij omtrent de te behandelen personen gevondene en de meer of minder belangrijke 
plaats, die zij als kunstenaar innemen. 

Om voor mij zelven eenigen leiddraad te hebben, zal ik mijne mededeelingen 
doorgaans geven naar alphabetische orde, zonder mij evenwel daaraan onvoorwaardelijk 
te houden, vooral niet wat de voornamen betreft. Het zal toch voorkomen dat van 
meer dan een lid van dezelfde tamilie gesproken wordt en in dat geval is het zeker 
rationeeler, dat ik den geboortetijd als het alphabet volg, terwijl ook andere omstandig- 
heden er toe kunnen leiden, dat ik het beter acht die volgorde te verlaten. 



156 AANTEEKENINGEN OMTRENT EENIGE DORDRECHTSCHE SCHILDERS. 

Nog moet ik opmerken dat met Dordrechtsche schilders door mij niet enkel 
wordt verstaan, die in Dordrecht geboren zijn, maar ook diegenen, die daar korteren of 
langeren tijd hebben gewoond of gewerkt. 



I. 

BAREND BIS.BINCK. 

HOUBRAKEN zegt van dezen schilder niets anders, dan dat hij een discipel van 
Jan Bóth i) was. Waarschijnlijk was hij dus landschapschilder. 

Ik vond de volgende huwelijks- proklamatie in dato 6 Febr. 1622: 

Getrouwt JooST BiSBiNCK Barents zoon, canonier uit de graafschap van Lip. 

den 8 Martij Neeltke Gerrits Jansz. d'. van Dordr., woont in Roskam op de 

1622. Riedijck. 

Blijkbaar zijn dit de ouders van onzen Barent. 

Van hem zelf vind ik de volgende huwelijksaf kondiging in dato 13 December 1654. 

„Sijn getrout „Barent BiSBiNCK schilder woonen op den Boom. 

„29 December „Maria van Diemen, j. d., woonen bij 't Groot hooft." 

„i6S4'\ »Beijde tot Dordrecht." 

Uit den geslachtslijst der VAN DiEMENS bij Balen *) blijkt dat deze Maria van 
Diemen eene dochter was van Jan van Diemen Gysbertsz. uit zijn huwelijk met Maria 
VAN Dannewaard, Jans dr. Zij behoorde dus tot een aanzienlijk geslacht 

Het is mij niet gebleken, dat ergens nog eenig schilderwerk van BiSBINCK gevon- 
den wordt. 



II 

CORNELIS BISSCHOP. 

Deze schilder werd volgens Houbraken 3) te Dordrecht geboren den 12 Februari 
1630. Er is geen reden om aan de juistheid van dit bericht te twijfelen; waar zoowel 
dag als jaar wordt aangegeven, heeft hij waarschijnlijk goede gronden daarvoor gehad. 
Intusschen heb ik in de doopboeken te vergeefs naar de bevestiging van die opgaaf 
gezocht. De familienaam was waarschijnlijk nog niet aangenomen, of werd althans nog 
niet algemeen gebruikt, en daar de voornaam van vader noch moeder bekend zijn, valt 

1) D. II. blz. 345. 

2) Bcschr. van Dordr, ^ bl. 1043. 

3) D. II, bl. 220. 



AANTEEKENINGEN OMTRENT EENIGE DORDRECHTSCHE SCHILDERS. 157 

uit de omstreeks dien tijd gedoopte Cornelissen zelfs bij beraming geen keus te maken 
wie de bedoelde wel mocht zijn. Intusschen vond ik de volgende huwelijksproclamatie 
op 5 October 1653, 

„Sijn getrouwd alhier „CORNELIS Bisschop schilder j. m. woonen aan 't Groothoofd, 
„den 26 Oct. 1753 „Geertruije van Botland j. d. woonen bij den Boom. 

Beijde van Dordr. 

Ik laat hier eenige aanteekeningen uit het doopboek volgen omtrent de uit dit huwelijk 
geboren kinderen, om te doen zien hoe verschillend de familienaam geschreven werd en 
nam daarbij op de zonen die schilders werden en waaromtrent eenige aanteekeningen volgen. 

Ouders Kinderen 

„1655. Mei II, CoRNELis Bisschop en Geertruyt van Botlant. Catharina. 

„1658. Febr. CoRNELis BusscHOP en Geertruyt van Botlant. Jacobus. 

„1668. Maart 21 . CORNELis BusscHOF en Geertrue van Botlane. Sara. 

„1670. April 9. CoRNELis BusscHOP en Geertruyt van Botlant. Abraham. 

„1672. Julius 27. CoRNELis Busschop en Geertruyt van Botlant. Cornelia. 

In de rekeningen van den 200sten penning over de stad Dordrecht vtnd ik in 1667 

CoRNELis Bisschop, schilder. X £ 

In 1668 „CoRNELiS Bisschop X £." „Memorie," werd aangenomen als bij 
fol. VII, en op fol. VII is bij een post aangeteekend „Werd aangenomen voor memorie 
„en sal getracht werden om daervan ijets te conne consequere, door een persoon daertoe 
„bij de Ed. Achtb. Heere Borgem. te committeere." 

In 1669 CORNELIS Bisschop X £ met dezelfde aanteekening. 

In 1672 „CORNELIS Bisschop, schilder" maar zonder dat er een bedrag bij is 
uitgetrokken. 

Deze aanteekeningen geven geen groot denkbeeld van zijn vermogen; maar hij 
had ook een groot gezin, volgens HOUBRAKEN liet hij bij zijn overlijden op 44 jarigen 
leeftijd elf kinderen na. De tijd van dit overlijden is door H. juist opgegeven, want ik 
vond in het register der dooden op Januari 1674. „Den 2i* een baer bij de Wijnbrug 

„voor CoRNS. Bisschop Schilder y 

De heer A. VAN DE Weg, Archivaris van Dordrecht, verschafte mij den volgenden 
zakelijken inhoud uit het testament van Bisschop, voorkomende in het Weesboek 198. 
„Bij acte van 20 Januari 1674 gepasseerd voor den te Dordrecht residerenden Notaris 
„Gijsbert de Jager en getuigen, hebben Cornelis Bisschop Schilder en Geertrui; 
„VAN BOTLANDT zijne huisvrouw, te Dordrecht elkander over en weder aangesteld tot 
„voogden over hunne na te laten onmondige kinderen, met seclusie der weeskamer uit 
„hun erfhuis." 



158 AANTEEKENINGEN OMTRENT EENIGE DORDRECHTSCHE SCHILDERS. 

Bisschop moet blijkens den datum van zijn overlijden dit testament op zijn sterf- 
bed hebben gemaakt. 

Hij was leerling van Ferdinand Bol, doch schijnt zich in zijn eersten. tijd nadat 
hij die leerschool verlaten had, vooral bezig te hebben gehouden 'met het beschilderen 
van in hout uitgehakte beelden, die in hoeken of portalen geplaatst werden, om voor 
levende wezens te worden aangezien. Later wijdde hij zich met goed gevolg aan het 
portret. Volgens Houbraken was er menig kunstig portret van hem in Holland, Bra- 
band en Zeeland te zien. Hij heeft ook historie of genrestukken vervaardigd, waarvan 
er een, een kaarslicht met 2 of 3 beelden, door hem aan Koning LODEWIJK den XIV 
voor een aanzienlijke som werd verkocht. De Koning van Denemarken wilde hem tot 
hofschilder aanstellen. Doch de dood van Bisschop verijdelde dit plan. ^ 

Een zeer merkwaardig werk van hem wordt in de regentenkamer van het Gast- 
of ziekenhuis te Dordrecht bewaard. Dit stuk stelt voor de 5 regenten en 5 regen- 
tessen van dit gesticht in 1671, benevens den heelmeester. Het doek is hoog i.ii 
breed 1.83 M, De portretten waaronder dat van Mr. CORNELIS DE WiTT zijn zeer 
goed geschilderd, en waren zeker van sprekende gelijkenis. Het bijwerk en inzonderheid 
den achtergrond, die ook misschien door bijwerken bij restauratie geleden heeft is van 
minder waarde. Uit de rekening van het gesticht over 1670/71 blijkt dat CORNELIS 
Bisschop voor zijn werk f 225 ontving. Het schilderij prijkte vroeger boven den 
schoorsteen der Regentenkamer in het gesticht in de Vischstraat. Toen deze kamer 
in 18 12 bestemd werd tot verpleging van zieke krijgsgevangenen werd het naar 
den korenzolder gebracht. In 18 17 liet de Rentmeester DiRK Crans het schoonmaken 
omlijsten en weder ophangen. Toen het gesticht uit de Vis^chstraat naar de vroegere 
schuttersweide, thans het Beverwijksplein werd verplaatst, werd het in de nieuwe regenten- 
kamer geplaatst, nadat het door den kunstschilder J. RuTTEN voor ƒ 26.50 was 
gerestaureerd. ^) 

Dordrechts Museum kocht onlangs een door C. BISSCHOP vervaardigd portret* van 
een schilder, misschien van hem zelf. Eigenaardig van toon en uitvoering. Het is gemerkt 
C. BUSSCHOP 1668. 

De heer A. Bredius maakte mij deelgenoot van een paar door hem verstrekte 
mededeelingen, die ik hier laat volgen. 

Dr. W. Bode zag in 1879 bij een kunsthandelaar in Londen eene schilderij voor- 
stellende: Een kamef waarin een jonge vrouw, die appelen schilt. Door de deur ziet men 
in een hoenderhof (Hühnerhof). Eïn recht iücJitiges zverk! Etwa zwischen P. DE HOOGH 
und Hoogstraten, gem. C. Busschop, Fecü i66y. 



1) HoUBKAKEN D. II bl. 220 en volg. 
3) Zie ook over dit schilderij de Nederlandsche Kunstbode 1875 



AANTEEKENINGEN OMTRENT EENIGE DORDRECHTSCHE SCHILDERS. 159 

In eene particuliere verzameling ontmoette Mr. GUSTAV Muller, conservator van 
het Museum te Dresden, een Schilderij voorstellende het gezin van een kuiper, gemerkt: 







Nu de aandacht opnieuw op hem gevestigd is zullen wellicht hier of daar nog wel 
meer werken van dezen blijkbaar verdienstelijken schilder aan het licht komen. 



III. 

JACOBUS BISSCHOP. 

Hij was de oudste zoon van CORNELIS en werd, zooals ik in het bericht omtrent dezen 
aanteekende te Dordrecht gedoopt in Februari 1658. Jacobus was dus bij het overlijden 
van zijn vader nog geen 16 jaar. Zeker had hij van dezen zijn eerste opleiding in <le 
kunst ontvangen. Hoe jong ook, schijnt hij o. a. door het beschilderen van beelden in 
navolging van zijn vader, veel tot onderhoud van het gezin te hebben bijgedragen. 
HOUBRAKEN aan wien ik dit ontleen ^) verhaalt verder dat toen Jacobus de zorg voor 
het gezin aan zijn jongeren broeder kon over laten, hij zich ter verdere bekwaming vooral 
in het kamer- en zolder beschilderen in de leer begaf bij August Terwesten. ') 

Dit bericht wordt bevestigd door hetgeen men vindt in de boeken der Haagsche 
Schilders Confrerie. Immers staat hij daar op 1687 als leerling van Terwesten aange- 
teekend. ^) 

Na volbrachten leertijd schijnt hij zich weder in zijne geboortestad te hebben 
gevestigd. Ik vindt hem toch in 1696 en 1698 als een der hoofden van de Confrerie der 
fijnschilders te Dordrecht compareerende voor de Camere judicieel ten einde gehoord te 



») D. II bl. 222. 

') Immerzrel noemt Jacobus Bisschop bij vergissing leermeester van A. Terwestek. 

') Obreen Arch. D. V. bl. 152. 



160 AANTEEKENINGEN OMTRENT EENIGE DORDRECHTSCHE SCHILDERS. 

worden over geschillen, die gerezen waren over hetgeen tot den werkkring der grof- of 
fijnschilders behoorde. 

De tijd van zijn overlijden is mij niet gebleken. 



IV. 
ABRAHAM BISSCHOP. 

Deze jongste zoon van CORNELIS werd, zooals wij in diens levensbericht vermelden, 
den 9 April 1670 te Dordrecht geboren. 

Bij de aanteekening van zijn doop wordt de familienaam BUSSCHOP gespeld. Kramm 
zag eene schilderij, een levensgroote Zwaan^ Kalkoen^ enz, voorstellende, welke met groote 
letters A. BusscHOP 171 3 was gemerkt. Onze Abraham schijnt dus de in het doopboek 
gevolgde schrijfwijs van den familienaam te hebben aangehouden. De gevolgtrekking van 
Kramm, dat nu ook alle de familieleden BussCHOP moeten heeten gaat echter blijkens 
het door mij medegedeelde niet op. ^) 

Ook Abraham wijdde zich voornamelijk aan het beschilderen van kamers, maar 
had een voorliefde tot hèt afbeelden van' vogels, waarin hij volgens Houbraken bijzonder 
slaagde. Ook Kramm zegt van het door hem besproken stuk dat de vogels fiks ge- 
penseeld waren. 

Hij bleef niet op den duur te Dordrecht 

Houbraken zegt dat hij ook in Zeeland schilderde. Hij schijnt zich daar zelfs te 
hebben gevestigd. In 171 5 toch ontmoeten wij hem te Middelburg, waar hij aan het 
St. Lucas gild 3 £ als vrijgeld betaalde. 

Sedert komt hij in de rekeningen van dit gild herhaalde malen voor, als Lijckboeten 
betalende, tot dat wij in die van 1731 lezen: Z7^t7/^^///^/öfe«. Abram BUSSCH0P£0 — 5 — o.*) 

Hij schijnt dus, op ruim zestigjarigen leeftijd, te Middelburg te zijn overleden. 

Dordrecht, Juli 1887. 



1) Ook de vader, Corselis, teekende op zijne schilderijen, zooals wij boven zagen, meestal BusscHOP ; toch heet de7.e 
bij zijn huwelijk en in andere aanteckeningen Bisschop en Jacobus wordt nooit anders genoemd. 

2) Obreen Arch. D.VI. blz. bl. 237—241. Gildeboeken van St. Lucas te Middelburg» medegedeeld door A. Bredius. 




^^~J 




HENDRICK GERRITSZ. POT. 



A. BREDIUS en P. HAVERKORN VAN RiJSEWIJK. 



E schilder, wiens naam wij boven dit opstel plaatsen, behoort 
tot de vele HoIIandsche meesters, wier werken zóó zeldzaam 
en verspreid zijn, dat wij ons moeilijk een beeld van hun talent 
en van hunne ont\vikkeling kunnen vormen. De uitslag van 
ons onderzoek is, dat Pot een zeer verdienstelijk leerling, soms 
uitstekend navolger van Frans Hals is geweest, een in zijnen tijd 
met recht gevierd kunstenaar, wiens werk zeer ongelijk is. Soms 
herinnert het opvallend aan Hals, dan weer minder. Raadsel- 
achtig blijft het nog, dat een zijner schijnbaar meest authen- 
tieke werken (de triomf van prins WlLLEMl}zeer weinig op zijne andere, met het monogram 





H 



I-p 



gemerkte stukken gelijkt Moge de opsomming zijner thans bCKCnde werken ons alvast 
een stap nader brengen tot eene volmaaktere kennis van een meester, die zeker recht 
heeft op eene aanzienlijke plaats in onze kunstgeschiedenis! 

Waar en wanneer hij geboren werd, is niet met zekerheid te zeggen. In den 
catalogus van het stedelijk Museum te Haarlem staat dat hij in die stad en in l6oo 

21 



162 HENDRICK GERRITSZ. POT. 

geboren is, maar bewijzen voor het een en ander ontbreken. Het is niet onmogelijk, 
dat hij te Haarlem geboren is ^), ofschoon personen, die denzelfden naam dragen, ook 
elders voorkomen. Een Claes Hendrickz. Pot staat als sergeant van het Amsterdamsch 
corporaalschap van Luit. PlETER HASSELAAR op het schutterstuk in het Rijksmuseum 
(No. 389 C), door CORN. van der Voort in 1623 geschilderd. En zou hij in 1600 
geboren zijn.? Wij kunnen het moeilijk gelooven. Den 24*"* Nov. 1620 werd eene schilderij 
van zijne hand tentoongesteld in de vergadering der Staten-Generaal. Van het aanbod 
om dat stuk te koopen, werd geen gebruik gemaakt, maar voor de gedane kosten en 
moeiten werden hem toegelegd 24 guldens. De moed om eene schilderij het hoogste 
regeeringscoUege van het land aan te bieden, de vergunning om haar in de vergadering 
van dat college te brengen, de betrekkelijk hooge som den schilder hiervoor uitgekeerd, 
de groote omvang van het stuk en de menigte daarop geplaatste figuren — het werd 
door het bestuur der stad Delft gekocht en in de schepenkamer van het nieuw gebouwde 
stadhuis geplaatst — dit alles wijst eer op een schilder, die reeds eenige vermaardheid 
bezat, dan op een jongeling, die juist den leeftijd bereikt had, vereischt om lid te worden 
van een schildersgild. Ook mag men wel in aanmerking nemen, dat POT, als hij in 1600 
geboren was, reeds op zijn 26® jaar tot deken van het St. Lucasgild zou zijn benoemd '). 
Om al deze redenen meenen wij te moe:en onderstellen, dat hij vroeger geboren is. Op 
de lijst der Haarlemsche schutters van 1603 vond de heer Van der Willigen een 
Hendrick Gerritsz., schilder,') en wij kunnen het vermoeden niet van ons zetten, dat 
deze schutter Hendrick Gerritsz. Pot kan zijn geweest. Meermalen toch werd indien 
tijd de familienaam, dikwerf eerst kortelings aangenomen, niet vermeld in dergelijke aan- 
teekeningen. Wij zouden, als POT in 1620 ongeveer 37 jaren oud was, beter de reeds 
medegedeelde geschiedenis van zijne schilderij uit dat jaar begrijpen, en de sleutel ware 
wellicht meteen gevonden van het raadsel, hoe dat werk zoo weinig op die van 8 k 10 
jaren later gelijkt. Wellicht is PoT eerst na 1620 onder den invloed van Frans Hals 
gekomen. Ook de ouderdom, door hem bereikt, is geen bezwaar tegen deze onderstelling: 
hij stierf in 1657. 

Hoe dit zij, POT heeft vele jaren te Haarlem gewoond en gewerkt. In 1622 kocht 
het bestuur van die stad voor f 450 een groot schilderstuk van zijne hand, dat in de 
eetzaal van het Princenhof werd geplaatst. In 1625 was hij sergeant bij de schutterij. 
Ampzing*) noemt hem als zoodanig op het lijstje der officieren van 3 Apr. 1625, hetwelk 
hij laat volgen op het gedicht op den „Uyttocht der Haerlemsche schutterije na Heusden, 
jn 't Koper gesneden, ende vertoond," blijkens den I4en versregel een prent van Matham. 



*) Theod. Schrevelius, Harlemias, 1754, 2e Deel, 50 boek, noemt p. 362 onder cle thesauriers der stad in de 
tweede helft der zestiende eeuw een Mr. Gerrit Hendrickszooh, die (p. 380) nog eens vermeld wordt onder de rechts- 
geleerden en bewaarders der stadskas. 

2) A. V. D. Willigen Pz. Les Artistes de HarUm^ p. 18. 

=*) L.1. p. 45. 

^) S. Ampzing, Bcsckrijvinge ende lof der stad Haarlem^ 1628, p. 311. 



HENDRICK GERRITSZ. POT. 163 

Pot heeft dus ook gestaan ,,in 't geweer bij dagen, en bij nachten," „bewarende die stad 
voor 's vijands overval," tijdens het beleg van Breda door Spinola. De leden van het 
St. Lucasgild kozen hem in 1626 tot deken, en vier jaren later viel die eer hem weder té 
beurt. ^) Den 22*'' Mei 1631 werd door deken en vinderen eene ordonnantie en een keur 
op het gild ontworpen; Hendrick Pot was, als vinder, daarbij behulpzaam. (Den 
2" Juni van hetzelfde jaar werd het ontwerp aangenomen door oudvinders en gildebroe- 
ders.) ') Ook buiten het gild was hij een gezien man, want in 1628 behoorde hij tot de 
regenten van het werkhuis, dat in 1609 gesticht was. 'j. 

Toch beviel het hem niet te Haarlem, of eerzucht dreef hem naar het buitenland. 
Hij vertrok naar Engeland, waarschijnlijk in de tweede helft van 1631. SCHREVELIUS 
verhaalt dat hij daar den koning, de koningin en vele hovelingen portretteerde. Een 
bewijs dat SCHREVELIUS goed was ingelicht, vindt men in het portret van koning Karel I, 
dat in het^ Louvre hangt, en met POT's monogram en „fesit 1632" is geteekend. Dit 
kleine stuk is, dank des Hollanders waarheidsliefde, een belangrijk document. Het ver- 
toont Karel I, gelijk ook de geschiedenis dezen leert kennen, terwijl het opgesmukte conter- 
feytsel van Van DijCK hiermede in strijd is. Vergelijkt men deze portretten van POT en 
Van Dijck met elkander, dan ziet men dat de laatste niet alleen om zijn uitnemend talent, 
maar ook om zijnen hovelingsaard meer dan de HoUandsche schilder aan het Engelsche 
hof opgang maken moest. Zouden wij nog niet een spoor van Pot's verblijf te Londen 
vinden in de aanteekening in het doopboek der Protestantsche HoUandsche kerk te Londen, 
Austin Friars, vermeldende dat op 18 Nov. 1632 gedoopt werd JUDITH, dochter van 
Hendric Gerritsen?*) Het is waar, of Pot gehuwd was, weten wij niet, maar dat 
hij niet gehuwd is geweest, is evenmin bewezen. Wellicht geeft het rijke archief te 
Haarlem hieromtrent later uitsluitsel. 

Lang bleef PoT te Londen niet. In 1633 was hij te Haarlem terug. Frans Hals 
schilderde in dit jaar de „Vergadering van officieren van den Cloveniersdoelen", en de 
jongste luitenant van het gild is Hendrick Pot. (Catalogus van het Sted. Mus. te 
Haarlem, No. 74.) POT zit op den voorgrond rechts aan de tafel; hij bladert in een boek 
en ziet ietwat ondeugend naar zijne confraters links. Zijn hoofdhaar begint wat dun te 
worden en er loopt reeds een enkele grijze door; zijn sikje is nog zwart. De oogen 
zijn wat ingezonken, alsof hij groote vermoeienissen heeft doorgestaan. Het gelaat is bol 
en bleek. Over 't geheel ziet hij er uit als een man van 4o k 45 jaren. 

Het volgend jaar werd hij eerste commissaris van St. Lucas*); een jaar later weder 
deken. In 1636 kondigde F. P. DE Grebber eene verloting van schilderijen aan, keurig 
in ebbenhouten lijsten gezet. Het waren 42 werken van 20 Haarlemsche schilders, van 

1) V. D. Willigen, p. 18. 

3) Obrkek, Archief I, 236-292 . 

3) Ampzing, Bcschrijvinge etidc lof^Ccr Stad Haarlem^ 1628, p. 408. 

4) W. J. C. MOENS. The Dutch Church Registers. Lymington, 1884. 
6) V. D. Willigen, 1.1. p. 19. 

21* 



164 HENDRICK GERRITSZ. POT. 

De Grebber 7, P. Molijn 5, Ruisdael 4, van Goyen en Es. van de Velde elk 3 
van Sa ver Y, Heda, Jacob de Wet elk 2, en van Pot 3: twee portretten en een banquet. 
Bij de lijst dezer stukken is gevoegd eene taxatie, en de stukken van P. DE Grebber — 
nog al kenmerkend voor den smaak in dien tijd — zijn verreweg het hoogst geschat, 
/ 320 tot ƒ 50, de landschappen van Sal. RuiSDAEL van ƒ90 tot/6o, die van P. MOLijN 
van / 80 tot ƒ 60 en die van Van Goyen van / 60 tot / 40. De twee portretten van 
POT werden te zamen geschat op ƒ 60 en zijn „banquet" op / 30. ^) 

Of deze loterij er mede in verband stond, wij kunnen het niet zeggen, maar in hetzelfde 
jaar nam de stadsregeering eene voor het schildersgild gunstige beschikking: zij schonk 
het eene zaal in het Princenhof. Wegens toevallige omstandigheden kon het gilde die 
zaal niet dadelijk betrekken, maar deed er eerst op 7 Juni 1637 zijne yjoyeuse entree." 
Eenige dagen daarna kwam het gilde weder bijeen. POT gaf toen alle acten, geschriften, 
documenten, charterboeken, enz. terug, welke hij waarschijnlijk in bewaring had gehad 
als ex-deken, en de gildebroeders boden hem in de herberg De Pelicaen een avondeten 
aan, waar zij te zamen verteerden vijf gulden vijl stuivers. Verscheidene leden gaven 
schilderijen ten geschenke ter versiering van de nieuwe gildekamer; H. POT een figuurstuk. «) 

Twee jaren verloopen nu, waaruit niets omtrent onzen schilder vermeld wordt. 
Het is Frans Hals te danken, dat wij hem in 1639 weder ontmoeten. Deze portret- 
teerde toen de hoofd- en onderofficieren van den St. Jorisdoelen, en nommer één der 
luitenants is HENDRICK POT. ») Hier staat hij niet meer op den voorgrond. Hoewel hij 
denzelfden rang bekleedde als bij de Cloveniers, is hij in den linkerhoek geplaatst, geheel 
op den achtergrond, zoodat zijn hoofd slechts zichtbaar is. Het sikje heeft hij verloren, 
overigens ziet hij er welvarender uit dan 6 jaren te voren. Maar het is moeilijk hierover 
te oordeelen, niet alleen om de plaats waar hij staat, maar ook omdat de verf daar erg 
gebarsten is. Hoe komt het dat één luitenant zóó op den achtergrond staat, terwijl zijne 
collega's in hunne fraaie kostumes zich den volke presenteeren.? Zou POT aan die plaats 
de voorkeur hebben gegeven, omdat hij daar in de nabijheid staat van Frans Hals, die, 
geen lid van het gild, toch verlof kreeg, als schilder van dit werk, zich daarbij af te 
beelden? Wij kunnen het moeilijk gelooven: niet als kunstenaar, als luitenant treedt POT 
hier op, en staat hij toch op den achtergrond, verwijderd van zijns gelijken, onwillekeurig 
rijst de vraag of hij ook onder deze op den achtergrond is geraakt } 

Bij den eersten oogopslag schijnt het vreemd dat POT nu behoorde tot den St. 
Jorisdoelen, waar men den Voet- of Cruysboog hanteerde, terwijl hij in 1633 luitenant was 
van het gild der Kolveniers, die zich van eene y^busse" bedienden ; meestal was men 
slechts van één schutterscorps lid en bleef men daarbij. POT was echter, «zooals blijkt, 
èn Kolvenier èn schutter van den Voetboog ; wel een bewijs dat hij geene uitgaven schroomde 



•) V. D. Willigen, 1.1. p. ii, 12. 

2) V. D. Willigen U. p. 6, 7. 

^) Catal. V. het sted. Museum te Haarlem. No; 75 



HENDRICK GERRITSZ. POT. 165 

en niet afkeerig was van een broederlijken maaltijd. Volledigheidshalve teekenen wij 
aan, dat C. VAN Voorde in 1770 naar het eerstvermelde schilderstuk van Hals, Pot's 
portret heeft geteekend. Hij beeldde hem af met „de schutterlijke sjerp om, aan ee n 
„tafel zittende en bladerende in een groot boek. Zijn uitzigt — zóó zeggen Van Eynde 
en VAN DER Willigen, aan wie wij dit ontleenend) — „is geestig; hij scheen toen een 
„man van middelbare jaren te zijn." 

In 1640 schilderde POT het portret van den Luitenant-admiraal Maerten Harpertsz» 
Tromp en liet hiernaar eene gravure maken door J. SuvDERHOEF. Dat het origineel 
van deze bekende gravure in gemeld jaar of kort te voren geschilderd werd, blijkt 
uit de Thesauriers-rekeningen van Haarlem en den .Haag over 1640. In die van 
Haarlem staat, dat aan Hendrik Gerritsz. Pot, schilder, voor de aanbieding en 
de opdracht van verscheidene exemplaren van dit portret, werd betaald de som van 
LXXX £. '), en in de Thesauriers-rekeningen van Den Haag, dat aan „Henrick Pott" 
werd betaald „de somme van vyer ende vijftich ponden hem toegeleijt ter zaecke van der- 
thien Exemplaren van den Admiraal Tromp bij hem aan de Heeren Magistraten vereert". 

Nu verloopen er verscheidene jaren eer wij weder iets van POT vernemen. In 1648 
werd hij weder gekozen in het bestuur van het St. Lucasgild, maar niet tot deken, 
zooals het geval was in 1626, 1630 en 1635, slechts tot tweeden vinder'). Voor 
zijne beteekenis als kunstenaar zegt dit niets : Frans Hals werd slechts eenmaal in 
het bestuur van het gilde gekozen, en ook maar als tweede vinder. Toch is er 
stellig eene oorzaak, waarom POT in het gild niet meer zóó gevierd was als vroeger. 
Misschien droegen zijne tijdelijke omstandigheden daarvan de schuld. Ten minste hij 
verliet, wellicht niet lang hierna, de stad, waar hij zoovele jaren gewoond had, en verhuisde 
naar Amsterdam. In welk jaar dit gebeurde, wij kunnen het niet precies zeggen; wij 
weten slechts dat de stillevenschilder Willem Kalff* er zijn leerling was *), dat deze in 
162 1/2 geboren werd en dat van hem schilderijen bestaan, uit de jaren 1643 b) en 1644. 
In 1657 woonde POT bij den plaatsnijder PlETER Goos, die in 1656 op het Water, de 
Vergulde Zeespiegel tot woning had *), en waarschijnlijk blies hij daar den laatsten 
adem uit vóór 16 Oct 1657, gelijk blijkt uit den volgenden Inventaris, door een onzer 
onlangs te Amsterdam gevonden, welk stuk tevens bewijst dat hij tot het laatst van 
zijn leven arbeidde. 

Inventaris van alle de goederen van Sal'. Hendrick Gerritsz Podt, in sijn 
leven schilder, so en sulcx deselven ten huyse van PlETER Goos, alwaar hij PODT 
Sal'. sijn woonplaats hadde, bij hem metter doot ontruymt, en berustende sijn be- 



1) Van Eynde en A. van der Willigen. Geschiedenis der Vad, Schilderkunst, 1, p. 47. 

3) A. VAN DER Willigen Pz., L. 1. p. 283. 

3) A. VAN der Willigen Pz., L. 1. bl. 21. 

*) Houbraken 11, p. ^218. 

5) Stadels-Mus. te Frankfort a/M. 

^) Mr. A. D. de Vries Az., Biografische Aantcekeningen. 



166 HENDRICKGERRITSZ. POT, 

vonden, ghedaan beschrijven bij PiETER Goos op het aangheeven en ten overstaan 
van deselve Goos en sijn huysvrouw, als volgt: 

Een bedt en peuluwe en Mattras. 

2 hooftkussens met i halskussentje. 

Een reyskofter enz. 

Een swarte lakense mantel met baay gevoert. 

Een swarte lakense Mantel met armosijne opslaghen. 

Een graav lakense mantel met kluerde grofgreyne opslaghen en knopen. 

1 swart lakens rokje en een riem, dito wambus en een sijde broek. 

2 oude rytrokken. Eenige boeken, meubels, enz. 

Voorts : 

Eenigh Schildersghereetschap, so van eesel, plette, olydoos, pinceelen, flesjes, 

verven, en schetsen van tekeninghen, en een weynigh printen en anders, 

van kleijnder waarden. 
Een kleyn gedootverft tronytge met 2 plemuerde doekjes. 
Een conterfeytsel van den Ad*. M'. Salomon DE LA Voye en desselfs ghe- 

dootverfde huys vrouw. 
Een ghedootverfde historie van den Koninck Candaulis en GvGES. 
Een schilderij van de Cicringh van Hester. 

Alles door den overledenen ghedaan. 
Een graauw schilderijtge. 

2 dito. Nog een tiental lantschappen tronies enz. zonder naam van den maker. 
2 seehorens. 

In het bucrsje van den overledenen bevonden f lO- i6-o, 
PlETER Goos moest nog van den overledene hebben: 

Aan een obligatie ƒ 345. — 

Aan \ jaar kost en woonghelt „ 125. — 

Samen f 470. — ; bovendien nog de begra- 
feniskosten. 

Aldus ghedaan binnen Amsterdam desen 16 October 1657. 

Get. PIETER GOOS. i) 

In inventarissen der XVir eeuw wordt POT zelden vermeld. Des te zonderlinger 
komen ons de volgende stukken voor, gevonden in de nalatenschap van Za: Eva VOETS, 
wed. wijlen Zacharias Hooftman, overleden in „St. Bavo op de Heeregraft" te Am- 
sterdam, 1653; hoofdzakelijk waren deze stukken reeds opgenomen in een inventaris 

onder de hand van Juffr. VOETS ,,neffens de voogden gemaect 5 May 1648 tot 

Haerlem. *) In dezen inventaris wordt blijkbaar een onderscheid gemaakt tusschen onzen 
Pot en een zekere ^^Oostindie Pof\ 

Een schilderij, Flora, van Oostindie Pot, 

Een dootshooftje met boecken van Oostindie Pot, 

De Coninck Carel van Engelandt^ van PoT. 



i) Prot. Not. C. DE Ghrijp, Amslcrdam. 

•-» Prot. Not. N. Hendricx, Amstordam. 1653. 



/v 



HENDRICK GERRITSZ. POT. 167 

OlifarneSy van POT. 

*t Contrefeytsel van Andries Hooftman, van POT. 

Een bancketje ^) van Pot. 

Dat Pot reeds vroeg gecopiëerd werd, blijkt uit het veilingsregister der schilde- 
rijen, die Adriaen van de Venne 1647 in den Haag liet verkoopen. Wij vondendaar: 
Een stuck n a H. POT. 

Inventaris der weduwe van Herman van Gesselaar, Den Haag, 16 Oct. 1656: 
Een bancketge van POT. 

Inventaris van de weduwe van JOHAN VAN DER Chys te Delft, 27 April 1692 : 
Een Maria Magdalena van H.P. (waarschijnlijk H. Pot) f 20. 

CORNELIA VAN Lemens, huisvrouw van ABRAHAM MacaréE, te Amsterdam, trans- 
porteerde in mindering van huishuur, op 24 Maart 1646: 

Een vierkante collation van POT, met een platte lijst, getax^. op 
/i8.«) 

Hoet I, p. 127 vermeldt, als verkocht op eene veiling, gehouden 12 Sept. 1708: 

No. 42, Een offerhande, van J. Pot, zeer fraei en konstig ƒ S i - o - 

en (I, p. 136) op eene veiling, gehouden 17 Juli 1709: 

No. 34. Een offerhande van POT, kragtig geschildert / 45 - O - 

Waarschijnlijk is in deze twee aanteekeningen hetzelfde stuk bedoeld. Wij durven 
echter niet zeggen of hier van onzen POT sprake is. 

Waarschijnlijk zal men te Haarlem in inventarissen meer van hem vinden. 

De eerste keer, dat een schilderstuk van zijne hand vermeld wordt, is — gelijk 
reeds met een enkel woord werd gezegd — in de Staten-Generaal. De notulen van den 
24*'* Nov. 1620 behelzen de volgende aanteekening : „Is Hendrick Gerritsz., schilder, 
„haere Ho. Mo. gepresenteert hebbende zeecker groot stuck schilderije vande doot van 
„sijne furstelijcke Doorluchtigheyt, die here Prince van Oragnien, hoochloffelijcker me- 
y,morien, met alle sijne deuchden, voer zijne gedaen costen ende moeijten, om dat in de 
„Vergaderinge te brengen ende ten thoon te stellen, toegeleit 24 guldens". De heer 
Kramm vermeldt deze aanteekening in het Bijvoegsel^ p. 60, doch bedacht niet dat hier 
van hetzelfde schilderstuk sprake is, hetwelk door hem, op Pot's naam, was aangehaald 
uit Boitet's Beschrijving der stad Delft. Waar deze in de beschrijving van Delft's 
raadhuis is genaderd tot de schepenkamer (p. 75), neemt hij uit Van Bleiswijck's werk 
(bl. 127) eene wel wat breedvoerige schets van hetgeen op deze schilderij was afgebeeld 
over, maar die wij ter kenschetsing van Pot's richting in dezen tijd toch raadzaam achten 



O Bedoelt hier: een vroolijk gezelschap, doch dikwijls ook: een stilleven. Bijv. een bancketje van Ueda, Pieter 
Claesz, Kalpp, enz. 

2) Not. S. V. D. Piet, Amtterdam. 






11 

11 



168 HENDRICK GERRITSZ. POT. 

hier te vermelden. Bleiswijck zegt, dat in gemelde kamer hangt: „een heerlijk stuk, waar 
„de doorluchtige prins Willem de eerste ligt doodgeschoten, vergezelschapt met een 
„groote rei van maagden, verbeeldende allerlei kristelijke, burgerlijke en heerlijke krijgs- 
„deugden, de kristelijke: 't geloof, de vreese Gods, vertrouwen op God, oprechtigheid, 
„nederigheid, ijver, godvruchtigheid, hoop, lijdsaamheid, volstandigheid, gerustheid, lank- 
moedigheid, verachtinge van 't leven en de wereld, naarstigheid, liefde, liefde des vaderlands, 
goedheid, zachtmoedigheid, barmhartigheid, getrouwheid, beleefdheid; de politieke 
deugden: wijsheid, voorzichtigheid, gerechtigheid, billijkheid, zachtzinnigheid, mildda- 
„digheid, deftigheid ; de krijgsdeugden: naarstigheid, wakkerheid, dapperheid, 
stoutigheid, ervarenheid ; Versierselen van een prins: edelheid, grootdadigheid, 

macht en eer. Deze alle zijn öf met lauwerkransen 6f palmtakken gekroond De 

„liefde met hare weenende kinderkens vertoonen zich naast het lijf, genegen zijnde om 
„de vingers in de wonden te steken ; van boven komen gevleugelde en spierwitte engelen 
„met olijftakken en kransen uit den hemel nederdalen, terwijl eenige maagden van gelijken 
met kransen in de hand bereid zijn om het prinselijk hooft te kroonen; terzijde ziet 
men de vliegende Faam met een ontstoken bazuin door de lucht vliegen, in welker vendel 
„men deze woorden leest: „^^w caititur toto nomen in orbe tuum'\ „Over alle landen van 
den ganschen aardbodem wordt uw naam als nu verkondigd." Waartegenover men de 
zwarte nijd met vurige oogen uit het duister verschiet noch schijnt te zien. Onderaan 
„staat: ^^Ecce patrem patriae virtutum cerne sacellum'\ „Zie den vader des vaderlands, 

„aanschouw den kern der deugden" Zijnde dit stuk alles in zijn geheel, gelijk de 

„liefhebbers dat noemen zeer groots geschikt, geteekend en meesterlijk geschilderd door 
„den kunstrijken HENDRIK Gerritsz. Pot in het jaar 1620". 

Naar deze beschrijving te oordeelen, telde het stuk minstens 50 figuren. Of het 
den schilder gelukt is, elk der dikwerf nauw verwante .deugden afzonderlijk goed te karak- 
tcriseeren, deze en zoovele andere vragen, welke bij ons rijzen, kunnen wij niet beant- 
woorden. Tot het laatst der vorige eeuw hing het stuk in de Schepenkamer, maar toen 
werd het — volgens mededeeling van den archivaris van Delft, Mr. J. SOUTENDAM — 
waarschijnlijk om de staatkundige twisten, welke noodlottig konden worden voor het 
werk, overgebracht naar de stadswerf en sedert is het verdwenen. Ter aanvulling diene 
nog het bericht van v. Bleiswijck, p. 845, dat Pot gebruikt had de afbeelding welke 
Christiaen Jansz. van Bieselingen had gemaakt van het lijk van den Prins. 

Gelukkig bleef een ander schilderstuk van Pot uit denzelfden tijd en van dezelfde 
soort bewaard. In 1622 werd in de eetzaal van het Princenhof te Haarlem geplaatst 
een stuk, voorstellende „De verheerlijking van Prins Willem I." Het werd — gelijk in 
den Catalogus van het Museum der stad Haarlem, waar het zich thans bevindt, vermeld 
staat — van den schilder gekocht voor f 450, en de stadsregeering liet er een lijst voor 
maken, welke ƒ 175 kostte, en vervaardigd werd in 1622 door den beeldsnijder en zilver- 
drijver DoMiMCUS Jans. Wel een bewijs, dat men dit schilderstuk hoog schatte. 









> 



HENDRICK GERRITSZ. POT. • 169 

AmpzinGi Pot*s oudere tijdgenoot, wiens Beschrijvinge ende Lof der stad Haerlemf^'^dx^n 
later verscheen (1628), bezingt hem (p. 371) als volgt: 

„En dan moet Heyndrick Pot sijn kroon ook billijk dragen. 
'T is wonder wat hij doet in dese onse dagen 
Met sijne suyvre hand, 

en zegt dat gemeld stuk is „seer suyver ende konstig gedaen". Th. Schrevel, die 
9 jaren later zijn Harlemium^ enz. uitgaf, (waarvan hij het volgend jaar, 1638, eene vertaling 
in 't Hollandsch, de bekende Harlemias^ bezorgde) prijst het een „uitnemend" werk. Thans 
luidt het oordeel eenigzins anders. BODE noemt het in zijne Studiën zur Gesch. d, HvlL 
Malerei p. 160: eine sehr langweilige Composüion von geringer kunstlerischer Leistungy 
waarin hij geen verwantschap met POT's gezelschapsstukken ontdekken kan. Zoo gaat 
het ook ons. Wij hebben er zelfs wel eens aan gedacht of het stuk dat thans in de 
buitengewoon fraai gesneden lijst hangt, niet eene copie naar het wellicht door een nood- 
lottig toeval beschadigd, oorspronkelijk stuk van POT kon zijn. De compositie is natuurlijk 
wat vervelend, wat bij zulke allegorische voorstellingen niet te verwonderen is. 

Het stuk, 142 centim. hoog, 348 centim. breed en op doek geschilderd, ver- 
toont een zegekar, getrokken door drie olifanten. Naast de kar en naast eiken olifant 
gaan drie in 't wit gekleede vrouwen, de middenste gewapend met een hoogen, met groene 
kransen versierden stok^ waaraan een bord bevestigd is. Op iederen olifant zit eene vrouw, 
te midden van ettelijke nakende kindertjes. Op de zegekar staat eene vrouw, vast- 
houdende een banier, en zijn een groot aantal kinderen gezeten. Dicht bij die kar, 
meer op den voorgrond, staat een beeld van prins Willem I. De stoet trekt langs een 
groene haag» 

De figtu'en zijn leelijk en slecht geteekend bovendien; de compositie, met hare in 
gelederen geschaarde vrouwen, is alleronbehagelijkst; de allegorische voorstelling mist 
alle vernuft; gedachte en gevoel ontbreken beiden; het geheele stuk is zoo koud en 
prozaïsch mogelijk. Het palet is al even arm als de rest; over den rug der olifanten 
ligt een donkergroen kleed, de zegekar is leelijk geel, het vleesch is dor, de witte ge- 
waden zijn van kalk, de haag van groen gesopte kurk. 

Onbegrijpelijk dat de regenten, die een lijst lieten maken, zóó fraai als dit doek 
omsluit, behagen konden scheppen in dergelijk schilderwerk. Of neen, onbegrijpelijk is 
het niet: zin voor allegorie is ons volk ten allen tijde vreemd geweest, en de liefde voor 
den grondlegger wjk onzen Staat, deed voor 't overige de oogen luiken. 

In 1622 werd het stuk geschilderd, maar vergeefs zoekt men naar iets, hetwelk zou 
kunnen doen vermoeden dat de schilder het werk van Frans Hals kende, die toch reeds 
verscheidene jaren te Haarlem was gevestigd. 

Th. Schreveuus noemt nog twee stukken, welke Ampzing niet vermeldt, en die 
dus. waarschijnlijk zijn ontstaan na het verschijnen der Beschrijvingh ende Lof der stad 

22 



170 * HENDRICK GERRITSZ. POT. 

Haerlem, namelijk: „een tafereel, hangende op de schuttersdoelen, daarin hij een geheel 
„Corporaalschap geschildert heeft, als ZOUTMAN en andere meer. En noch heeft hij 
„geschildert de historie van Judith en Holophernes, een juweel van de kunst, dat te zien 
„is in 't huis van de heer HOFMAN, in welk stuk de Meester hooger schijnt te gaan 
;,dan hij vermag, en waarin hij zo een scherp Penceel gebruikt heeft, dat het gezicht 
„'tnauwlijks kan naspeuren." Deze „Judith en Holophernes" is waarschijnlijk hetzelfde 
stuk, dat wij aantroffen in de nalatenschap van de wed' Zach. Hooftman. 

Het eerste van deze twee stukken bestaat nog. Het is No. 96 van het Sted. 
Museum te Haarlem, en stelt voor: officieren van de schutterij der Cloveniers, den doelen 
verlatende, bevat elf figfuren, is^ op doek geschilderd, hoog 202 en breed 270 centi. 
meter. Volgens de mededeeling, onder dit stuk geplaatst, is het in 1630 geschilderd. 
Dit wordt bevestigd door de opmerking dat JACOB PiETERSZ. BUTTINGA en Nicolaas 
Olycan er nog als vaandrigs staan afgebeeld, die op het stuk door FRANS Hals in 
1633 geschilderd, de vergadering der officieren van den Cloveniersdoelen bijwonen in de 
qualiteit van luitenant BoDE {^^Studieti!^ enz. p. 113) zegt: dat het de officieren voor- 
stelt, die in 1630 aftraden, op dezen tijd ^vijzen ook de kostumen, „De frische, bijna 
yjoviale opvatting, de samenstelling, de rijke kleuren in den grijsachtigen hoofdtoon wijzen 
„zeer duidelijk een volgeling van Frans Hals aan, zoo als deze optreedt in zijne groote 
„portretstukken van dcnzelfden tijd in dit museum." BODE schrijft verder: „ik geloof, 
„dat twee regentenstukken door hunne verwantschap den schilder' van dit stuk aanwijzen^ 
„nl. PiETER Soutman. Voor dezen spreken niet slechts de reeds vermelde eigenaardig- 
„heden der schilderij, maar ook de versmolten (vertriebené) schilderwijze en detcekening, 
„welke voornamelijk in de handen nog het voorbeeld van Peper Paul Rubens ver- 
„raden. Toch overtreft deze schilderij stellig de twee andere, door SoüTMAN geteekende 
„en ruim tien jaren later geschilderde stukken." Ook Jhr. Dr. J. Six schreef dit stuk 
{Oud'Holland IV bl. 103) aan Soutman toe. Bode heeft op de door ons uit Schrevelius 
aangehaalde woorden, naar het schijnt, geen acht geslagen, en beide schrijvers denken bij 
dit werk van POT aan die van SoUTMAN. Omstreeks 1580 werd PieterClaesz. SoUTMAN 
te Haarlem geboren, en hij stierf in hetzelfde jaar als POT, in 1657. Geheel tijdgenooten 
en stadgcnooten bovendien, ontwikkelden beiden zich ongeveer op dezelfde wijze. Wel 
oefende Soutman zich eerst bij Rubens, maar later volgde ook hij Frans Hals. Oi 
Pot te Antwerpen is geweest, weten wij niet, en hij kan Soutman hebben afgezien wat 
deze bij RUBENS geleerd had. 

Dat dit korporaalschap werkelijk van POT is, blijkt eerst ove^igend door verge- 
lijking met zijn stuk, onlangs voor het Museum-Boymans aangekocht. Al wat gezegd is 
omtrent de joviale opvatting, de rijke lokaalkleuren, den grijzen hoofdtoon, de vlotte 
behandeling, geldt niet minder van dit laatste, dat den invloed van Frans Hals nog 
sterker wellicht verraadt De overeenkomst is zóó groot, dat wij niet twijfelen of het 
korporaalschap is ook van Hendrick Gerritsz. Pot. 



HENDRICK GERRITSZ. POT. 171 

Wij gaan nu over tot eene korte opsomming van zijne werken, voor zoover zij ons 
bekend zijn. 

PORTRETTEN. 

I. Portret van Bernhard Paludanus, Med. Dr. te Hoorn, niet geteekend, maar 
gegraveerd door J. VAN DE VELDE in 1629 en deze vermeldt H. POT als den schilder. 
Pan. H. 269, B. 190 mm. De eigenaar, de heer D. Franken Dz., te Vésinet, 
deelt mede dat hij dit stuk in 1863 kocht uit de collectie van Dr. HuuSKAMP 
VAN DER Venne, te Haarlem, en schrijft verder: het fond is bruin en het 
geheel in dien toon; de toets ftjn en wel wat droog, als of POT naar de por- 
tretjes van SCRIVERIUS en zijn vrouw, door Frans Hals in 1626 geschilderd, 
heeft gekeken. Het is van ouder factuur dan het portretje van Karel I in 
het Louvre, waarin de toets zeer versmolten is. Het portret is links, op de 
prent omgekeerd, maar anders hetzelfde. Op een blad papier, dat met lak 
tegen de marmeren plaat is bevestigd, staat een I2regelig versje van S. Ampzing 
-met het penseel geschreven : „Siet Paludanus hier" enz. 

IL De officieren van de schutterij der Cloveniers, den doelen verlatende; geschil- 
derd in 1630. Stedelijk Mus. te Haarlem, No. 96. 

III. Portret van koning Karel I van Engeland, get. PP 1632. Pan. H. 340, 
B. 270 mm. — Museum van het Louvre No. 398. 

Paul Mants getuigde in de Gazeite des Beaux Ar/s, Dl. 24 p. 515, 
dat dit kleine stuk zeg^ „autant sur la tournure et Ie visage du roi que les 
portraits si séduisants et si fiers de Van DijCK. Mais la patience commenfait 
k se démoder". Wij meenen — gelijk is gezegd — dat POT den m e n s c h 
Karel I beter kennen doet dan Van Dijck het deed. Wij weten niet, of dit 
hetzelfde portret van Karel I is, dat vermeldt wordt op den inventaris der 
nalatenschap van de Wed' Zach. Hooftman. Bekend echter is dat het be- 
hoord heeft tot het kabinet van Prins Willem V, erfstadhouder der Neder- 
landen. De heer ViCTOR de Stuers vermeldt het in de Notice Historique et 
descriptive van het Kon. Museum in Den, Haag, bl. VII, als een der (A schil- 
derijen, welke van gemelde verzameling in Frankrijk gebleven zijn, waar het 
dan ook eerst geplaatst werd in het Musée NAPOLÉON. Heinrich Sander, 
die in 1777 Holland bezocht en op den 2'" Aug. van dat jaar het kabinet van 
prins Willem V bezichtigde, vermeldt in de Beschreibung seiner Reisen 
(Leipzig, 1783) Dl. I, p. 505, ook dit schilderij, als behoorende tot dat kabinet. 
Hij zegt: „Karel I von Engelland, von Heinr. Pot. Er hat ein lichtrothes 
Haar, und ein Spitzbartchen. Die Engellander sagen, es gleiche dem unglück- 
lichen Könige sehr. Aber das Bildnis im Schlösse zu Versaillcs ist doch 

schoner." Met dit laatste bedoelt hij het op bl. 293 door hem beschreven 

22* 



172 HENDRICK GERRITSZ. POT. 

portret van Karel I, door VAN DijK. P. Terwesten vermeldt het portret 
van Pot niet in zijn Catalogus van het kabinet van prins WiLLEM V, maar 
hij beschreef hiervan, zooals men weet, slechts een gedeelte. 

IV. Portret van Maarten Harpertsz. Tromp, gegraveerd door J. Suyderhoeff, 
in 1640.' 

Maarten Harpertsz. Tromp is geportretteerd door Lievens, van der 
Helst, de Vlieger en vele anderen. Portretten, waarvan de schilder niet 
vermeld wordt, bevinden zich o. a. op het slot Hoenloo, het kasteel Heeswijk, 
den zolder van het Kon. Paleis te Amsterdam, het zeeliedenhuis te Brielle, en 
kwamen voor op de veilingen van CORNELIA VAN KINSCHOT 10 Apr. 1788, 
van 10 Dec. 1878 te Amsterdam. 

Door de gravure van SUYDERHOEF is wellicht dit portret nog op te sporen. 

V. Borstbeeld van een man met bruin hoofdhaar en baard, dragend een violet 
bruinen mantel. Levensgroot. Pan. H. 0.52, B. 0.48. In het museum teGotha, 
No. 68 ; geteekend met het monogram FP, en gecatalogiseerd als een werk 

van JOHANNES PYNAS. 

VI. Blijkens den inventaris, van zijne nalatenschap had PoT in 1657 het portret 
van den advocaat M'. Salomon de la Voye voltooid en het portret van 
diens vrouw in doodverf nagelaten. 

VII. Op den inventaris der nalatenschap van de wed' Zach. Hooftman staat ver- 
meld het portret van Andries Hooftman. 

VIII. Op de veiling van het tweede gedeelte van het kabinet-CREMER, 21 Juni 1887 
te Amsterdam verkocht, was het portret van een jongen man, staande bij een 
tafel, waarop, naast een globe, zijn hoed ligt; geteekend .,Out 33 Anno 1638," 
op paneel, H. 470, B. 380 mm. De helft van dit stuk, ook het hoofd, was 
echter overschilderd. 

IX. In het kabinet-CREMER, dat in Oct. 1886 te Amsterdam verkocht werd, bevond 
zich een portret, op koper H. 150, B. 120 mm., van Samuel Ampzingius, 
„Harlemensis Patriae Ecclesiae pastor", geteekend 1620. 

X. Op de watersnoodtentoonstelling in 1881, was door Jhr. M'. ViCTOR DE Stuers 
als een werk van PoT ingezonden (N*. 240 van den Catalogus) een portret van 
Zacharias Hofman; Pan. H. 180, B. 160 mm. Dit kwam, als een werk van 
Thomas de Keyzer, in 1880, 20 Oct, voor op de veiling van het kabinet 
der Douairière HUYDECOPER, te Amsterdam. De heer de STüERS was zoo welwil- 
lend ons mede te deelen, dat hem later gebleken is, dat dit stuk eene repetitie op 
kleiner schaal is van het mansportret aan Jan Le Ducq toegeschreven, ui het Museum 
te Dresden, (N. 1602), waar ook eene repetitie op kleiner schaal (N, 1601), van 



HENDRICK GERRITSZ. POT. 173 

m 

dezelfde hand, zich bevindt. Opmerking verdient, dat BODE in zijne 5/«AV» p. 157, 
het portret van Karel I in het Louvre „nahe verwandt" noemt aan deze por- 
tretten waarvan hij fp. 138) getuigt, dat zij zijn „von grossemFleissundReiz der 
Durchführung" en „unverkennbar die Bildnisse des Frans Hals von ahnlichem 
Format als ihre Vorbilder erkennen lassen." 

Wij wagen het, hier de vraag te doen; of de zeer zonderlinge handtee- 
kening N. Leduc op een dezer portretten niet valsch is ? DUCK teekende toch nooit 
Leduc, en van den z/^^schilder Jan Le Ducq zijn deze portretjes stellig niet. 

Wij meenen hierom, zij het slechts vragenderwijs, deze portretten te 
moeten vermelden : 

XI. In een hoog vertrek staat een man, met baard en knevel, in het zwart gekleed, 
bij eene tafel. Ten voeten uit. De wand der kamer, op den achtergrond, is 
grijs. Er staat tegen den wand een schouw met marmeren pilaren. Vloer 
geel. P. H. 435, B. 335 mm. Museum Dresden No. 1602. 

XII. Dezelfde man, halffiguur. P. H. 175, B. 140 mm. Museum Dresden No. 1601. 

XIII. Jhr. P. H. A. Martini Bliijs, te Rotterdam, bezit twee portretjes, door hem 
tijdelijk afgestaan aan het Museum voor Geschiedenis en Kunst aldaar, welke 
met de drie laatstgenoemde zeer veel overeenkomst hebben. 

Het eene is een mansportret, ten voeten uit. De man is in 't zwart 
gekleed; een manteltje hangt over den i^ug; aan de kniebanden lange strikken; 
op de lage schoenen rozetten; een groote, liggende pijpkraag en omgeslagen 
manchetten, met kanten boordsel. De linkerhand steunt in de zijde, de rech- 
terhand hangt langs het lijf en houdt de handschoenen vast Hij heeft den 
hoed gelegd op de tafel, welke aan zijne linkerzijde staat en bedekt is met een 
rood kleed, waarvan de gouden franje op den vloer hangt. Achter de tafel staat 
een stoel, voor een marmeren pilaar. De wand, die den achtergrond vormt, 
is grijsachtig bruin, de vloer geel. P. H. 420, B. 325 mm. 

Tegen het paneel is geplakt een .papier, met de volgende mededeeling : 

„Dit is het portret van Jacob van der Merckt, die getrouwd is geweest met Pktronklla 
WiTT£N, waarbij drie dochters heeft gehad, een geheeten Pstronblla, die getrouwd is ge- 
weest aan de burgemeester Bert van Waveren, mijn over over grootvader. 

„Deze portraitten maak ik aan mijn neef en nichte Bock, wiens over over grootvader 
het ook is. M. van Hoven, wed. van der Voort. 

XIV. Pendant van het voorgaande. Vrouwenportret, ten voeten uit, \ links gewend, 
in het zwart gekleed, het keurslijf met goud geborduurd; breede, geplooide, 
liggende kraag en omgeslagen manchetten met kanten boordsels; een mutsje 
achter op het hoofd. De linkerhand ligt op de heup; in de rechterhand, 
ter hoogte van de borst, een waaijer van struisvogelveéren. Rechts van haar 
een tafel met rood kleed, waarvan de gouden franje op den vloer ligt. Op die 



174 HENDRICK GEK RITS Z. POT. 

franje, voor haar, ligt een hazewind. De handschoenen liggen op de tafel. Naast 
deze staat een stoel, en achter haar dezelfde pilaar als op het pendant. 

BIJBELSCHE EN MYTHOLOGISCHE ONDERWERPEN. 

Door ScHREVELius' mededeeling dat POT „de historie van Judith en Holophernes" 
schilderde, is bekend dat hij ook deze genres beoefende. Het wordt ook door den inven- 
taris zijner nalatenschap bevestigd. Daarin worden vermeld zoowel een ,,Candaules en 
Gyges, in doodverf," als eene „Cieringhe van Esther." Op den inventaris der Wed' VAN 
DER Chys, 1692, staat eene Maria Magdalena (?). 

Slechts één werk van dezen aard is ons bekend. Het hangt in het Museum te 
Mainz (als Ferd. Bol) en is duidelijk met het Monogram van H. Pot gemerkt. Het 
is een kniestuk. en stelt Abraham voor, met het mes in de hand, bij een wierookvat, op 
het punt van zijnen (niet zichtbaren) zoon te doorsteken. Misschien eene studie vooreen 
grootere schilderij, in den geest van Lastman's werk, nu in 's Rijks-Museum te Amsterdam. 
De kop is zeer onaangenaam; de schilderwijze breed, en de kleur wat hard. Wel een 
der minst aangename werken van den meester. 

ALLEGORISCHE VOORSTELLINGEN. 

I, Prins Willem I op zijn doodsbed, omringd door een rei van maagden, welke 
zijne deugden voorstellen, in 1620 gekocht door de stad Delft. De geschie- 
denis van dit stuk is reeds medegedeeld. 

II. De verheerlijking van prins WiLLEM I, en 1622 gekocht door de stad Haarlem 
Sted. Museum te Haarlem, No. 144. 

GEZELSCHAPSSTUKKEN. 

I. Een gezelschap van 5 personen. Een heer, drie jonge en ééne oude vrouw zitten aan 
een tafel, waarop een taart, en eenige versnaperingen zijn geplaatst. De heer, 
die zijn mantel en degen heeft gelegd op een stoel, welke op den voorgrond 
ter linkerzijde staat, maar zijn breedgeranden, grijzen hoed heeft opgehouden, 
ligt aan een der lange zijden van de tafel, vroolijk lachend, achterover in 
zijn stoel, en houdt eene hand vast van elk der opgedirkte, tamelijk grof 
uitziende vrouwen, die aan zijne zijde zitten. De derde jonge vrouw zit tegen- 
over hem, naast eene oude vrouw, wier bedrijf op haar gezicht te lezen staat. 
Achter dit gezelschap, ter rechterzijde, staat een groot ledekant met groene 
gordijnen. Op den voorgrond staat een tinnen wijnkan, liggen een paar oester- 
schelpen, zit een hond. Een weinig achterwaarts ligt een kat ineengerold en 
staat een tinnen waterpot. Tegen den achterwand is een buffetkast geplaatst 
en hangt een lei. Door een deur in den achterwand treedt een heer, met om 
den hals geworpen mantel binnen. Het is op Pan. H. 410, B. 560 mm., en 



HENDRICK GERRITSZ. POT. 175 

draagt op den voorsten pijler van het ledekant, POTS monogram. De vloer is 
bruingeel, de achtergrond grijs. De lokaalkleuren zijn helder en krachtig. De 
behandeling is over 't algemeen vlak en dun, met kleine, vet opgezette lichtjes. 
Het geheel herinnert aan DiRCK Hals; naar het kostuum en de behandeling 
te oordeelen, is het omstreeks 1630 geschilderd. , 

Kon. Museum den Haag. 

II. Gezelschap van dames en heeren in een bordeel In een vertrek zitten aan 
een met een groen kleed bedekte tafel drie jeugdige paren, drinkende en roo- 
kende. Achter het links zittende paar staat een jong man ; in het midden eene 
oude vrouw, met een tinnen kan in de hand. — Aan een bankje gemerkt PP. 
Opvallend zwak werk van den schilder^). De gelaatskleur der mannen, is zeer 
roodachtig. Dit stuk herinnert sterk aan het vorige. Dezelfde grijze achter- 
grond '(iets geler), dezelfde bruingele vloer; tweemaal dezelfde tinnen kan. 
Dezelfde kat (op een stoof), daarbij ook een hond (wit met zwarte ooren) op 
den voorgrond, benevens een koperen wijnkoeler. Omstreeks 1630 geschilderd. 
Paneel, h. 350, br. 530 mm. No. 1486 Depot Mus. Berlijn. 

III.. Eene dame knielt voor een heer, vroeger toegeschreven aan C. PoelenbüRG; 
afkomstig uit de verzameling van koning Karel I, waarmede het in 1649 ^^^ 
„Bott" — een lees- of drukfout voor POT of Poth — werd verkocht; thans 
overeenkomstig het monogram, gesteld op POT's naam; waarschijnlijk geschil- 
derd omstreeks 1632. Hampton-Court No. 634. 

IV. Het lokstertje. Rechts zit een reeds niet meer jeugdig man, die in de eene 
hand een tinnen klepkan, in de andere een brandend pijpje houdt, gelijk hij 
er ook een, niet brandend, in den rand van zijn muts heeft gestoken, waarop 
tevens een vossestaart bevestigd is. Op zijn linkerknie rust nog de knie van 
een jonge meid, die het eerst hem heeft trachten te bekoren, maar ziende dat 
hij aan pijp en kroes de voorkeur geeft, zich gewend heeft tot een jongen, 
sierlijk gckleeden man, wiens toestand even goed door de uitdrukking van zijn 
gelaat als door het glas rijnwijn dat hij in de hand houdt, wordt aangeduid. 
De jonge meid leunt achterover in zijn rechterarm, waarvan de hand op haar 
schouder even zichtbaar is, lacht hem vriendelijk toe en houdt zijn kin in 
haar linkerhand, terwijl zij de rechter, waarin zij een fluitje houdt (de nadere 
aanduiding van haren aard) laat hangen langs heup én been. Met innige pret 
ziet de oudere heer dit schouwspel aan. 

De figuren zijn bijna levensgroot en tot de knieën afgebeeld. De achter- 



1) Toch zeker van zijne hand. Hij schijnt zeer ongeluk geschilderd te hebben, maar er bestaat geen enkele reden» 
om voor de uiteenloopende werken, allen echt FP gemerkt, een tweeden kunstenaar te zoeken, die dit monogram zou 
gevoerd hebben. Men schreef sommige zóó gemerkte stukken vroeger aan Horatius Paulijn toe, doch daar deze schilder 
eerst in de 2e helft der XVIIe eeuw werkzaam was, kan dit stuk ten minste in geen geval van hem zijn. 



176 HENDRICK GERRITSZ. POT. 

grond is bruinachtig grijs. De lokale kleuren zijn zeer levendig. De oude heer 
is gekleed in een groen onderkleed met roode Unten langs de naden en een 
bruin overkleed met rood boordsel en roode rozetten. De juffer draagt een 
helrooden rok, paarsch met gele zijde geborduurd keurs, een zwart fluweelen, 
met bont gevoerd manteltje, rooden halsdoek, witte kraag en groene veeren 
in het haar. De jongere heer is gekleed in een groen onderkleed en een 
blauwen mantel. Het geheele stuk vertoont sterk den invloed van Frans Hals, 
van wiens „vroolijk klaverblad" het een niet onaardige tegenstelling is. Sommige 
gedeelten, zooals het hoofd en de borst van het meisje, de hand van den jongen 
man op haar schouder en de hand waarin de oudere heer zijn pijpje houdt, 
konden gerust aan het penseel van Frans Hals worden toegeschreven. Het 
stuk is op den hals der klepkan geteekend met het monogram en het jaartal 
n ®i)30> ^^^ ^s op doek H. 1.035, B. 1.48. 



Dr. Bode noemt verder: 

Een gezelschap van 14 heeren en dames, waarvan eenigen kaartspelen, anderen 
samen spreken, in een fijnen helderen grijs-bruinen toon; het eigendom van Sir RiCHARD 
Wallage te Londen; 

Een portretje van een heer, ten voeten uit, in rijke kleurige kleeding, bij den Heer 
ROTHAN te Parijs. „Ganz ahnlich" aan het portret van Karel I. (BODE) 

Een gevecht van twee lichtekooien en een oude vrouw met een jongen man, om 
de nalatenschap van een overledene, die in eene opene kist naast hen rust. Op de tafel 
en op den grond liggen goudstukken en voorwerpen van waarde. Bij Prof. Knye te 
Berlijn. Dit fraaie stuk is volgens BODE omstr. 1625 tot 1630 geschilderd. 

Drie paartjes in tamelijk indecente groepeering, dun en vlug geschilderd, bij Dr. 
KOSLOFF te St. Petersbnrg. Gem. t-PI. 

Twee dergelijke voorstellingen, waarvan de ééne met meer dan ^ levensgroote 
figuren. In den handel te Berlijn. 

Musiceerende boeren. Was 1872 bij den Heer JACOBSON te Stockholm. Goed 
geteekend, geestig, fijn van kleur, gedeeltelijk vet geschilderd. Omstreeks 1650 geschilderd. 

Een met het monogram I-P voorzien stuk, een vrek, die zijn geld telt, in de Ufïizi te 
Florence, wordt door Bode aan Horatius Paulijn toegeschreven. Het is onder Rembrandt*s 
invloed geschilderd, in d^ trant van een flauwe SaloMON Koninck. O. i. hebben wij hier 
wel degelijk met een werk van Hendrick Pot te doen, uit den tijd toen hij te Amsterdam 
woonde, en dientengevolge Rembrandt's schilderwijze licht invloed op hem had. 



1) Ik meen, dat het nu moeielijk tz lezen jaartal ééns 1633 te lezen was. Ook de kostumes zouden ons di 
doen vermoeden. ^- Brbdius. 




DE OPERA TE AMSTERDAM, 

EENE BIJDRAGE TOT DE GESCHIEDENIS DER OPERA IN NEDERLAND. 



Dr. H. C. rogge. 




PÊ^ ICHT- en toonkunst zijn tweelingzusters; in de geschiedenis der beschaving: 
$ treden zij te zamen op, en bij alle volken gaan zij hand aan hand. ^Thea- 
Yi tralisch-dramatische-musikalische Darstellungen", zegt EiTNER terecht, 
„sind so alt wie die beiden Schwesterkünste, die Dichtkunst und Musik 
■• selbst," De Grieksche tragedie, die, hetzij geheel, hetzij voor een deel 
gezongen werd, staat in nauw verband met het geestelijk theater der 
middeleeuwen en zijne liturgische liederen, en niet zoozeer het tooneelspel dan wel de theatrale 
voorstellingen der lö** eeuw, met hare madrigalen en canzonen zijn de voortzetting 
van hetzelfde verschijnsel. Uit die voorstellingen werd aan het hof der Florentijnsche 
edelen de opera geboren, het muzikale drama of blijspel van den nieuweren tijd, dat 
onder de handen van MONTEVERDE en andere groote Italiaansche toondichters be- 
paalde vormen aannam. Want Italië is het eigenlijke vaderland van de opera; eerst 
nadat zij diir een eerste ontwikkelingstijdperk had doorloopen, ging zij naar Duitschland 
en Frankrijk over, waar zij zelfstandige beoefenaars vond. Het eigenaardig karakter, dat 
de toondichters dier drie nationaliteiten onderscheidt, spiegelt zich inzonderheid in dezen 
kunstvorm af. In haar drievoudig karakter heeft de opera zich thans veibreid over de 
gehi-ele beschaafde wereld. 



178 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

Hier te lande is de opera reeds in het laatst der ly^* eeuw bekend geworden ^). 
Rondreizende gezelschappen van zangers en zangeressen, Franschen *) en Duitschers, 
bezochten ook de Nederlanden, en hebben zich te Amsterdam meermalen doen hooren 
op de kermis, die toen drie weken duurde. Nu en dan bleef er wel eens een gezelschap, 
dat zeer veel bijval had gevonden, nog enkele weken vertoeven. De troep van Abt, 
die gedurende eenigen tijd voorstellingen gaf in een houten loods bij het Rechthuis in 
de Diemermeer, was zeker op geene andere wijze hier gekomen. Buiten den kermistijd 
werd het geven van tooneelvoorstellingen aan zulk een vreemd gezelschap niet vergund, 
weshalve het zijne tent buiten den stedelijken gebiedpaal moest opslaan. Hoewel de plaats 
zeer ongelegen was schijnen toch de muzikale talenten van Mevrouw Abt en van PiLOTTI 
vele bezoekers getrokken te hebben. Welke opera's zij opvoerden wordt niet gemeld, 
maar wel dat Abt, „de kunst buiten gesloten, juist geen voordeelig gerucht achterliet" '). 
Van latere Duitsche kermisbezoekers is mij weinig of niets gebleken. ^) Misschien zijn 
er operisten onder geweest, maar zoo zij al een paar weken langer ergens buiten de stad 
hunne voorstellingen hebben voortgezet, tot eene meer blijvende vestiging kwam het niet. 

De Franschen brachten het verder dan de Duitschers. In 1752 vestigden zij 
een eigen tooneel op den Overtoomschen weg, ter plaatse waar nu het gesticht „De Een- 
dracht" staat. Toen dit houten theater in 1754 verbrand was ^) trachtte men eerst de 
voorstellingen voort te zetten in eene tent buiten de Utrechtsche poort achter de herberg 
„de Bergervaerder kamer", even buiten het rechtsgebied der stad gelegen, waar reeds 
eenige jaren te voren opera's waren gegeven, waarschijnlijk door Duitschers *). . Maar de 
herbergier, vreezende voor een dergelijk ongeval als op den Overtoomschen weg, weigerde 
zijne toestemming te geven, waarop de Fransche tooneelisten eene nieuwe tent opsloegen 
op het erf „de Rob" nabij de puinhoopen van het verbrande theater. '') Hier werden voor- 

m 

stellingen gegeven door een gezelschap van jeugdige tooneelisten bekend onder den naam 
van „Les enfants du Sieur Frederic". Carolina en Charlotte Fredericq, van welke 



1) De zangspelen, die men omstreeks 1686 te Buiksloot opvoerde, {Bouwsteenen^ Eerste jaarboek van de Vereen, v. 
Aederl. muziekgcsch, Amst. 1872, bl. 112 II v.) wijzen reeds op eene navolging van de opera in andere landen. 

2) Op 2 Sept. i688 machtigen FRAN901S Tombeau of Tomboy, FRAN9. Groenhagen, FRAN9. Lion en Joh. van 
ScHUTLENfiURG, muzikanten in Den Uaag, voor den notaris P. de Weert aldaar, iemand om in rechten te ontvangen van 
„N. Chevallier en Garille, mitsgaders de verdere compagnie operaisten, alhier in den Hage den somer de opera 
vertoont hebbende, sljnde jegenswoordigh te Amsterdam", een som van 97 gulden, die zij van deze operisten hadden te 
eischen. Deze bijzonderheid werd mij medegedeeld door den heer Bredius. De zangers hadden zich in Den Haag blijk- 
baar van de muzikanten bediend, die zij daar vonden, en zullen in Amsterdam desgelijks hebben gehandeld. 

*) Tooneelkund. Briezen, Amst. 1808, bl. 177. MaandeL Nederl. Mercurius 1792, bl. 170. 

4) Er bleef een billet bewaard, waarop LuDWiG Nuter aankondigt, dat hij op 24 Sept. 1788 zal doen spelen in 
zijn „Schauplatz auf dem Botermarkt in dem grossen Blauen Tent" de volgende Lustspiele: „Der Schneider und sein 
Sobn" en „Der Jurist und der Bau'?r", alsmede een groot ballet van kinderen; „Der entdeckte Betrug". Misschien voerde 
dit Gezelschap ook kleine operas of Singspiele uit. 

6) Het verhaal van den brand en verdere bijzonderheden betreffende dit theater vindt men in de Nederl, jaer^ 
boeken 1754, bl. 626, v. 

«) Een gezelschap ging op 14 Oct. 1750 te 6 uren daarheen. De voorstelling was om 9 uren afgeloopen. Hs 
van Bicker Raye op het Stedel. Archief. 

7) Nederl. Jaarb, 1754, bl. 810 v. 



^ 



DE OPERA TE AMSTERDAM. 179 

de eerste meestal de mannenrollen vervulde, schijnen zeer goede zangeressen geweest te 
zijn. Er zijn bundels bewaard gebleven bevattende kleine opera's, die zeer tot het 
genoegen van de Amsterdamsche burgerij dddr zijn opgevoerd i). Frederic verhuisde 
in 1763 naar den voormaligen Vauxhal dichter bij de stad. Er was intusschen een nieuw 
gezelschap gekomen, onder directie van Dallainville en Brochard, dat niet alleen 
treur-, blijspelen en balletten gaf, maar ook Italiaansche en Fransche opera's tengehoore 
bracht'). Men was er hoog mede ingenomen. De Amsterdammers stroomden driemaal 
per week er heen, om Dallainville, dien men zelfs boven den beroemden Le Kaïn 
stelde, of den Haagschen zanger DuGUAl, te hooren '). Lang schijnt ook dit opera-theater 
geen stand gehouden te hebben. In welke opera's deze artisten zongen, is niet opge- 
teekend, doch het zullen compositiën van Dalayrac, Gretry, Paesiello en anderen zijn 
geweest, die toen tot het Fransche repertoire behoorden. 

De opera viel zoo zeer in den smaak, dat het voorbeeld van vreemdelingen tot 
navolging prikkelde. Er ontstonden allerlei liefhebberij-tooneelen, waarbij aan het zangspel 
eene groote plaats werd ingeruimd. Vermogende Portugeesche joden richtten omstreeks 
1750 een Spaansch tooneel op, waar men behalve stukken van Calderon en MORETTO 
ook uit het Fransch vertaalde opera-bouffes opvoerde. Buiten de leden van dit gezel- 
schap had niemand toegang, tenzij men door een hunner werd geïntroduceerd. De vrou- 
wenrollen werden door mannen vervuld*). Een ander tooneelgezelschap vormde zich 
onder den titel „Kunstmin spaart geen vlijt". *) Eerst gaf men voorstellingen in >,Het 
Wapen van Amsterdam" op het Rusland, doch daarna kocht men een huis op de 
Keizersgracht naast de plaats waar de Stadsschouwburg had gestaan en toen het R. C. 
Armenkantoor gevestigd was. De aanzienlijkste burgers waren leden van het gezelschap 
en geen geld werd gespaard om zaal en tooneel naar eisch in te richten. De dichter 
Philip Frederik Lynslager was een van de beste acteurs en zangers en verscheidene 
opera's van TOUSSAINT Neyts en anderen werden door hem uit het Fransch vertaald. 
De hier opgevoerde stukken waren zeker niet van het beste gehalte, maar het orkest, dat 
uit bekwame meesters was samengesteld, schijnt zoo goed geweest te zijn, als men het 
maar verlangen kon. 

Naast „Kunstmin" kwam weldra een tweede gezelschap op, dat evenzeer de aan- 
zienlijkste burgers onder zijne leden telde en de zustervereeniging eerlang boven het 



1) De Heer D. F. Scheurleer in Den Haag bezit een bandje getiteld: Tkiatre éC Amsterdam ou Recueil des Opéras 
comiques, données depuis feu par la Troupe du Sr, Frederic, Amst. E. van Harrevelt. 1763. Het Kon. Oudbeidk. Ge- 
nootschap te Amsterdam is in het bezit van eene verzameling in 6 din. onder den algemeenen titel: Theatre Francais 
S Amsterdam, ou Recueil des pièees representies par les Enfants du Sr, Frederic au Théatre de rOvertoomsche-weg, procki 
d* Amsterdam, depuis 1758 jusqu'ik présent. Amst. H. Constapel 1763. 

3) Vgl. L' Observateur des spectacles^ 5 tom. La Haye 1761 — 63, waar ook de prijzen der plaatsen worden opgegeven. 

') Tooneelk, Brieven z8o8, bl. 180. 

<) Aid. bl. 178. Van dit gezelschap heb ik een tooneelboekje gezien, getiteld : Bruto. Tragedia de Mr. DE Yoltaire. 
Traduc. del Frances en EspafLol. Por & Garcia. Impr. en Amsterdam, A Costa de M. Gavilan, y A Morales. En 
la oficina de G. y J. de Broen. 1758 40. 

Aid. bl. 162, waar ook het wapen van het gezelschap wordt beschreven. 

23» 



180 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

hoofd wies. „Utile et amusant",^) zoo luidde zijn devies, gaf sedert 1786*) voorstellingen 
in eene ruime zaal boven de manege in de Utrechtschedwarsstraat tusschen Keguliersgracht 
en Utrechtschestraat, en toen deze te klein werd voor het zich steeds uitbreidend ledental, 
nam men het geheele manege-gebouw in huur. Meer nog dan in „Kunstmin" schijnt 
men zich hier op de opera te hebben toegelegd, „Meer dan eens", getuigt iemand, die 
waarschijnlijk de voorstellingen vroeger had bijgewoond '), „zijn de Fransche opera's met 
zooveel accuratesse en smaak gegeven, dat de aanschouwers bijna zouden hebben kunnen 
gelooven, dat zij op eene wonderdadige wijze oogenblikkelijk in den schouwburg te 
Parijs overgevoerd waren geworden". Het gezelschap had zulk een naam, dat de beroemde 
actrice Wattier zich niet schaamde ook hier op te treden. *) De staatkundige partij- 
schappen en het opkomen van nieuwe colleges, die zich ten doel stelden Fransche en 
Hoogduitsche schouwburgen te stichten, waren oorzaak dat het gezelschap verliep. 

Andere gezelschappen, die zich enkel oefenden in het vertoonen van treur- en 
blijspelen, ga ik hier stilzwijgend voorbij. *) Over het Joodsche gezelschap „Industrie et 
récréation", dat zich uitsluitend toelegde op de Hoogduitsche opera, spreek ik later afzon- 
derlijk. Het zangspel in de stadsschouwburg vermeld ik alleen als bewijs hoezeer de 
geest des tijds zich ook hier deed gelden, toen de Fransche en vooral de Duitsche muze 
in een Nederlandsch kleed op het Leidsche plein optrad. Ja men had zelfs in den ouden 
schouwburg in 1762 Italiaansche zangers toegelaten, ten spijt van ouderwetsche lieden, 
die in de opera niets anders dan eene zondige uitspanning zagen, en den brand van 
II Mei 1772, bij de opvoering van opera's door een Vlaamsch gezelschap, als een gerechte 
straf des hemels beschouwden*). Toen in 1792 het zangspel Richard Leeuwenhart in 
den Hollandschen schouwburg zou worden opgevoerd, schreef een tijdgenoot''): „De 
schouwburg is door onze deftige voorvaderen niet gemaakt voor een concertzaal; maar 
(voegt hij er bij) verandering van tijden verandering van zeden; en waarom zal men 
de menschen niet zoo wel in zang zich onderling hunne meening hooren uitdrukken 
als in gesprek.?" Hij komt er echter rond voor uit, dat hij niet tot de „liefhebbers" 
van dat zingend spel behoort. 



^) Le guide cT Atnsterdam, Amst. 1793 noemt dit gezelschap „Utilc et agréable". In Le guidt van 1802 heet het 
„un batiment paniculier, qui se louc \ qui veut, et ou l'on represente en public". 

s) P. J. Kasteleyn, Aanspraak aan , Utile et amusant'' bij de opening van dess. tooneel, uitgespr. door H. L. 
Meyung (Amst. 1786). 

3) Tooncelk. Briei'cn^ bl. 167 waar ook het wapen wordt beschreven. 

4) Ook Andries Snoek, toen te Rotterdam, speelde er met zijne zuster Hklena in 1796. 

5) f,Ocfening kweekt kunst", op het Roetcrseiland, gaf geen opera's, evenmin de gezelschappen „Emulation" in de 
Plantage en „De Eendragt" in den Franschen tuin in de Elandstraat, die reeds vóór 1785 schijnen bestaan te hebben. 
In het „Huis in 't Bosch" in de Kerkstraat bij het Weesperplein speelde toen het „Menniste college", waarbij zelfs aan- 
zienlijke dames vrouwenrollen vervulden. Later, in 1826 {Pandara^ bl. 79), gaf men ddar ook opera's, doch zeker op erbar- 
melijke wijze. 

«) Wagenaar, Amsterdam^ D. II, bl. 40V. fo. D. F. Scheurleer, Mozarts verblijf in Nederland, 'sGravenh. 
1883, bl. 83 V. 

7) Tüontchpectator^ Amst. R. van der Paard, No. 4. 



K 



DE OPERA TE AMSTERDAM. 181 

Dit alles was maar een voorspel van iets beters, dat niet zou voorbijgaan, maar 
blijven. De ware beoefenaars en voorstanders der toonkunst, wier aantal zeer groot 
was in Amsterdam, verlangden de opera in haar oorspronkelijken vorm hier vasten voet 
te geven. Hun ernstig streven werd met een gunstigen uitslag bekroond, gelijk zal 
blijken wanneer ik achtereenvolgens de Hoogduitsche, de Fransche en de Italiaansche 
opera ter sprake breng. Men verwachte allerminst eene volledige geschiedenis van het 
muzikale drama hier te lande, of eene breede behandeling van dit onderwerp. Ik beloofde 
enkel bijdragen te leveren tot die geschiedenis, tot eene diepere studie acht ik mij 
onbevoegd. Het veld wordt door mij niet afgemaaid; ik wil slechts een eerste spade in 
den akker steken, in de hoop dat anderen dien verder ontginnen zullen, ^) 



DE HOOGDUITSCHE OPERA. 

Omstreeks 1787 verecnigden zich een aantal aanzienlijke ingezetenen van Amsterdam, 
waaronder vele Duitschers, die zich in het belang van den handel hier metterwoon geves- 
tigd hadden, tot het oprichten van een college, dat zich ten doel stelde Hoogduitsche 
tooneelspelen en opera's te doen opvoeren. Het voorbeeld was, gelijk wij later zien 
zullen, reeds gegeven door begunstigers van het Fransche tooneel, en de gunstige 
uitslag van die onderneming gaf grond om te verwachten, dat men bij vele kunstvrienden 
steun zou vinden. Een geschikt lokaal was spoedig gevonden; men huurde van ,, Kunst- 
min", dat zijne voorstellingen had gestaakt, het gebouw op de Keizersgracht, enknoopte 
onderhandelingen aan met zekeren J. A. DiETRiCH, die weldra met een goed gezelschap 
uit Duitschland overkwam. De voorstellingen, en vooral de opera's, waaronder ook eene 
van Mozart'), vielen zoozeer in den smaak, dat het aantal leden voortdurend toenam 
en de zaal te klein werd om hen te bevatten. Daar er geen grooter lokaal was te vinden, 
besloot men, alweder op het voorbeeld van het Fransche college, een eigen schouwburg 
te stichten'). Men richtte eene vereeniging op onder den titel „Hoogduitsche Tooneel- 



') Een enkel woord over de door mij gebruikte bronnen. Naar schriftelijke bescheiden heb ik vruchteloos gezocht. 
Wat er bij den Franschen schouwburg misschien aanwezig was,, is bij het verkoopen van het gebouw zeker te loor gegaan. 
Na al de lotwisselingen van den Hoogduitschcn schouwburg laat het zich begrijpen, dat de tegenwoordige bezitters weinig 
of niets gevonden hebben, wat aan vroegere tijden herinnert. Ik raadpleegde lo. de Amsterdamsche Courant; 2°. de 
Spectatoriale geschriften, die over het tooneel handelen, ofschoon niet alle onder mijn bereik waren; 30. de Tooncelalma- 
nakken van vroeger en later tijd, voor zoover ze mij bekend waren; 4°. de Gidsen en beschrijvingen van Amsterdam; 
5u. Tooneelaankondigingen en tekstboekjes, die gelukkig nog bewaard zijn gebleven; 6°. Reisverhalen van vreemdelingen, 
die een tijd lang in Amsterdam vertoefden. Deze en enkele andere werken zal men, waar ik dit noodig achtte, aangehaald 
vinden. Zij die belangstellen in het onderwerp en misschien nog in het bezit zijn van belangrijke do^menten, zullen 
gemakkelijk ontwaren wnt aan mijne aandacht ontsnapte. 

3) „Die Entiührung aus dcm Serail". Zie voor de tekstboekjes van deze en andere opera's van MozART mijn 
artikel in het Tijdschrift der Vereen, van N. Nederlandscke mvsiekgeschiedenis. Dl. II, bl. 237, v. 

3) La création de quelques habitants notables qui, moyennant des actions en demeurèrent les propriétaires 
W. J. Olivier, Mitnucl des étrangers if Amsterdam. Amst. 1838. 



182 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

sociëteit", met het doel om een gebouw te stichten voor Hoogduitsche voorstellingen, onder 
toezicht van commissarissen, uit de deelnemers te kiezen. Deze sociëteit kocht nu een 
zestal perceelen in de Wagen- of Amstelstraat ten overstaan van schepenen en van het 
comité van justitie te Amsterdam, ^) brak de oude huizen af, en deed met toestemming^ 
van de regeering op dezelfde plaats een sierlijk tooneelgebouw verrijzen, dat „den ervaren 
en kunstrijken stadsarchitect VAN DER Hart" alle eer aandeed. De „niet zeer ruime 
plaats was zoo wel gebruikt als met mogelijkheid zou kunnen bedacht worden". Er 
waren 223 plaatsen voor den i sten rang aangebracht, 148 voor den 2den en evenveel voor den 
3den rang, zoodat de zaal 519 toeschouwers kon bevatten.^) Inwendig had men de zaal 
eenvoudig maar netjes ingericht. De tooneelopening was van boven met cene lier en aan de 
zijden met toepasselijke figuren versierd. Op het scherm zag men eene heldere wolk 
waarachter lichtstralen opschoten, terwijl in het midden de spreuk „Spectemur agendo'* 
werd gelezen. Eene kunstvaardige hand had het ruime tooneel in korten tijd van goede 
decoraties voorzien,') zoodat nog tegen het einde van 1790 alles gereed kwam. 

De Hoogduitsche schouwburg, die een 'sieraad van Amsterdam mocht heeten, *) 
werd den 19*" Januari 1791 feestelijk geopend met de opvoering van Kotzebüe's y,Kind 
der Liebe", voorafgegaan door een proloog met zang „De triumph der kunst", gecom- 
poneerd door den directeur. Hij speelde met zijn gezelschap alleen voor de leden van 
het college, die het recht hadden aan vreemdelingen tegen betaling introductiebilletten 
te geven. Alleen in den zomer had het publiek toegang tot de voorstellingen. Van 
hetgeen er driemaal per week ten gehoore gebracht zou worden, tooneelspelen zoowel 
als opera's, werd aan de leden kennis gegeven. Aan het hoofd van het college stonden 
de commissarissen Braunsberg, Wegman, Westen, Sigrist en Spliethoff. De laatste 
werd eerlang vervangen door den consul van Pruisen David Splitgerber, die jaren 
achtereen hoofdbestuurder was van den schouwburg, in welke betrekking zijn zoon hem 
opvolgde. De zorg voor het gebouw was aan eene bijzondere commissie toevertrouwd. ') 
Een Duitscher, die kort na de opening Amsterdam bezocht, teekende het volgende in 
zijn dagboek op : *) ,,Das Deutsche Schauspielhaus ist nicht so gross, auch nicht so 



*) Uit de origineele acte van verkoop, in 1853 opgemaakt door den notaris J. Commelin. 

-) In de Miiandel. Neder l. Mercurius van 1792, bl. 178, v. vindt men cene uitvoerige beschrijving en eene af beelding 
van het gebouw, dat cenige jaren geleden inwendig belangrijk verbeterd maar uitwendig niet veranderd is, behalve dat 
de gevel gepleisterd en een bordes aangebraclit werd, om in geval van brand te dienen. Zie verder Tooneelk, Brieven 
en Het tegenwoordige Amsterdam ^ Amst. 18O9, bl. 293 v. 

S) Wie de decoraties schilderde is mij niet bekend. I^ter heeft de bekende decoratieschilder van den stadsschouw- 
burg, F. J. Pfeiffer, zoowel voor dit als voor het Fransche theater vele nieuwe decoraties ver\'aardigd. 

*) De lof van Ferrier {Guide d" Amsterdam. Bruxelles 1837), die dezen schouwburg „Ie plus grand et Ie plus beau 
théatre d'Amsterdam'* noemde, was wel wat overdreven. 

h) Deze bestond bij den aanvang uit de HH. S. van Nooten, J. A. Waris, G. Sawyer en den med. doet 
J. A. Dei MAN. 

«) Bemerkuttgen au/ einer Reise naeh Holiand^ Oldenburg 1792, S. 32 fT. Wel heet het dat die reis in 1790 
plaats hnd, maar dit moet niet ;:oo nauw worden genomen. Het is duidelijk dat de schrijver den schouwburg in de 
Amstelstraat bezocht, waar hij / 2 betaalde voor eene plaats op den isten rang. 



DE OPERA TE AMSTERDAM. 183 

prachtig als das Französische". Men speelde „Menschenhass und Reue" van KoTZEBUE. 
Wie de hoofdrollen vervulde wist hij niet. Er werden geene affiches gedrukt, „der 
gewöhnliche Zuschauer weist mit ziemlicher Gewissheit wer jede Rolle spielt". De inrich- 
ting liet blijkbaar nog wel iets te wenschen over, althans hij zegt: „das verandern der 
Scenen ging elend von statten". Ook ergerde hij zich over „das leidige Applaudiren 
wahrend des Spiels, das doch nun wohl endlich einmal abgeschaft zu werden verdiente". 
Hij hoorde de eerste zangeres Meyer eene bravour-aria zingen, doch haar stemgeluid 
klonk hem wat hard in de ooren. Eene opera-voorstelling woonde hij niet bij. 

Alles ging naar wensch onder de uitnemende leiding van DiETRiCH. De tooneel- 
stukken van Lessing en Schiller, Iffland en Kotzebue werden luide toegejuicht, 
weldra werden ze vertaald, om op het repertoire van den HoUandschen schouwburg treur- 
spelen en kluchten te vervangen, die geen toeschouwers meer trokken. Aan goede 
zangers en zangeressen schijnt het niet ontbroken te hebben. Ik vond alleen de namen 
van de HH. Kniep, Schönitz en Kiefer, en van de dames Meyer, Möller, Lucas en 
Kniep. Gedurende het tijdperk van anderhalfjaar, dat DiETRiCH in den nieuwen schouwburg 
speelde, werden Mozarts Entführujig aüs dem Serail^ Die Sclavin van PiCCiNl, Der 
Dokter und Apothecar van DiTTENDORF, Dèr Dorfdcputirten van ScilUBAUER, Die Eifer-- 
sticht auf der Probe van EsCHENBURG, Der Automat oder der Antiquitatensanifnler van 
Andree, en nog een aantal kleinere opera's uitgevoerd, die, naar het schijnt, zeer veel 
bijval vonden ^). Daarom te meer was het te betreuren, dat er verschil ontstond tusschen 
de commissarissen en den directeur, tengevolge waarvan de laatste met zijn gezelschap 
in den zomer van 1792 Amsterdam verliet, om, na nog een poos voorstellingen te hebben 
gegeven in de Casuari-straat in Den Haag, naar Duitschland terug te keeren. 

Nadat de opera-voorstellingen van het college een poos hadden stilgestaan ^), 
gelukte het commissarissen in F. H. HUNNIUS een nieuwen directeur met een stellig 
niet minder goed gezelschap te vinden. Daartoe behoorden EüNiKE, die later een sieraad 
was van het hoftheater in Berlijn, en zijne vrouw, de gebroeders HUNNIUS, de heeren 
SCHLEGEL en Pappel en de dames Schwachhofer en ERNST, die zich allen verdienstelijk 
kweten van hunne taak. Wanneer dit gezelschap van HUNNIUS zijne voorstellingen 
begonnen is, durf ik niet verzekeren, maar zeker is dat het veertien maal optrad, van 
8 Mei tot 26 Juli 1794, toen de schouwburg „om tijdsomstandigheden, op order der 
Regeering" gesloten werd*). Hoezeer dit te betreuren was, zal nog duidelijker blijken 
wanneer men weet, dat op het repertoire voorkwamen vier werken van MOZART, Die 
Zauberflöte^ Don Juan^ Die Hochzeit des Figaro en Die Entfflhrung aus dem Serail, die 



1) Wat ik hier omtrent het gezelschap van Dietrich mededeel vond ik in het Kabinet tvz« mo(U en smaak, 
Haarlem 1793—94 8 dln. 

>) De schouwburg was daarom niet gesloten. In dezen tijd speelden hier de Hoogduitsche Joodsche toóneelistcn, 
waarover ik later afzonderlijk zal handelen. 

ï) Kabinet van mode en smaak, D. VIII. 



184 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

„met de meeste accuratesse"^) werden uitgevoerd; en verder Der Baunt der Diana van 
Martin, «) Hieronimus Knikker, Das Róthe Kitppchen, Der Dokter und Apothecar van 
DiTTENDORF en Axur König von Ormus van Salieri. 

Tot het najaar van 1795 stonden de Hoogduitsche zoowel als de Fransche opera's 
stil. De staatkundige gebeurtenissen hadden voor langen tijd het genot der kunstvrienden 
verstoord. Dietrich keerde in October nog eens terug, doch vermoedelijk gaf hij niet 
meer dan een paar voorstellingen. Niet vóór 1798 schijnt er een Hoogduitsch gezel- 
schap teruggekeerd te zijn, dat weder geregeld tooneelstukken en opera's opvoerde. De 
naam van den directeur vond ik nergens genoemd, maar hij, noch zijne artisten stonden 
beneden hunne voorgangers, want zoowel de groote werken van MOZART, als een aantal 
opera's van Fransche en Italiaansche componisten werden ingestudeerd. Indien het gelukte 
een geschrift weer te vinden, waarin d^ werkzaamheid van deze artisten werd besproken *), 
wij zouden beter over den rijkdom van het repertoire en de verdiensten der verschillende 
sujetten kunnen oordeelen. Waarom deze troep na Mei 1799 den aftocht blies, weet ik niet. In 
1801 waren de ledige plaatsen ingenomen door andere artisten onder de directie van C. R. 
Steinsberg ; daar echter de voorstellingen alleen voor de abonné's werden gegeven, hadden 
er geene aankondigingen plaats. Maar eens vond ik geadverteerd,*) dat op 18 Aug., dus in 
den zomer, eene openbare voorstelling zou gegeven worden van Das DonauweibcJten van 
Kauer, „Abonnement suspendu", ten voordeele van Mej. Henr. Willer. ') Doch een jaar later 
waren de Duitschers vertrokken en verliepen enkele jaren eer het gebouw weer aan zijne 
oorspronkelijke bestemming beantwoordde. Eerst in 1808 berichtte het tooneel- en opera- 
gezelschap, ') onder directie van Carl Döbbelin, dat het zijne voorstellingen zou openen 
met Belmonte und Constanze oder die Entführung atis dem Serail^ Musik von dem 
berühmten Mozart". Er volgden in December Lustspiele en drama's. Ook Lessing'S 
Nathan der Weise werd voor het voetlicht gebracht. Van Januari tot in Mei werd er 
bijna geregeld Maandags, Woensdags en Zaterdags gespeeld. In de opera traden de 
HH. FiSCHER, kamerzanger van den Koning van Westphalen, MöNS van het Regensburger 
theater en Frau LouiSE Lange op, welke laatste reeds meermalen op concerten, en naar 
ik gis ook op het theater, door haar heerlijken zang de hoorders in geestdrift had gebracht. 
Doch het schijnt dat de directeur, die thans het gebouw van de aandeelhouders had 



1) Toonulk. Brieven^ bl. 199. v. 

3) Het tekstboekje van deze opera, uitgegeven bij J. G. Rödcr te Amsterdam, wordt bewaard in de Universiteits- 
bibliotheek te Amsterdam. C. G. Neebe, die tot het gezelschap schijnt behoord te hebben, vertaalde de Italiaansche 
teksi in het Hoogduisch. 

S) Die Deutsche Thaiia in Amsterdam, een geschrift dat in dien tijd bij HOLTROH te Amst. verschenen moet zijn 

H) Amsterd, Cour, 

s) Deze opera, die van MozART e. a. werden weldra in het Ncdcrlandsch vertaald, en als zangspelen jaren achtereen 
in den stadsschouwburg vertoond. 

e) Aritst. Cour. 10 Nov. 



DE OPERA TE AMSTERDAM. 185 

gehuurd en voor eigen rekening exploiteerde, slechte zaken had gemaakt, i) althans niet 
hij, maar een onbekende keerde in September weder, die het „Deutsche Theater" *) staande 
hield, tot de veranderde tijdsomstandigheden in 1811 het theater deden sluiten. Onder 
de zangers van dit gezelschap ontmoeten wij Pappel, ons reeds van vroeger bekend, 
Hesse Schaper, Liberati en Vettweiss, onder de zangeressen Braun en de dames 
SCHÖNMANN. Wallker en Frau Mayerhofer, beiden van het groothertogelijk theater 
te Carlsruhe, traden enkele malen als gasten op. De opera's van MOZART stonden 
bovenaan op het repertoire, en dan volgden die van Winter, Kauer, Gretry, e. a. 

Wij verplaatsen ons thans opeens in het najaar van 18 16. De Hoogduitsche 
schouwburg heeft allerlei lotwisselingen ondergaan,*) eindelijk is hij weder in bezit geno- 
men door een gezelschap, dat zich ten doel stelt tooneel- en blijspelen, alsmede opera's 
te geven. Het staat onder de directie van Friedrich Haberkorn*). Hij opent den 
2den November met „Lorbeerkranz, Schauspiel von Ziegler", en bericht, dat men zich 
kan abonneeren op twaalf voorstellingen, welk abonnement telkens kan worden vernieuwd. 
Op 6 Nov. volgt de eerste opera-voorstelling, tevens de eerste van het abonnement, en 
wel Ida van Hochberg van Gyrowitz. Het gaat geregeld. In December wordt 
MOZARTS Hochzeit des Figaro tweemaal opgevoerd. De belangstelling neemt toe; op 
31 Dec. zijn reeds twee reeksen abonnementen afgeloopen en wordt een derde aange- 
kondigd '). Een nieuw tijdperk van bloei is voor de Hoogduitsche opera aangebroken. 
De bekwame directeur blijkt eindelijk de rechte man, om, ondanks alle bezwaren waarmede 
hij te kampen heeft, in Amsterdam eene blijvende Hoogduitsche opera te vestigen. Hij 
zorgt voor uitbreiding van zijn repertoire, door telkens nieuwe werken in te studeeren. 
Het gelukt hem uitstekende zangers en zangeressen voor korter of langer tijd aan zijn theater 
te verbinden. Zoo weet htj zeven jaren lang het publiek tot zich te trekken, en als hij 
eindelijk naar Duitschland terugkeert, laat hij de herinnering na, dat onder zijn verstandig 
en volhardend bestuur de Duitsche opera in Amsterdam hare schoonste lauweren plukte. 

Het kan mijn doel niet zijn de uitvoeringen van dit gezelschap van stap tot stap 
te volgen. Als wij het geheele tijdperk overzien zal het genoeg zijn het volgende aan 
te stippen uit het opera-repertoire. Mozart staat weer bovenaan met Doii Juatiy 
Zauberfiotey Figaro's Hochzeit^ Entführung aus dem Serail en Titus, Men gaf Axur van 



1) DöBBELiN plaatste x6 Mei in de Amsi, Cour, eene advertentie, waarin de acteurs Rosenberg, Havstein en 
Kleinhaus verklaarden, dat de directeur hun alle achterstallige gage en verdere vorderingen betaald had. 

s) Tot nog toe sprak men van „Hochdeutsche Theater", maar sedert de Joodsche tooneelisten in Oct. 1809 weder 
elders begonnen te spelen, noemden die in de Amstelstraat hun schouwburg „Deutsche Theater". 

s) Nadat de Italianen hier geruimen tijd voorstellingen hadden gegeven (zie beneden), werd dit «Théatre Italien 
ci-devant Théatre Allemand" (Maeskamp, Nouv, statistique histar. cT Amsterdam, p. 257) gehuurd door het bestuur der 
„verderfelijke Fransche loterij" (C. v. d. Vijver, Wandelingen in 'en om Amsterdam, Amst. 1829, bl. 155, v.). Toen deze 
„loterijkraam" („la spoliatrice loterie fran9.," bij Olivixr) in 1813 was verdwenen, hebben er Engelschetooneelisten gespeeld 
„apparition éphémère d*une troupe de comédiens qui n'y recueillit pas plus de guinées que de gloire". (Oliviek). 

4) Bij zijne komst waren Splitgbrber en Warih nog commissarissen, die de exploitatie aan hem afstonden. 

1) „Das dritte Abonnement nimmt Sonnabend den 4ten Jan. 1817 seinen Anfang. Die respectiven Theaterfreunde 
welche geneigt sind PUltze dazu zu nehm'^n werden höfiichst gebeten ihre Bestellungen am Bureau des Theaters zu machcn." 

24 



186 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

Salieri, Rosette van Biercy, Der Wassertrüger en Lodoiska van Cherubini, Der Spiegeld 
von Arcadien van Sussmayer, Das Donauweibchen en Die Sternenkönigin van Kauer, 
Der Calif von Bagdad van BoiELDlEU, Zemire und Azor van SPOHR, Die Vestalin van 
Spontini, Der Barbier von Seville, Tancred en Oihello van ROSSINI, Iphigenia van 
GI.ÜCK, Achilles van Paer, Oberon van Wranitzky, Freischiüz van Weber, Joseph in 
Egypte van Mehul; voorts werken van CiMAROSA, DiTTENDORF, WiNTER, MOLLER 
DuVAL, e. a. Men ziet, het repertoire was rijk genoeg, voor afwisseling werd behoorlijk 
gezorgd, niet alleen muziekwerken van Duitsche, maar ook van Italiaansche en Fransche 
meesters werden ten gehoore gebracht. Onder bovengenoemde opera's zijn er vele, die reeds 
lang vergeten zijn, toch werden ze in dien tijd zeer gewaardeerd; dat men echter ook 
dankbaar het nieuwe begroette en naar waarde wist te schatten, bewijzen de 29 uitvoe- 
ringen van Weber's Freischütz. Bij dergelijke opera's hangt het succes voor een dee^ 
samen met de mise-en-scène en het decoratief, en hieraan waren geen kosten gespaard' 
De doeken door PFEIFFER ontworpen en deels met eigene hand geschilderd, werden hoog 
geroemd. Toch hoorde men wel eens klagen, dat ze niet behoorlijk onderhouden of slecht 
gebruikt werden. Eene gevangenis met de fries van eene boerenwoning maakte zeker een zon- 
derlingen indruk, en wij begrijpen, dat de lachspieren in beweging konden worden gebracht 
als men Tancred door niet golvende baren zag varen in een sloepje zonder zeil of riemen. ^) 
Doch tegenover dit gebrekkige stond onmiskenbaar zeer veel goeds. Het gezelschap 
bestond altijd uit bekwame artisten, en daar waren er onder van den eersten rang. De 
geheele aan hem vermaagschapte familie Sciiirmer had Haberkorn aan zijn tooneel 
verbonden. Het echtpaar en de dochter Charlotte, die in 1823 de Nieuwjaarswensch 
voordroeg, werden zelden gemist; Albert Schirmer vervulde de betrekking vanMusik- 
Director. De Hr. en Mw. Schütz behoorden tot de sieraden van het theater, de laatste, zegt 
een tijdgenoot, „doet alle harten binnen de zaal leven; zij betoovert, verrukt en vult de 
kas". Den tenor JULIUS MiLLER, die in 1820 aan dit tooneel verbonden werd, droeg men 
op de handen, hij schitterde vooral in MOZARTS Titus 2). Ook de HH. Wilhelm 
GOLLMICK, Neumeyer, die van het Hamburger stadstheater was gekomen, DiESTEL, 
Hartig en Wild schijnen geen onverdienstelijke zangers en goede acteurs te zijn geweest, 
waarbij zich de dames Carolina HoFFMElSTER en Kainz waardig aansloten *). HABERKORN 
zelf was een geroutineerd acteur, en als zanger nam hij de tenor-, bas- of baryton-partijen 
op zich, al naar het noodig bleek. Vooral strekte hem tot eer, dat hij een voortreffelijk 
administrateur bleek te zijn, en de uitnemendste artisten voor korter of langer tijd naar 
Amsterdam wist te brengen, om hier hunne gaven te doen bewonderen. Nu eens werd 
de Don Juan door RöCHEL, dan weer door GröSSER als gast gezongen, terwijl Frau 
GröSSER in de rol van Zerline optrad, Maar nog heerlijker kwam de schoonheid van 

1) In het Kritieuh lampje van 1823 wordt op bl. 73 en elders meermalen over de Hoogd. opera gesproken. 
3) Zie het art. over den Hoogd. schouwburg in de Amstelstraat in de Noord- en Zuidholi, Tooneelalm. van 1876. 
3) Mij is geen enkele afïiche uit dien tijd onder de oogen gekomen. Bovengenoemde bijzonderheden zijn alleen aan 
de advcrtcntien ontleend. 



1 



DE OPERA TE AMSTERDAM. 187 

dit kunstwerk uit, toen HlLDEBRAND van het stadstheater te Dusseldorf en Adolf Basch 
van het stadstheater te Mainz den P. Juan, YOUNG van het hoftheater te München den 
D. Octavjo speelden. YoUNG en HlLDEBRAND werden niet minder luide toegejuicht dan 
Sarastro en Tamino in de Zauberflöte, in welke opera Frau RiTZLER uit Riga zoo zuiver de 
Pamina had gezongen. Na deze kwamen weer andere gasten, Walter, de „Hofschau- 
spieler" van den Groothertog van Baden, SCHIELE, r** tenor uit Dusseldorf, Stube^ 
!•** tenor van het kon. theater te Hannover, Gerstscker, kamer- en opera-zanger van 
den Keurvorst van Hessen-Cassel, een evengroot acteur als onberispelijk zanger, en voorts 
de !'*• tenor Stümer van het kon. theater te Berlijn, die èn als Tamino èn als Belmonte 
in Die Entführung aus dem Serail de aanwezigen in verrukking bracht èn door den melo- 
dieusen klank van zijne misschien wat zwakke stem èn door zijn voortreffelijk spel. Waarlijk 
de vrienden der kunst hadden reden om den directeur dankbaar te zijn. 

Dit toonden zij ook toen Haberkorn in Januari 1823 eene inschrijving opende 
oj) eene voorstelling te zijnen voordeele, waarvoor hij Figards Hochzeii had gekozen. 
Hij gevoelde zich verplicht om openlijk te bedanken ^) „für die herzliche Theilnahme, die 
sich besonders bei der Einzeichnung zu meiner bevorstehenden Benefiz-vorstellung so 
allgemein ausgesprochen hat". De deelneming was zoo groot, dat de voorstelling tweemaal 
moest worden herhaald. Toch schijnen finantiëele moeielijkheden hem gedrongen te hebben 
om af te treden, niettegenstaande hij geldelijken steun had gevonden bij enkele aanzienlijke 
Duitschers. Soms was de zaal te klein om alle belangstellenden te bevatten. Dit was 
ongetwijfeld het geval, toen de Prins van Oranje op 26 Mei 1820 de uitvoering van den 
Titus met zijne tegenwoordigheid vereerde. Maar het bezoek op de Maandag-, Woensdag- 
en Zaterdagavonden ^) schijnt niet altijd groot genoeg geweest te zijn om de aanzienlijke 
kosten te bestrijden. Daarbij, de schouwburg kon maar weinig menschen bevatten en de 
buitenlandsche artisten deden hooge eischen. Den 6den Mei namen hij en zijn gezelschap 
afscheid met de 29ste opvoering van Webers FreischiUz, 

JULlüS MiLLER nam nu de taak van hem over, en trachte een nieuw gezelschap 
bijeen te brengen, hetgeen hem ook gelukte •). Hij heropende het Duitsche theater den 4den 
Oct. met den Barbier^ en wist zich staande te houden tot aan het einde van 1825. In 
het repertoire bracht hij aanvankelijk weinig verandering. Ook de oude geliefkoosde 
opera's Das unterbrochene Opferfest van WiNTER, Die diebische Eister en Cenerentola 
oder Aschenbrödel van ROSSINI komen er weder op voor. Maar de directeur zorgde 
voor meer dan eene eerste opvoering. Men kreeg Agnese van Paer, Libusa en Der 
Taucher van Kreutzer, alsmede Cosi fan tutte van MOZART *) en Beethovens 
Fidelio te hooren. Deze laatste moest eenige malen herhaald worden, hetgeen ook het 

1) Amst Cour, 23 Tan. en 10 Febr. 1823. 

3) Men begon in dien tijd om halfzeven en bij het lengen der dagen om 7 uur; de voorstellingen eindigden te 10 u. 

3) Uit. een tekstboekje van AschenbrÖiUl (Amst. 1824), berustende in de Universiteitsbibliotheek te Amst., blijkt dat 
behalve Miller tot dit gezelschap behoorden de hh. Schütz en Nestroy en de dames SchÜtz, Steinert en Sciiirmrk 
d. a. Ook speelde Haberkorn in dit stuk nog mee. 

♦) De voorstelling werd in de 2de acte opgeluisterd door een „Glas-Harmonica-Spieier". 

21» 



188 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

geval was met Freischütz en Taticred, De ondervinding had echter geleerd, dat de 
Italiaansche muziek, inzonderheid de werken van ROSSINI, bijzonder in den smaak 
vielen van het grootste deel der operabezoekers. Men kan zich begrijpen dat een directeur^ 
wien het bovenal om goed gevulde zalen te doen was, hiermede rekening hield, en gaarne 
Semtramis en vooral La donna del la^o bij herhaling aankondigde. Maar het verwondert 
ons evenmin, dat de meer ernstige musici en de voorstanders der Duitsche opera hierover 
zeer gebelgd waren. Er zag in dezen tijd eene spotprent het licht onder den titel ,,Muzikaal 
tafereel", waarop men den schouwburg in de Amstelstraat ziet afgebeeld. Aan den ingang 
staat de directeur met een geldbuidel in zijne linker en een aankondigingsbillet in zijne 
rechterhand, terwijl de menigte binnenstroomt Uit den gevel steekt een vlag, waarop 
de woorden: ,,Noch wenige Abonnementen sind zu haben". Vóór den schouwburg ziet 
men een wip, waarop twee personen zijn gezeten. Onder den zwaarsten, een deftig heefi 
liggen de partituren van Don Juan en Figaro's Hochzeit\ onder de figuur in de hoogste, 
die op een trompet blaast en op een trom slaat, liggen bovengenoemde opera's van ROSSINI. 
In het midden staat een violist te waggelen op de partituren van Spohr'S Zemire en Asor 
en Jessonda. In den linkerhoek bespeurt men twee personen (Geluk en Verdienste) bij eene 
weegschaal, waarop de muziek van HaNDEL en Mozart wordt gewogen, i) De bedoeling dezer 
prent behoeft geene nadere toelichting. De goede smaak en de zin voor degelijke muziek 
bij de warmste voorstanders der Hoogduitsche opera spreken hieruit duidelijk genoeg. 

Onder de zangers en zangeressen van dit gezelschap ontmoeten wij enkele oude 
bekenden, maar ook vele nieuwe en gasten, wier optreden eene buitengewone aantrek- 
kingskracht uitoefende. De iste tenor ROSNER, van het hof theater te Weenen, was eene 
groote aanwinst, en werd als graaf Almaviva in den Barbier, of in welke rol hij meerma- 
len optrad, met daverend applaus begroet. De kon. Beiersche hofzanger FiSCHER zong 
den Sarastro, den Osmin in MOZARTS ^Entfuhrung'* en den Figaro, zoowel in y^Figaró^s 
Hochzeif' als in den y,Barbiór*\ Als Sarastro werden ook GUTHMANN en FURST van 
het hoftheater te Hannover gaarne gehoord. Het echtpaar Vettweiss schitterde indeni?^« 
Juan als Leporello en Donna Elvira, en de gaven der zangeres kwamen nog beter uit, zoo 
vaak zij optrad als Königin der Nacht in de Zauberflöte. De dames WaldmölLER van het 
hoftheater te Weenen en Schönberger Marconi werden bewonderd in Titus, Tancred 
en Freischütz, Voeg hierbij nog de zangers PiLLWiTZ en ScHWElTZER van het Nationale 
theater te Pesth, de zangeressen GöSSLER en RiTZLER van het stadstheater te Keulen, 
en men zal overtuigd zijn, dat het der nieuwe directie niet aan ijver ontbrak. Onder de 
goede leiding van den kapelmeester H. Paver voldeden de koren en het orkest zeker 
aan alle billijke eischen. Met zulk een „ensemble" was het ook alleen mogelijk op 
20 Febr. 1825 Haydns Schöpfung te doen uitvoeren ten voordccle van de ongelukkigén, 



1) Deze prent, waarvan de heer ü. C. Meijer een exemplaar bfzit, wordi ook be5chfcven door F. Muller in 
i) XtJerl. gcschieihnis in plate:^ Dl. III. Amst. 1879 ^o- 6253. 



K 



DE OPERA TE AMSTERDAM. 189 

die door de doorbraak in Noord-Holland van alles beroofd waren ^). De hh. RoSNER 
en FURST en Mej. SCHIRMER zongen de solopartijen. Dat men alles aanwendde om 
het publiek te voldoen bleek niet alleen uit de zorg, die aan het decoratief werd besteed, 
maar ook hieruit, dat sedert September 1824 de zaal met gas werd verlicht. De Hoog- 
duitsche schouwburg was het eerste openbare gebouw in Amsterdam, waarin de nieuwe 
verlichting werd aangebracht. 

Zes weken na zijne benefiet-voorstelling (6 November 1825), waarvoor hij Spohr's 
Zemire und Azor had gekozen, nam MiLLER zijn afscheid. Ook hij zag geen kans het 
vol te houden. Ongetwijfeld lieeft de Fransche opera, die voor een deel dezelfde werken 
uitvoerde, aan het Duitsche theater veel afbreuk gedaan. In 1826 stond de Duitsche 
opera stil. In Januari 1827 werden de deuren weer geopend om half Maart op nieuw 
gesloten te worden. Van de directie blijkt niets. Meyerbeers Kreuzritter werd voor 
het eerst ten gehoore gebracht en Frau Broemet uit Praag trad op als Annchen in den 
FreyschUtZy als Rosine in den Barbier^ als Pamina in de Zauberflöte en als Poppo in 
Die diebische Eister. In Juni gaf F. RosNER, die thans aan het hertogelijk theater te 
Brunswijk verbonden was, met zijne vrouw en verder gezelschap Tancred en Barbier . 
De Duitsche opera wordt eene vluchtige verschijning. In November en December 1827 
keert MiLLER voor een oogenblik terug, om den Almaviva en den Titus weder te zingen. 
Wie in het volgend jaar Tancred (19 Jan.) en Don Juan (Febr. en Aug.) gaven weet 
ik evenmin te zeggen als wie den Barbier en Die weisse Dame (Maart, Mei en Aug.) 
opvoerden, waarbij door kinderen „Die Carnaval-Soldaten" in het Nederlandsch werd gezongen. 
Misschien speelden er nu en dan élèves van J. H. Dessauer, over wien ik later zal spreken ; 
bij een dier uitvoeringen althans werd diens „Liederspiel : Dw- schwarze Herr" gegeven. 

Eerst in het najaar verschijnt er weder een geregeld gezelschap, dat, onder directie 
van E. Cornega en later van Carl Bornschein, als vroeger opera's. Lust- en SchauspieU 
aankondigt. Onder E. Detroot als regisseur en AuG. Béral als muziek -directeur, schijnt 
alles naar wensch te gaan. Weber's Preciosa wordt voor het eerst uitgevoerd. De partijen 
zijn goed bezet, in de Zauberflöte en den Barbier zingen : Krow (Barbier), Nina Cornega 
van het Italiaansch theater te Londen (Rosine), Mayer (Bartholo), Fr. Beer (Almaviva), 
GOLSMITH (Sarastro), H. IRMEZ (Fiorello en Tamino), V. Mager (Papageno), die ook 
de titelrol in Don Juan vervult, en de dames Mathilde Bernard (Königin der Nacht) 
en Natonie Leisring (Pamina). Doch in April 1829 maken deze artisten bekend^), dat zij 
zich genoopt zien hun spel te staken, daar zij geene betaling ontvangen. Nu neemt 
J. Fritsch de directie op zich. Deze verklaart dat hij met de vorige directie niets te 
maken heeft en vormt een nieuwe troep, waartoe onder anderen Hermann en Emil 
GOLLMICK *) en Angelica Leisring behooren. Ook Rosner doet zich weer als Barbier 

1) In den Hoogd. «chouwburg xijn meermalen oratoriên gezongen; F. N. Stoetz, de orkestmeester van den stads- 
schouwburg, deed hier in 1845 de Jaargetijden uitvoeren. 

3) Amst. Cour, 5 Apr. 

■tj Het klinkt \ reemd als deze artisten 6 Juli adverteeren : „Die Dircction hat uns, in Rücksicht unserer hilflosen 
Lage. eine Benefice-Vorstellung menschenfrcundlich bewilligt, und dazu die 7.aubtrfM€ besiimmt." 



190 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

hooren, en Mad. ScHüTZ, de gevierde eerste zangeres van het Italiaansche theater te 
Londen, treedt eene enkele maal op. Als Fritsch in Augustus het zomerseizoen sluit, 
bedankt hij voor de belangstelling en beveelt zich aan voor het winterseizoen. Werkelijk 
keert hij in October terug en tot September 1830 houdt hij het vol met enkele tusschen- 
poozen. Op het repertoire van zijn gezelschap vinden wij Die weisse Dame en yohan 
van Paris van BoiELDlEU, Jessonda en Faust van Spohr, 1) Die Belagerung von Corinth 
van ROSSINI, de meesterwerken van MOZART, alsmede Tancred^ Freyschiliz en andere 
goede bekenden. Der Prüfungstraum van den Musik-Director Jos. Braun wordt 
met bijval ontvangen. De heldere krachtige basstem van Mager weerklonk weer door 
de zaal. Deze zanger was tevens een geweldig eter; men zeide dat hij zich verbeeldde 
een haan in zijn maag te hebben, die alles verslond. *). Desniettemin zag hij er zeer 
welgedaan uit, en daar gelijktijdig de bas NOURRIT bij Franschen speelde, die zeer schraal 
was, gaf dit aanleiding tot de woordspeling: „Nourrit est maigre, mais Maigreestnourri". 
Gastrollen werden o. a. vervuld door RoSNER, Frau HARTWIG van het theater te Praag 
(in Ta7tcred)y Krow van het kon. theater te Berlijn (/7^^r^ en -S<3:r^/^r),W0LTEREK, eerste 
baszangcr van den Hamburger schouwburg {Papagcno\ en het echtpaar HiLDEBRAND (in 
Freischutz), Doch het bleek niet mogelijk te zijn voor het nieuwe seizoen de noodige artisten 
aan te werven, en van Oct 1830 tot Oct. 1832 stond het Duitsche theater weder stil. *J 

De aandeelhouders lieten zeker niets onbeproefd om de Duitsche opera telkens 
weer op de been te helpen. Gelukkig vond men in Fidelis Butsch een goed zanger, 
en in VON ZiETHEN een directeur, die een degelijk gezelschap wist te vormen, dat in den 
winter van 1832 vele bezoekers trok. De hh. Watzinger (Tamino), VOGT (Papegeno, 
D. Juan), Kaibel (Gouverneur), en de dames VON ZiETEN (Königin der Nacht, Agatha 
in den Freyschtttz)^ Mathilde Stehle, GNEiB(Elvire, Pamina) werden met groot genoegen 
gehoord, terwijl BuTSCH herhaaldelijk als Leporello, Sarastro en Osmin in MOZARTS 
Entffihrung werd toegejuichd. De uitvoering van Weber's Ober on voldeed zeer en die 
van Die Freunde van Bellini, bij gelegenheid van het vorstelijk bezoek op 20 April 1833, 
droeg algemeen de goedkeuring weg. Als gasten traden op Blum, hof- en kamerzanger 
uit Berlijn (D. Juan), Mager (meermalen als Figaro \n Figaro' s Hoc hzeit) en Frau Stoll 
geb. BöHM, van het keiz. theater te Petersburg (Königin der Nacht). In December 1832 
werd hier, evenals bij de Franschen, eene nationale voorstelling gegeven, waarbij A. VON 
ZlKTEN een lofdicht voordroeg, getiteld : Wilhelm van Oranien, der Vater des Vaterlands^ 
die met eene allegorische voorstelling en het Nederlandsche volkslied besloten werd. 

Als het theater in het najaar van 1833 heropend wordt, vinden wij een nieuwen 
directeur, G. A. Ameluxg, die de kunstvrienden tot een abonnement uitnoodigt voor 
het winterseizoen*). Hij had een goed gezelschap bijeengebracht en met behulp van 

1) De eerste werd o. a. op ai April 1830 gt^speeld in tegenwoordigheid van de koninkl. familie. 

2) Zie aangeh. art. In de A'. en Z. HoU. Tooneelahn. 1876. 

*) In Scpt. 1831 werd het theater geopend met den Barbier, maar na de opvoering van eene opera van Uoieldieu 
hoort men niets meer van deze troep. 

4) Voor 25 balcon-billets betaalde men f 55, voor 30 logc-binels / 50 en voor 50 parterre-billets / 60. 



/ 



DE OPERA TE AMSTERDAM. 191 

den bekwamen Musik-Dircctor W. Werner kon de eerste uitvoering plaats hebben van 
Der Pirat van Bellini ^), Weber's Euryanthe *), Der Schnee van Auber en Die Wasser- 
trager van Cherubini. Frau Düringer-Brauer van het theater te Straatsburg was als 
Rosine in den Barbier eene even welkome verschijning als Frau Eggers, toen zij als Agatha 
in den Freyschütz^ alsmede in MozARTS Don Juan en Titus optrad. De Weenerhof-opera- 
zanger SiEBERT verwierf grooten bijval als Sarastro en Mager opnieuw als Leporello. 
Gelukkig riepen directie en publiek elkander in Mei 1834 een „tot wederziens" toe. 

„De Hoogduitsche schouwburg is eindelijk ook geopend met Die Weisse Dame en 
Der FreyschiUz, De prima-donna Brauer-DürINGER schijnt niet te komen", schreef 
een ongeduldig verslaggever over hetgeen er in de tooneel wereld omging, inSept. 1834^). 
De prima-donna bleef werkelijk weg, maar er verschelen andere zangers en zangeressen, 
die ook zeer verdienstelijk waren, als Frau Wittwe Lafrenz, die de rollen van Zerline en 
van Blonde \n Die Entführung vervulde, en Otto van het hof-theater te Cassel (Tamino). 
In dit speelseizoen werd RossiNi's Wilhelm Teil voor het eerst en zeer voortreffelijk 
uitgevoerd, dank zij de goede zorg van den uitnemenden kapelmeester Guhr. Ook 
Fra Diavolo van AUBER en de Vampyr van Marschner kwamen op het repertoire. In 
de laatste opera onderscheidde zich vooral de baryton Nagel, wiens krachtige stem en 
onverbeterlijk spel niet weinig tot het succes van dit werk bijdroegen. Zijn leelijke maar 
karakteristieke kop moet als Vampyr en later als Hans Heiling*) een bijzonderen indruk 
hebben gemaakt Het was voor de 17de maal toen op 2 Mei 1835 bij 'sKoningsjaarlijksch 
bezoek aan Amsterdam op hoog bevel de Vampyr werd aangekondigd. Tot den 4den Juni 
werden de voorstellingen geregeld voortgezet. Amelung zorgde dat de artisten, die hem 
verlieten, zoo spoedig mogelijk door anderen werden vervangen. De tenor StögER en Fraul. 
Eva Heinefetter uit Basel, de eerste zangeres Deisenrieber uit München en de eerste 
tenor Grunow verhoogden door hunne gaven de aantrekkelijkheid der bekende werken 
van Mozart en Weber, van Fransche en Italiaansche componisten. Jammer dat ook 
deze directeur de worsteling om het bestaan der opera ten laatste opgaf. 

Van October 1836 tot April 1838 stond het Hoogduitsche opera-gezelschap onder 
directie van W. Ehlers. Het eerste speelseizoen overtrof de stoutste verwachtingen '), 
maar ondanks den bijval van het publiek zag ook deze directeur geen kans om op den 
duur zich staande te houden. In laatstgenoemde maand stond hij de concessie ,,zur^ 
Führung des Theaters" aan „die Gesellschaft" af. De gezamenlijke artisten hielden de 
zaak gaande tot in het voorjaar van 1839. Uit dit tijdperk wil ik enkel de eerste 
opvoeringen van Norma^ Die Stumme von Portici^ Das Nachtlager ^ in Grenada^ Romeo 

\\ Het tekstboekje, uitgegeven te Amst. bij J. D. Gertner 1833, is aanwezig in de Univers.-Bibl. te Amsterdam. 

3) Het tekstboekje van deze uitvoering berust op de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam in twee uitgaven. 
Daarbij bleef een affiche bewaard, waaruit blijkt, dat in Nov. tot het gezelschap behoorden de zangers Hofmann^ 
Watzinger, Bütsch, Nagbl en Schmiedickb, en de zangeressen: DQringer, Stoll, Feldt en Hbrrmann. 

3) Melpamene en Thalia, 's Gravenh. 1834, bl. 49. 

^) Van de eerste opvoering dezer opera van Marschner is het tekstboekje aanwezig op de Univers. Bibl. te Amst. 

») ,Aujourdhui (1836—37) Ie thédtre est occupé par une nouvelle société d'artistes allcmands, qui, dès leurs débuts, 
remportent de briilants succes" (Olivier, Manuel.) 



192 DE OPERA TE AMSTERDAM- 

und Julia^ Hans Helling en Zampa ^) vermelden, alsmede ^^Seid una Palmire^ Grosse Opcr 
in 3 Acten aus dem Holland, von G. Gravé Jsz. Musik von A. TEN Cate J. Azn/' Onder 
de zangeressen onderscheidden zich inzonderheid EsCHBORN en CiSZEWKSKY van het stads- 
theater te Keulen, MiCOLiNO, Christiany uit Hamburg en Seidler, keiz. Oostenrijksche 
kamerzangeres, onder de zangers Sesselmann van de hof-opera te Weenen, BiBERHöFER 
en Beil van het theater te Frankfort en FORNER uit Kopenhagen. Na de ontbinding 
van dit gezelschap is er tot in het voorjaar van 1845 van Duitsche operisten geen sprake 
meer. Het was alsof zelfs de oorspronkelijke bestemming van het gebouw in vergetelheid 
begon te geraken, want HoUandsche tooneelisten en orkestdirecteuren, die hier enkele 
voorstellingen en uitvoeringen gaven, spraken in hunne advertentiön van den Italiaanschen 
schouwburg. In Mei 1843 gaven oude bekenden als MiLLER en MAGER, onder directie 
van Frans Stoll, een drietal voorstellingen, waaraan Mager in Juli nog een vierde 
toevoegde; waarschijnlijk geschiedde dit op een doorreis van of naar Londen. Opeens 
verschijnt er in April 1845 weer een Duitsche troep, met eene opvoering van Don yuan^ 
gevolgd door de andere opera's van Mozart, door Freyschütz^ Oberony Marie ader 
die Regiment stochter, Die Stumme von Portici^ Norma^ Vampyr^ e. a. Fraul. Zerr uit 
Carlsruhe en de Russische hofzangeres Neureuther doen hare talenten bewonderen. 
Doch dit gezelschap verdwijnt in Juni, om niet weder te keeren, tot spijt van de vrienden 
der Hoogduitsche opera. Het bezat inderdaad goede elementen, Frl. Zerr was eene 
allerliefste chanteuse; hare stem kwam meer uit in tragische, haar spel in vroolijke rollen. 
Eschborn was niet alleen een ijverig regisseur, maar ook een talentvol zanger. KüHNLE^ 
bezat een fraaie baryton. De bas en de tenor hadden minder voldaan. Daarentegen werden de 
secondaire rollen goed vervuld en waren de koren krachtig en zuiver. Weinig tooneelen 
van den tweeden rang, oordeelde een tooneelcriticis, *) zooals het hier gevestigde, konden 
er zich op beroemen zulk een goed geheel van zangers te bezitten. 

Een jaar later treedt voor het eerst een Nederlander op als directeur van een 
Hoogduitsch opera-gezelschap. Het was niemand minder dan de zoo verdienstelijke 
J. Eduard de Vries, die tevens aan het hoofd stond van den stadsschouwburg. Hij 
opende op 19 Febr. met Jessonda en onder hem werden de Postillon von Lonjumeau^ 
van Adam, Ferdinand Costez van Spüntini en Die Hugenotten voor het eerst uitge- 
voerd. Om van andere artisten te zwijgen, die hij wist te engageeren, noem ik alleen 
Frau SCHMIDTGEN, de eerste zangeres van het hoftheater te Wiesbaden, die de Lucretia 
in Lucretia Borgia, de Rebecca in Die Jiidin, de Valentine in Die Hugenotten zong. Wat 
hij hier aanving, heeft DE VRIES elders, gelijk wij aanstonds zien zullen, met den besten 
uitslag voortgezet. 

Nog tweemaal ontwaakte daarna de Duitsche opera in de Amstelstraat uit hare 
sluimering, de eerste maal onder den directeur Ferd. Roeder in den winter van 1849 

1) Van de twee laatste opera's berusten de tekstboekjes (Amst. bij A. H. Brouwer und S. D. Gertner 1836) in de 
Anisterdamsche Universiteitsbibliotheek. 

2) De Spektaior^ 'sGrarcnh. 1845, bl. 280. 



DE OPERA TE AMSTERDAM. 193 

op 1850, andermaal in Mei 1852 onder den directeur Rahnenberg. De voorstellingen 
van dien tijd liggen bij enkelen nog wel in het geheugen. Ze behoorden niet tot de 
minste, die op het tooneel in de Amstelstraat waren gegeven, en wie later eene uit- 
voerige geschiedenis van de opera in Nederland schrijft, zal ze niet stilzwijgend voorbijgaan* 
Doch nu de stadsschouwburg onder De Vries de Duitsche opera had ingehaald, kon 
de Hoogduitsche schouwburg de concurrentie niet volhouden. De opheiffing van deze 
inrichting als zoodanig moest noodzakelijk volgen. Bij. vonnis van de Arrondissements- 
Rechtbank te Amsterdam van i November 1852 werd de Hoogduitsche Tooneelsocieteit 
op haar eigen verzoek ontbonden en de verkoop van de gebouwen dier Sociëteit bevolen. ^) 
Diensvolgens werd op 28 Juni 1853 de Hoogduitsche schouwburg met alle decoratiën en 
theatrale toestellen door den notaris S. COMMELIN in veiling gebracht en verkocht aan 
de firma ScHOEMAN en VAN Lier, die reeds den 27sten October van het vorige jaar 
aldaar eene nieuwe inrichting had geopend onder den titel „Grand théatre des variétés", 
en wel met de opvoering van den Freyschutz door het opera-gezelschap uit Den Haag. 
Voorloopig bleef het bij deze éene voorstelling, ofschoon er later andere volgden. Doch 
de opera in het „Grand théatre" ligt buiten mijn bestek; zij vormt zoozeer een geheel 

met de geheele economie van dit theater, dat zij alleen bij eene opzettelijke behandeling 

« 

van zijne geschiedenis besproken kan worden. 

Ik stelde mij voor bijdragen te leveren, tot de geschiedenis van de Hoogduitsche 
opera te Amsterdam, en sloeg dus de bladzijden om, die betrekking hebben op de ge- 
schiedenis van den schouwburg zelven, waarin die opera haar zetel had gevestigd. 3) Maar 
mijn overzicht zou onvolledig zijn, indien ik geen gewag maakte van de Hoogduitsche 
opera in den stadsschouwburg. Sedert 1845 was De Vries, na de ontbinding van de 
vennootschap, die gedurende vier jaren het beheer in handen had, alleen directeur gewor- 
den, en hij bleef dit tot 1859. ^^^ tijdperk heeft zich, dank zij zijne ijverige bemoeiingen, 
inzonderheid gekenmerkt door voortreffelijke uitvoeringen. Bijna elk jaar gelukte het 
hem een gezelschap bijeen te brengen, dat de beste werken der grootste toondichters 
vertolkte op eene wijze als maar zelden kan worden gehoord. De omstandigheden 
werkten mede, althans in den beginne, om hier artisten te doen optreden, die anders 



1) De schouwburg was altijd het eigendom gebleven van de aandeelhouders, die hem aan allerlei gezelschappen 
verhuurden. De laatste commissarissen waren Jhr. Mr. A. Warin en D. C. Splitgerber. 

s) Toch wil ik met een enkel woord vermelden, wat er in de Amstelstraat plaats had, wanneer geen opera-gezeU 
schap, hetzij een Hoogduitsch of een Italiaansch, er zijne uitvoeringen gaf. Meermalen diende het gebouw voor concertzaal, 
en jaren achtereen gaf Eruditio Musica hier op Zondagavond concerten. Vaak werd het gehuurd door Nederlandsche toonee- 
listen. o. a. die van den Stadsschouwburg gedurende de zomervacantie, terwijl Hoedt en Binglet uit Den Haag hier 
jaarlijks tijdens de kennis speelde. Dikwijls vertoonden er zich Engelsche tooneelspelers, die stukken van Shakespbare 
opvoerden, maar slechte rekening maakten. Beter ging het goochelaars, pantomimisten en acrobaten, die nu «n dan zich 
van dezen schouwburg bedienden. Zoo vertoonde „Herr und Madam Ravel'* in 1821 „die Entführung der Venus durch 
Mars aus Yulkans Werkstatte*% waarbij beiden ,auf zwei von Hintergrund des Theaters bis in die obere Gallerie 
parallel doppelt gespannen Seilen hinauf und im herunter gehen durch einen brillanten Feuerregen'* wandelden. En zulks 
geschiedde terwijl Haberkorn zijne opera's gaf. Ernstige tooneelvrienden ergerden zich niet ten onrechte aan zulk 
eene verlaging van den schouwburg tot een kermistent. Toen de directie van den Hollandschen schouwburg in 1826 een 
ballet gaf, Milo van Crotone geheeten, waarin zekere Venitien, ^een sterke Klaas", in de rol van Milo allerlei won- 
derbare kunsten deed met gewichten, om zijn kracht te toonen, hekelde Pandora in het bezit van het tobneclklokje No. 4 
dit bedrijf in een spotprent, 

25 



194 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

misschien zich hier niet, althans niet zoo vaak zouden hebben doen hooren. Toen het 
eerste opera-seizoen op 5 Oct. 1 848 met Norma werd geopend, was de nawerking in vele 
steden van Europa nog maar al te merkbaar van de revolutionnaire bewegingen, die de 
geschiedenis van dat jaar kenmerkten. Men hoorde hier Carl FORMES, den • eersten bassist 
van het keizerlijk theater te Weenen; Pasqüé, den eersten baryton van het hoftooneel te 
Darmstadt; Marie Muller, eerste zangeres van het hoftooneel te Wiesbaden en Frl. 
RiCHTEREN VON Ilsenau, die acht jaren later nog eens als Mw. SiMON ROMANI terug- 
keerde. Zoo vaak zij optraden was de schouwburg te klein om het belangstellend publiek 
te bevatten. Don Juan, Zauberflöte en Figaro's Hochzeü, om dit klaverblad van MOZART 
alleen te noemen, moesten telkens worden herhaald. Ik zal niet in bijzonderheden 
treden over dat tienjarig tijdvak, toen de opera hare schoonste triomfen vierde. Velen 
zullen het zich zeker levendig herinneren. Alleen vermeld ik nog de zangers Dalx£ 
ASTE, eerste bassetaille van het theater te Lissabon, Thomaczek, eerste bassetaiUe van 
het keurvorstelijk theater te Cassel, PiSCHEK, hof- en kamerzanger van den koning van 
Wurtemburg, Steger, eerste tenor van het keizerlijk theater te Weenen, en de zangeressen 
Carolina Lehmann van het theater te Wiesbaden en Ottilie Sterndorf van den 
stadsschouwburg te Koningsbergen. FrHschtUz en FidèliOy Puriteinen en Hugenotten^ 
Martha en Robert der Teufel, Tancred en Lucia von Lammermoor^ in een woord 
bijna alle groote Duitsche, Fransche en Italiaansche opera's kwamen op het repertoire 
voor. Ook Wagner's Tannhnuser werd voor het eerst uitgevoerd, Met de laatste voor- 
stelling in Mei 1859 eindigt de geschiedenis van de Hoogduitsche opera te Amsterdam. 
De voorstellingen, die sedert 1873 in het Paleis voor Volksvlijt worden gegeven, behooren 
tot de geschiedenis der Hoogduitsche opera te Rotterdam. 



JOODSCH HOOGDUITSCH TOONEELGEZELSCHAP. 

In 1784 werd door J. H. Dessauer, een Israëliet, een Joodsch Hoogduitsch Too- 
neelgezelschap opgericht, dat zich ten doel stelde voor eigen genoegen opera-voorstellingen 
te geven. De leden van het gezelschap waren deels de zangers en zangeressen, deels de 
toonkunstenaars, die het orchest samenstelden, en voor het overige niet werkende kunst- 
vrienden. Het koos zich een zinspreuk, gelijk alle gezelschappen van dien tijd, namelijk 
„Industrie et Recréation" of ook „Amusement et Culture", en begon zijne oefeningen in 
het gebouw van het ontbonden gezelschap „Utile et amusant". De aanzienlijkste joden 
sloten zich er bij aan, en binnen kort breidde het ledental zich zoozeer uit, dat men omzag 
naar een grooter lokaal. Toen dit niet te vinden was, bouwde men eene houten loods 
op de Joden Houtmarkt, waarin nu geregeld opera's werden uitgevoerd, doch uitsluitend 
voor de leden van het Gezelschap. ^) 



1) l'olltdi^e Tooncel-Altnanach 1806. Taoneelk. Drir.cn, 1808, bl. 200, v. 



DE OPERA TE AMSTERDAM. 195 

Na zich gedurende eenige jaren aldus te hebben toegelegd op het muziekale drama 
en een repertoire gevormd te hebben, dat niet alleen verschillende Hoogduitsche, maar 
ook uit het Fransch en het Italiaansch in het Hoogduitsch vertaalde werken, benevens 
enkele oorspronkelijke compositiën van Dessauer omvatte, achtte men de tijd gekomen 
om openbare voorstellingen te geven, met of zonder inteekening. Het Gezelschap 
diende een verzoek in bij de vergadering van volksrepresentanten om, gedurende de 
zomermaanden, als het gebouw toch ledig stond, voorstellingen in den stadsschouwburg 
te mogen geven ten voordeele van de offerkist in de kamer van het Comité Revolutionair ^). 
De burgers Bos en Steenwinkel raadpleegden hierover de Gecommitteerden tot de zaken 
van den schouwburg, maar deze opperden de volgende bezwaren: lo. De schouwburg is 
voor brandgevaar verzekerd onder de stilzwijgende voorwaarde, dat deze alleen door de 
Hollandsche tooneelisten bespeeld zal worden, en wel gedurende het gewone seizoen van 
Augustus tot April. Kwam er brand, dan zou te bezien staan of assuradeuren zich 
gehouden zouden achten, en bij weigering gedwongen zouden kunnen worden tot betaling. 
Assuradeuren hadden er zich ook tegen verzet, toen voor eenige jaren de Fransche toonee- 
listen een dergelijk verzoek hadden gedaan. 2°, Willigde men dit verzoek in, dan zouden 
ook andere gezelschappen hetzelfde vragen, en men zou bezwaarlijk kunnen weigeren. Zoo 
doende zou de schouwburg een ^vertoonplaats worden van verschillende vreemde troepen 
tooneelisten", daargelaten nog dat het gebruik van decoratiön en kleeren tot allerlei 
moeielijkhedeh in de administratie aanleiding zou geven. 30. De schouwburg stond 
opzettelijk in den zomer stil, om het gebouw uit- en inwendig te kunnen schoonmaken 
en schilderen, en aan het tooneeltoestel de noodige reparatiën te verrichten. 40. Door 
dit verzoek toe te staan liep men gevaar de Hollandsche acteurs en actrices bij het 
publiek in minachting te brengen, als of zij „niet met zoodanige loffelijke gevoelens 
bezield waren als het Joodsche Gezelschap". Op grond van deze bezwaren werd het 
verzoek van de hand gewezen. 

„Industrie et Récréation" klopte nu aan bij commissarissen van den Hoogduitschen 
schouwburg, en hier vond men een gunstig onthaal. Den i/den October 1795 werd 
„het geerde publiek geadverteerd, «) dat het Hoogd. Joodsche Tooneel Gezelschap gedu- 
rende de wintermaanden in het Opera-huis in de Amstelstraat tweemaal per week hunne 
opera's zullen opvoeren op de volgende gestipuleerde dagen, als in de eene week op 
Maandag en Woensdag en de andere week op Dinsdag en Saturdag, en zullen zulke 
opera's opvoeren, waarmede zij vertrouwen het geëerde publiek genoegen te zullen geven". 
Toch schijnt het dat deze maatregel bij enkele leden van het Hoogduitsche college, of 
wel bij de artisten van DiETRiCH tegenstand vond. Althans men insinueerde in de 
Haarlemmer Courant*), dat de Joden de partituur van Mozart's Don Juan te koop 
aanboden, omdat zij niet in staat waren dit meesterwerk uit te voeren. 

*) Dicht' en twmetlkund. Almanach van 1796. Amst. J. W. Smit. bl. 120. 

3J Amst. Cour. 

8) Zie mijn art. over Mozarts Don Juan in Nederland in het Tijdschrift der Vereen, voor N. Nederlands Muziekgesch. 

25« 



196 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

De zaak ging intusschen door, en het Gezelschap speelde van nu aan geregeld, 
jaren achtereen, in de Ainstelstraat ^). Zie hier enkele opera's, die volgens de aankon- 
digingen, welke bewaard zijn gebleven,^) in 1796 zijn gegeven. Op Dinsdag 17 Mei 
had de uitvoering plaats van Don yuan.y die vermoedelijk wel niet de eerste geweest 
zal zijn. Daarop volgden 30 Mei Zemire und Azor^ 2 Juni Der Hufsmidt van PhilidOR, 
gevolgd door Blaise und Babet van Dasaides, 8 Juni „auf vieler Begehren" Oberan 
König der Elfen. Nach Wielands Oberon van Paolo Wranitzky*), ?i Juni Z>tfjA/<»öfcA^« 
von Frascata van Paesiello*), 18 Juli Die Apothekar und Dokter van DettendORF. 
Uit welke artisten het Gezelschap toen was samengesteld, is mij onbekend. De voor- 
stellingen vingen, evenals in andere schouwburgen, te 6 uren aan. Men kon op den 
dag aan het gebouw plaatsen bespreken. '). Tekstboekjes waren verkrijgbaar bij den 
boek- en muziekhandelaar J. C. RöDER, die achter de beurs woonde, tusschen de Here- 
mieten- en Noorder-steeg. 

De uitvoerigste berichten omtrent „Industrie et Récréation" zijn die van de jaren 
1804 tot 1805 *)• S. D. COHEN en J. S. BOAS waren toen commissarissen, H. BiNGER 
en J. BOAS Jr. directeuren, de laatste voor de finantiën, de eerste voor de muziek, costumes 
en decoratiën. De zorg voor de opvoeringen was aan J. H. Dessauer en M. J. HOOFIEN 
als regisseur opgedragen. Het personeel bestond uit de volgende zangers en zangeressen : 
E. Mulheim, !•'• hautecontre, J. M. Dessauer, wiens zang zeer geroemd werd, 2«»^ 
hautecontre, S. Fransman, i" bassetaille, M. J. Hoofien, i" comique et laruette, A. L. 
Setje, 2°^ bassetaille, S. Wolf, 3"*« bassetaille, J. N. Coster, trial et niais, L. S. Swaab, 
accessoire marqué, C. H, VON Mesrits, V chanteuse, Brensic Isaac en G. MULHEIM, 
dugazon, S. DE JONG, 3™* chant., E. A. Preeger, duègne, F. A. VAN WiNTER, ingé- 
nuité. Het koor telde acht zangers en evenveel zangeressen. Het orchest onder de 
orchestmeesters J. en H. Preeger Jr. was 23 muzikanten sterk. Eindelijk behoorden 
nog tot het geheel een veertiental geëmployeerden '). Men ziet, het Gezelschap was goed 
samengesteld. Uit de namen blijkt voldoende, dat alles werd tot stand gebracht uit eigene 
krachten, en geen hulp in den vreemde was gezocht. De Amsterdamsche Joden werden 
algemeen geroemd „om de losheid van hun spel en de schoonheid van hun zang". Geen 
wonder dat de toeloop groot was, niet alleen in Amsterdam maar ook in Rotterdam 
en Utrecht, als zij daar soms optraden. Het repertoire was uitgebreid en vertoont de 



ï) Van de jaren 1797 tol 1803 vond ik geen documenten of opgaven, maar de berichtgever in de HolL Tooneel- 
Almanack van 1806 ver/.ekert : ^dit Gezelschap heeft nu reeds eenigc jaren, mecstai bij inteekening, in bovengemelde 
schouwburg gespeeld, gcHjk zulks ook tegenwoordig nog plaats vind, wordende de repetitiCn aldaar tweemaal per week gegeven." 

3) Deze aankondigmgen, die gediend hebben om binnen en buiten het gebouw te worden opgehangen, zijn onlangs 
door de HH. Van Liek gevonden, die de welwillendheid hadden er mij kennis van te geven. Affiches werden in dien 
tijd niei gedrukt. De namen der tooneclspelers werden soms in de tekstboekjes vermeld. 

3) De Oberon van Wka.nitzky werd ook meermalen, in ecne Nederlandsche vertaling, op den Stadsschouwburg gezongen. 

4) „Wclche im Fr.mzös. unter dem Titel L'l£nfani de Z.imora zum erdten allhier bckannt wurde", wordt er bijgevoegd. 
Waarschijnlijk was de lioogd. vert;ümg van Dkssaukk. 

*) Erstc Loge/ 2. Zweyte Loge / 1,10. pjiricrrc / 1,4. üallerie / 0.14. 
f) VoU. 'Joon,ei-Alm. 
) Een tooneelmecster en machinist, een tooneelschilder, een illuminateur, en souffleur, kappers, knechts en boden. 



/ 



DE OPERA TE AMSTERDAM. 197 

de meest mogelijke verscheidenheid. Natuurlijk bestond het uit de compositiën van dien 
tijd, die bijna alle vergeten zijn. Behalve de vroeger genoemde opera's vermeldt het: 
Asur en Der Talisman van Salieri, Die heimliche Ehe en Der Directeur in der Klemnt 
van CiMAROSA, König Theodor und Venedig en Die Schone Müllerin van Paesiello, 
Der Baum der Diana van MARTINI^), Die beiden Geizigen en Die Heitath des Antonio, 
van Gretry, Die Aepfelbaume und die Mühle van Lemoinne, Nina van Dalayrac, 
Der Tollkopf van Mehul, Die Blinden von Franconville van Lebrun, Paul und Virginie 
van KreützER, Das Donauweibchen van Kauer, Der Spiegel von Arcadien van Susmayer, 
Die beiden Bruder van WiNTER, Das Sonnenfest der Brahminen van Wenzel Muller e. a. 
J. H. Dessauer zelf dichtte Mordechai und Esther oder die geretteten Juden^ „Musik 
von verschieden Componisten" ^). Maar vooral mag ik niet zwijgen over MOZARTS 
meesterwerken Zauberflöte, Don Juan^ Hochzeit des Figaro en Entführung aus dem Serail , 
die nooit genoeg konden worden herhaald. 

Eene bijzonderheid mag hier niet onvermeld blijven. Het moge ten bewijs strekken 
hoezeer dit Gezelschap zich de belangstelling waardig maakte, die het in en buiten 
Amsterdam blijkbaar ondervonden heeft. „Onder de menigvuldige blijken van menschen- 
liefde", zoo lezen wij in de Amsterdamscke Courant van 14 Februari 1 807, „ter verzachting 
van het lot der ongelukkige slachtoffers van den voor de stad Leyden zoo betreurens- 
waardigen dag van den I2den Jan. 1.1. verdient zeker der vergetelheid onttrokken te 
worden de representatie van het Joodsch Hoogduitsche Tooneelgezelschap ,Industrie et 
Récréation' onder directie van Hyman Binger en JOSEPH BOAS Jr., met approbatie van 
de HH. Wethouders op 9 Febr. in het gewone lokaal in de Amstelstraat gegeven, als 
hebbende het tooneel-gezelschap, na het executeeren der groote beroemde opera Die 
Wegelagerer van Paêr, eene zinnebeeldige voorstelling der stad Leyden gedaan, waarbij 
men de bekende talenten van den niet genoeg te prijzen J. H. Dessauer als acteur» 
alsmede de trapsgewijze vorderingen van het gemelde Gezelschap ontwaard heeft". Aan 
de inteekenaars wordt hulde gebracht voor hunne medewerking, aan alle acteurs, actrices 
en muziekanten voor hunne toewijding, zelfs aan de kappers en het overige personeel 
voor de belangelooze hulp. De voorstelling heeft de zeker niet onaanzienlijke som van 
ƒ 805,7,8 opgebracht. 

De Italianen, die op verlangen van den koning van Holland naar Amsterdam 
kwamen, en door den steun van vele aanzienlijken zich eerlang in staat gesteld zagen 
om hunne opera-voorstellingen op breede schaal in te richten, verdrongen de Joden uit den 
schouwburg in de Amstelstraat. Het „Hochdeutsche Theater Industrie et Récréation" 



1) Het tekstboekje, uitgegeven bij J. C. Roder, is bewaard gebleven. De Universiteitsbibliotheek te Amsterdam 
bezit een exemplaar. De Hoogd. vertaling is van C. G. Neepb. De Bibliotheek bezit ook eene uitgave van Die 
Hochxeit cUs Figaro uit denz. tijd. 

3) Iets later bewerkte hij voor zijn Gezelschap: Ascheprud. Ein Zauder^Opert nach dem Französischen Cendrillon d. 
H. Etienne. Musik von Nic. de Maltha. Amst. u j. Het „Vorbericht" van dit tekstboekje, waarvan de Univ.-Bibl. te 
Amst. een exemplaar bezit, verdient de aandacht van hem, die zich misschien meer opzettelijk zal willen bezighouden met 
de werkzaamheid van den verdienstelijken acteur, die nog meer zangspelen heeft bewerkt of gecomponeerd. 



198 DE, OPERA TE AMSTERDAM. 

adverteerde den 26sten October 1807, dat het twee dagen later zijne voorstellingen zou 
openen „im neuen Comedienhause in der Kerkstrasse neben der Französischen Manegie" 
met ^^Der weibliche Soldat \ Musik des Kapelmeisters NaüMANN". i) In het volgend 
saisoen schijnen de joodsche tooneelisten hunne werkzaamheid in Amsterdam althans 
voor het publiek gestaakt, en slechts nu en dan in andere steden opera's uitgevoerd te 
hebben. Zij, die met hunne voorstellingen ingenomen waren, spraken den wensch uit, 
dat zij een eigen theater mochten oprichten. 9)« Zoo hieraan werkelijk een oogenblik 
gedacht is, dan heeft de inlijving bij het Fransche keizerrijk de uitvoering van dit 
voornemen zeker geheel verijdeld. Intusschen verwezenlijkte Dessauer een ander plan, 
dat reeds vroeger was voorbereid. Hij bracht eene Dramatisch-Lyrische Kweekschool tot 
stand, die, gelijk wij zien zullen, jaren heeft bestaan. 

Wij verliezen nu het Joodsch Hoogduitsche Gezelschap tot 18 14 uit het oog. Het 
waren de Joden die op i Jan. van dat jaar „mitBewilligung der hohen Obrigheit" den Duit- 
schen schouwburg in de Amstelstraat heropenden met Hans Pompernickel^ ^eine ganz neuc 
noch nie aufgeführte Posse mit Gesange". Deze voorstelling werd besloten met een 
gelegenheidsstukje met zang: Wir durf en wieder spieUn, DESSAUER was de maker van 
beide stukken, waarvoor Bernard Koch de muziek had geschreven. Ik vermoed dat deze 
laatste toen kapelmeester was, in elk geval was hij onderwijzer in den zang aan de kweek- 
school. Een zijner leerlingen, eene dochter van Fransman, trad in Februari in Figaro's 
Hochzeit op. Men liet nu ook groote artisten van elders komen, want in Maart 
ontmoeten wij J. Walter, hofzanger van den Groothertog van Baden in de rol van 
Papageno. Men ziet dat MOZART zijne eereplaats op het repertoire had behouden. Tot de 
werkende leden van het gezelschap behoorden de hecren Hofjen, MülHEIM en DESSAUER Jr., 
en de dames Leefson en DESSAUER. Of het gezelschap ditmaal weinig steun vond en de 
kosten niet goed kon maken, durf ik niet verzekeren. Zooveel is zeker dat het met Mei 
van het tooneel verdween, om niet weder te keeren. Waarschijnlijk is het ontbonden^ be- 
halve de herinnering aan het kunstgenot, dat het jaren achtereen verschaft had aan de 
vrienden der Duitsche opera, eene nuttige instelling achterlatende, namelijk eene tooneelschool. 

Deze school, uitsluitend voor Joden bestemd, ') waarvoor aanzienlijke Israëlieten 
zich gaarne geldelijke opofferingen getroostten, bestond eigenlijk reeds lang en verschafte 
aan het gezelschap voortdurend nieuwe krachten.**) In 1808 wordt er van getuigd: „De 



1) De uitgave van den VolL Toomel-Alm, is met het jaar 1807 gestaakt; ik heb althans vruchteloos naar 
latere jaargangen gezocb.t. De Amst, Com . geeft gecne inlichtingen, daar het Gezelschap, spelende voor zijne leden en 
geabonneerden, niet adverteerde. Van de belangrijke jaren 1807 tot 1810 is mij daarom weinig of niets bekend. 

s) Tooneelk. Brinken 1808, bl. 203, v 

») De schrijver der TooneHk. brieven (iEo8 bl. 205) betreurt het, dat men niet eene tooneelschool voor christenen 
oprichtte. Hij wijst op hel voorbeeld van den acteur IIkrm. 'sGravfzande, die sedert 1795 zich te Amsterdam wijdde 
aan de opleiding van jeugdige tooneellistcn (Vgl. van Halmael Btjdr, tot de gcsch. van ket iooneel^ bl. 75), en meende 
dat er veel goeds van te vcrv^'achten was, w.mneer de Rcgecring zulk eene inrichting krachtig wilde steunen. 

4) In het blad D€ Ster van Zaterdag 24 May 1806, No. 33 (Amst. by J. O. Rohleff) komt een ingezonden artikel 
voor, waarin deS. zijne afkeuring uitspreekt over de uitsluiting der Joden door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. 
Hij wijst op de verdiensten der Joden op maatschappelijk gebied en zegt o. a.: , Geeft het Hoogduitsche Joodsche Too- 
neelgivelschap, de kinderen voornamelijk onder den niet genoeg te prijzen Dessaukk, ook niet de volkomenste proeven van 
de vorderingen der Joden aan de hand? Kn wie zijn anders do fundateurs liiervan dan de Joden zelve?" 



/ 



DE OPERA TE AMSTERDAM. 199 

ijverige en kunstlievende directeur, de verdienstelijke Dessauer, geeft ons hoe langs hoe 
meer de treffendste bewijzen van het goed gevolg, waarmede hij zijn arbeid door de 
jeugdige kweekelingen, aan hem toevertrouwd, bekroonen ziet". De kweekelingen hebben 
den tooneelbeminnaar menig aangenaam uur verschaft. Onder de door hen opge- 
voerde stukken vindt men vele, die door den directeur zelven vervaardigd zijn. Als 
voorbeeld noemt hij het stuk De gedaantewisselingen van Arlequin, en wijdt daarbij uit 
over ^de meesterlijke opvoering der jonge tooneelisten, de schoonheid der muziek, de 
vaardigheid der metamorphose en het luisterrijke der decoratiën''. De openbare voor- 
stellingen van Dessauer hadden toen plaats gedurende de kermis in eene tent op de 
Botermarkt; men achtte dit terecht beneden de waardigheid van zulk eene instelling, 
vertrouwende dat ze eerlang zouden plaats hebben in den Hoogduitschen schouwburg, terwijl 
men hoopte dat de Koning, „wiens zucht voor wetenschap en kunst zoo bekend en gebleken 
was", zich deze zaak zou aantrekken. Van een en ander schijnt niets gekomen te zijn, maar 
na de omwenteling van 1813 is het DESSAUER blijkbaar gelukt geschikte lokalen te vindeui 
waar niet enkel oefeningen, maar ook van tijd tot tijd openbare voorstellingen plaats 
hadden van tooneelstukken en opera's, zoowel in het Hoogduitsch als in het Nederlandsch. 
Wij ontmoeten de tooneelschool, die eerlang stond onder directie van Dessauer en 
Fransman, mede een voormalig acteur van het Joodsch Hoogduitsche Gezelschap, des 
winters in het Theater Cassino, dat later de Harmonie heette, in de Zwanenburgerstraat, 
en des zomers in het Theater Tivoli ^) van de wed. Welker in het Park (Plantage). Ouden 
van dagen herinneren zich nog déar de tenorzangers BOAS en Orest Preger, Mej. 
Mesritz en andere jeugdige artisten gehoord te hebben. Het was tot het jaar 1838 
algemeen bekend als het Theater der jonge tooneelisten, waartoe zelfs kinderen behoorden, 
die soms voor het voetlicht kwamen. Men speelde de oude lichtere opera's, dat men echter 
ook tegen grootere werken niet opzag en voortging met de nieuwere opera's in te studeeren, 
blijkt uit de aankondigingen van Don Juan, Barbier ^ Fr ey schut z en Tancred. 

Ik mag hier niet langer stilstaan bij eene inrichting, die een opzettelijke behandeling 
verdient, en waaromtrent een zorgvuldig onderzoek misschien nog vele bijzonderheden 
aan het licht kan brengen. Alleen wensch ik aan een tijdgenoot hierover nog het woord 
te geven. ^) Dessauer, zegt hij, is een man die steeds geijverd heeft en onafgebroken 
blijft ijveren voor de opleiding van tooneelspelers en zangers, en de kweekelingen doen 
den onderwijzer eer aan. „Hij neemt, kleedt en voedt te zijnent het kind, dat hij als het 
ware opvangft, wanneer er slechts eene muzikale aanleg in te vinden is, en laat het bij 
de aardappelen zooveel noten slikken als het maar verduren kan. Doorvoed zijnde moet 
het de B mollen weder aan den man brengen, als interest van het vaste kapitaal. De 



*) Niet te verwarren met een ander Theater Tivoli, dat in juli i8a8 werd geopend buiten de Lcidsche poort door 
J.^ L. XiMENES, die hier zijne .élèves'' liet spelen. Er schijnt nog eeno andere opleidingschool van F. Hennsly bestaan te 
hebben. De kweekelingen dezer inrichting gaven in Maari 1817 voorstellingen in de Kerkstraat bij de Weespers t raat, 
, {Amsf. Cour. 18, aa, 39 Maart.) 

5) Het Kritisch iampje Amst. 1833, bl. lao, v. 



200 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

directeur noodigt dus toehoorders, hij ordent het tooneel, kleedt zijne vertooners, en laat 
eene opera met zooveel ensemble opvoeren, dat de groote tooneelen er door beschaamd 
worden. Onlangs werd de Barbier van Scvüü in het Hoogduttsch aaagekondigd. Het 
was geen wonder dat de zaal ^) met nieuwsgierigen gevuld werd. Het was een kunst- 
minnend troepje, dat vol verlangen de eerste vioolstreek begeerde te hooren." De uit- 
voering was natuurlijk niet onberispelijk. Vooreerst liet de uitspraak van de taal nog. al 
iets te wenschen over. „Het moest Duttsch zijn", 'zegt de berichtgever, „en wij mllen 
dan ook maar gelooven, dat het Duitsch was". De heer Festlinger, oordeelt hij verder. 
had als Figaro een weinig de baard tn de keel, en de heer Fransman maakte, als 
Bartolo, wat veel „Isrra". Maar de heer SONS, als Bazile, was goeden de juf&ouwcn VAN 
Praag zongen naar den eisch. Costumen en decoratien waren, volgens hem, armoedige 
fragmenten, en het orkest kon ook beter zijn, althans de hoornist was geschikter om op 
een posthoorn dan in eene ouverture te blazen. Maar ten slotte kent hij toch allen lof 
aan den directeur der tooneelschool toe. ■) „Hij kan zijne élèves niet leeren spreken, of 
hen een goeden stand geven; hij is alleen operist. Zijne acteurs worden niet voor het 
treur- of blijspel, maar voor de opera opgeleid, en in dat vak toovert hij. Zijn tooneel 
en zijne positie in aanmerking nemende, heeft hij zulk een gelukkig ensemble tot stand 
gebracht, dat wij er hem van harte mede gelukwenschen." (^Sht volgi). 



n het Nationaal toonecL 




VIER KAMPER SCHILDERS. 

ERNST MAELER, MECHTELT TOE BOECOP, 
BERNHARD VOLLENHOVE, STEVEN VAN DUYVEN, 



DOOR 

G. P. R O U F F A E R. 



MECHTELT TOE BOECOP. 

ET eenige wat van deze Kamper schilderes bekend mag heeten tot 
^ l'f')li^%^] 1^ "°^ ^'^^' '^ ^^^ zij bestaan heeft. Kramm toch namopLiCHTENBERCH 
V, i^.jX.-^é h: (Machteld van) uit Jon. van Beverwijck, Van de Wtncmentheyt 
des Vrouwelicken Geslachts, enz. Dordrecht 1643 het volgende over: 
„Machteld van Lichtenberch van den voornaemsten adel uyt 
het sticht van Utrecht; huysvrouwe van Jonckhr, EgberT van 
I BOECOP, uyt Overijssel, heeft vele stukken seer geestig geschildert, 
onder andere ook haer man ende haer selven. Haer dochter Corne;lia van BoeCOP 
verstond haer mede op de selvige konst, en die leefde nog, seer oudt sijnde, in 'tjaer 
1629." Tot hiertoe reikte en reikt al de kennis omtrent haar leven en werken; vaN 
DER Aa (Biogr, W.) nam dit uittreksel evenzoo over. 

Omtrent haar maagschap kan ik echter het een en ander mededeelen; dat ik haar 
bij voorkeur Mechteld toe BoECOP noem, is èn omdat ze haar eerste werk, waarmee 




202 VIER KAMPER SCHILDERS. 

wij kennis zullen maken, zoo onderteekent en later nooit vergeet den naam van haar 
man te noemen, èn omdat de kunstvaardigheid in haar aangehuwd geslacht blijkt erfelijk 
te zijn geworden volgens het bovenstaande uittreksel, iets wat ik tot mijn spijt niet 
nader heb kunnen bevestigen. 

Voor haar familiebetrekkingen is van niet gering belang een soort van genealo- 
gische tabel, geplaatst achter de „Uittreksels uit het Dagboek van Arent TOE BOECOP", 
Deventer, J. DE Lange 1862. Alleen gegeven met het oog op de TOE BOECOP'S^ geeft 
zij ons o. a. het volgende: 

Derck toe Boecop 

gemeld in 1500 
tr. Mette Cruiser. 



Arnt toe Boecop Egbert toe Boecop. 

de bekende en kranige Met zijn broeder Arnt TOE BoECOP gemeld in 1572. 

burgemeester van Kam- Tr. Mechteld van Lichtenberg, Gerrit en Cornelia 

pen, bloeitijd 1560-1572. DE VOOGT VAN RijNEVELT dr. gemeld in 1551. Zij is peet 

-■■" TTr . -^r "^ ^^ van haar dochters MARGRIET oudsten zoon in 1578. 

8 kmderen. ^^— , ^^^— -.^^ 

Derck toe Margriet tr. M. Bette. Corneua. i) 

Boecop Philibert Wolf Peet van H 

. 1 551-1632. VAN Westenrode, haar S 

Heer van Potechem. zusters ^ 

Gemeld in 1577, zoon in "jj 

1578, 1580. 1580. 

We zien dat Mechtelt de dochter was van een Stichtschen edelman Gerrit van 
Lichtenberch *) en Cornelia de Vooght van Rijnevelt ^), terwijl ze, zooals later 
zal blijken, vóór 1547 moet gehuwd zijn met den Kamper Egbert TOE BOECOP, broeder 
van den bekenden Kamper burgemeester Arend toe Boecop. Zelf*) van oud-adellijke 
familie, kwam zij daardoor in een andere, die al sedert tijden eerst te Elburg daarna te 
Kampen tot de aanzienlijkste geslachten behoorde. 



1) Eigenlijk daar ^Nekltje*' genoemd, doch dezelfde als de reeds genoemde Cornelia. 

') Gerijt van Lichtenberg, haar vader, wordt in 1524, 1525 en 1526 genoemd als ouderman (deken) van het 
Zadelaarsgild te Utrecht, waartoe tevens de schilders, de ^maclrcs" enz. behoorden S. Muller FzN. Z>« Utrechtsche Archieven^ 
blz. 56 en 57. Evenwel zou hij volgens den heer Muller (zie blz. 15) daartoe enkel benoemd zijn wegens zijn hooge 
geboorte. 

3) Cornelia ue Voeqit was een dochter van S weder de Voecht uit de familie de Voecht van Rijnevelt. 
In 1540 maakte Meciitelt's zuster joffr« Anna van Lichtenberch huwelijksche voorwaarden met Gerrit van Leeu- 
wi:n, van Kampen. Volgens vriendelijke mededeeling van Mr. S. Muller Fzn. 

*) Of de Lichtenberch's die in Kampen voorkomen familie zouden zijn van de Stichtschc? Mr. J. Nan.mnga 
UiTTERDijK meldt mij toch dat in liet memorieboek der S. Cunera-memorie, in 1456 aangelegd, onder pl.m. 1475 op 
de doodenlijst voorkomen: Femme Lichtenbkrües en Alyt Lichtenberges. Ten^ijl in de lijst van de overleden 
broeders der schepcns-memorie, ecne broederschap te Kampen in 13 11 opgericht, de 35e in volgorde voorkomt de naam 
van Claes Lichtenberch, w»*lkc, schrijft mij j^enocmdc archivaris, in de eerste helft der 14c eeuw derhalve moet over- 
leden zijn. 



VIER KAMPER SCHILDERS. 203 

Wat Egbert TOE BOECOP, haren man, betreft, hij wordt genoemd in 1541^^, in 
1542'), in 1544*), in 1549*), in 1564'), in 1572 gelijk we reeds zagen in de aange- 
haalde genealogische tabel, in IS74') en in IS7S")- 

Wat Mechtelt toe Boecop aangaat, vinden we haar voor het eerst vermeld in 
een stuk van den iien Nov. 1549') (Reg. Arch. III, no. 2013) welk stuk door de 
schilderes is mede-onderteekend: 






We zullen nader zien hoe die liefhebberij, om èn haar eigen naam èn haar aange- 
trouwden gelijk recht te laten wedervaren, haar bijbleef. 

In 1551 vonden we haar op de gegeven genealogische tabel. 

In 1564, den 27 Juli, komen in het Chartularium no. 142 van het meermalen 
genoemd advies voor: Egbert tg Bocop en Juffer MECHTELT •) zijn vrouw, die een 
landrente verkoopen. 

In 1578 was zij (zie de genealogische tabel) peet van den oudsten zoon harer 
dochter Margriet. 

Laat ik nu mogen overgaan tot haar werken. Het eerste en misschien wel het 
belangrijkste bevindt zich in het lokaal van de Armenkamer te Kampen**). Ziehier de 
beschrijving : 

ff et laatste avondmaal. Paneel. Br. 2,02. H. 1,86 M. 

Om de tafel in een soort zaal zijn de apostels geschaard, terwijl de handeling het 
oogenblik voorstelt dat Jezus aan Judas den h. ouwel geeft. Op de tafel brood, glazen, 
houten borden, tinnen schalen, tinnen lepels, tinnen peperbus, messen enz. Vlak vooraan 



*) Volgens vriend, meded. van Mr. J. Nanninga Uittekdijk, werd hij in dat jaar lid van de Kamper schepens- 
memorifin. 

^) Den i4den Febr. In het Chartularium van het meermalen genoemd advies van Mr. J. I. van Doorn ixck, no. 56. 

^) In het Reg. Arch. III. no. 1960, volgens vriend, med. van Mr. J. Nanninga Uittekdijk. 

"*) In een akte, ook bij Mechtelt toe Boecop te noemen. 

*) In een akte evenzeer later te noemen. 

•) Ao. 1574 der rekeningen van de Kamper St. Nicolaaskerk : „Noch van Egbert toe Boecop ontfangen vij st. 
br. (n.1. ontvangen door die kerk) die hem oick dairtoe gegeven weren" (d. i. voor nieuwe ornamenten die hij van den 
„karekmeisteren van Ulsen" had gekocht). 

7) „Anno XV ende tsoeuentich vyne, op den XXiijden dach des maents Januarij" wordt hij nog „kerckmeister 
van S. Niclaes kercke*' genoemd. 

*) Volgens mededeeling van Mr. J. Nanninga Uittekdijk. Ook zond hij mij het hierbij gevoegde fac-simile. 

9) Het bijgevoe(rde „Juffer" kan niet anders zijn dan dank zij haar adellijke afkomst. 

»o) Aan het Burgerlijk Armbestuur van Kampen, de heeren Reüijl Ruys en Romunde, zij mijn hartelijksten 
dank gebracht. Vooral de voorzitter, de heer J. J. Reuijl Hzn. was een en al welwillendheid om mij de studie van de 
schilderij gemakkelijk te maken. 

26* 



204 VIER KAMPER SCHILDERS. 

in den midden een groote pul van Rijnsch aardewerk. Boven achteraan een doorzicht 
op een landschap. Gemerkt links onderaan in zwart op donkergrauwbruin : 



/^ tB 



A^ 75-4 7 



De plekken waar de onderteekening minder duidelijk is, zijn ten deele wegge- 
vallen; het schilderij hing vroeger toch in de Armenkamer zelve, maar werd daar den 
l^eelen winter geblakerd door de kachel, zoodat de verf hier en daar opbolde en los liet^ 
Het is daarna verhangen in een zijkamertje, waar het wel ellendig slecht voor het licht, 
neen feitelijk in den donker hangt, doch goed bewaard is. Aan het stuk is behalve die 
enkele plekken niets ontdaan door bijschildering noch hertoetsing. 

Mechtelt's schilderij van 1547 — van toen zij nog maar betrekkelijk korte jaren 
getrouwd was met Egbert toe Boecop — is van hoog belang èn voor haar talent èn 
voor haar ontwikkeling als schilderes. Op het eerste oog toch herkennen we zéér sterken 
invloed van Jan van Scorel. Een paar apostelen, in monniksgewaad, verraden dien 
zoozeer, dat we ze, ook wegens de uitmuntende schildering, van de eigen hand des 
meesters konden meenen. Pleit dat aan den eenen kant voor Mechtelt's buitengewone 
vaardigheid, aan den anderen is het geen wonder dat een Utrechtsche juffer van geboorte, 
begaafd met veel aanleg, zich was gaan stellen onder de leiding van den Utrechtenaar 
Jan van Scorel. Dit moet dan, ook om Mechtelt's leeftijd, het geval zijn geweest 
na 1523, toen ScOREL naar Utrecht terugkeerde. 

Toch merken we, b.v. in de behandeling der handen, ook reeds eenigen invloed 
van Maerten van Heemskerck op, terwijl er twee koppen zijn, die ons ook aan dien 
meester herinneren. Het landschap in het doorzicht is echter Scorel-achtig. Wat de 
streek betreft, is alles met flink deeg en groven borstel gedaan. 

De tweede authentieke, maar daarom niet zeer fraaie Mechtelt toe Boecop 
vinden we in de meergemelde Regentenkamer der Kamper Gast- en Proveniershuizen - 
het is een schilderij van vijf en twintig jaar later, van 1572: 

De aanbidding van het kindekc. Paneel. Br. 1,70. H. 1,97 M. 

Rechts boven in een rond cartouche: Clara Dei Soboles Caelestis Gloria Regni; 
idem links: O Puer O Mater Vos Maxime Gaudia Müdi. Op den voorgrond het kindeke 
in een doek op stroo liggend. Voor hem Maria in biddende houding, rechts geknield 
ook aanbiddend de h. Martha. Daarbij staande twee engelen en zittende een herder. 
Links knielt een herder, waarachter een ander persoon met een lam in de handen, een 
staande engel, en links verder drie landlieden, waarvan een met een doedelzak. Rechts 
in het tweede vlak een schuur waaronder twee koeien. In 't verschiet midden in een stad 



/ 



VIER KAMPER SCHILDERS. 205 

in bergachtige streek, en rechts en links bergen met schapen, boomen en woningen. In 
de lucht boven een koor engelen, en midden in een stralende zon. 
Geteekend links onderaan in zwart op grauwen grond: 

Mechtelt van 

LiCHTEBERCH AN 
DER^TOE BOCOPM' 
A FAIT L'A 1572. 

Om de lijst staat een Latijnsch opschrift, dat echter geheel zwart is overschilderd 
en zoo goed als onleesbaar is. 

Het hier behandelde schilderij is verre van een meesterstuk; het is hard en koud. 
De invloed van ScoREL is veel zwakker geworden, maar toch merkt men dien nog in 
de behandeling van het naakt. Intusschen, kan men zeggen, laat zich hier en daar iets 
opmerken, dat aan Ernst Maeler herinnert; zoo b.v. vooral de zittende herder links 
met de rechterhand tegen de borst. 

We hebben dezelfde behandeling: vet van verf, veel met groven borstel, meer of 
min in elkaar gewerkt. 

De derde, en weer oneindig veel kraniger Mechtelt toe Boecop bevindt zich 
in dezelfde Regentenkamer i), en stelt voor: 

Het laatste avondmaal. Paneel. Br. 2,03. H. 1,85 M. 

De twaalf apostelen zijn onder een soort troonhemel om de tafel geschaard met 
Jezus, die met de linkerhand de kelk opheft. Op dt tafel een kom met vleesch in een 
saus, een mes, wat brood, een glas, een tinnen lepel, enz. Op den voorgrond middenin 
een groote bruine kruik, waaronder het opschrift in zwart op bruinen grond: 



— ^^— — ^^— 



x, mechtelt va ligteberch 

Anders gênant to Bocop 

Me fecit ano 1:5:7:4 



Links bovenaan twee wapens, waarvan het bovenste dat van de familie toe Boecop 
(verg. Rietstap, Armorial Général), het onderste waarschijnlijk ^) dat van de familie 
Staal ; rechts bovenaan ook twee wapenschilden, waarvan- het bovenste gevierendeeld 
van het wapen der familie VAN LiCHTENBERCH, i en 4 (verg. Rietstap, Arm. G.), en 
waarschijnlijk*) van de Stichtsche familie DE Vreese of DE Vriese 2 en 3; en het 



1) Een verklaring hoe deze beide stukken in de genoemde Regentenkamer verzeild raakten, kan daarin gevonden 
worden, daf er een toe Boecops-vergadering bestond te Kampen, welke in 1664 samensmolt met de Gast- en Proveniers* 
buisen. De inboedel ging natuurlijk mede. 

2) Volgens mededeeling van den heer J. Rietstap te 'sHage. Het wapen is: op rood een zilveren arendsbeen, 
zwart geklauwd. Tijdens mijn nasporingen gaf ik bij vergissing aan den heer Rietstap op, dat het arendsbeen van goud was. 

3) Volgens mededeeling van den heer J. Rietstap. Het wapen is: op rood drie klimmende zilveren leeuwen, 
geplaatst 2 en z. De kwartierlijnen zijn van zilver. 



206 • VIER KAMPER SCHILDERS. 

onderste het schild van de familie DE VoOGHT vAN RijNEVELT (verg. Rietstap, Arm. 
G. op Rijnevelt). 1) 

We zien hoe onze taairijke schilderes het ons makkelijk maakt met naam, toenaam 
en jaartal tot nog toe op haar schilderijen te vermelden, terwijl het eigenaardig is hoe 
hardnekkig ze zelfs tot in haar schriftelijke handteekening beide namen, den eigen en 
den aangetrouwden, bijeenzet. 

Mechtelt's authentiek, hier behandeld schilderij van 1574 is hoogst merkwaardig 
voor haar ontwikkeling als kunstenares. Van invloed van jAN van Scorel geen spoor 
meer; geheel en al gaf zij zich hier over aan den invloed van Maerten VAN Heemskerck, 
iets wat te sterker in 't oog valt bij vergelijking met haar schilderij van 1547. Beide be- 
handelen hetzelfde onderwerp; beide hebben uit den aard der zaak een groot aantal 
punten van overeenkomst en aanraking; de algemeene typen zijn begrijpelijkerwijze 
dezelfde; maar waar ze zich in 1547 hield aan de kalmere opvatting en de kalmere kleur 
van Jan van Scorel, staat zij zeven en twintig jaar later onder de betoovering van den 
in vele opzichten veel theatraler Maerten van Heemskerck. In zooverre als Ernst 
Maeler onder diens invloed had gestaan, kan men vermoeden, dat hij ook invloed op 
zijne stad- en kunstgenoote heeft gehad; rechtstreekschen echter niet, te minder waar 
tegen 1555 Ernst Maeler zich volkomen van alle schoolschheid Üad losgemaakt, en 
een eigen weg gevonden. 

We vinden hier dezelfde behandeling als te voren: veel verf met groven borstel 
gedaan, zoo grof, vooral op de gewaden, dat men de streek er eene zou kunnen noemen 
gelijk men haar op fresco's vindt. De kleur is bruinig-grauw, met wat rossigs, en de 
opvatting van licht en donker dezelfde als Maerten van Heemskerck die had. Ook 
hier, evenals men op het te voren behandelde „aanbidding van het kindeke" kan opmer- 
ken, vindt men een buitengewone voorliefde voor plooien, plooien in gewaden, krullen in 
haar, rimpels in vleesch, éren op handen, enz., in één woord, bewogen standen. 

Zoo vonden we dan hier drie stukken, die echter geen van alle een ori^'ineel talent 
deden kennen; toch heeft werkelijk Mechtelt TOE BOECOP dat wel bezeten, en een soort 
genre op haar zelve gehad, dat een aantal zeer verdienstelijke eigenschappen heeft. Laten 
we eens zien. Blijven we eerst nog te Kampen, dan vinden we een schoorsteenstuk van 
Mechtelt toe Boecop bij den Zeereerwaarden heer Verhoeven, pastoor aldaar, 
het stelt voor: 

Df aanbidding van het kindeke. Paneel. Br, 1,46. H. 1.065 M. 

Op den voorgrond middenin op een kussen boven een kribje het naakte kindje. 
Links van hem geknield met saamgevouwen handen de Maagd in een blauw kleed, met 



1) De heer A. A. Vorbterman van Oykn te 's Hage was zoo vriendelijk mij mede te deelen dat de kwartieren 
van Mechtelt tob Boecop zijn: van Lichtenberg, de Vooght van Rijnevelt, Uttenham en Utterwijk. Ik had dan 
ook gehoopt deze, vereenigd met het wapen der toe Boecop's op het schilderij terug te vinden ; gelijk men echter ziet zijn 
Uttenham en Uyperwijck (verg. hierop Rietstap's Arm. G.) er niet te vinden wel twee andere wapens. Van waar die 
maagschap? 



V 



VIPR KAMPER SCHILDERS. 207 

gele mouwen, een rooden doek daarover en witten hoofddoek. Achter hen een os en 
een ezel; naast den os een geknielde herder met een mand eieren voor zich, waarbij een 
hond staat. Links bovenaan een staande herder. Het geheel heeft plaats in een soort 
van Italiaanschen voorhof, waarvoor een met wijnranken beloofd prieel, waarin nog een 
vrouw en een man te zien zijn. 

De schilderij (helaas deerlijk overgeschilderd en verknoeid), zeer merkwaardig en 
zeer verdienstelijk wat oorspronkelijke opvatting aangaat, geeft in een groot aantal punten 
treffende overeenkomst met verschillende deelen op Mechtelt's authentieke schilderijen, 
zoodat geen twijfel omtrent de vervaardiging behoeft te bestaan. De mannen, donkerbruin 
van kleur, zijn geheel als sommige koppen op haar laatste avondmaal van 1574, en als 
de herderskoppen op haar stuk van 1572; het kindeke is volkomen als de engeltjes op 
dit laatste stuk. Iets eigenaardigs is, dat zij de mannen voorstelt met vreeselijke Joden- 
neuzen. De behandeling is dezelfde als elders : vleesch zéér degelijk van verf, met groven 
borstel, dikwijls zóó ineengewerkt dat het glad wordt. Draperiën, vooral zwarte en gele 
zeer zwaar van verf met evenzeer groven borstel. 

Bij den Zeereerwaarden heer pastoor Verhoeven, vinden we een tweede schil- 
derij 1), evenzeer van Mechtelt toe Boecop, waardoor we in de behandeling van portret 
met een andere zijde van haar gaven kennis maken. Het is eene: 

Memorietaf el van Joseph Jruchsess von Reinfelden. Paneel Br. 0,84. H. 1,14 M. 

Op het eerste vlak links Joseph Truchsess von Reinfelden in het harnas, 
geknield, met saamgevouwen handen, een roode sjerp aan, en een spaanschen kraag. Op 
den voorgrond middenin zijn wapen (een schild bedekt met zes dwarsbalken, beurtelings 
zilver en zwart), waarboven als helmteeken een ridderhelm, en daarop een ronde bol, 
evenzeer bedekt met zes dwarsbalken, beurtelings zilver en rood, en geplaatst als op het 
schild. Op het tweede vlak hangt Jezus aan 't kruis; links van hem de Moedermaagd, 
rechts Johannes de Apostel. Achtergrond: een stad in eenigszins bergachtigen grond, en 
links nog de voorstelling van de h. Veronica. Öm de lijst heen het randschrift: „Starb 
der edele und veste josephe druckses von reinfelden welcher alhier begraben dessen und 
allen seelen der allmechtig gnadig und barmhertig sein woUe amen :" ') 



1) Dit tweede schilderij behoort, meen ik, aan de Roomsch- Katholieke gemeente, en bevond zich ook vóór de Prov. 
Overijsselsche Tentoonstelling in de Roomsche kerk te Kampen. Ik kan niet nalaten den Zeereerwaarden Heer 
Verhoeven hartelijk te danken voor de welwillende wijze waarop hij mij ontving. 

s) De heer J. B. Rietstap was degeen die zoo welwillend was mij de zekerheid te geven dat inderdaad het mede- 
gedeelde schild en helmteeken aan de familie Truchsess (i. e drost) von Reinfelden behoorden. Zie zijn Armorial Gén. 
op dien naam, waarbij echter het helmteeken nog niet vermeld is, en foutievelijk (schrijft mij de heer Rietstap) het 
schild wordt voorgesteld als gedwarsbalkt van zilver en blauw, in plaats van zilver en zwart, zooals het inderdaad is. Het 
helmteeken weid hem eerst bekend na het verschijnen van zijn Armorial. Het randschrift op de lijst verdenk ik zeer; mij 
lijkt het indertijd overgeschilderd en weer foutief opgehaald; de heele stijl, de woorden en hun spelling, dat Druckses voor 
Truchsess lijkt mij verdacht? Zou het opschrift ook niet met een jaartal indertijd begonnen zijn, in plaats dat het nu 
met „Starb'* zoo met de deur in huis valt. Eindelijk de voorstelling. Zou de familie Truchsess van Rein velden ver- 
maagschapt zijn geweest aan de Rijkbvelt's, en zoo weer aan Mechtelt toe Boecop? Hoe komt het anders in het bezit 
van de R. K. gemeente te Kampen? 



208 VIER KAMPER SCHILDERS. 

De Ridder heeft een kostuum van + 1560 (o. a. zijn broekuitsteeksel uit den tijd 
van Philips II); vooral dit portret is uitstekend geslaagd. 

Dat we een Mechtelt toe Boecop voor ons hebben, is zeker; Johannes is zeer 
toe Boecop-achtig. De behandeling is volkomen dezelfde: vleesch goed degelijk van 
verf, witte deelen en lichtdeelen zéér degelijk van ver^ alles met flinken groven borstel. 
Zwarte deelen in verfrelief; donkergroen en vooral geel zéér zwaar van email, dat de 
plooilijnen van gewaden volgt Vleesch nog al ineengewerkt. 

Aan het schoorsteenstuk van pastoor VERHOEVEN sluit zich onmiddelijk een schil- 
derij van het Bisschoppelijk Museum te Haarlem aan. In den niet onverdienstelijken 
katalogus van 1881 is het no. 239: 

De zegening van Jacob. Paneel. Br. 1,70. H. 1,10 M. ^) 

Jacou geknield op den grond, houdende in zijn linkerhand een schotel met wildbraad; 
hij knielt bij zijn vader ISAAC, die met een ontbloot bovenlijf op een rustbed half is opge- 
rezen. Achter Jacob zijn moeder Rebekka, ook geknield, haar rechter op Jacob's rechter- 
schouder houdend. Zij zijn in een soort voorhuis, met rechts en links doorzichten in een tuin- 

Gejaarmerkt middenin bovenaan: 1568. 

We hebben hier dezelfde opvatting als van het genoemde schoorsteenstuk. Vooral 
Jacob en Rebekka hebben het volkomen toe Boecop-type, evenals het Koloriet ook 
volkomen overeenstemt. In 't algemeen is de verf niet zoo dik als anders ; donkere deelen 
zijn over 't geheel zeer ijl; vleesch degelijk met groven borstel tot glad ineengewerkt, 
waarop dan weer wat meer verf op lichtplekjes. Het landschap in doorzicht goed breed 
van behandeling, grauw groen. 

In hetzelfde Museum is een ander schilderij dat zeer wel een Mechtelt TOE 
Boecop zou kunnen wezen, n 1. no. 270, maar helaas zóó ongunstig gehangen, dat elke 
degelijke studie en dus ook elk degelijk oordeel niet mogelijk is. Het is een: 

Aanbidding der Herders. Doek. Br. 1,14. H. 0,88 M. 

Ook dit is zeer in den geest van het Kamper schoorsteenstuk; zeer merkwaardig 
is de oude-vrouwekop rechts geheel als de vrouwekop, die voorkomt op den Maerten 
VAN Heemskerck no. 94 van het Haarlemmer gemeentemuseum. Bij de reeds gemaakte 
opmerkingen omtrent den invloed door dezen op MECHTELT TOE BOECOP uitgeoefend, 
kan men hierin een versterking van mijn vermoeden vinden"). 



') De schenker van dit stuk, de Zecreenvaarde liccr Gompertz, pastoor te Fcijcnoord, kon mij geen inlichtingen 
geven omtrent dii schilderij. Hij had het een jaar of tien geleden te Amsterdam van een kunstkooper gekocht. 

-) Ten slotte wilde ik nog de aandacht vestigen op een pa;ir schilderijen, al is het pro memorie. De memorietafc 
voor twee duit^che hoj^lieden van 1574 in het gemeentemuseum te Haarlem (No 217) verraadt in de behandeling der 
beide portretten sterke overeenkomst met het portret van ridder Josepu Tkiciiskss vdn Reinfelden in de behandeldo 
memorietafel van pastoor Verhoeven door Mechteld toe IBoecüp. 

N". iro van datzelfde Haarlemmer gemeentemuseum is verder een zeer zonderling stuk; het heeft in opvatting iets 
zéér sto:k Tur: I*.üECOi»-achtigs. Nu staat het op den inventaris der Commandery goederen van 1606 als geschilderd door 
Mr. LiCA.sscl.ilder. zoon van Cornelis Wili.emsz, welke nog in 1562 leefde. 

Die C\>iiNKi.i.s WiLLEMsz nu, de leermeester van Jan van Scorel en Maektkn van Hlgmsueuck had iwce 



/• 



VIER KAMPER SCHILDERS. 209 

Zoo vonden we dan van Mechtelt TOE BoECOP één stuk, misschien haar mees- 
terstuk, van 1547, één van 1568, één van 1572, één van 1574, verder twee zonder jaartal 
of iets, en één dat haar met veel recht ook schijnt toegeschreven te mogen worden. ^) 

We zagen hoe zij, in 't eerst sterk onder den invloed van Jan VAN SCOREL, 
allengs tegen 1568 zich een eigen manier wist te vinden, welke onmiskenbaar realistisch 
van opvatting allen lof van kunstvaardige oorspronkelijkheid erlangen moet, en hoe zij 
in de laatste jaren (waarschijnlijk ten minste) van haar loopbaan weer sterken invloed 
ging ondervinden van Maerten van Heemskerck, aan wien ze vroeger ook niet geheel 
vreemd was gebleven. 

Moge het gelukken eens een arbeid van haar dochter CORNELIA aan te wijzen, en 
haar eigen geboorte- en sterfjaar na te vorschen en te vinden! 



zonen Lucas Cornelisz en Floris Cornelisz, welke goede schilders waren en een reis naar Rome en elders gemaakt 
hadden (van Mander). 

CoRKEUS WiLLEMSZ de schilder (wel te onderscheiden van Cornelis Willemsz den goudsmid, ook Cornelis 
WiLLEUS DORKN genoemd, en in 1579 en 1592 bij v. d. Willigen genoemd), treft men bij v. d. Willigen: Les artistes 
de Harlem, aan in 1481, 148a, 1515, 1523 1529, 1536, 1540, 1541, 1552. De konjektuur van H. Hymavs in zijn vertaalden 
C. VAN Mander (Paris, Librairie de r Art, 1884 en 1885) als zou Cornelis Willemsz. (I, 362, 2e. noot) in Juli 1551 
genoemd zijn onder de schilders te Delft in Obreen IV, blz- 283, vervalt daarmee als ongegrond; hij zag over 't hoofd 
dat CoRNEUS Willemsz in 1540 niet ^Sa maison" maar ^U/u maison*' verkoopt, en dat hij nog in 1541 en 1552 genoemd 
wordt te Haarlem. Het huis dat hij in 1540 verkocht, werd door hem namelijk als executeur-testamentair van den over- 
leden schilder Pibter Gerritsz onder den hamer gebracht (v. d. Wilugen blz. 46), terwijl hij in 1541 van diens heele 
nalatenschap opvolgings-rechten betaalde (v. D. Willigen, blz 57). 

Op het eerste gezicht dan van No. 119 van het Haarlemmer gemeentemuseum, een laatste avondmaal voorstellend, 
trof mij onmiddelijk de overeenkomst met de opvatting van Mechtelt toe Boecop, en dacht ik dadelijk aan een moge- 
lijken leerling van haar. Nu vonden we te voren in Kampen genoemd een „Lucas, die sone Cornelij Malers*' welke 
dus ook 'Lucas Cornelisz heette, wellicht Lucas Cornelisz Maler of Meeler. Om echter iemand die alleen in 1 557 
en 1558 genoemd wordt als tooneelspeler in een Paaschnacht-passiespel, tot schilder te promoveeren, is, ik erken het, wel 
wat avontuurlijk. 

Overigens kon op een inventaris van 1606 gemakkelijk een verwisseling hebben plaats gehad tusschen een Lucas 
Cornelisz van Kamper en Lucas Cornelisz, den zoon van den in Haarlem algemeen in heugenis voortlevenden 
Cornelis Willemsz. Zouden Mechtelt toe Boecop en Lucas Cornelis van Haarlem (als dit werkelijk de schilder 
van No. 1Z9 is) dan misschien bij één en denzelfden ter schole zijn g^aan, waaruit hun overeenkomst in opvatting? 

Hoe het zij, ik wijs nog slechts op een plaats van Kramm, waar hij een schilder katalogisecrt : Lucas ( ); en 

van hem aanhaalt: „Item gecoft van Lucas, die schilder, een groot tafereel, daarin geschilderd is Den berch van Thabor 
ende staet voor Goert var Voorts autaer, zoodat gebroocken was (dus een diptiek of triptiek?), ende daervoor 18 
gulden, daerop betaald bij Fred. Royenbürch. 12 gulden, blijft der kerck uitgeven van desen 6 gulden". — Rekening van 
de Buurtkerk, 1567—1568, bij Dodt, Archief. Vle. deel blz. 815. De tijd komt prachtig overeen ; dat die schilder Lucas 
toen in Utrecht vertoefde, is merkwaardig. 

1) Waar zouden de eigenhandige portretten van Mechtelt toe Boecop en haar man Egbert toe Boecop ge- 
bleven zijn, waarvan in het uittreksel uit Joh. van Beverwijck gesproken wordt? 




27 



REM BRANDT, 

NIEUWE BIJDRAGEN TOT ZIJNE LEVENSGESCHIEDENIS 



DOOR 
A. BREDIÜS en MR. N. DE ROEVER. 



^^ 



ET is nog niet zoo lang geleden, dat van een zijde, waarvan 
men dit het minst zoude venvachten, schouderophalend over 
sommige resultaten van archieven-onderzoek gesprokea werd,' 
, en schertsend de wijze beoordeeld, waarop die resultaten door 
„eene zekere richting" werden verwerkt. 

Zonder in het minst de handschoen op te nemen voor 
k degenen, die meenen mochten hiermede bedoeld te zijn, achten 
wij het toch wenschelijk het standpunt aan te wijzen dat de 
' redactie van Oud-I/olland inneemt, tegenover degenen, die lachen 
over de nauwkeurigheid waarmede door de lieden van die „zekere richting" elk kl«n 
steentje wordt gebruikt. 

Het komt ons voor, dat zij die dit afkeuren, over het hoofd hebben gfezien zich 
te vergewissen, of zoodanige kleinigheden breed worden uitgemeten en als zaken van 
beteekenis den volke worden verkondigd, dan wel of zij dienen tot aanvulling of tot beter 
verstand van het behandelde onderwerp. Het eerste, dat slechts tot kleingreestige bekrom- 
penheid kan leiden, verdient inderdaad geene aanbeveling. De groote blik op het verleden. 




REMBRANDT. 211 

die ieder historicus zich moet trachten te verwerven, wordt ongetwijfeld door zulk een 
in 't licht brengen van kleinigheden meer beneveld dan opgehelderd. Maar wat het 
andere aangaat, meenen wij, dat men, om een juisten blik op een persoon of een zaak te 
verkrijgen, niet nalatig mag blijven, om op die kleinigheden te letten. En wie er oplet, 
er zich van bedient, doet wijs ze te vermelden, omdat in het verband, waarin hij ze 
gebruikt, iedere kleinigheid een bewijsplaats is geworden, waarmede degene, die hem zou 
willen nawerken — misschien op de vingers tikken — rekening te houden heeft. Zeker, 
ook bij deze wijze van werken, en bij deze wellicht meer dan bij eenige andere, 
loopt men gevaar zich in die kleinigheden te verloopen, en dus zijn doel voorbij te streven, 
maar het behoort ook juist tot de moeielijke taak van hem, die bij dagelijksche archieven- 
studie slechts de talrijke onbekende gegevens, die hij ontmoet, heeft op te teekenen, om 
met kritiek zijne gegevens te ordenen en te schiften, opdat alleen dkt tot zijn recht kome, 
wat daarop aanspraak heeft. 

Ieder onderdeel der geschiedkundige wetenschap gaat gebukt onder een last van onjuist- 
heden en overgeleverde dwalingen. Het archief is de toetssteen waarop deze alle moeten 
worden gelegd, om het onzuivere te herkennen, evenals de kritiek het uitsluitend is voor die 
onderdeelen, waarin, om welke reden dan ook, het archieven-onderzoek niet meer mogelijk is. 
De archievenvorscher kan alzoo zuiverend optreden en in vele gevallen kan hij uit zijne 
gegevens weder opbouwen, wat in den loop der tijden in het vergeetboek geraakte. Wie 
er naar streeft dit te doen op eene wijze, dat men later zijn arbeid niet meer hebbe te 
herzien, zal naar eene volledigheid trachten, die alleen bereikbaar is door het gebruik 
maken ook van de kleinste gegevens. Want het beeld dat hij zich voornam den lezer 
voor oogen te stellen zal duidelijker zijn naar mate er minder geledingen aan ontbreken. 
En daardoor alleen zal hij latere gelukkiger onderzoekers tal van punten van aanknooping 
verstrekt hebben, waardoor deze in staat zullen worden gesteld aan te vullen, wat er onvol- 
ledigs in zijn arbeid overgebleven was. 

Waar de kleine gegevens nuttig en noodig zijn om te bezigen, zeker niet het minst 
in de biografie, hetzij de levensbeschrijver zuiverend of opbouwend moet te werk gaan. 
Biografische arbeid loopt daarom allereerst gevaar van bekeken te worden door den bril 
dergenen, die zich niet voelen aangetrokken tot een minutieus archieven-onderzoek, dat, 
het is waar, in den regel slechts den uitwendigen mensch en de omstandigheden waar- 
onder hij verkeerde kan leeren kennen. Maar deze zijn vaak van zoo onberekenbaren 
invloed op het menschelijk doen en laten, dat men verkeerd zou handelen er geen aandacht 
aan te schenken. 

Over het algemeen stelt men levendig belang in de levensgeschiedenis van sommige ^ 

groote mannen, wier persoonlijkheid onze sympathie heeft en verdient ledere bijdrage 

tot meerdere kennis van hunne levensomstandigheden, van den kring, waarin zij zich 

bewogen, treft ons, stelt ons in staat met meer juistheid hun beeld te schetsen. Zal 

zulk een beeld afwijkende zijn van het traditioneele, zal de aureool vallen van het beeld 

27* 






212 REMBRANDT. 

van den een, rijzen achter 't beeld van den ander, wij hebben er ons slechts over te 
verheugen, omdat het daarmede dichter zal zijn bij de waarheid, die het streven en het 
einde van ieder onderzoek moet zijn. 

Hieraan gedachtig hebben wij niet geaarzeld, alles over onzen grootsten vaxier- 
landschen kunstenaar mede te deelen, wat de archieven ons nog omtrent zijn leven 
konden melden. 

Het licht der waarheid kan de nobele figuur van REMBRANDT niet schaden. 

Zijne schim behoeft „het starcke light" niet te schuwen, dat hij zoo noodig rekende 
voor zijn gulden schilderproeven, en dat wij onbeschropmd op zijn pad mogen laten schijnen. 

REMBRANDT komt ons * nader en wordt ons dierbaarder met elke nieuwe levens- 
bijzonderheid, die wij van hem te weten komen. 

Wij zouden wenschen de gegevens over Rembrandts leven zoodanig oi>een te 
stapelen, dat op den grond daarvan eene geheel nieuwe levensgeschiedenis zou kunnen 
worden opgetrokken. Doch er is, hoe veel ook te vinden moge zijn, zooveel door onacht- 
zaamheid^ moedwil of toeval verloren geraakt, dat het moeielijk, zoo niet ondoenlijk zal 
blijken, om hiermede eene begeerlijke volledigheid te bereiken. Daarom vooral moeten 
wij woekeren met bizonderheden waarvan een ander wellicht de waarde en de beteekenis 
op den eersten aanblik niet gevoelt. 

De critiek behoede ons daarbij voor het wichtig maken van nietigheden. 



Wij bieden hierbij onzen lezers weer eenige nieuwe bijzonderheden betreflende 
Rembrandt's leven aan, verzeld slechts van eene korte commentaar, dienende om het 
verband van het nieuwe met het reeds bekende aan te toonen. 

De eerste acte, die we hier vermelden kunnen, is dddrom vooral belangrijk, omdat 
zij ons tamelijk nauwkeurig het oogenblik helpt bepalen, waarop Rembrandt zich voor 
goed te Amsterdam vestigde. Orlers, (en na hem alle andere REMBRANDT-biografen,) 
bericht, dat REMBRANDT „omtrent den jare 1630'' naar Amsterdam vertrok, i) Dr. W. BODE, 
die REMBRANDTS leven zooveel mogelijk ook uit zijne werken samenstelde, haalt in zijne 
voortreffelijke ^^Studiëti' den volzin van Orlers aan, maar voegt er bij: „Ich glaube, wir 
„können diesen Zeitpunkt aus den Gemalden des Künstlers noch naher bestimmen und 
„werden ihn danach etwas spater legen mussen als Orlers angiebt. Bis zum Jahre 1630 
,,und aus diesem Jahre kommen noch keine auf Bestellung gemalte Bildnisse von Rembrandt^s 
v,Hand vor; alle mir bekannten Portraits dieser zeit sind Studiënköpfe der verschiedensten 



1) Orlers: blz. 375. Dewijle zijne Konst en arbeyt de Borgeren cnde Inwoonderen van Amsterdammetenhoochsten 
behaechde en aengenaem was, ende dat hij veeltijden versocht werde, omme 't zij conterfeytselen ofte andere stocken 
aldaer te maecken, zoo heeft hij goetghevonden, hem van Leyden te transporteren naer Amstcrdamme; ende is dienvol- 
ghende van hier vertrocken ontrent den Jaere 1630 ende zijne woninghe aldaer ghenomen ende is in den 
Jaere 1641 aldaer noch woonende. 



REMBRANDT. 218 

„Art. lm Jahre 163 1 begegnen uns bereits einige wenige eigentliche Bildnisse, Personen 
„von Stande, die der Künstler offenbar schon auf Bestellung malte, daninter bereits ein 
„Amsterdamer, sein spaterer Freund der Schreibmeister Coppenol. Erst aus dem fol- 
„genden Jahré 1632 datirt eine so betrachtHche Anzahl von Bildnissen, darunter verschiedene 
„bekannte Persönlichkeiten von Amsterdam, dass wir ihm damals, wie in den beiden 
„folgenden Jaren wesentlich als Bildnissmaler, als den Modeportraitmaler der Amsterdamer 

„Burger bezeichnen dürfen. Wenn nun die Angabe von Orlers richtig ist, dass 

„Rembrandt anfangs yon Leiden aus vielfach zu Portraitsitzungen nach Amsterdam 
„berufen und schliesslich dadurch mit zur Uebersiedelung veranlasst wurde, so dürfen 
„wir wohl seine wenigen von 163 1 datirten Bildnisse noch in die Zeit seines Aufenthaltes 
„in Leyden, seine Uebersiedelung aber gegen das Ende dieses Jahres oder 
„in den Anfang des Jahres 1632 setzen, jedenfalls aber nicht spater." 
Wij drukken hier deze geheele beschouwing van den scherpzinnigen Berlijnschen kunstge- 
leerde af, omdat wij hem de groote voldoening kunnen schenken, met een document de 
volkomen gegrondheid dezer veronderstelling aan te toonen. 

Inderdaad woonde Rembrandt in 163 1 nog te Leiden. Zijne bezoeken, aan 
Amsterdam gebracht, schijnen vóór dien tijd slechts van korten duur geweest te zijn 
Hij kwam toen waarschijnlijk bij zijnen kunstvriend Hendrick VAN Ulenborch in 
huis, waar hij ook nog eenige jaren later zijn atelier schijnt te hebben gehad i). Ulenborch 
was niet alleen schilder maar ook kunsthandelaar, even als later zijn zoon Gerrit 
UylENBURGH. Hij werd dikwijls als taxateur gebruikt, om de waarde van schilderijen 
in aanzienlijke nalatenschappen te bepalen; meestal met zijn kunstbroeder LuCAS LUCE 

Hier volge de bedoelde acte: 

Op huyden den 20 Juny 1631 compareerde voor mij Geerloff Jellisz 

Selden, openbaar Notaris Hendrick Ulenburch, Cunsthandelaer, en 

bekende wel en deuchdelijck schuldich te wesen aen Rembrandt Harmensz, 
wonende tot Leyden off aen toonder deses, de som van tienhondert 
guldens ter cause van geleende penningen bij den voorsz. Hendr. VAN 
Ulenburch van den voorn. Rembrant tot zijn contentement ontfangen, welver- 
staende off de voorsz, Rembrant de voorn, som over een jaer begeerde affgedaen 
te hebben, dat hij alsdan gehouden zal zijn, den voorn, van Ulenburch drie 
maenden voor den tijd daervan te waarschuwen «). Enz. 

Hij teekent: 




1) Ten minste sa Febr. 1635, toen Rembrandt op de Auctie van Someren een aantal teekeningen, o. a. van 
Brouwer, kocht, plaatste de schrijver der Weeskamer achter den naam des koopers: Jfemdrandt van Rijn tot Hendrick 
UyUnburch, 

*) Prot. Not G. J. Selden. Amsterdam. 



214 R E M B R A N D T. 

Rembrandt knoopte reeds vroeg betrekkingen aan met allerlei kunstkoopers en kunst- 
verzamelaars, en toen hij zoo spoedig in Amsterdam tot de gevierdste kunstenaars gerekend 
werd en aanzienlijke sommen voor zijne gewrochten ontving, begon hij zelf weldra zijne 
woning te vullen met kunstwerken van allerlei aard. In een groot „Rekenboeck'* van den 
advocaat Troyanus de Magistris, een aanzienlijk Amsterdamsch kunstvriend, berus- 
tende in het Archief van het Beggijnhof komt onder den „Ontfang" fol. 3 verso het vol- 
gende voor: 

„Noch ontvangen den 8 October 1637 door mijn vrou van Sr. REüIBRANT, 
„schilder, vierhondert vier en twintich gulden, thien stuyvers, acht penningen over 
„den koop van een schilderij van Leander en Hero bij RiBBENS gedaen, dewelcke 
„ick tot onderpant hadde. i)" segge ƒ 424- 10- 8. 

Onder „Uytgeef vindt men in hetzelfde „Reeckenboeck", fol. 4: 



Noch den 7 October 1637 gegeven aen Jan JANSZ. Uyl »), om te gaen sitten 
op de vercoopinge van sijne schilderije metRjEMBRANTéénrijcxdaelder ƒ 2 - 10 -O. 



11 



Wij willen wel bekennen, dat deze beide posten een eenigszins anderen indruk van 
den vermogenstoestand van den meester geven, dan de bekende verklaring van 1638, waarin 
gezegd werd, dat hij „ex superabundanti in 'tgoet" zat, doet veronderstellen. 

Reeds vóór 1637 had hij geld moeten leenen. Wij willen het gunstigste geval 
aannemen, dat hij dit geld had opgenomen, om het stuk van RüBBENS te koopen, en het er 
voor houden, dat hij zich in het dagelijksche leven niet behoefde te bekrimpen, maar 
dan bewijst het nog immer, dat hij toen reeds niet ruim genoeg bij kas was, om, als hij 
als een voorzichtig man gehandeld had, zich buitengewone uitgaven te veroorloven. Maar zijn 
kooplust zal hem hebben verleid tot het doen van uitgaven boven zijn middelen, en terwijl 
hij zijn huis vulde met allerlei schatten van zeldzaamheid en kunst, die een ieder — ook 
den verslaggever van 1638 — in de meening bracht, dat de ongetwijfeld gulle kunste- 
naar een vorstelijk fortuin moest bezitten, verminderde de ruimte van geld in de geldkist. 

De uitgaaf-post is minder begrijpelijk. 

Was Rembrandt met den Uyl samen naar de verkooping gegaan, en was het 
tweetal daarvoor door den kunstminnaar beloond met een rijksdaalder.? Dan zou deze post 
zeker het bewijs leveren, dat REMBRANDT ook de kleine verdiensten niet versmaadde. Of 
beteekent het wellicht, dat onze meester als raadsman van den met een rijksdaalder betaalden 
DEN Uyl mede naar de veiling ging? Dfe eerste opvatting schijnt ons de meest aannemelijke. 

Daarmede is zijn verzoek aan HUYGENS (1639) om betaling van de aan den Prins 
geleverde schilderijen best te vereenigen. 



1) Zic over deze schilderij Oud-Holland III, bl. 94. 

s) Zie over dezen, in zijn tijd zeer vermaarden schilder, Bijlage B. 



REMBRANDT. 215 

Iemand, die van zijn verdiensten leeft, en deze grootendeels aan allerlei kostbare zaken 
besteedt, daarbij op onbekrompen voet huishoudt, moet tijden kennen van dadelijke geld- 
verlegenheid, waarin hij genoodzaakt is op de kleintjes te letten en maanbrieven te schrijven. 

Voor deze opvatting omtrent Rembrandts vermogenstoestand nog bij het leven van 
Saskia pleiten ook de voorwaarden, waarop hij in 1639 het huis op de St. Anthonis- 
breestraat kocht. 

In Januari van dat jaar woonde hij nog op den Binnen- Amstel inde Suikerbakkerij. 
In 1642, Saskias sterQaar, wordt de Jodenbreestraat als zijn woonplaats gemeld, doch 
wij wisten tot dusverre niet waar die woning gelegen was. Twee huizen immers op den 
St. Anthonisbreestraat dingen om d^ eer van Rembrandts woning te zijn geweest, en het 
huis buiten de St. Anthonissluis, waar wij zeker weten dat hij gewoond heeft, werd hem eerst 
in 1653 voor schepenen opgedragen, zoodat het den schijnheeft of hij dit toen eerst betrok. 

De volgende acte leert ons, dat de van Rhijns reeds in Mei 1639 van den Binnen- 
Amstel verhuisden en naar dit op de Breestraat gelegen huis trokken. 

5 January 1639. ^^ manieren naevolgende bekennen Sr. Christoffel 
Thijsz en P*. Beltens, te samen eenige erffgenamen van za. P'. Beltens, vercoft, 
en bekent Sr. Rembrant Harmansz gecoft te hebben een huys en erve aen de 
Suytzijde van de Breestraet, wesende het tweede huys buytenwaarts van de St 
Toonis-sluys, belent aen de Oostsijde Sal VADOOR RODRIGES en aan de Westsijde 

NiCOLAES Elias, streckende voor van 's Heeren straten tot aen 

kistemaecker. Voorts in allen schijn als tselve vercofte aldaer tusschen de voorsz. 
belenden beheint, betimmert, bemuyert en bepaelt staet off leyt, wesende vrij en 
onbelast, mitsgaders als de oude opdrachtbrieven inhouden en vermelden, daerna 
de cooper hem sall reguleren. De cooper sall de possessie aenvaerden op Meije 
deses jaers XVI^ negen en dertich, als wanneer partijen malcanderen sullen be- 
hoorlijck brieven verlijden. Ende dit voor de somme van dertien duysent gulden, 
van 20 st. tstuck. Te betalen bij de aenvaerdinge 1200 gulden^ 1° November 
daeraen gelijcke 1200 gulden, en Mey XVI^ veertich f 850. — , maeckende de 
voorsz. drije partijen tsamen een gerecht vierdepart van de gemelde geheele coop- 
penningen. De naevolgende drije vierdepaarten sullen moogen bij den Cooper be- 
taelt werden in vijff off ses jaren nae sijn believen, doch mits betalende van deze 
tijt aff interesten tegens vijff ten hondert telckens van de ondergehouden penningen. 
Welverstaende mede, dat hem vrij sall staen de terminen soo groot en soo veel 
corter te maecken, nae sijn goetvinden. Belovende enz. 

Des ten oorconden get. Amstelredam den S'** Januarij 1639 ^). 

( Was get.) Christoffel Thijs voor hem ende 

voor PiETER Beltten, Sijn swager. 



\^y^V^^v^^ -^^^ 



*) Prot. Not. S. V. D. Piet, Amsterdam. 



216 REMBRANDT. 

Deze voorwaarden bevestigen dat Rembrandt op dit oogénblik geen kapitaal 
Hij rekende ^r op den niet onaanzienlijken koopsom van 13000 gl. bij jaSEirlijksche 
mijnen, dus van zijne verdiensten af te lossen. Aan ruime inkomsten schijnt het hem 
niet te hebben ontbroken en — optimist als hij was — hij vertrouwde, dat daasiii 
in de eerste jaren geene verandering zou komen. Maar hij had de toekomst ¥irat al te 
rooskleurig ingezien. Niet voor den eersten tijd, want de koopsom werd tot iets minder 
dan de helft afbetaald, maar van dè geheele betaling in den loop van „vijff of zes jaeren' 
naer sijn believen" kwam niets, en van de bevoegdheid om dat zooveel spoediger te doen 
of in zooveel grooter sommen kon de meester blijkbaar geen gebruik maken. Ja, daar 
kwam een tijd, slechts een paar jaren nadat REMBRANDT op aandringen der verwanten 
een staat van zijn boedel opgemaakt had (1647), dat hij niet meer de rente betaalde van 
het nog verschuldigde deel van den koopsom^ en dat zijn huisheer voor hem de belastinif 
moest aanzuiveren. 

Dit kon slechts voor een paar jaren goed gaan. Op den duur moest het den niet 
weinig inschikkelijken huisheer verdrieten. Wij zien hem zijne ^ rekening opmaken in 
dezer voege: 

S' Rembrandt Hermansz van Rijn is schuldich over cooppenningen van 

't huys hem vercoft Gul. 7ocx> — O 

I Febr. 1653, Voor dry jaren en dry maenden verschenen intres van 

gemelde seevenduysent gulden h, $ ten hondert „ II 37 — lO 

voor het geene sijnentwege heb wtgestreckt: 

den halven 40»* penning betaelt 162 — 10 

den halven 8o«° penn: 81 — 5 

voor Stats- en Secretaryes ongelden 3 — 3 

noch over reste van 8" penning voor de jaeren 165 1, 1652 betaelt 86 — 8 „ 333 — 6 

Guldens 8470 — 16 
segge achtduysent vierhondert seeventich gulden 16 stuyvers. 

is-et.) Christoffel Thijs. 

en haar bij notarieel exploit brengen in handen van den nalatigen betaler: 

4 February 1653 heb ick Notaris, wtten name van Sr. CHRISTOFFEL Thijs^ 
mij vindende aen Sr. Rembrant Harmansz van Rhijn d'selve presenterende een 
reeckening soo van 't capitael der kooppenningen sijns huys als interesten van 
dien, onderteeckent bij de insinuant, dien volgende van deselve VAN Rhijn versocht 
prompte betalinge nopende ƒ 8470 — 16: met aenseggen, dat daernevens overgelevcrt 
sall werden de besegelde opdracht- off quytschelding-brieff van overlang gereet 
gehouden, en in gevalle van langer treynement geprotesteert wegens seer hoc^e 
oorsaecken tot het gebruyck van sulcke middelen als geraden sullen sijn, met 
voornemen mede, om alle de kosten en vordere interessen, item schade aen U£« 
te verhalen. 

't Welk gehoort bij de voorsz. geïnsinueerde met weygering van de reeclce* 
ning aen te nemen gaff ten antwoort, eerst de opdrachtbrieff te moeten hebben 
aleer vorder yets soude betalen. Actum enz. ^) 



O Prot. Not. S. VAN DER Piet, Amsterdam. 



REMBRANDT. 217 

Dit antwoord is te duidelijk een uitvlucht, om zijne geldverlegenheid te verbloemen, 
dan dat men in de verleiding aou komen er een juridisch punt van verschil in te zoeken. 
De kwijtschelding, waarop Thijsz aandrong, had eerst na kwijting plaats of gaf althans 
zekerheid voor het niet contant betaalde deel der koopsom, eene zekerheid die, na eene niet 
officiëele overdracht als de hier aangehaalde, op even losse schroeven stond als RÉtkfBRANDTS 
eigendomrecht op het huis, waarvan hij de bezegelde brieven niet zou hebben kunnen 
vertoonen. Maar de kunstenaar had met een fatsoenlijk man te doen. En deze zag 
blijkbaar Rembrandt voor niets minder aan. Ware dit niet zoo geweest dan zoü Thijsz 
geen dertien jaren hebben gewacht eer hij hem bij exploit om betaling aansprak. Doch 
de geduldigste schiet ten slotte in geduld te kort. 

Wilde Rembrandt zijn huis behouden dan moest er nu geld zijn, om Thijsz te 
betalen. Bijna een jaar lang kon hij de zaak uitstellen, omdat hij misschien moeite had om 
geldschieters te vinden. Inmiddels was zijn schuld door de rente opgeloopen tot bijna 
/ 9000. Toen verstrekten hem de Heeren Witsen en v. Hertsbeek samen ƒ8400, maar 
daarmede was het niet te doen. Een klein saldo bleefREMBRANDTdenverkooper schuldig. 
In December 1653, toen onze kunstenaar het nog niet had afgedaan, koos Thijsz het 
zekere voor het onzekere en liet REMBRANDT een hypotheekje tot een bedrag van ii/ogl. 
ten zijnen behoeve op het huis passeeren. 

De wisseling van crediteuren was, gelijk wij weten, Rembrandt's ongeluk. WiTSEN 
en Hertsbeek waren, toen de rentebetaling uitbleef, niet zoo geduldig als Thijsz. 

Wat men tot dusverre uit den opdrachtsbrief van het huis meende te bewijzen, 
dat Rembrandt nog in 1653 in goeden doen verkeerde, blijkt thans het geval niet te zijn. 

De opdracht was een gedwongen fraaiigheid geweest. 



Keeren wij thans weder eenige jaren terug. 

In 1637 vinden we REMBRANDT herhaaldelijk op kunstveilingen, waar hij schilde- 
rijen, prenten, horens, kokieljes enz. kocht. ^). Soms zond hij er een leerling op af; zoo 
in Maart 1637 op de veiling van den schilder PlETER BasséE. Daar was het de tot nu toe 
geheel onbekende Leendert Corneliszs), die o. a. voor ƒ 637- 10 -o een kunstboek van 
Lucas van Leyden voor zijn meester kocht. Toen verkeerde Rembrandt nog in zijn 
goede dagen, en het kon onzen kunstenaar niet moeielijk vallen geld te verdienen. Hij 
kreeg belangrijke bestellingen, portretten van aanzienlijken, die gewoonlijk met / 500. — 



1) Erfh. Weeskamer. 

3) Zie Bijlage C. Leendert Corxelisz van Beijeren. 

28 



:* 






r 



218 REMBRANDT. 



■ % 



het stuk 1) betaald werden. Daarbij kwam nog nu en dan een erfenisje. De hier 
volgende machtiging, om eene erfenis van zijne vrouw's tante en naamgeooóte SajSKSÏ 
VAN Uylenburgh, te Leeuwarden te ontvangen, is vooral d^iirom merkwaardige omdat" 
Fêrdinand Bol haar als getuige teekende. Of hij toen nog leerling van REMBRANDT 
was, dan 'wel of hij hem als vriend daarbij ter zijde stond, kunnen wij niet zeggen. 

In ieder geval levert zij het tot dusverre nog ontbrekende bewijs, dat BOL zich 
reeds in 1640 hier ter stede bevond. 

30 Augustus 1640 compareerde d'eersame Sr. REMBRANDT VAN RijN, burger 

deser stede, ende verclaerde machtigh gemaeckt te hebben Doctor 

Casparus van Campen, Advocaet voor den Ed. Hove van Vrieslant, omme uyt. . . 
sijnen name te eyschen... van de erfgenamen van za: Saske van Uylenburgh, 
zijne comparants huysvrouwen moeye was, tot Leeuwarden overleden, sodanighe 
somme van penningen als zijne comparants voorsz. huys vrouwe bij Testamente van 
de voorsz. Saske van UylenbüRGH is gelegateert, ende bij de voorsz. erfgenamen 
gedetineert wert, metten intereste van 't voorsz. legaet tsedert den sterfdagh van 
de voorsz. VAN UYLENBURGH. Enz. 

Getuigen Ferdinandus Bol en Herke Ibbeler, schoenmakersgezel •). 

{Was ^eL): Rembrandt van Rijn. 



^ 



^enJ^is ^^ 



Niet lang daarna vinden we REMBRANDT te Leiden, om den boedel zijner om- 
streeks September of October 1640 overleden moeder te regelen. Zijn erfdeel was 
niet groot; toch was f 2490. — toen een heel wat belangrijker som dan* thans! 
Onder de stukken, die REMBRANDT voor zich uit den inboedel uitzocht, bevond 
zich wellicht haar beeldtenis, of het een of ander schilderijtje, in zijn studietijd te 
Leiden vervaardigd. Bij al die beredderingen te Leiden, vinden we REMBRANDT als de 
aanzienlijkste der vier kinderen optredend. Van de verdeeling van het huisraad werd 
o. a. door hem een lijstje opgemaakt. Zijn oudere broeder Adriaen, de molenaar, zijn 
jongere broeder Willem, de koornkooper, mogen welgestelde lieden zijn geweest, toch 
zullen zij met zekere bewondering tot hunnen beroemden broeder uit Amsterdam hebben 
opgezien, die hen van zijne talrijke bestellingen, van zijn omgang met aanzienlijke of 
vermaarde personen, van zijne vele leerlingen, van zijne geliefde Saskia verhaalde. 

Ja, in 1640, was de zon van voorspoed en geluk nog niet geheel verduisterd. 



1) Zie Oud'Holland III, p. 92—93. 
') Prot. Not. A. LOEPS. Amsterdam. 



I 



4 



I 

I 



REMBRANDT. 219 

Maar anderhalf jaar kter stond de zwaar beproefde echtgenoot aan het graf zijner teeder 
beminde gade; zij werd in de Oude Kerk bijgezet, en kort na de begrafenis kocht Rem- 
BRANDT het graf, waarin zij rustte, 

9 Julii 1642 compareerde Seger Fransz, graeffmaecker van de Oude Kerck 
binnen deser stede, en heeft.... vercocht ende overgedragen mits desen aenREM- 
BRANDT VAN Rhijn, schilder binnen deser voorsz. stede, een enckel graffstede, 
gelegen in de voorn. Oude Kerck onder het Cleyn Orgel, in het Kerckboeck ge- 

teeckent met No hi de vierde laech, en bekende.... betaelt te sijn den lesten 

penningh metten eersten... enz. enz. ^) 

Eerst twintig jaren later toen de nood aan den man was gekomen en hij in een 
heel ander kwartier van de stad was gaan wonen, ontdeed hij zich van de rustplaats van 
Saskia's gebeente. Op den 27 Oct. 1662 compareerde hij voor Pieter van. Veen, 
Notaris te Amsterdam, en droeg aan Pieter van Gerwen, gravenmaker van de Oude 
Kerk, het graf in de Veerkoopers Capel 4^® laag (Kerkboek f*. 78, nieuw 167) over*). 

Onwillekeurig zijn wij hier bij Rembrandt^s naaste verwanten aangeland *). 
" Over hunne vermogenstoestand is reeds door Vosmaer eenig licht verspreid, gelijk 
• die zich bevond op het oogenblik van het overlijden van de moeder. Zij was eenvrouw, 
die er in haar stand nog warmpjes inzat, ofschoon het ons voorkomt, dat de familie nog 
betere dagen had gekend. Vader van Rhijn, of zooals hij en zijn oudste zoon Gerrit 
zich altijd schreven als zij hun toenaam gebruikten: VAN DEN Rhijn, was zeker in de 
buurt waar hij woonde een geëerd burger. In 1605 en nog in 1620 wordt hij genoemd als 
„Heer der gebuurte" of wijkmeester in 't kwartier van de Pellicaanshove, en dat hij ook 
in staat was, om in de betrekking, waarmede het vertrouwen van de stadsregeering hem 
had vereerd, de pen te voeren, wanneer het zou zijn voorgekomen, bewijst de vaste en 
nette handteekening waarmede hij, toen reeds vader over een vijftal kinderen, zijn op 
I Maart 1600 voor den notaris W. VAN OüDEVLiET verleden testament bekrachtigde. Voor 
de welvaart van het gezin pleit voorts het bezit van een eigen graf in de St. Pieterskerk 
bij (Jpn predikstoel, en de klassieke opvoeding, die men meende aan Rembrandt te geven. 
Er heeft een portret bestaan van den ouden van Rhijn, evengoed als er tal van portretten 
van de moeder van REMBRANDT aanwezig zijn, maar't is twijfelachtig of het van 's meesters 
hand is, In den inventaris van Sybout VAN Caerdecamp (23 Februari 1644), een Leide- 
naar, wiens naamgenoot Jan van Caerdecamp in 1654 de weduwe van Adriaen van 
Rhijn geldelijk bijsprong, staat vermeld: „Een out mans tronie synde 't conterieytsel van 
„den Vader van Mr. Rembrandt." 



i) Prot. Not. L. Lamberti. Amsterdam. 

3) Archief Oude Kerk, Bescheyden tot de graven. 

») Zie Bijlage A. 

28 • 



"f ■ • T^ 



220 REMBRANDT. 

Heeft de vader evenzeer al3 de moeder voor den veel belovenden zoon geposeerd^ 
dan is dit in Rembrandt's eerste jaren geschied. Eerst korten tijd geleden deelde de 
heer Haverkorn van Rysewyk in den Spectator mede, dat Herman Gerritsz den 27 April 
1630 in de Pieterskerk te Leiden begraven werd. Als zijne laatste woonplaats staat „bij 
de Wittepoort" geboekt. 

Met de moutmolen schijnt het langzamerhand niet meer voor den wind te zijn 
gegaan. De waarde was in de laatste levensjaren van de moeder, toen Adriaen, die de 
schoenmakerij aankant had gezet, er eigenaar van geworden was, ongeveer een vierde 
achteruit gegaan, hetgeen eene afrekening tusschen de kinderen tengevolge had, die geen 
hoogen dunk geeft van de ruime beurzen der deelgerechtigden. De staat des boedels en 
de scheidingsacte, die wel door Vosmaer gebruikt maar onder de ^pièces justlficatoires" 
niet te vinden zijn, deelen wij hier in extenso, — althans wat de hoofdzaken be- 
treft, — mede. 

„Sommiere Staet . . . van den boedel en goederen van Neeltgen 

WiLLEMSDr. VAN ZUYTBROUCK, wed' van HaRMAN GERRITSZ VAN RHIJN, 

gemaeckt ten verzoucke van eers. Adriaen, Rembrant en Willem Har- 
MANSZ VAN Rhijn ende Elysabeth HARMANSdr. VAN Rhijn, alle vier 
voljaerde kinderen en erfgenamen van de voorsz. NEELTGEN WiLLEMSdr. 

VAN ZUYTBROUCK. 

„De huysinge en erve staende en gelegen in de Weddesteech bij de Witte poort, 
daerinne de voorsz. Neeltge Willems van ZuytbroüCK gewoont heeft en overleden es 
met een achterhuyzinge en plaetse daerbij, bij den Stadts Mr. Metselaer en timmerman 
getaxeert op de somme van ƒ 1800. — 

„Noch een huysinge en erve staende op ten Rhijn bij de Witte poort over de stadts- 
timmerwerff, bewoont wordende bij de voorsz. Adriaen Harmensz, bij de voorsz. per- 
sonen getaxeerd op f 2200. — 

„Nog een huysinge en erve staende op den voorsz. Rhijn, bewoont werdende bij 
Eewout Claesz van Outshoorn, bij de voorsz. personen getaxeert op . . ƒ 1 100. — 

„Noch twee huysgens en heure erven staende en gelegen bezijden den anderen op 
ten voorsz, Rhijn, daervan 't eene bewoont wert bij Jan Pietersz, straetwerker, en 
*t ander bij JACOB den droochscheerder, getaxeert op ƒ 1800. — 

„Noch twee huysgens en heure erven, staende op de binnenplaetse achter de voorsz. 

huysgens, getaxeert op f 325. — 

„Alles blijckende de taxatie voorn, geteyckent October 1640. 



vi. 



REMBRANDT. 221 

„Noch de helfte van een moutmolen, staende op de Vestwalle, bij de Wittepoort, 
daervan de wederhelft Clement Leenertsz Ruys toebehoort, die de voorn. Adriaen 

Harmansz volgens de codicillaire dispositie in coope aenstaen en genieten 

mach, of hem bij scheydinghe doen aendeelen, voor zoodanige somme, als Clement 
Lenertsz zijn helfte gecocht heeft, wesende ƒ 4165. — te betalen met f 600. — gereet 
en met ƒ 3CX). — 's jaers, mits dat de voorsz. Adryaen Harmansz binnen driemaenden 
verclaringe zal moeten doen. ' Ende alsoo hij op ten XXX October 1640 verclaert heeft 
gesint en tevreden te wesen de helfte der voorsz. molen voor de gemelte somme aen te 
staen en hem bij scheidinge te sullen laten aendeelen voor de somme van f 4165. — 
ende alsoo bevonden es deselve contant waerdich te sijn f 3064. — deselve gereduceert 
tegen den penn. zesthien op ronde jaren, alhier gebracht op / 3064. — 

„Noch een thuyn en erve gelegen in Soeterwoude, buyten de Witte poort aen den 
Hoogen Ringdijck ^) groot omtrent 72 roeden met gemeen advijs genomen op f 4CX). — 

Aan Rente brie ven ca / 500. — 

„Wat belangt den huysraet en inboedel des voorsz. boedels, dezelve hebben de 
vier kinderen onder den anderen ten overstaan van Neeltgen PONSEN [prijseerster] bij 
lotinge en anderszins gescheiden, behalve verscheyde partijen, die sij gecoft hebben, 
daervan bij de voorsz. Rembrant van Rhijn notitie gehouden es." 

„Hier voor memorie wert verclaert, dat de voorsz. Adriaen Harmansz. aen zijn 
moeder schuldich is de somme van f 1600. — die deselve volgens uyterste wille van de 
voorsz. zijn moeder betalen moet met / 400. — s' jaers, 't eerste een jaer na haer overlijden." 

Alles samen. . . / 11. 184. — 

SCHULDEN EN LASTEN. 

Eerst / 424.— 

„Nog de somme van / 800. — die Elysabeth Harmansd' van wegen 
heur zal' vaders erffenis en 't geen haer van de voorsz. Neeltgen Willemd', 

heur moeder, by testamente vooruyt gemaeckt es" „ 800. — 

Adryaen Harmansz zal de verpondingen etc. betalen en daarvan af- 
rekening voor zijne broeders en zusters doen. 

Samen. . . „ 1224. — 
/ II. 184 

„ 1.224 



Zoodat er overschiet . . / 9.960 
Waarvan een vierdepart bedraagt / 2490. — 



*) Aan dien dijk woonde tot 1632 Porcellis ! 



222 REMBRANDT. ^ 

Dan volgt de verdeeling: 

Rembrandt zal hebben ƒ 3565. — of contantwaardig f 2464. — en nog het rentgens 
van / 30. — tot Soeterwoude = f 2494. — . Hij zal daartegen / 4.— aan zijne zuster 
Elisabeth uitkeeren. *) 

Ten slotte nog het volgende: 

„En wat belangt de somme van ƒ 1600. — , die Adriaen Harmansz den boedel 
schuldich es, en op 4 jaeren voldaen moet worden, daervan zullen de voorsz. REMBRANDT, 
Willem en Elisabeth Harmans, deelplichtigen in desen, elcx in desen voor henL 
portie van / 100: — s' jaers van de voorsz. Adriaen Harmansz, hun broeder, ontfangen 
en genieten, dus hier van memorie. 

„Alsoo Adriaen Harmansz van Rhijn, om verscheyde goede insichten en con- 
sideratien, mitsgaders tot quytinge van de beloftinge, die hij aen zijne voorsz. zal. moeder 
in heure ziecte dzelve heeft gedacn, nopende de onderhoudinge ende alimentatie van 
dVoorsz. Elysabeth Harmansd' van Rhijn, zijne zuster, alsmede de goede opsichte 
en sorge, die hij aengenomen heeft voor d'selve te zullen dragen, ten overstaen van de 
voorsz. Rembrant en Willem van Rhijn, mitsgaders Dominicüs van der Pluym en 
Adriaen Paets, metteselve Elysabeth Harmansd^ geaccordeert en verdragen es, dat hij 
d'selve zijne zuster bij hem metter woon sal nemen en van eeten en drincken tot heur 
nootelick onderhout versorgen, alsmede van vuyr en licht, mitsgaders heur havenis en gemak 
laten doen nae behooren, zoo' lange geduyrende als dselve Adriaen Harmansz in't leven 
zal zijn. En dat voor de somme van twee hondert guldens s' jaers, daervan dselve Ely- 
sabeth Harmans / 50. — s' jaers zoude genieten tot heur onderhout in cledinghe en 
anders, en de voorsz. Adriaen Harmansz de re§terende ƒ 1 50. — voor de onderhoudinge 
en alimentatie." Enz. Enz. 

Adriaen Harmansz zou daarvoor de rente van haar erfenis genieten, maar dat 
was iets minder dan f 200.^ — . 

„En daer 't noodich en billick was, dat de voorsz. tecort co mende somme gevonden 
werde, soo heeft dselve Elysabeth Harmansd,, deur ernstige aenmaninge en vriendelick 
versoucken van dVoorsz. Rembrant en Willem Harmansz van Rhijn, heur broeders, 

toegestaen, dat zij van den huysraet en inboedel, heur bij de scheydinge toebedeelt, 

alsmede van de cleynodien, lijffbehooren en properheyden, die d'selve bij haer moeder 
vooruyt gemaect waren, volgens taxatie bij Neeltgen Ponsen te doen, aen d'voorsz, 
Adriaen Harmansz, heur broeder, zoude overleveren zoodanige partijen, dat de somme 
van dien / 500. — zoude comen te bedragen. Ende dat d'selve Adriaen Harmansz, 
heur broeder daermede zijn vrije wille zoude mogen doen als zijn eygen goederen. Ende 



ï) Zie verder 't andere stuk. 



/. 



REMBRANDT. 228 

nadien taxatie gedaen was maer by calculatie bevonden ihette potpenningen ter 

somme van / 150. — niet meerder te bedragen als ƒ 383 : 13:0; ende dat de voorsz. 
Elysabeth Harmansd' behoudende was aen vergulde kettingen en andere partijen bij 
specificatie gestelt / 115:9:0, makende samen ƒ 499 : 2 : o, soodat sy.... noch tot 
supplement bijleggen moste 18 stuvers". 

Ten slotte volgen hierover nog eenige bizorlder nauwkeurige verrekeningen en een 
aantal bepalingen ^). 

De tweede reeds aangehaalde acte luidt : 

2 November 1640 compareerden d'eers. Adriaen Harmansz van Rhijn, 

Sr. REMBRANDT HARMANSZ VAN RHIJN^ WiLLEM HARMANSZ VAN Rhijn en 
Elisabeth HARMANSdr. VAN Rhijn, geass'. met mij Notario .... alle vier vol- 
jaerde kinderen en erffgen: van zal'. Neeltgen WiLLEMSdr. VAN ^UYTBROUCK, 
wed* van Harman Gerritsz van Rhijn, hen comparantes vader, verclaren . . . 
in goeder min en vruntschappe gedeelt, geschift ende gescheyden te hebben den 
inboedel en goederen van hunne voorsz. ouderen, in zulcker vougen als de Corte 
staet van de voordeden en lasten deszelven boedels gemaect, hen comparanten 
op huyden deser deugdelicken voorgelesen en met heure ondcrteeckeningh beves- 
ticht, medebrengende es, daertoe zij comparanten hen bij desen refereren, en die 
• zij bij desen oock approberen en van waerde houden; bekenden voorts dat henluyden 
elck in den zijnen tot voldoeninge aenbedeelt en toegevoucht zijn zoo- 
danige huysen, een thuyn, custinghpenningen, rentebrieven, obligatiën en gereede 
penningen, mitsgaders meubelen, goederen van huysraet en inboedel als in de voorsz. 
Corte Staet achter elcx namen gestelt en geexpresseert staen, waermede sij . . . 

volcomen genoegen nemen 

Verclarende voorts, dat de voorsz. Adriaen Harmansz tot voldoeninge 
van zijn erffportie aenbedeelt es: eerst de huysinge en erve, staende en gelegen 
binnen deser stede in de Weddesteegh bij de Witte poort, belent aen d'een sijde 
Jacob Jansz, droochscheerder, en aen d' ander sijde JACOB Willemsz, streckende 
voor vuyt de Weddesteech tot achter aen verscheyde eygenaers met een vrije 
vuytgang en poorte tot opten Rhijn, van de Oude Veste, zulcx deselve huysinge 
jegenwoordich getimmert en gemaect staet en voor desen gdbruyct en bewoont es. 
Noch de helfte van de moutmolen, staende opte vestwalle bij de Wittepoort, 
daervan de wederhelfte Clement Lenertsz Ruys competerende es ; noch zeeckeren 
thuyn, gelegen buyten de Wittepoort aen de hooge Rhijndijck, en noch zoodanige 
andere partijen ais in de voorsz. Corte staet werden gementionneert, mits 
deselve Adriaen Harmensz van Rhijn zal uytkeeren en betalen van wegen de 
gereede 600 guldens van de halve molen de somme van 310 guldens, [die] tot 
voldoening van de lasten des voorsz. boedels verstrect zullen werden. Ende noch 
aen REMBRANDT Harmansz van Rhijn, zijn broeder, over de custingpenningen 
van de voorsz, halve molen de somme van drie duysent vijfhondert en vijff en 
tsestüh gulden^ te betalen in vrijen, zuveren gelde 300 gulden s'jaers, Alder- 
heyligen dage 1641 t'eerste, en zoo voorts jaerlicx geduyrende, ter vollen betalinge 
van de voorsz. somme toe. Item de voorsz. Rembrandt van Rhijn tot voUdoe- 
ninge van sijn erffportie eerst de custinghpenningen ter sommen van /3S6s. — , die 
Adriaen Harmansz van Rhijn over de halve moutmolen schuldich is, te betalen 



*) Prot. Not A. Pakdts, Leyden. 



224 REMBRANDT. 

staende met drie hondert gulden sjaers, Alderheyligen dage 1641 'teerste. Ende 
noch zoodanige andere partijen als in de voorz. Corte Staet worden gemen- 
tionneert. Item WiLLEM Harmansz van Rhijn eerst de huysinge en erve staende 
op ten Rhijn bij de Witte poort, over de Stadts-timmerwerff, genaemt de Oude 
Vestwalle, belent aen d'eene zijde de gange van Gillis Gillisz, en aen d'andere 
zijde de gange van de huysinge dVoorz. Adriaen Harmansz aenbedeelt, en 
daeraen de huysinge Elysabeth HARMANSDr. aenbedeelt, die bewoont 
wordt by Eeuwout Claesz, streckende voor van den Rhijn tot achter aen Jacob 
Jansz Trecht (?\ ende noch zoodanige andere partijen als de voorz. staet mede 
brengt. Ende d voorz. Elysabeth HARMANSDr. eerst drie huysen en heure 
erven, staende en gelegen op den voorz. Rhijn, bezijden der anderen, belent int 
geheel aen d'eene zijde de poorte ende gange van de huysinge van Adriaen 
Harmansz van Rhijn voornt. en daeraen Willem Harmansz en aen d'andere 
zijde Jan Jansz Püth. Noch de twee cleyne huysgens en heure erven staende 
op de binnenplaetse van de voorz. drie huysen, ende zulcx achter d'zelve drie 
huysen, en noch zoodanige andere partijen als in de Corte Staet worden ge- 
melt. Welcke voorz. huysen en thuyn respective mitsgaders een gedeelte van de ge- 
reede penningen van de molen de voorz. ADRIAEN HARMANSZ, item Willem 
Harmansz en Elysabeth Harmansd' respective van wegen heur moeders erffe- 

nis aenbedeelt zijn in vouge dat sij dselve huysen en thuyn ende het 

gedeelte van de gereede penningen over de voorz. halve molen van wegen heur 
respective erffportie geheel en all vrij hebben en genieten, ende daer buyten de 
andere partijen van goederen in de voorz. Corte Staet gemelt. Blijvende de 
voorz. Adriaen Harmansz alleen gehouden buyten en boven zijn erffportie te 
voldoen en te betalen 't rest van de gereede penningen over de halve molen en 
custinghen voorz. gementionneert, daervan deselve volgens den placate den XC^^ 
penning ten behouve vant gemeene lant zal moeten betalen. 

Belovende de comparanten en deelplichtigen in desen tgunt voorz. staet en 
elck punt van dien 't allen tijde gestant te doen en naer te comen enz. ^) 

Met de afwikkeling der zaken van het sterfhuis ging nog een maand heen. Adriaen, 
die, omdat hij te Leiden woonde, zich daarmede had willen belasten, had 480 gld. meer 
uitgegeven dan ontvangen. Den 12 December 1640^) verklaarde hij Rembrandts aandeel 
ad 120 gl. ontvangen te hebben, doch op dat oogenblik nog niet de aandeelen van de 
beide anderen. Daarop komen de erven nogmaals bijeen, maken een accoord en ver- 
rekenen samen het deficit. 

Rembrandt was intusschen steeds de eerste geweest om zijn broeder bij te springen. 
Hij liet hem in het bezit van vaste eigendommen ter waarde van meer dan het dubbele 
van diens erfportie, en vergenoegde zich met een hypotheek, die eerst na vele jaren zou 
afloopen. Had hij te Leiden de familie niet in haar stand willen laten, dan had hij zich 
ook eenige der vaste goederen kunnen laten toebedeelen. Maar het ging hem te goed, 
om niet in broederlijke liefde te willen, dat het ook zijne naaste betrekking goed zou gaan. 



1) Prot. Not. A. Paedts. leiden, 
s) ld. 



REMBRANDT. 225 

In ons vorige opstel gaven wij, ten bewijze welke verstandhouding er heerschte 
ten Rembrandts huize na de ongelukkige dagen van 1656, het contract tusschen TiTUS 
en Hendrickie Stoffels, en het testament van deze laatste. 

Wij kunnen hier thans twee testamenten van TiTUS als nieuwe bewijzen bijvoegen. 

In den name des Heeren, Amen. In den jare van de geboorte desselfs ons 
Heeren duysent ses hondert seven ende vijftigh, den XX'" October, des middags de 

clocke twaelf ure compareerde TiTUS van Rhijn, jongman, soone van 

Rembrand van Rhijn, wonachtigh binnen deser stede, mij notaris bekent, gesont 

van Hchaem. .' comende tot dispositie van sijne tijdelijcke naer te laten 

goederen, gemaeckt ende geordonneert heeft sijn testament ende uyterste wille in 
der maniere naer volgende: — de testateur institueert Cornelia van Rhijn, zijn 
halve susterken tot sijne éénige en universele erfgenaem in alle de goederen en 

effecten, die hij naerlaten sal, authoriserende tot voogt over gemelde syn 

susterken Rembrant van Rijn, sijn testateurs vader, en Hendrickje Stoffels, 
des kints moeder, en de langstlevende van beyde, met uytsluytinge van de Wees- 
camer en alle andere oppervoogden, onder expresse conditie nochtans, dat de 
gemelte Rembrant van Rhijn, sijn testateurs vader, sijn leven langh gedurende 
sal hebben, trecken en genieten de jaerlixe vruchten en incompsten van de goederen 
en effecten bij hem Testateur naer te laten, daerin sijn gemelde halve susterken 
hier voren geïnstitueert is, welke vruchten en jaerlijxe incompste sijn testateurs 
vader sullen strecken en dienen tot sijn alimentatie en onderhout, ende sonder 
dat gemelde vruchten tot eenigen tijde ofte eenigsints sullen mogen werden be- 
commert, geëvinceert ofte aengesproocken voor eenige schulden en lasten bij de 
voorn, sijn testateurs vader airede gemaackt ofte naer desen te maecken, ofte daer- 
mede hij belast soude mogen sijn ofte werden, noch oock dat hij deselve vruchten 
in betalinge van geene derselver schulden en sal mogen transporteren ofte aen 
ymand in eygendom overgeven, als toevoegende deselve jaerlijxe vruchten en 
incompsten aen gemelde sijne vader sijn leven langh gedurende, onder verbant en 
subjectie als boven, voor en in plaetse van de naecte en blote legitime portie, 
daerinne hij bij desen alleenlijck, en verder noch meerder, niet tot mede-erfgenaem 
g'institueert wert, gevende gemelde sijne vader in sijne keure en electte, oft hem 
gelieve de leg^itime portie in eener somme te kiesen, en dan voorts afistant te doen 
van de resterende vruchten, dewelcke in sulck cas voor en ten behoeve van sijn 
testateurs halve susterken sullen moeten oplopen en datelijck naer sijn testateurs 
overlijden beleyt werden, dan off hij sich met de voorsz. jaerlijxe vruchten sijn 
leven langh gedurende, onder verbant als voren van voor geen sdiulden aensprae- 
kelijk te sijn, in plaetse van dien begeert te genoegen. Alle 't welck voorsz. staet, 
verclaerde hij testateur, indien hij sonder nas'aet comt te sterven, te wesen sijn 
testament en uytterste wille. Enz. ^) 

De klerken van den Notaris zijn getuigen, terwijl hij teekent: 

Nog geen maand was er verloopen of TiTUS treedt weder het huis des Notaris 
Spithoff „staende op denCingel" binnen, om opnieuw te testeeren. Den 22 November 1657 

») Prot. Not. J. Q. Spitthopf, Amsterdam. 

29 



226 REMBRANDT. 

herroept hij het vorige testament, doch alleen om een kleine wijziging in den vorm aan 
te brengen. Wellicht had men hem dit aangeraden. Het document is bijna eensluidend 
met het vorige tot aan de woorden : in plaetse van dien begeert te genoegen. Dan volgt : 

Authoriserende tot eenige en absolute voogt over sijn testateurs voorn, 
halve susterken de voorn, sijne vader, met expresse uytsluytinge van de Ed. Heeren 
Weesm"» en andere Oppervoogden, wie die souden mogen wesen, deselve met 
behoorlijcke reverentie van de moeyten bedanckende, sullende sijn testateurs voorsz. 
vader sijne na te latene goederen moge regeeren en administreren naer sijn goed- 
duncken en gelieven, oock in cas van nootdruftigheyt en dei noot sijnde wel van 
't capitael te mogen afnemen^ aentastett en tot nootdruft gèbrnysken, twelk hem ten 
vollen toevertrouwt wert, daerinne niet anders als naer behoren te sullen handelen. 
Sal oock sijn vader een tweede voogt neffens hem mogen kiesen, soo 't hem geraden 
dunct en de saeke tselve vcreyschte, gelijck hij oock mede sal mogen substitueren 
en stellen een offe twee bequame persoonen, omme sijn testateurs naer te laten 
goederen, naer 't overlijden van sijn testateurs vader onder 't oppergesach van de 
Ed. Heeren Weesm™ te regeren en te administreren en de vruchten teemployeren 
volgende dese uytterste wille. Voorder is noch sijn testateurs wille en begeren, dat 
bij sterven van sijn testateurs voorn, vader degemeldejaerlijxe vruchten en incomp- 
sten van sijne na te laten goederen sullen dienen tot opbrenginge en onderhout 
van de voorn. Cornelia, sijn halve susterken, alsmede tot onderhout van desselfs 
moeder Hendrickje Stoffels, doch soo wanneer de voorsz. Cornelia comt ten 
huwelijcken state ofte mondigen jare, sullen deselve vruchten alsdan bij haer voor 
d'eéne helft en bij hare moeder voor d'ander helft genoten werden, soo lange totdat 
deselve hare moeder sich comt ten huwelijcken state te begeven, als wanneer deselve 
in haer reguart sullen ophouden ende int geheel comen ende genoten werden bij 
sijn testateurs halve suster voorn. Eyndelijck heeft hij testateur noch gewilt en 
begeert, dat bij sterven van de voorn. Cornelia de goederen bij haer van hem 
testateur t'erve gecregen, ofte daerinne sij bij desen is g'institueert, int geheel en 
sonder aftrek van trebellianique ofte andere portien sullen moeten gaen, erven en 
succederen op hare na te laten kint ofte kinderen of verder afcomeling bij repre- 
sentatie, of bij gebreecke van nasaet in 't leven te hebben, dat alsdan deselve goederen 
mede als voren int geheel sullen erven en succederen aen sijn vrunden van sijn 
vaders sijde voor d'eene helft en aen de vrunden van sijn testateurs overleden 
moederssijde voor de andere hefte, als henluyden daerinne substituerende bij desen, 
sonder dat deselve Cornelia de goederen sal mogen belasten, beswaren ofte 
veralieneren, nochte oock contrarie d'inhout deses bij gene forme van uytterste wille 
te mogen werden gedisponeert Des sal de voorn. Hendrickje Stoffels (in cas 
en soo wanneer Cornelia sonder nasaet comt te sterven) de vruchten van de 
goederen haer leven langh tot haer onderhout mogen trecken en genieten. Verbie- 
dende voorts wel expres, dat sijn testateurs vader aen niemant ter werelt gehouden 
sal wesen te geven eenige openinge, staet ofte inventaris van de goederen bij hem 
testateur naer te laten, veel min te stellen eenige borge ofte verseeckeringe, als 
sulcx wel expres verbiedende en hem daeraf ontlastende mits desen. Enz. 

Aldus gepasseert enz. i) 

Ditmaal teekent TiTUS weder: 

TITUS REMBRANTSZ VAN RIJN. 



>) ProL Not J. Q. Spithopp. Amsterdam. 



REMBRANDT. 227 

Ten slotte brengen wij nogmaals i) onder de oogen van belangstellenden in Rem- 
BRANDTS nageslacht twee kleinkinderen van onzen meester, beide gedoopt te Batavia in 
de Nederduitsche gemeente: 

5 December 1673. Rembrandt, kind van Cornelis Suythoff en Cornelia van Rijn. 
14 Juli 1678. Hendric, kind van CoRNELis Suythoff en Cornelia van Rijn. 



1) Philo Indicus dtfed het eenige jaren ge!eden reeds in ,ide{n) Navcrscher, 






29» 



BIJLAGE A. 



REMBRANDTs VERWANTEN. 



GERRIT. 



Willem Adriaen Zuytbroeck. 
eigenaar van land in de Zuidbroek onder Noordwijk» 
bakker te Leiden, 1585, 1608. 
tr. Lysbeth CoRNELisdr. 
scheiding hunner nalatenschap, 19OCL1609, Not. v. D. WuSKf 



(Wellicht) 

Jan Gerritsz. van 

Rhijn, 

kleermaker te Warmond, 

wedr. Aeltgen Wil- 

LEMSZ.. 

test. 23 Nov. 1687 te 

Leiden. 

Not. F. VAN Svp, 

zijne dochter iserfgen. 



H ARMEN Gerritsz. 
VAN DEN Rhijn, 
geb. 1568/69. 
Moutmolenaar aan de 

Witte poort. 
Heer der Gebuurte van 
de Pelicaenshove, 
1605, 1620. 
begraven in de Pieters- 
kerk. 
27 April 1630. 



X Neeltje 

WILLEMS. 

ZUYT- 

BROEGK. 



CORNELIS 
WiLLEMSZ. 

Zuyt- 
broeck. 



Adriana 

WILLEMS 
ZUYTBROBCK, 

1609 ongeh. 



MaRYTJE WIL- 
LEMS ZUYT- 



(oudste zoon) 
Gerrit Harmensz. 

VAN DEN Rhijn, 

1619, 

Molenaar had een ac> 

cident in de handen 

gekregen en krijgt 
daarom bij testament 
van zijne ouders d.d. 
16 Maart 1621 (Not. 
£. H. Craen, Leiden) 
uit de goederen des 

langstlevenden een 

lijfpensie van 125 gl. 

's j aars. 

Overl. vóór 1640. 



Adriaen Harmensz. 

geb. 1597/9S, 
Juli 1631, Schoenma- 
ker, na Gerrits dood 
1640 Moutmolenaar 
op de molen genaamd 
de Groote Moutmolen 
bij de Witte poort, 
woont op den Rijn 
bij de Witte poort 
over de Stadstimmer- 

werf. tr. 
Elisabeth SiMONSdr. 
VAN Leeuwen, 
leeft 1640, erft 
een deel van een huis 
op de Koepoorts- 
gracht. 
Wed. 1654. 



Rembrandt 

VAN 

Rhijn. 



tr. 1609, 
Hnw. voorw. Not 

V- D. WUEET. 

te Leiden 17 Dec. 
Willem Hen- 

DRIKSZ. 



Willem Har- 
mensz. VAN Rhijn, 
1636 molenaar. 
1643 korenkooper. 
tr. 
Willemtje Pieters. 

Zij woont i664te'sHa- 
ge in't Sacraments pro- 
veniershuis, vermaakt 
den Hr. Johan van 
Leeuwen, oud-burgc- 
meester van Leiden, 
omme de goede ende 

getrouwe diensten 

haer bewesen, de helft 

van een grafitede in 

de St. Pieterskerk 

te Leiden. 



Elisabeth Har- 
mens VAN Rhijn,!) 
ongehuwd, 
testeert 24 juli 
1641 voor Not. 
A. Paedts, 
te Leiden, 
Adriaen is erfge- 
naam onder last 
van uitkeering van 
900 gl. aan zijn 
lieide broeders. 



1) Wellicht was ook een zoon, de in een acte van den Not. J. Angillio te Leiden, d.d. ix Sept. x6a6 genoemde 
Harmen Harmensz van Rhijn, bakker, die gehuwd geweest was met Annetje, dochter van Hendrick Bbschman. 




BIJLAGE B. 

JAN JANSZ. UYL of DEN UYL. 

Geboren omstreeks 1595, overleden 1640 te Amsterdam. 



Onder de ééns beroemde schilders te Amsterdam, die thans bijna geheel in het 
vergeetboek geraakt zijn, behoort de man, wiens naam wij aan het hoofd van deze bijlage 
plaatsten. Toch prijkten eens zijne schilderijen in de kunstkabinetten der aanzienlijken 
in de Amstelstad, en één hunner kon er zich op beroemen, dat men / 1600. — voor zijn 
echten DEN Uyl had geboden. Welk een som voor het jaar 1650! Rembrandt kon 
toen nauwelijks meer dan ƒ 500. — voor zijne schilderijen maken, een voor dien tijd toch 
reeds aanzienlijk bedrag, terwijl ons uit een langdurig archief-onderzoek blijkt, dat bijv. 
VAN GOYEN voor een landschapje y 10. — of/ 25. — hoogstens, Adriaen van DER Venne 
ƒ IC— k ƒ 30. — voor een schilderij ontving. Onze Rafaö der Visschen, Abraham van 
Beijeren, ontving met moeite / 15. — voor zijne stukken; de beroemde Jan de Baen 
ƒ 1 50. — voor een portret. Daniel Mijtens (dp Jonge) slechts ƒ 30. — en zoo zouden 
wij kunnen voortgaan. En wat is alles, wat wij van DEN Uyl nog kunnen aanwijzen? 
Eenige prentjes slechts, van groote zeldzaamheid en middelmatige verdiensten, die men bij 
Kramm, bl. 1656 beschreven vindt. Het verhaal, dat ons de hooge waarde van 's mans 
schilderijen doet kennen, brengt ons tegelijk met den tijd van zijn overlijden in kennis. 
Uit andere acten zullen we dien nog juister kunnen bepalen. 

Hoogst vermakelijk is het, hier een samenspraak van 1650 te hebben coverde meerdere 
of mindere waarde van schilderijen, waarbij o. a. ook wordt aangehaald, dat DEN Uyl toen 
reeds voor c» 10 jaren overleden was. De schilder DiRCK BLEKER, die deze verklaring 
aflegde, was in zijn tijd ook al een gevierd kunstenaar, hofschilder van Prins WiLLEM II, die 



280 B IJ L A G E. 

/ 1700 voor eene naakte Venus ontving ^). Hij werd dikwijls te Amsterdam als scheidsrechter 
bij den koop of verkoop van schilderijen geraadpleegd. De schilderij van Maria Mag^ 
dalena, in de volgende acten genoemd, is niet het zeer middelmatige stuk, deze Heilige 
voorstellende, en in het Rijks-Museum te Amsterdam hangende. Want dit stuk is 1652 
gejaarmerkt, en deze schilderij ^as in 1650 reeds geschilderd. Een onzer meent op een vei- 
Mng in Keulen (1886) in een ongemerkt stuk, dat mede een levensgroote, maar zeer fraai 
geschilderde Maria Magdalena voorstelde, de hand van BLEKER herkend te hebben. *) Zijn 
beste, gemerkte schilderij (mansportret) hangt in het Museum te Brunswijk, terwijl een ten 
onrechte FabritiüS gedoopt mansportret in het Museum te Keulen vermoedelijk een Dirk 
BJ.EKER is. Mais revenons k nos moutons. Hier de drie acten over het. bewuste 
schilderstuk van DEN Uyl: 

Op huyden den ii* April 1650 hebbe ick, Notaris, mij vervoecht bij 
den persoon van Sr. Bartholomeus Blyenbergh, en denselven uytten name en 
van wegen HüYBERT Verdonck geïnsinueert als volgt: 

Alsoo gij geïnsinueerde op den ie deser niaent ten overstaen van Arent 
Harmensz, wijncoper, en DiRCK Bleecker, als middelaers daertoe gebruyct, met 
den Insinuant hebt opgerecht seecker contract van mangelinge, te weten: dat gij 
geïnsinueerde aen den insinuant sout leveren seecker sttuk schilderije^ afbeeldende 
Maria Magdalena van de jonge Bleeckert, daertegens de insinuant weder aan 
U soude leveren een stuck schilderij van DEN UvL, bij U t'Uwen genoegen 
besichtigt, en dat noch daerenboven de insinuant aen U geïnsinueerde soude 

betaelen de somme van 175 guldens (Hij laat hem nu vragen dadelijk 

het stuk van Bleker te leveren, zullende hij dan ook zijne verplichting nakomen.) 

Het antwoord luidt: ick ben gereet mijn stuck schilderij te leveren, mits 
dat hij insinuant mij levert het stuk schilderij van den OüDEN Uyl, die al omtrent 
thien jaren is doot geweest^ en daerenboven de toebedongen penningen. •) 

23 April 1650 verklaren eenige personen ten verzoeke van HüYBERT VERDONCK, 
dat zij bij het sluiten van het hiervoren verhaalde contract, in de herberg 't Hoff van 
Holland aanwezig waren, en dat alleen over een schilderij van DEN Uyl was gesproken, 
en wel het stuk, dat door BLYENBERGH herhaaldelijk was bezichtigd, zonder dat er ge- 
zegd werd, dat het van den OUDEN Uyl was, ja ^^sonder van ouden of t jongen Uyl te 
spreecken^ ^ 

28 April 1650 compareerden d' E. DiRCK BLEECKER, out omtrent 30 jaren, 
en verclaerde ten versoecke den E. Bartholomeus BlyenbüRCH, coopman alhier, 
dat hy in de weeck vóór Paesschen laetstleden ter requisitie van den voorn. 



1) Wij hopen later over Dirk Dlek'ek een en ander mede te declen. 

2) Auction VON Brenken, Keulen 1886, No. 23, Heilige Magdalena, Lcinwand. H. 105. Hr. 0.84. Mk 1950. (NB 
ah LuJovico Car racet verkocht!)) 

3) Prot. Kot. J. Q. Spithoff, Amsterdam. 
4^ I'rot. Not. J. Q. Spithoff, Amsterdam. 




B IJ L A G E 231 

BlyenbüRCH is geweest ten huyse van oenen DONCKER, hoedecramer in 

de Stilsteech, om te besichtigen seecker stuck schildety aldaer hangende, twelck de 
voorn. DONCKER, zeyde te. sijn van DEN Uyl, waerop hy deposant vragende : off 
het van den Ouden DEN Uyl wasy alsoo hy deposant daeraen twijffelde, als synde 
niet fray genoech, soo heeft de voorz. DONCKER daerop geantwoord en geseyt, 
dat het van den Ouden was, en dat tot den Advt. TroyanüS de Magistris van 
denselven Uyl oock een stuck hingh, daer 'tsijne de weergae van was, waervoor 
hij seyde 1600 gids. geboden te sijn, en indien hem ƒ100: gegeven wierde, niet 
te weten off hij soude willen reuylen, en dat d'Baillju van Kennemerlandt voor 
'tvoorsz. stuck van DE MAGISTRIS geboden hadde het beste stuck, dat hij in huys 
hadde, mitsgaders noch hondert pondt aen geldt. Waerna hij deposant des ande- 
ren daechs neffens d'Requirant en den voorn. DONCKER, mitsgaders seecker ander 
persoon, bij den anderen in de herberge van 't Hoff van HoUandt geweest is, om 
nopende 't voorz. stuck te contracteren, als wanneer de reqt. (alvorens eenig Accoort 
wierde gemaeckt) tegens den voorz. DONCKER geseyt heeft: Monsieur DONCKER, 
•eer wij van accoordt beginnen te spreecken, soo most Ghij mij verseeckeren, dat 
het stuck is een principael van den Ouden, Oprechten Uyl. Daerop hy DoNCKER 
antwoorder Indient soo niet en is, soo sulje het stuck voor niet hebben. Waer- 
door de Reqt. heeft beginnen van accort te speecken, seggende meer als thienmael : 
Monsieur DONCKER, soo het soo niet en is, soo soude ick verre te cort comen, 
alsoo mijn voor mijn stuck (zijnde een Maria Magdalena^ van den deposant geschil- 
dert) honderd pondt geboden is, en wil het niet minder als^ 1000: geven. Daerop 
hy DoNCKER antwoorde : Ghy estimeert u stuck al te hooch ; UE. mocht conside- 
ren, dat Mons. Bleecker noch int leven en DEN UiJL langh overleden is. Ende 

alsoo partijen den anderen niet conden verstaen zoo heeft de Reqt. 

wederom geseyt: Siet Mons. DONCKER, ghy moest my verseeckeren, dat het 
is van den Ouden, Oprechten Uyl, die thien jaren overleden is; en hy deposant 
daerop antwoorde : een jaer ofte twee onbegrepen. Soo heeft d'voorn. DoNCKER 
geseyt: Jae, jae, soo 't soo niet en is, soo sult ghij 't stuck voor niet hebben. 

En hebben de saeck gevonden, als dat d'voorn Doncker aen den Reqt. 

soude geven sijn stuck van den Ouden, Oprechten Uyl, voor de voorz. Maria 
Magdalena, bij hem deposant geschildert, en noch de somma vau ƒ175. — Eyn- 
digende enz. ^) 

Uit een en ander zien wij, dat er twee schilders waren, die denzelfden naam droegen 
De archieven bevestigen dit met de navolgende stukken: 

29 April 1635. Jan Janssen den Uyl, schilder, blijkt borg te zijn voor 
de helft van / 1000.— «). 

16 Augustus 1635. Jan Jansz. Uyl, schilder, out ontrent 40 jaren,* attes- 
teert over een vechtpartij, waarbij een zekere Jelis van Schendel een oud man 
had geslagen '). 



*) Prot. Not. P. VAN TOLL, Amsterdam. 
2) Prot. Not. J. Westfrisius, Amsterdam. 
*) Prot. Not. G. COREN, Amsterdam. 



232 BIJLAGE. 

. 14 December 1637. Jan Jansz. Uyl verkoopt aen Marten DvLeen 

huys en erve daerin de vercooper woont, staende op de Westsljde van de Conings- 
gpracht over de Appelmarckt, voor ƒ 3750. — ^). 

5 Maert 1639 compareerde .... Jan Janssen Uyl, schilder, woonende 

alhier en verclaerde schuldich te wesen aen JofT® SüSANNAH DE GOLTS, Wed. 

wijlen CORNELIS DE GOLTS, de somme vaa 600 guldens capitaels en 168 guldens 
van verloopen interest, maeckende, met de gedane oncosten .... 772 g^uldens en 
15 stuyvers, volgens d'obligatie, daervan bij hem comp* met sijn broeder Arent 
Janssen Uyl za: (daervan hy erffgenaem geworden is) op den 13 Mey 1630 ver- 
leden en gepasseert Hij transporteert daarvoor de helft van 2 huizen op de 

Verwersgracht hem toekomende, en nu verkocht enz. 

Jan Jansz Uyl «). 

29 Juni 1639. Jan Jansz den Uyl, schilder, verkoopt voor 450 gl. een 
huis in de Lange Aertsgang, een uitgang hebbende in de Paardenstraat en aan de 
Schans (Amstelstraat) '). 

31 Dec. 1640 was onze oprechte oude DEN Uyl of Uyl reeds niet meer. 

31 Dec. 1640 insinueren de procuratiehouders van de reeds genoemde SüSANNA 
DE GoLTS de weduwe van Jan Jansz Uyl, in sijn leven schilder, en Jan Janssen Treck*), 
Schilder, bij haer inwonende; jAN Jansz Treck had i Maert 1640 beloofd, binnen drie 
weken de schuld van Jan Jansz Uyl te betalen; hij had de interest en kosten ƒ 197: 18 
niet betaald, maar daarvoor 3 schilderijen gegeven, doende alsof daarmede die som gedekt 
ware. Deskundigen hadden verklaard, dat die schilderijen geen derde van die som waard 
waren; de schuldeischeres wil ze tegen taxatie van deskundigen in betaling aannemen, 
maar de rest in geld binnen 8 dagen. Treck antwoordt; ,,Ick houde mij aen de coop, soo 
ick die schilderijen vercoft en gelevert hebbe". En de weduwe zegft „sich niet daermede 
te moeyen". ') 

Jan Jansz Uyl liet bij zijne vrouw, Geertrüyd jANSdr. twee minderjarige kinderen 
na, twee zoons, die beide den naam van jAN droegen en zich ter onderscheiding van 
elkander ,,de oude" en „de jonge" noemden. Indien tijd trof men deze zonderlinge gewoonte 
van ouders meer aan. De oudste van deze zoons, die zijn vader op het pad der kunst 
volgde, was in 1624 geboren; de andere was vier jaren jonger. Den 13 December 1641 
bewees hunne moeder hen voor vaders erf 2600 gl. •) Zij hadden hier ter stede geen 



ï) Prou Not. J. Warnaersz, Amsterdam. 

9) Prot. Not. G. BoRSELAER, Amsterdam, 

s) Reg. der kwijtscheldingen G. blz. 249. 

4) Over dezen stilleven-schilder later. Hij was de swager van Jan Jansz Uyl. Een gemerkt stuk van hem (ged. 1649) 

is in het Musetmi te Schwerin. 

i) Prot. Not. G. BoRSSBLAKR. Amsterdam. 

•) Bewijsregister der Weeskamer. 




BIJLAGE. 233 

bloedverwanten van vaders zijde. Deze woonden te Kampen, en het is daarom niet 
onwaarschijnlijk, dat hun vader een geboren Kampenaar was. 

Het is te begrijpen, dat er voortdurend verwarring moest ontstaan bij de aanduiding 
van twee schilders, vader en zoon, die beide met evenveel recht ,,de oude" konden 
worden genoemd. De vader had geen behoefte gehad, om zich zelven zoo te noemen, 

de zoon daarentegen wel. Deze teekent dan ook altijd zijn naam aldus: 

ft. 



'T'w^^v^^y^, ^pj^ c^^ 



Bij de acte van bewijs had de moeder haar huis op de Schans achter de Beuling- 
straat (thans Heerengracht) verbonden. De oudste zoon verkocht dit en twee daarnaast 
gelegen huisjes ïn November 1660 bij willig decreet van den Hove van Holland voor 
500a gl.i) 

Het is de laatste maal, dat wij hem in Amsterdam aantroffen. Den 23 Februari 166 1 
kocht hij een huis, erve, hof en hofstede op de Breestraat te Amersfoort voor 1600 gl., 
waarin hij zich weldra vestigde. «) In 1665 en in 1670, toen hij met zijne huisvrouv; 
Barbara Celens een huis op de Verwersgfücht alhier verkocht'), woonde hij nog te 
Amersfoort. Uit de acte van 1665 blijkt, dat JOHANNES DEN CJyl DE JONGE *) toen nog 
leefde, en dat de broeders nog eene zuster hadden, die op het overlijden des vaders 
zeker reeds meerderjarig was geweest, welke met Jan Hendriksz Treck, een herber- 
gier, gehuwd was*). 

Wij laten hier een lijstje der werken volgen, die ons onder den naam van DEN 
Uyl voorgekomen zijn. Of ze van den oprechten ouden No. i of den ouden No. 2 zijn, 
moeten wij in het midden laten. 

In een Inventaris van 1662, onder stukken van Rembrandt, Ruysdael, Moyaert, 

Fr. Hals e. a. 

Een ontbijtge van DEN Uyl. «). 

Taxatie der schilderijen van Willem Allertsz Eentgens. door de schilders 

G. V. D. Eeckhout en Jan Looten; 22 Jan. 1669. 

Een bancquet na DEN Uyl, op ƒ 30. — getaxeerd. 

(NB. VAN DER Neer / 14. — Pieter Claesz f 18. — Dirc Hals ƒ 12. — van 

Goyen ƒ 12. — ) 



Afschrijving Decreten D. IX, bl. 83. 

Prot. Not. H. Westfrisiüs. Amsterdam. 

Kwijtschelding R. R. bl. loi. 

Te Sneek woonde in 1647 Jan Jansz Uyl. Wellicht deze. 

Prot. Not. H. Westfrisiüs. Amsterdam. 

Prot. Not. J. DE Vos. Amsterdam. 

30 



'iM L r L A O £. 

Inventaris Wed. Jac. van Schagen. Delft 1C91: 
Een stuck van Jan den* Uvl. 

Inventari-! 'met T<LX2^At door Mr. Jchannes Vekx:l;e.; van Jufir. GzERTJiVYl. 

BhAV.hKk, Delit 1O92: 

Een paradijs; e, door van DEP. ITVL. op ƒ 30. — geraxeerd. 

'NK. PiNA-. / 10.— Bloemaekt / 3c. — Palamedes / 25. — ; 

Inventaris EZECHIEL DE Deckek, zalr., lantmeter, den Haag 12 Maart 1667: 

Een .stuck van DEN UvL, sijnde boeren. 

Inventari:^ te Delft 1677: 

Een achtkant schilderij van DEN UvL. 

Inventaris te Delft 1703: 

Een stuck van den Uvl, op / 14. — getaxjerd. 




» . 



BIJLAGE C 



LEENDERT CORNELISZ VAN BEYEREN, 

„DESCIPEL VAN REMBRANDT" 

Geboren 1620, overleden te Amsterdam, 



Toen wij onlangs ^) vroegen wie Leendert CORNELISZ, „descipel van Rembrandt*', 
mocht zijn, die op eene verkooping voor hem een kunstboek van Lucas van Leyden 
kocht, dachten wij weinig, reeds nu zulk een volledig antwoord op die vraag te kunnen geven. 

Hij werd waarschijnlijk in 1620 geboren, denkelijk te Amsterdam. Zijn vader, een 
aanzienlijk Amsterdamsch houtkooper, heette CORNELIS Aertsz. van Beijeren en bewees 
29 Januari 1636 aan zijne vier kinderen ƒ 12.000. — voor de erfenis hunner moeder Mavke 
Lenaerts BurCHMANS. ^) Bij die gelegenheid ervaren wij, dat Lenaert, de tweede zoon, 
zestien jaren oud was. Reeds 14 Mei 1638 was ook de houtkooper gestorven; de 
voogden der kinderen bewezen ƒ17,000. — en vijftien huizen in de Roode Lelijstraat, uit- 
komende op de Egelantiersgracht, en in de nabijheid- ') Of toen de tweede moeder dier 
kinderen nog leefde, is ons onbekend. Zeker is het, dat CoRNELis Aertsz. van Beijeren, 
Weduwnaar van Marritje Leenderts Burchmans omstreeks Januari 1636 in een tweede 
huwelijk was getreden en wel met niemand anders dan met Trijntje Arents, Wed. van 
den schilder Jan Pvnas. Bij de huwelijksche voorwaarden*) werd bepaald, dat de erfge- 
namen des houtkoopers aan de weduwe jaarlijks ƒ looo. — moesten uitkeeren. Mocht zij 
eerst komen te overlijden, dan zouden hare erfgenamen genieten /2500.— en drie schilde- 



1) Oud. HoUand III blz. : 91. 

*) Weesboek ter Weeskamer van Amsterdam. 

3) Een dezer huizen, op de zuidzijde van de Egelantiersgracht gelegen, werd door de voogden in 1644 verkocht 
aan Jan DuyseNtpaeldebs ten behoeve van Wiggert Dütsentda elders, In 1652 stond er „de 1000 daeldcrs*' in den gevel. 

4) Prot. Not. P. Mathijsz. Amsterdam, 

30» 



236 BIJLAGE. 

rijen, te weten : een van Claes Cop ^), een van Jan Pynas, en het derde van LASTMAN. 
Het echtpaar, dat het blijkbaar niet best met elkaar vinden kon '), woonde in de Nieuwe 
Leliestraat. Toen de houtkooper i8 December 1637, waarschijnlijk reeds ernstig ongesteld, 
een testament deed nederschrijven ') stipuleerde hij daarin het volgende: 

Eyntelijck wilde hij testateur, dat de boecken en printenkunst bij hem nate- 
laten, na sijn overlijden niet sullen mogen werden vercoft, maer bij de voorz. 
voochden moeten werden bewaert 'ter tijdt en soo lange d'voorsz. sijn middelste 
soone Lenert huwt of mondich wert, als wanneer, en eerder niet, d'selve Leenert 
sal vermogen de voorn, boecken en printenkunst aan hem te nemen tot taxatie 
van twe onpartijdige luyden, hen daerop verstaende, bij Schepenen te nomineren, 
mits dat die prijs sal moeten in affslach strecken van sijne legitieme portie enz. En 
in sooverre sijn soone Leenert de voorz. printen en^ boeckenkonst niet en be- 
geerde aen hem te nemen soo wil hij, dat de printen en boeckenkunst 

ter proffijte van den gemeenen boedel vercoft sullen werden. Enz. 

Toen Leendert's vader overleed, was hij nog niet mondig; hij ontving "dus" diens 
kunstverzameling nog niet; maar uit diens nalatenschap zien we, dat de toen 22jarige 
kunstenaar bij Rembrandt in de leer was geweest, en braaf na zijn meester had gecopi- 
eerd. Het volgende ontleenden wij aan den 

Inventaris van zal' Cornelis Aerts, (Cornelis Aertsz van Beyeren), 
houtkooper, 7 Mey 1638, Amsterdam. 

een lantschapje, copy na PlNAS^ 

een copijtje na DUYSTER, sijnde een nachtgen. 

2 viercante schilderijen van JOANNES Baers, tot Wtrecht, sijnde teene een koocken, 

tander een soldaet met een boer. 
een trony, sijnde een copij nae Rembrant. 
een vrijer, na DüYSTER gecopieert. 
een vrijster van achteren, 
een soldaet^ nae Rembrant gecopieert, 
een vrouwetronie ^ nae Rembrant gecopieert, 
noch een vrouwetronie^ nae Rembrant gecopieert, 

de kunst, daervan in het Testament mentie wert gemaect, in desen niet gespecifi- 
ceert, hier per memorie *) 

Van die „kunst" werd echter toch een lijstje opgemaakt, dat we hier kunnen laten 
volgen. De verzameling schijnt niet onaanzienlijk geweest te zijn, en zou thans een aardig 
sommetje meer dan toenmaals waard zijn. 



') Een stilleven-schilder over wien later meer. 

3) Uit het volgende stuk zien wij, hoe kort de vreugde van dit huwelijk duurde: 

6 September 1637. Testament van d'eerbare Trijntje Arents, Wed. wijlen Jan Pinas, nu huysvrouwe van 
Cornelis Arentsz van Bbybren, poorterse deser stede, van cUnselven in bedde^ taeffel^ huyshoudinge ende goederen 
gesepareert. Zij legateert aan hare behuwdzuster Annetje Symons Pinas, Wed. wijlen Mr. Geraert van Ketwyck 
/2000. die bij de O. L Compagnie berusten (Not. J. de Vos, Amsterdam.) 
') Prot. Not. L. Lamberti, Amsterdam. 

4) Prot. Not. L. Lamberti, Amsterdam. 




BIJLAGE. 237 

De volgende acte geeft ons een overzicht der collectie: 

Op huyden den 4' Juny 1638 heb ick mij mette naergenoemde getuygen 
gevonden ten huyse van JACOB Abramsz. als testamentaire voocht over de kin- 
deren van CORNELIS Aertsz. [van Beijeren], in sijn leven houtcoper, ende aldaer 
gevisiteert en besichticht «enige boecken, soo met printen als ieykeningen^ die vol- 
gens den testamente van deselve Cornelis Aertsz moeten blijven in bewarender 
hand en onvercocht ter tijt en wijle sijn soon Lenert Cornelisz tot zijn mondige 
jaren off huwelij eken state sal gecomen sijn, die alsdan volgens de voorsz. testamente 
zijn keuze sal hebben, off hij se begeert tot taxatie van onpartijdige luyden, hen 
dies verstaende, aen te nemen, d'selve boecken geteeckent ofte genumbreert ende 
daerin bevonden tgunt volcht, als namentlijck : 

In het Boeck A Twe handert acIUenvijftich teyckeningen, 

„ „ „ B. Twe Iiondert tseventich printen. 

„ „ w C. Ne^en en negentich printen. 

„ „ „ D. Vierensestich teyckeninghen. 

„ „ r» E. Eenendertich so printen als teyckeningen: 

„ „ „ F. Vijfhondert één en veertich soo printen als teyckeningen. 

„ „ V» G. Veertich teyckeningen. 

„ „ „ H. Twehondert één en tseventich zoo printen als teyckeningen. 

„ „ n I' Eenentsestich zoo printen als teyckeningen^ met noch de geheele 

passie gedaen by GOLSIUS. 

„ „ „ K. Hondert dertich printen. 

„ „ „ L. een hondert éénenvyftich printen en vijftich teyckeningen 

„ „ „ M. Vijfenvijftich printjes. 

„ „ „ R. Tweehondert twintighy soo printen als teyckeningen. 

Item een passieboeckje van Alberduyr. 

Noch een teyckenboec gedruct te Francfoort am Mayn in den Jare 1571. 
Item een gedruckt perspectyff boeck. Ende een deel kaerten, die men verkopen 
sal en niet onder de printen begrepen ofte gerekent sijn. 
Actum In Amsterdam. *) 

4 Oct. 1644 ontving onze kunstenaar dezen op /736 : 10 gewaardeerden schat, want 
toen was hij meerderjarig. 

Den 9 Februari 1645 ontmoetten wij hem weder, toen hij eene ons onverschillige 
verklaring volgenderwijs onderteekende : ') 



^ 



Niet lang zou hij meer van zijn kunstschatten genieten. Wellicht door eene ernstige 
ongesteldheid aangetast, had hij reeds vóór 1649, ^^a toenmalig gebruik, een kamer ge- 

ï) Prot. Not. L. Lambkrti, Amsterdam. 

8) Prot. Not. J. VAN DER HOEVEN. Amstcfdam. 



238 B IJ L A G E. 

huurd bij een zekeren Doktor Francisco van DEN Eynde, wonende in de Nes. Maar 
diens pogingen om den schilder in het leven te behouden leden schipbreuk; nog datzelfde 
jaar 1649 werd zijn sterfjaar. Geen wonder, dat wij tot nu toe met zekerheid geen werk 
van zijn hand kunnen aanwijzen. Toch weten we, wat hij geschilderd heeft Een groot 
^^Ecce Homo^\ en een stukje van ^^Tobias** van zijne hand bevonden zich nog op zijn kamer. 
Beide onderwerpen, die Rembrandt ';ook behandeld heeft. Zou men in een groot, zeer 
verdienstelijk ^^Ecce Homo,^* waarop Christus ten voeten uit, bijna levensgroot, is voorgesteld, 
in het Museum van Budapest dit werk van onzen Leendert Cornelisz terug gevonden 
hebben? Ik zag het verscheidene jaren geleden; het maakte toen op mij den indruk van 
een uitmuntend werk van een nog onbekend leerling van REMBRANDT. Geen enkel der 
bekende leerlingen kon het m. i. geschilderd hebben, noch BOL, noch Flinck, noch 
Eeckhout, noch wie ook. Toch is het blijkbaar het werk van iemand, die geheel en 
al onder Rembrandt's invloed verkeerde en zich diens licht en donker uitnemend ten 
nutte gemaakt had. 

Wellicht lust het onzen lezers met de kunst-nalatenschap van den vroeg ontslapen 
„descipel van Rembrandt" kennis te maken. Hier is zij: 

Inventaris bevonden in de camer alwaer jongst gcwoont heeft wijlen LeONART 
VAN Beyeren, jongman ten huyse van Francisco VAN DEN Eynde Dr. med. wo- 
nende in de Nes. Amsterdam, 10 Oct. 1649. 

Een groot aantal schilderijen, zonder naam des schilders. 

't conterfeytsel van den overledenen met een groote ebbe lijst. 

noch een dito van dito. 

een groot stuck schilderij, uytbeeldende ^^Ecce Homó*\ bij den overleeden seljs gcmaeckt 

een stuckie schilderij van „ Tobias'\ met ebbe lijst, bij den overleedai zelfs gemaeckt, 

een bloempotje van Splintp:r met coleurde lijst. 

een stuckie wcesende gcvogdtc van Alexander Andriesz (Alex. AdriaeNSZ). 

een stuckie weescndc vissen van Alexander Adriaensz. 

2 rcygers Mr. DE JOXGE. (?) 

een „5/. Franciscns*^ van Pinas met ebbe lijst. 

een lanckwerpigh boeck met teekeninghen en 4 groene banden. 

een boeck in folio met prenten van Aldegrave. 

een d" „ „ „ „ Alb?:rduer. 

een langhwcrpigh boeck met verscheyde teeckeninghen. 

een groot boeck in folio met verscheyde prenten van houtsnee. 

een groot boeck in folio met verscheyde losse prenten. 

een cleyn folio boeck met verscheyde prenten van Heemskkrck en anders. 

een boeck in folio met prenten van Lucas van Leyden en teeckeninghen van deselve. 

een groot boeck met eenige teeckeninghen. 

een prentboeck met 100 conterfeytsels van VAN DiJCK. 

een boeck in root leer gebonden met eenige vrouwe conterfeytsels en eenige weynighe 

teeckeninghen en prenten, 
nog 2 dergelijke boeken. 

een architectboek in folio van Seuastianl'S Skrluis. 
eenige poorten van ROELOF PlETERSZ in quarto. 



A 



BIJLAGE. 289 

het schilderboeck van Carel Vermander. in quarto. 

den Evangelischen Arent van Roelof Pibtersz, in quarto. 

nog eenige bekende boekwerken enz. 

Geïnventariseert int bijwesen van St. BalTHASAR van BeijEREN, mitsgaders 
GerrIT GerrITSZ van Couwenbergh en Joost Jansz, als Executeurs van den 
testamente van wijlen den voorsz. LeonaRD van Beijéren en voochden over de 
naergelaten kinderen van ArnOLDUS van BeijereN, ro Oct. 1649 i) 

Zijn jongste broeder BalthazaR van Beveren (in 1627 of 1628 geboren) had 
zeker 3 Mei 1648 weinig gedacht, dat hij zijn ouderen broeder, dien hij blijkbaar zeer 
lief had, zou overleven. Hij maakte hem tot zijn éënigen erfgenaam. *). Het Testament 
van Leend5rt van BeyEREN kwam ons niet onder de oogen; maar uit een accoord 
tusschen BALTHASAR VAN Beyeren en een zekere MarritgeRoelofs van Wester velt, 
jonge dochter, van 6 Februari 1Ö49, isons gebleken, datdezeruim/sji. — van den schilder 
erfde.*) Eerst in Maart 1661 was deze zaak geheel afgeloopen, want toen bekende zij 
f 200. — in mindering van dat bedrag ontvangen te hebben.*). Wellicht stond de over- 
ledene in een intieme betrekking tot deze jonge dame. Eene verklaring van 6Febr. 1648 
doet ons vermoeden, dat hij van de schoone sekse niet afkeerig was; toen had eene zekere 
Hélena FREDERiCxdr, een jonggeborene voor zijn deur neei^elegd. 

Wellicht is het moeielijk of niet eens mogelijk, met zekerheid een werk van 'dezen 
tot nu toe geheel onbekenden schilder aan te wijzen. Als leerling van den grootsten 
onzer kunstenaars, verdienden toch zijne biographische bizonderheden hier een plaats 
te vinden. 



1) Piot. Nol. J. A. Spithoff, Amjlerdam. 

=) Prol. Nol. P. DE BAgï. Amsletdam. 

*| Prol. Nol. C. MoLEasTEEH, Amslerdam. De schilder Abraham van den Hecke was geiuige bij dJi accoord. 

1, Prol. Nol. J, Q. Spithopf. Amsterdam. 







R A P I A M U S. 



28 Februari 1547 wordt poorter van Amsterdam, Peter Jellot, van Brussel, 
Tapechier, wien mijne Hceren de Burgemeesteren om redenen wille zijn poortergeld hebben 
kwijtgescholden. (Thesauriers Rekening.) 



Paspoort ten behoeve van N. Gascar, schilder van den Coninck van Vrankrijck. 

De Staten-Generaal der Vereenichde Nederlanden, Allen Crijchsoversten, Admiralen, L*. ende 
Vice Admiralen, Ritmeesteren, Capiteynen, L**°., bevelhebberen ende gemeene soldaten te 
peert, te voet, te water ende te lande, voorts alle convoymcesters, contreroUeurs, cher- 
chers ende allen anderen in onsen dienst ende onder onse gehoorsaemheyt wesende, 
die desen sal werden vertoont ende eenichsints aengaen mach, Salut, Doen te weten, dat 
wij ten behoeve van N. Gascar, schilder van den Coninck van Vranckrijck, geconsenteèrt 
ende geaccordeert hebben, gelijck wij dcnselven consenteren ende accorderen bij deseh, 
paspoort om van Rotterdam over Antwerpen na Vranckrijck te mogen transporteren 
neffens sijne bagagie twee cassen met schilderijen, continerende d'eene een gedeelte van 
de pourtraiten van alle de Heeren Ambassadeurs, die op de vredehandelinge tot Nijmegen 
zijn geweest, ende d'andere een groote schilderije van hetteeckenen vande vreedetusschcn 
beyde de Croonen, door den voornoemden Gascar geschildert, waeromme wij lasten ende 
bevelen Uluyden, t'zamentlijck ende bysonderlijck, de voorn, twee cassen met portraits 
ende schilderijen, met de voors. bagagie in voegen alsvoren, vrij ende onverhindert te 
laten passeren, sonder daertegens te doen ofte te laten geschieden eenigh beleth, schade 
ofte empeschemet ter contrarie, op poene van te incurreren onse indignatie, want wij 
sulcx bevonden hebben alsoo te behooren. Gegeven in den Hage onder onsen cachette 
etc. op den 22n November 1679. 

Paspoort ten behoeve van denselven Gascar. 

De Staten-Generaal der Vereenichde Nederlanden, Allen crijchsoversten enz. Salut, 
Doen te weten, dat wij ten behoeve van N. GASCAR, schilder van den Coninck van 
Vranckrijck, geconsenteèrt ende geaccordeert hebben, gelijck wij denselven consenteren 
ende accorderen bij desen paspoort om van Rotterdam na Vranckrijck te water over te 
mogen zenden, een casse continerende een gedeelte van de portraiten van alle de Heeren 
Ambassadeurs, die op de vredehandelinge tot Nijmegen zijn geweest, door de voorn. 
Gascar geschildert, waeromme wij lasten ende bevelen enz. 

Op den 220 November 1679. 

(Actenboek der Stkten-Generaal, berustende in 's Rijks 
Archief te 's Gravenhage, blz. 339''^) 




DE OPERA TE AMSTERDAM, 

EENE BIJDRAGE TOT DE GESCHIEDENIS DER OPERA IN NEDERLAND. 

DOOR 

Dr. H. C. rogge. 

II. 



DE FRANSCHE OPERA. 

^'ELIJK wij zagen werden reeds vroeg te Amsterdam van tijd tot tijd 
Fransche opera's opgevoerd, maar het kwam eerst tegen het einde 
van de i8* eeuw tot eene blijvende instelling. Eenïge voorstanders 
van het Fransche tooneel vormden het plan tot oprichting van een 
besloten gezelschap, dat den naam ontving van „College dramatique 
et lyrique". Vele aanzienlijken sloten zich hierbij aan, en in korten 
tijd was het noodige kapitaal bijeengebracht, om aan de zaak uit- 
voering te geven. Men huurde eene zaal in het logement „De gouden bal" op de Kadijk, 
die tot tooneel werd ingericht, wierf tooneelspelers aan uit alle steden van Frankrijk, 
en weldra namen de tooneelvoorstellingen en opera-uitvoeringen een aanvang. ^) „De 
aanzïenlijkheid der leden van dit gezelschap en de bekwaamheid hunner troep veroorzaakte 
een algemeen gerucht". De zaal werd te klein voor de leden, en er gingen stemmen op 
uit het publiek, om ook in het genot dezer voorstellingen te mogen deelen. De commis- 
sarissen van bet gezelschap traden in overleg met de regenten van den stadsschouwburg, 




l) Taoitalk. Britxie» I808, bl. 179, w. Amttirdam ta tijiu gachUdtnis 1*1 
Scimmim-g Almanatk voor 1786. Amst. C. NoEl Guerio. Hci tchijni lUt c 



242 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

die begrepen van het algemeen verlangen partij te kunnen trekken voor hunne instelling. 
Men kwam overeen, dat er voor rekening van het college eene nette tent zou mogen 
gebouwd worden aan de zuid-oostzijde van den schouwburg, waarin de Fransche tooneelisten 
des zomers en in de kermisweken zouden optreden, ten voordeele van het wees- en oude- 
nianhuis. Dalainval en FleüRIMONT stonden toen als directeuren aan het hoofd, en 
waren tevens uitstekende acteurs. Het gezelschap was blijkbaar goed samengesteld, en 
bovendien traden er telkens beroemde artisten op. De grootc actrice Saintval van 
Parijs gaf hier zestien, de acteur van den Koning van Frankrijk Grammont DE ROSELLY 
elf voorstellingen. De partijen voor de opera waren niet minder goed bezet; aan den 
eersten zanger SOLIGNI en aan de zangeressen Ancé en Clairville werd groote lof 
toegezwaaid. Na zulk een goed begin zou men ook verder slagen. 

De „Gouden bal" moest verlaten worden, een grooter lokaal was niet te vinden, 
ook de tent op het Leidsche plein voldeed niet meer; derhalve besloot men met bewilli- 
ging van het stedelijk bestuur een eigen schouwburg te stichten. De daartoe benoodig^e 
som van f 100,000 schijnt zonder moeite bijeengebracht te zijn. Zoo verrees opeen onbe- 
bouwde plek aan de Erwtenmarkt het Theatre fran9ais ^), dat reeds in 1788 geopend werd, 
om er voor de leden van het gezelschap en ook nu en dan voor het publiek te spelen. «) 
Wat men speelde werd aan de leden bekend gemaakt door het toezenden van billetten, 
waarop het repertoire voor de eerstvolgende voorstellingen gedrukt stond. De openbare 
representaties schijnen alleen door groote billetten aan den ingang van het gebouw bekend 
gemaakt te zijn. Voor de besloten uitvoeringen had ieder lid zijn entree-billet, terwijl 
er „billets de jour" verkrijgbaar waren tot introductie, inzonderheid van vreemdelingen 'j. 
Men zag echter streng toe, dat hiervan geen misbruik werd gemaakt**). Men speelde 
eiken avond, behalve op christelijke en joodsche zon- en feestdagen. De toeloop was zoo 



1) Afgebeeld in De MaandtL Ntderl. Mercurius van 1785, st. 2, bl. 164. 

s) «Ce n'était alors qu'un Grand Thédtre de Société, sous Ie nom de College dramatique" (Maaskamp, iVa«v.j/a/<j- 
tique histor. (TAmsi. p. 355). In I^ guidc d' Amsterdam. Anist. 1793, p. 335 heet „la comédie fran9ai&e ' een , établissement 
d'amaieurs par abonnement", gelijk ook de Hoogd. schouwburg wordt genoemd: ^autre établissement particuier par abon- 
nement". In Le Guide van xBo3 is dit veranderd, daar heet de Kransche schouwburg „publiquc", en de Hoogduittche 
«un édifice de particuliers el public". (Vgl. W. J. Olivier, \oui'cau tabUau statist. histor. d Amsterdam.) 

•*) „No inhabitant of the city" zegt S. Ireland {A pictoresque tour through Holland^ etc. in 1789 London 1796. 
Vol. I, p. 141), ^who is not a subscribcr, can be admitted; tickets being transferable only to strangers." Hij voegt er 
bij: „This theater is under the controU of the subscribers, who, after defraying the expcnce of the house and the players 
salaries, which, in comparison with our«, are very trifling, apply the recidue to charitable purposes." Uit laatste ziet waar- 
schijnlijk op de publieke voorstellingen in de tent op het Leidsche p:ein, die daar tot omstreeks 1794 nog schijnen te zijn 
voortgezet. Eerst na 1795 werd dit houten gebouw opgeruimd. 

4) Aan den voet der „billets de repertoire des colleges'* werd bekendgemaakt, dat de „billetsd'étranger" op de bekende 
voorw«iarden bij G. Dl'fodr. den boekverkooper van het College dramatique in de Kalvcrstraat, te verkrijgen waren. Vreemde* 
Mngen, die langer dan 3 maanden hetzij in een hotel hetzij bij particulieren vertoefden, konden na dien tijd niet meer 
geïntroduceerd worden, maar moesten door een der leden aan commissarissen worden voorgedragen, „pour étre admis soit 
comme abonné étranger pour trois mois, 4 raison de quarante deux florins, soit comme souscripteur pour l*entiète sous- 
cription." Voorts werden de leden gewaarschuwd voor het misbruik, dat gemaakt werd van hunne billetten, ^pour intro- 
duire des personnes qu'ils n'ont jamais pu avoir IMntention de présenter dans nne société choisie, et qui cependant y entrent 
journellemcnt k la faveur de billets donnés ou égarés"; alsmede dat het hun niet geoorloofd was mede te brengen ^ni 
dame, ni éiranger, ni enfant, ni jeune homme au dessons de x6 ans, sans un billet de jour pour chaque personne.'' 




DEOPERATEAMSTERDAM. • 243 

groot, dat er zelfs bepalingen noodig waren voor het oprijden der koetsen ^) Op de 
avonden der publieke voorstellingen was het bezoek zoo mogelijk nog talrijker. „Man 
sieht die Französischen Schauspiele gern", zegt een vreemdeling, die in 1790 Amsterdam 
bezocht, „weil die Schauspieler leichter und freyer spielen als die Deutschen, auch die Stücke 
selbst viel Naives haben." ^) 

Het Théatre dramatique et lyrique heeft tot aan de revolutie geregeld doorgespeeld, 
toen ging het gezelschap uiteen en stond de schouwburg eenige maanden stil. Van de 
artisten uit dit eerste tijdperk zijn mij geene verdere bijzonderheden bekend '). De 
repertoire-billetten voor de leden, die bewaard bleven <), en enkele opgaven omtrent de 
voorstellingen uit de jaren 1791 tot 1794 *) lichten ons eenigermate in omtrent de opera's 
die gezongen zijn. Ik vond daaronder: Les méprises par ressemblancey Le tableau parlanty 
Les événemens imprévus^ Le mariage (TAntonio, L amant jaloux en Les deux avares van 
Gretry, Camille, La soiree ora^euse, Raoul stre de Créqui en Vantant statue van 
Dalayrac, Les prétendus en Les paumiers et le motilin van Le Moine, Le maitre géné- 
reux van Paesiello, Ultalienne è Londres van ClMAROSE, Stratonüe van Mehul, Les 
trois fermiers van DezèdE, Blaise et Babet van MONVEL, Lodoisca van Kreutzer, en 
nog een aantal andere opera's, die thans geheel vergeten zijn. Wat het gehalte der muziek- 
werken betreft, stonden de uitvoeringen der Franschen zeker bij de Duitschers achter. 

Nadat de woelige dagen van de revolutie en de grondvesting van de Bataafsche 
Republiek waren voorbijgegaan, vormde zich spoedig een nieuw gezelschap, dat met 
toestemming van de regeering het gebouw van de aandeelhouders huurde en speelde 
tegen betaling van entree en abonnement. De komst der Franschen droeg niet weinig 
bij tot de verheffing van het Théatre francais, waar de voorstellingen van treur-, blijspelen 
en opera's weldra op nog breeder schaal werden voortgezet tot het jaar 18 10. Het getui- 
genis van vreemdelingen, die in deze jaren Amsterdam en ook de Fransche schouwburg 
bezochten, is even gunstig voor de inrichting als voor de artisten. De een prijst de 
dames Casal en Bl.ONVAL, iste en 2de zangeressen, die aan de hoogste eischen voldeden. 
Alle artisten te zamen hadden zijne verwachtingen overtroffen; „men kon zonder groot- 
spraak zeggen", verklaart hij, „dat Amsterdam een Fransch tooneelgezelschap bezit, 
waarover zich geen stad in Frankrijk zou behoeven te schamen". «) Een ander, die de 
vroolijke opera van Gretry La caravane de Cairo hoorde uitvoeren, verklaarde: „De 
schouwburg is klein maar net en het tooneel zoowel als de decoratiën zijn met smaak 



1) „Word aan den Leeden van het College Dram atique et Lyrique hiermede gewaarschuwt, dat de Heeren welke 
haare koetsen voor negen uuren verlangen, deselve kunnen laten voorkomen, wanneer zij zulks verlangen, dogh na negen 
uuren sullen alle de koetsen om ongelukken te vermijden als van ouds de ordinaire lr.tin moeten volgen en van den 
Amstel moeten oprijden'*. (Sted. Archief.) 

a) Bemerkungen au/ einer Reist nach Holland^ Oldenb. 1793. S. 47 f. 

») Ik vond alleen de namen van Lemoinne en Moulinneuf. 

* Op het Stedelijk Archief. Ze bevatten de voorstellingen van 2—16 Apr. 1791, 12 Dee. 1792—9 Maart 1793. 

') Kabinet van mode en smaak. 
Tooneelk. Briei>en, t. a. pi. 

31* 



244 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

ingericht, het getal toeschouwers was aanzienlijk. De loges waren minder bezet maar de bak 
was bijna en de galerij propvol. Alle banken in den bak zijn met rugleuningen voorzien. 
De aanzienlijkste en rijkste lieden achten het niet beneden zich in den bak te zitten, en 
zijn hier evengoed als in de loges gekleed." Hij zag er bejaarde dames, die eene ver- 
bazende menigte diamanten droegen i). Met het oordeel over de smaakvolle inrichting van 
het gebouw stemmen ook anderen in. „The pit or parterre," zegt een Engelschman 2), 
die er zich met een'v»traineau" heen liep slepen, „is very commodious, having comfor- 
table seats with convenient low backs ; and these being regularly numbered, all crowding 
and dissatisfaction is prevented". Een ander ') noemt dezen schouwburg „small but neat, 
and tolerably well supplied with performers." Eene Duitsche dame *) vond ook „das 
französische Schauspielhaus sehr klein," „war aber sehr voll", voegt zij er bij, „und ist 
recht nett". Doch zij had zich verbaasd over de sterke longen der spelers, en blijkbaar 
voelde zij zich in de kleine ruimte, waarin „die Stimmen dieser Schreihalse nervenerschüt- 
jtend zurücktönten," niet op haar gemak. 

De uitvoerigste berichten van de Fransche opera in dit tijdperk dagteekenen van 
de jaren 1803 tot 1806 '). Als commissarissen stonden aan het hoofd van het College 
J. Massac, G. Asschenberg, J. B. Ducos en J. G. Mvnssen, terwijl H. Ponteves de 
betrekking van secretaris vervulde, Baudrier was regisseur, die later door Faure en 
MüULiNNEUF werd opgevolgd. Als zangers komen voor MORiN, Campenhaut, Joseph, 
Gaspard (i" hautecontre), Hurteaüx, Martin, Giral (2°<i hautec.), Deyris, Dupuy 
(i«' basse taille;, Gadbled, Deschamps (2*^^ basset), ^der Delie, Berge ennogeenige 
anderen; als zangeressen Selmer, Lobé, Blonval, Cazal (i« chant), Baillet, Kuntz 
{2^ chant.), Regnault, Tobie (3™* chant.), benevens enkele soubrettes, duègnes en eleves. 
Het koor bestond uit zes mannen- en zes k acht vrouwenstemmen. Het orkest was uit 
twintig muzikanten saamgesteld. Voorts waren nog een vrij groot aantal geëmployeerden 
aan deze inrichting verbonden. Het geheel was op een voor dien tijd zeer breede leest 
geschoeid. De directie liet niets onbeproefd om aan de voorstellingen allen luister bij 
te zetten, door tooneelspelers en zangers van naam naar Amsterdam te lokken, die het 
op hun beurt niet beneden zich achtten in de kleine zaal op de Erwtemarkt op te treden. 
Talma trad hier op in Othello en Agamemnon en Mad. Vanhove in Macbeth. De ge- 
vierde actrice in het blijspel, Mad"« Contat gaf hier twintig voorstellingen; „haar 



') R. Fell, Reite door de Bataaf scht Republiek in 1800. Uit het Eng, Haarl. z8o6, bl. 159 vv. 

9) S. ISELAND. 

s) J. QfiXA^Atour through Holland in 1806. London 1807, p. 305 f. Hij voegt er deze niet onaardige bijzonderheid 
bij. „After the play it is usual to go to the Rondell, where the higher classes of the women of the town assemble to 
waltz. This assembly-room, like the spill-house of Rotterdam, is frequented by tradesmen, their wives and their childem. 
The assembly-room is small and shabby, the music wretched, and adjoining is a small square court, with tbree or four 
trees in it, scantily decorated with about a dozen lamps. Such is the celebrated Rondell of Amsterdam, which the Dutch 
who have never visited England contend is superior to our Vauxhall." 

4) Theresa H., Bemerkungen über Holland. Leipz. 1 8 11, s. 219 . 

•) VolL Tooneel Almanak. 




DE OPERA TE AMSTERDAM. 245 

betooverend spel overtrof alles wat men nog gezien had" ^). Zoo was het ook met de 
opera. Als de eerste tenor van het „Théatre des arts" te Parijs, Le Brun, in Oedipe a 
Colonney Seleucus en andere muzikale dramas optrad, verdrong de menigte zich om hem 
te hooren. Maar niet altijd waren er artisten, die zulk eene aantrekkingskracht uitoefenden, 
en dan liet de directie wel eens een .Engelschen buikspreker of een Italiaanschen koord- 
danser de zaal vullen. 

Het repertoire van dezen tijd steekt gunstig af bij dat van vroegere jaren. De 
opera staat op den voorgrond, de comedie en vaudeville strekken in den regel slechts tot 
aanvulling, en treurspelen worden alleen gegeven, wanneer men in de gelegenheid is 
groote acteurs te doen optreden. Naast enkele der vroegere werken van Gretry, Dalayrac 
en Mehul vinden wij thans een aantal nieuwe van deze componisten, alsmede Le calife 
de Bagdad van BOIELDIEU, Le locataire van Gaveaux, en opera's bouffe van PiCARD, 
Desciiamps en anderen *). Men ging voort met nieuwe Italiaansche opera's voor het 
Fransche tooneel te bewerken. Doch wat vooral de aandacht verdient is, dat ook de 
meesterwerken van MOZART, Venlèvement du Serail, Le mariage de Figaro '), La fltUe 
enchantée en Don Juan *) voor het voetlicht werden gebracht. Na de ontbinding van 
dit gezelschap komt de naam van dezen grooten meester in alle volgende jaren nog maar 
een paar malen in den Franschen schouwburg voor. 

Vóór het tijdperk waarover ik sprak had het Théatre francais een concurrent ge- 
vonden in een ander college dramatique, dat in 1802 den schouwburg in de Amstelstraat 
huurde, om voor hen die ƒ lO.io per maand betaalden drie representaties per week te 
geven, terwijl er maandelijks twee gegeven zouden worden voor het publiek ten voordeele 
van de tooneelisten. De „artistes sociétaires," onder de regisseurs VoiZEL en Nachon, 
voerden hoofdzakelijk opera's op met een personeel van vier-en-twintig zangers en zangeres- 
sen, de choristen medegerekend. Deze gingen voor een deel tot het oude college over, 
toen de voorstellingen den 2«» April 1803 werden gestaakt •). Naar het schijnt geschiedde 
dit bij minnelijke schikking, daar twee der commissarissen later met de andere de leiding 
van het Théatre Fran9ais op zich namen. Ondanks deze versterking van krachten en 
de belangstelling van het publiek had men met finantieele moeielijkheden te kampen, die 



1) Toonetlk. Brieven, 

9) In den Voll. Toon. Alm, zijn niet alleen de „nouveautés" achter het répertoire opgegeven, maar wordt daaraan 
tevens een enkel woord toegevoegd omtrent het karakter van het werk, en den bijval waarmede het ontvangen is. 

3) ,Traduit en iran9ais par un amateur de cetto ville" wordt er bijgevoegd. 

<) y Grand succes." Van 1801 komen in ^.tAmsterd. Courant de advertentién van den Franschen Schouwburg voor 
doch alleen wanneer het benefiet-voorstellingen geldt, die waarschijnlijk altijd publiek waren. Zoo laxen wij dan ook in de 
Amst. Cour. van 13 en 15 Oct. 1803: „Spectacle franfais. Au benefice de Mad. Baillet, Mardi 18 Oct. la première 
représentation de Don Juan^ opéra en 4 actes, musique du célèbre Mozart, traduit et arrangé pour le scène Fran9ais par 
un amateur de cette ville. Cette pièce sera ornée de tout son spectacle". 

*) VolL Toon, Alm. iSos. Het repertoire wordt daar niet gevonden, dienaangaande blijkt echter een en ander uit 
de advertentién van de Anuierd. Courant, Tot de ontbinding van dit gezelschap schijnt ook te hebben bijgedragen de 
omstandigheid, dat het wel eens wat al te vrije comédies opvoerde. Zoo moest La chaste Susanne door de regeering 
verboden worden. 



216 DK OPERA TE AMSTERDAM. 

eindelijk dwongen tor sluiting. Misschien heeft ook de volgende bepaling van de nieuwe 
regeering ongunstig gewerkt. „Le Conseiller d'État," zoo luidde de aanschrijving van 
De Lesné-Nazel De Kkssel van 31 Ma^rt 1807 i), „Commissaire Général des Théatres, 
annonce h tous ceux k qui cela peu*: intéresser, qu'^ commencer de la prochaine campagne 
theatrale, ou Ie 21 Avril, aucun artiste dramatique ou Jyrique ne pourra exercer ses talens 
sur ■ aucun théatre du Royaume sans une permission expresse et particuliere de sa part. 
Les entrepreneurs, directeurs et administrateurs des spectacles, tant existants que ceux 
qui pourroient vouloir s'établir, doivcnt, pour eet effet s'adresser dans Ie plus court delai 
au dit Conseiller d'État et Comm. Génér. k la Haye en soumettant Ie genre de leur troupe, 
les noms de leurs artistes et la place de leur entreprise." Zulk eene controle bracht 
commissarissen in moeielijkheden, ten gevolge waarvan de voorstellingen niet werden hervat. 
Zou dan de hoofdstad van het nieuwe koninkrijk geen Fransch theater meer hebben, 
en LODEWIJK Napoleon, als hij hier vertoefde, alleen den Hollandschen of den Duitschen 
schouwburg kunnen bezoeken.? Doch in het gemis werd weldra voorzien. „Le Théatre 
francais d' Amsterdam", las men 8 Sept. 1807 >n de Amsterd. Courant, „par différentes 
circonstanccs malheureuses, ayant dtc obligé de fermer, et i'administration du Théatre de 
la Haye ne voulant point priver la ville d'Amsterdam d*un spectacle francais, k Thonneur 
de prévenir Ie public qu'elle vient de réorganiser ce móme Thdatre et que Touverture en 
sera faite dans Ie courant de ce mois*'. Werkelijk werd het Théatre francais op 22 Sept 
weder geopend met de opera van Berton, Alinc reine de Golcoiide^ en verder geregeld 
voortgezet. TlilBAULT was regisseur gebleven, en onder de artisten ontmoeten wij bekende 
namen. 3) Toen het abonnement in Maart 1808 geöindigd was, riepen de artisten zelve 
opnieuw de vrienden van de Fransche opera op, om door inteekening de voortzetting 
mogelijk te maken. Zij vonden genoegzaam stcim om in Mei weder te beginnen en tot 
18 10 bijna geregeld op Dinsdag, Donderdag en Zaterdag te blijven spelen. G. AsscHENBERG 
was thans commissaris, MOULINNEUF administrateur, en P. Geraud secretaris. ') De troep 
schijnt ook nieuwe krachten te hebben gewonnen, zoodat men op 's Konings verjaardag 
eene eerste voorstelling kon geven van Grktrv's Pierre Ie Grand, Men had de concur- 
rentie vol te houden met de „Comédiens ordinaires du Roi'', die sedert April 1808 inde 
Amstelstraat voorstellingen gaven, eerlang bij afwisseling met de Italianen. Men begrijpt 
dat het „Théatre Royal", zooals de Hoogduitsche schouwburg heette, tijdens het verblijf 
van den Koning van Holland in de hoofdstad, de grootste aantrekkingskracht oefende. 
Daar hoorde men een Campenhaut en den voortrcffelijken baszangcr HUBV, en de gevierde 
zangeres LOBÉ. Meermalen werd hier opgevoerd Grotius^ „opera historique en 3 actes 



1) Amst. Cour. 2 April. 

2) De hcercn Gadbleü, Giral, Mad. Tobi, enz. Ze komen nu en dan voor in de advcrtentiCn in d^ Amst, C<mr.^ 
die tevens doen zien. dat het repertoire niet verandeid was. Het pcisonccl liet cchier niet toe groote werken als die van 
MozART uit te voeren. 

ï) liet tegfnuih-rdig Amsterdam, Amst. 1809. bl. 292 v. De prijzen der plaatsen worden hier aldus opgegeven: 
iste rang 2 g. 4 st., parquet 2 g., parterre en 2de r. i g. 6 st., 3de 14 st. 




DE OPERA TE AMSTERDAM. 247 

k grand spectacle", ofschoon overigens het repertoire van dat op de Erwtemarkt niet 
zeer verschilde. Het schijnt dat over het algemeen de artisten van het Théatre fran9ais 
beter voldeden dan de Comédiens du Roi, al bezaten zij enkele uitnemende sujetten. 
Bijna twee jaren lang is Amsterdam in het bezit geweest van twee Fransche theaters, 
waar men door meerendeels goede zells enkele uitnemende zangers en zangeressen het 
beste kon hooren, wat op het gebied van de Fransche en Italiaansche opera toen werd 
uitgevoerd. 

Gedurende de Fransche overheersching schijnt het Théatre fran9ais nog eenigén 
tijd gespeeld te hebben. Maaskamp^) zegt: „ce théatre est actuellement privilegie pour 
Ie Département du Zuiderzee", en verzekert dat het gezelschap, hetwelk er toen speelde, zeer 
goed was. „Cest sans contredit la meilleure troupe de province de tout TEurope". Hij 
roemt de tooneelspelers Garnier, Morel, Lagardère en AUGUSTE, en spreekt o ver,, la 
voix brillante, flexible et pure de MUe Lemaire, Ie chant noble et gracieuse de MM. 
Coeuriot, élève du conservatoire imperial, et Campenhaut; Ie jeu plein de grace, de 
vérité et de finesse de MUe Dangeville". In 1812 en 1813 bleef de schouwburg op de 
Erwtemarkt gesloten. «) Eerst op 17 Febr. 18 14 werd zij heropend met de Lodoiska 
van Kreutzer. De toestand was nu een geheel andere geworden. Het vroegere college 
was sedert lang ontbonden, doch er bleven aandeelhouders, die de stichtingssom hadden 
bijeengebracht, en te zamen eigenaars waren van het gebouw met al zijn toebehooren 
Het was hun niet zoozeer te doen om voordeel te trekken van deze inrichting, dan wel om 
de Fransche opera staande te houden, voor welk doel zij zich gaarne opofferingen ge- 
troostten. ') Doch langzamerhand stierven de meesten der oprichters, en hunne rechtver- 
krijgenden begrepen het gebouw zoo voordeelig mogelijk te moeten verhuren. Zoo werd 
het Théatre fran9ais eene particuliere onderneming van verschillende directeuren, en reeds 
in 1809 kwam de schouwburg onder administrateuren, die benoemd werden door de 
Anondissements-Rechtbank te Amsterdam. Gedurende veertig jaren hebben een aantal 
gezelschappen en directiën elkander opgevolgd. Soms bloeide het theater en trok het vele 
bezoekers, doch niet zelden kwijnde het of stond het zelfs voor korter of langer tijd stil. 
Nu eens trad de comédie en het drama, dan weder de opera op den voorgrond; vaak 
liet de laatste zelis maanden op zich wachten. Een en ander hing natuurlijk samen met 
de vraag of de directiön al of niet slaagden in het aangaan van engagementen. Het l'gt 
natuurlijk niet in mijn plan den loop van zaken geregeld te volgen; ik beloofde slechts 
bijdragen te geven tot de geschiedenis voor de opera in Nederland, inzonderheid te 



1) Nouvelle statisHque historique (V Amsterdam^ p. 255, vv. Men speelde op Dinsdag, Donderdag, Zaterdag en Zondng, 
en de prijzen der plaatsen waren iste rang 2 fc. 4 sL, 2de r. i g. 6 st., 3de 14 st. 

») De Amsterd. Courant van d'e jaren geeft alleen advertentifin van den Stadsschouwburg. 

') W. J. Olivier {Afanuel des tranger^ d Amsterdam, Amst. 1838) noemt hen «actionnaires généreux et éclairés^ 
qui pensèrent ne pas acheter trop cher Ie pLiisir d'avoix d Amsterdam une excellente société dartistes au prix i'une 
vingtaine de mille florins par année." 



248 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

Amsterdam. Het zal voldoende zijn enkele tijdperken te overzien en bij sommige bijzon- 
derheden even stil te staan. 

De eerste jaren blijken voor de Fransche opera niet ongunstig geweest te zijn. 
Men speelde geregeld op Maandag, Donderdag en Zaterdag van elke week; alleen gedu- 
rende de zomermaanden stond de opera stil. Het repertoire veranderde weinig; het zijn 
Le petü chaperon rouge en Le Calife de Bagdad van BoYELDIEü, Paul et Virginie van 
Kreutzer, Euphrosyne van Mehul, Richard coeur de lion van Gretry en andere 
werken van dezelfde componisten, alsmede van AUBER, Lemoinne en Dalayrac, die het 
meest werden uitgevoerd. Doch evenals de naam van MOLIÈRE telkens op de aankon- 
digingen van blijspelen voorkomt, zoo doet het goed te midden van compositiën van 
NiCOLO, Piccmi, Sacchini e. a. de meesterwerken van MOZART meermalen vermeld te 
vinden. De koninklijke familie, die van tijd tot tijd dezen schouwburg bezocht^ woonde op 
24 Febr. 18 18 eene uitvoering bij van Don yuan. In Mei zong Lavigne, „premier sujet 
de l'Académie royale de musiquc et de la Chapelle du Roi de France" in de Iphigenia 
van GlüCK, en de Italiaansche zangeres BORGONIA in Tancred. Ook de Barbier van 
ROSSINI werd voor het eerst uitgevoerd en telkens herhaald. Het gebeurde toen en later 
dikwijls dat de Franschen en Duitschers dezelfde werken uitvoerden, waarbij de vergelij- 
king «nu eens in het voordeel van het eene dan van het andere gezelschap uitviel. Enkelen 
van de vroegere artisten keerden in 18 14 terug; of de nieuwe die o* telkens bij kwamen, 
een Lacoste bijv. en de dames Terneaux, Chardon en Tay sieraden waren van het 
gezelschap is moeielijk te beslissen. Wij worden eenigermate ingelicht door een niet zeer 
toegevend beoordeelaar, die in 1823 zich over het Theater francais aldus uitliet.^) Hij 
noemt het een tooneel van den tweeden rang, waar de ,,bonne commedie" soms de 
afgezaagde opera's vervangt *) Dangeville was toen directeur, MOULINNEUF maitre de 
musique en Grandville régisseur. Als zangers noemt hij den eersten tenor, COEURIOT, 
die als acteur zeer middelmatig was, Fabre, tweeden tenor, Noyrigat en Duchesne, 
eerste bassen, welke laatste een vrij goede stem had en bovendien een niet onverdienste- 
lijk tooneelspeler was, en MONDEVILLE, baryton. De zangeressen Bellemont, Lescher 
Terneaux en Moncassin schijnen niet uitgemunt te hebben. Het koor bestond uit 
twaalf personen. In plaats van Aline, Gulistan en dergelijke werken verlangde men Sapho^ 
Jeanne d^Arc en andere nieuwe compositiën te hooren. DANGEVILLE, die tot Mei 1828 
directeur bleef, gaf aan deze wenken gehoor, ten minste het repertoire werd met enkele 
nieuwe stukken aangevuld. Le Turc en Italië van ROSSINI viel bijzonder in den smaak 
en diens Tancred werd in 1824 dertienmaal gegeven. Ook nam hij gedurig nieuwe 
artisten aan of trof overeenkomsten met anderen tot het vervullen van gastrollen. Zoo 
werd de Barbier opgevoerd met Chiodi als Basile en Mad. MONTANO, prima-donna van 



*) Kritisch lampje. 

s) De aantrekkelijkheid van de ,comédie" was vooral gelegen in het «équivoque". De „bonton" waakte hier 
eens en sliep tweemaal per week. 



\ 



DE OPERA TE AMSTERDAM. 249 

de theaters te Florence, Weenen en Londen als Rosina. Doch in het najaar van 1826 
verdwijnt de opera van het repertoire, om vervangen te worden door de tragedie. Men 
gaf nu Brittannicus, Athaliey Iphigenie en Phèdre van Racine, en Rodogune van 
CORNEILLE, in welke stukken MUe GeüRGE, eerste actrice van het Théatre fran9ais te 
Parijs, schitterde. ^) De Fransche opera vertoonde zich weer eens, toen de artisten van 
den Koninkl. schouwburg in Den Haag onder directie vkn COLLEVILLE in Januari 1827 eene 
enkele voorstelling in de Amstelstraat gaven. In April 1828 poogde Dangeville nog 
eens een gezelschap bijeen te brengen; een paar opera's werden opgevoerd; doch hij 
slaagde niet en tra'd af. 

De Fransche schouwburg werd in Sept. 1828 heropend met de opvoering van 
La Dame blanche van BOYELDIEU. Niet alleen deze opera was iets nieuws, maar een 
geheel ander gezelschap debuteerde met een nieuwen directeur, Martin Touring. Onder 
hem en onder AuGUSTE NOURRIT, die twee jaren later de leiding van zaken op zich 
nam, ging het Theater francais zeker niet achteruit, en bleef het de^ concurrentie goed 
volhouden met het Duitsche Theater. Onder de nieuwe werken, die langzamerhand de 
oude opera's geheel begonnen te verdringen, verdienen vermelding Marie van Herold, 
Le stege de Corinthe van ROSSINI, die weder gelijktijdig bij de Duitschers voor het 
voetlicht kwam. La neige, Le philtre en vooral La muette de Portici van Auber, 
Guillaume Teil van Gretry en Marguérite d*Anjou van Meyerbeer. De Belgische om- 
wenteling deed aan het Théatre fran9ais geen goed. Men verklaarde zich tegen al wat Fransch 
was. Maar een der artisten, Vautrin, wist raad; hij vervaardigde gelegenheidsstukken. 
Herhaaldelijk werd eene apotheose met muziek opgevoerd, getiteld Van Speyk aux champs 
Elysées. Toen de vorstelijke familie op 12 April dezen schouwburg bezocht, werd zij 
verrast door een ,,k propos patriotique" getiteld: Le départ de la garde nationale d^ Am-' 
sterdanC\ In November werd hier uitgevoerd ^fiuillaume de Nassau ^ ou quinze ans 
d! histoir^\ met muziek van Ch. Mezerai. De mise-en-scène was van den directeur 
zelven. Misschien zijn de teksten van deze historische stukken, waarover tijdgenooten 
met bijzonderen lof gewaagden, wel bewaard gebleven, doch het gelukte mij niet ze te 
vinden. Hoewel zulke stukken honderden toeschouwers trokken, gaf NoüRRlT het toch 
op. Vautrin werd nu directeur. Deze getroostte zich vier jaren lang groote opoffe- 
ringen, maar trok zich eindelijk niet zeer eervol terug.») Van die jaren is niets belangrijks 
te berichten. De enkele namen van zangers en zangeressen, die nu en dan in advertentiën 



1) Bij het koniDklijk bezoek op 12 Oct. 1826 werd de Mirope v^ Voltaire gegeven. In April 1828 hoorde de 
vorstelijke familie het blijspel: Les trots quartiers. In den Franschen schouwburg was eene koninklijke loge ingericht, vlak 
over het tooneel, waarvoor de koning aan den schouwburg eene subsidie verleende, in den vorm van huur, van f 3000. 

s) ,11 avait perdue de vue", schrijft W. J. Olivier (Manuel des étrangers h Amsterdam. Amst. 1S38). „ce que les 
directeurs de ce théètre ne devaienl jamais oublier, c'est qu'en Hollande la bonne foi et la loyauté en toules choses forment 
la condition absolue de la réussite de toute entreprise, comme elles sont les plus surs garants de la bienveillance du 
publie du thédtre fran9ais d Amsterdam". 

32 



250 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

genoemd werden, ga ik stilzwijgend voorbij, omdat ik verder niets van hen vond opge- 
teekend, terwijl men uit zulke sporadische berichten zich bezwaarlijk een oordeel kan 
vormen over de samenstelling van het geheel. 

Gelukkig hebben wij van het jaar 1834 weder een berichtgever, die ons geheel op 
de hoogte brengt van den toenmaligen toestand ^). De administratie bestond uit het volgend 
personeel : Vautrin directeur, FÊDE opzichter van het tooneel, MOULINNEUF chef van 
het orkest en tevens betaalmeester, L. Strelitzki 2<^« orkestmeester en repetiteur, 
Baudat regisseur, Beneyt roUezer en J. Strelitski bibliothecaris. De zangers waren 
Theodore i»% Roche 2^« tenor, Margaillon i*'« bassetaille, Joannis i»*« en 2**% 
Baudot 2^ en 3<^« basset; de zangeressen RoCHE i»'« chanteuse en tout genre, Stoets 
contrealto, JOLLY i«% Laüre 2^^ dugazon, Stevens forte chant, Beneyt en Betsi 3^« 
dugazon. Voorts behoorden tot het gezelschap tien mannelijke en evenveel vrouwelijke 
koristen. Volgens den schrijver deed de schouwburg goede zaken. Het gezelschap 
vormde een voldoend geheel en had zeer verdienstelijke kunstenaars. De eerste op- 
voering van Meyerbeer's Roberi Ie diable^ die in dezen tijd plaats had, liet niets te 
wenschen over. 

Hoe lang Vautrin directeur is gebleven durf ik niet met zekerheid te bepalen. 
Een paar jaren later vinden wij COEURIOT aan het hoofd, daarna Baudat, en weder 
een paar jaren daarna Eduard Haquettk Telkens verschijnen er nieuwe artisten, maar 
het Franschè theater heeft zijn bloeitijd gehad en begint achteruit te gaan. Wel komen 
er gedurig nieuwe werken op het repertoire, zooals La Juive van Halevy, Zdmpa van 
Herold, Le postillon de Longjumeau van Adam, Le Cheval de bronze van AUBER, Robin 
des bots van Weber, La fille du regiment en Anna de Boulen van DONIZETTI; wel doen 
zich nu en dan artisten hooren, die uitmunten door de zuiverheid van hunne stem en de 
voortreffelijkheid van hun spel, zooals Mad. Ponchard van het théatre de Topéra comi- 
que te Parijs als Anna in La Dame blanche^ Mad. Pradhier van hetzelfde theater in 
C Eclair van Halevy en andere opera's van Herold en Auber, en het echtpaar HebeRT, 
ex-pensionaires van hetzelfde theater, toen aan de Haagsche opera verbonden, — maar 
geen directeur scheen het te kunnen volhouden 3). De beste artisten sloegen nu als ,,artistes 
sociétaires'' de handen ineen en beloofden in Jan. 1843, dat zij zoo spoedig mogelijk de 
plaatsen zouden aanvullen, die door het vertrek van artisten en gasten onbezet waren. Onder 
leiding van een hunner, EUGÈNE René, vormden zij zelfs een plan tot reorganisatie van 
het Franschè tooneel, dat zij onderwierpen aan de goedkeuring van het publiek. Het stuk 
is te merkwaardig en werpt een te eigenaardig licht op de geschiedenis van ons theater, 



*) Malpomene en Thalia^ 'sGravenh. 1834, bl. 47, vv. 

^ In het najaar van 1842 was het Reichenstein. Men vindt een ^tableau de la troupe'\ waarin ook de leden 
van het orkest rijn opgenomen, in den Tooneei'Alm. voor 1843. Amst. M. Westerman & Zn., bl. 106, v. 




DE OPERA TE AMSTERDAM. 251 

dat langen tijd een sieraad van de hoofdstad is geweest, om hier niet in zijn geheel 
medegedeeld te worden. Het luidt aldus ^). 

PROJET D'EXPLOITATION POUR L'ANNÉE 1843 et 1844. 

,,Depuis plusieurs années Ie Théatre Frangais d' Amsterdam a perdu de sa spiendeur et par conséquent 
ceasé d'être Ie rendezvous de la haute société. La decadence de ce Théatre a pour causc naturelle la 
gestion des Directeurs auxquels il a été confié, speculateurs inhabilles, peu soucieux de Part, ne consul- 
tant que leur intérét personnel, sans songer aux besoins d'une nation éclairée, hospitalière, et protectrice 
de tout de qui est beau, de tout de qui est grand. Il faut donc régénérer Ie Théatre Frangals, tant par 
un personnel de premier ordre, que par Ie choix des ouvrages qu'on y devra représenten Cette tiche 
dlfficile et laborieuse, je ne crains pas de 1'entreprendre, seconde par des Artistes de mérite quejeréunirai 
avec soin, et j'ose assurer que je la remplirai jusqu'au bout avec perséverance et courage. Mals pour 
arriver k ce but, il ne faut point se dissimuler la difficulté des premiers pas, j'ai besoin, je l'avoue, d'une 
confiance, qui ne s'acquiert pas avec des paroles, mais avec des faits, et c'est ce que je désire ardemment 
prouver. Les difficultés sans nombre^ les obstacles de toute nature qu'il a fallu surmonter pour continuer 
une entreprise mal organisée, et n'inspirant que peu d'intéret, me donnent confiance dans Tavenir, car ce 
n'est, je Ie répète, qu'avec beaucoup de peine qu^il a été p9ssible de tenir jusqu'i cejour. J'espère obtenir 
désormais des resultats plus heureux, certain par expérience, qu'avec du travail et beaucoup d'économie, 
$1 n'est pas impossible d'arriver sans encombre au but qu'on n^a pu atteindre depuis longues années, qu'avec 
de grands sacrifices. Je soumets donc è eet eflet un mode nouveau d'abonnement qui ne peut qu'ètre 
agréable au public et avantageux k la direction. Si comme je Tespère j'obtiens un bon nombre d^abonnés, 
je m'empresserai de composer la troupe, de conserver et d'engager des Artistes dignes de la bienviellance 
d'un public juste et éclairé. Maintenant que j'ai posé Ie principe, je vais montrer Ie moyen. L'^Année 
Theatrale devra conmiencer Ie 15 Septembre et finira Ie 15 Mai 1844; trois genres seront représentés: 
Ie grand Opéra, les Opéras traduits, TOpéra comique, la Comédie de genre et Ie Vaudeville." 

Hierop volgen de voorwaarden voor het abonnement, die men ter plaatse kan nalezen; >j'espère" 
voegt h^ er aan toe, „rencontrer ici assez de sympathie pour voir seconder mes efforts, et par consequent 
continuer un projet, qui a déj^ regu une partie de son exécution, et qui, j'ose Ie croire, sera couronné d'un 
plein succes." 

Het stuk is geteekend: Un des Commissaires du Théatre Fran^is. 

EÜGÈNE RENÉ. 

Het bleef niet bij het woord; dat het dezen artisten ernst was blijkt uit het vleiend 
oordeel door de kritiek uitgesproken, toen zij in het najaar met La yuive de winter- 
campagne hadden geopend, die weldra gevolgd werd door eene uitstekende opvoering van 
La favorite. Ik geef voor een oogenblik het woord aan een tooneelbeschouwer van die 
dagen. •) „Het Amsterdamsch publiek mag zich dit jaar in een zeer goeden opera-troep 
verheugen. Nog weinig hadden wij een kunstpersoneel in ons midden, dat in zijn geheel 
en in zijne onderdeden met zooveel getrouwheid aan de eischen eener zangspeluitvoering 
wist te voldoen. René is als directeur iemand, die bijzondere blijken van bekwaamheid 
heeft gegeven in de administratie, door de invoering van het maandelijksch abonnement en 
de goede keuze van zangers". Alleen wordt de wensch uitgesproken, dat hij spoedig 
„zijn talrijk en aanzienlijk bezoek" op nieuwe opera's mocht vergasten. Die wensch werd 
reeds in het begin van 1 844 vervuld door de opvoering van Les Huguenots van Meyerbeer 



1) AmsU Cour, 22 Apr. 1843. 

3) De Sputatar van Tooneel^ enz. 's Gravenh. 1843, 1^* ^1* hl. 159, vt., 169, w. 

32' 



^-■r '~i ^tr^ ■ • - -.^^^Êt^. ■.,.^*,. •■_ ■ -- — .^-tjgk^a^»^. .-f ■ *L:>:^ — — ^ /„ , 



252 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

en Don Pasquale van DONIZETTI. „De eerste zangeres, Mme Marneffe", zoo gaat hij 
voort, „bezit bij eene krachtige, welluidende stem, eene waarheid van spel, eene gemak- 
kelijkheid van uitvoering der zwaarste rollen, eene juistheid van intonatie, die haar tot de 
grootste zangeres vormen, welke wij sedert jaren op het tooneel gehoord hebben". Minder 
gunstig is het oordeel over Mme ISMA René als zangeres, ofschoon hij recht laat weder- 
varen aan haar bevallig spel. Daarentegen is hij zeer ingenomen met MUe Petipa, „de 
waardige ondersteunster der prima donna", die o. a. als Rosina in den Barbier en Isabelle 
in Robert optrad. „Hare jeugdige stem is zeer helder en aangenaam, vooral in de hooge 
toonen, en zij heeft veel gemakkelijkheid in het uitvoeren der zwaarste kadensen en 
agrementen". Den eersten tenor, Mouchelet, had hij als Eleazar in La Juive^ als 
Masaniëllo in La Muette^ voorts in Robert^ Guillaume Teil en La Favorite gehoord. 
Diens optreden in de laatste opera had hem in verrukking doen uitroepen : „MoüCHELET is 
een groot zanger"! Wel bleek hij in andere rollen te kort te schieten, maar toch waar- 
deerde hij „de welluijlende, teergevoelige, volgens eene uitmuntende methode behandelde 
stem en de alleszins goede gesticulatie" van dezen acteur. De andere tenor, Lemoinë, 
heeft, zegt hij, ,,eene aangename, doch gevoileerde stem, eene bevallige voordracht en een 
goed begrip van de vereischten der opera comique". „Aynel, de baryton", gaat hij voort, 
„heeft bij een welluidend en rondborstig stemorgaan het ongeluk van niet te weten hoe 
hij op het tooneel zijne armen moet houden. Devilliers, première basse chantante 
noble, heeft gemeend zich het verlies der diepte van zijne stem ten gunste van eene 
meerdere hoogte te moeten getroosten. Dit beneemt zijne stem dat orgelachtige, dat 
men in een baszangcr verlangt. Hij zingt echter altijd zuiver en draagt zijne rollen met 
juistheid en kracht voor. De andere tenor- en baszangers, MONTREUIL, HONORÉ, SansoN 
en Lebel kwijten zich meestentijds goed van de hun opgedragen rollen. De koren zijn 
goed bezet en voeren de zwaarste ensemblestukken met veel aplomb en juistheid uit. 
De grootste lof komt hiervoor zeker toe aan den chef d*orchestre MOULINS. Hij is een 
directeur, zooals er in de gantsche stad geen tweede is te vinden". 

Jammer dat dit oordeel maar gold voor een jaar. Na dit eerste speelseizoen liet 
René ,,faute de moyens", de artisten aan hun lot over. In het najaar van 1844 vormde 
zich onder gérance van Debreuil eene „Compagnie fran^aise", die van nu aan op 
dezelfde wijze het Théatre fran9ais trachtte gaande te houden. Behalve Mlle Petipa 
waren de vorige zangers en zangeressen dopr nieuwe artisten vervangen, die over het 
algemeen goed voldeden. ^) De oude opera's werden steeds herhaald, en maar éene nieuwe, 
La Sirene van AUBER, op het repertoire gebracht. Reeds in Maart 1845 verminderen 
de uitvoeringen, en met het nieuwe speelseizoen keert de opera niet weder. Men bleef 
zich bepalen bij de tragedie en de comedie. Het scheen met de Fransche opera te 
Amsterdam gedaan te zijn. 



>) SpectaUr^ 1844, D. IV, bl. 226, v. 



DE OPERA TE AMSTERDAM. 253 

Maar neen, zij herleefde onder Sanse als directeur in October 1846, wien het weder 
gelukte een aantal bekwame artisten uit Frankrijk te doen overkomen. „Al is het dat 
zij den dampkring in Holland onverdragelijk heeten voor hunne stem", zegt C. VAN DER 
Vijver ^), „toch zijn zij vatbaar voor de aantrekkelijkheid van de HoUandsche guldens, 
die zij niet zelden medenemen". De opvoering van La Favorite was het begin eener 
reeks voorstellingen, die uitnemend slaagden. Lucie^ La Muette en ook kleinere werken 
als Le maltre de chapelle, La Sirene en andere opera's volgden elkander regelmatig 
op. Mad. DiDOT werd luide toegejuicht als Rosine in den Barbier, als Isabelle in 
Robertf als Mathilde in Guillaume Teil, als Anna in La Dame blanche. Mad. Valton 
voldeed aan alle kunstvrienden als Rachel in La Juive^ als Valentine in Les Huguenots, 
De baryton Haly alsmede de andere zangers werden zeer geprezen. De uitvoering van 
La reine de Chypre werd allergunstigst beoordeeld. ^) Daar kwam op eens eene adver- 
tentie in de Amsterdamsche Courant, ') als een donderslag bij een helderen hemel, dat 
het allertreurigst met de zaak gesteld was. De gezamenlijke artisten berichten, dat Sansê 
als directeur zich had teruggetrokken, na mededeeling gedaan te hebben van het „deficit 
énorme", terwijl hij had voorgesteld „de constituer la troupe en société". Uit de rekening 
en verantwoording bleek het volgende. De directeur had in deze vier maanden van het 
^peelseizoen reeds meer dan de helft van de koninklijke subsidie verbruikt. Bij de afge- 
loopen 35 representatiën had de opbrengst van de abonnementen bedragen ƒ 3949.90, aan 
plaatsgeld was ontvangen eene som van f 4985.60, zoodat / 8935.50 in het geheel 
geïncasseerd waren.*) Alle uitgaven te zamen beliepen ƒ 7112.88; er bleef dus voor de 
artisten / 1822.62. Doch van dit bedrag had Sanse zich reeds f 1350 als honorarium 
toegeëigend ; weshalve de acteurs en actrices te zamen f 472.62 te deelen hadden. De 
ex-directeur telde hier echter bij de opbrengsten van concerten, door Thalberg in 
den schouwburg en door het orkest in Felix Meritis gegeven, van de verhuring van 
het buffet en van voorstellingen buiten de stad, en zoo werd het batig saldo voldoende 
om aan ieder zijn tractement uit te keeren met korting van zes weken. Onder deze 
omstandigheden deden de tooneelisten een beroep op het publiek. Wanneer een genoeg- 
zaam aantal personen wilde inschrijven voor een nieuw abonnement, dan zouden zij zich 
tevreden stellen met de plaatsgelden, die aan de kas werden ontvangen en gemiddeld 
ƒ 1200 per maand bedroegen, en hoopten zij in staat te zijn: „de terminer k Amsterdam 
la saison dramatique, et de ne pas laisser dans la misère une foule de families HoUandaises, 
qui ne vivent que par le Théatre fran9ais". 



>) Geschiedk, beschrijving der stad Amsterdam. Amst. 1846, bl. 43, v. 
5) Amsierd, Cour, 15—18 Dec. 1846. 

^ 18 Febr. 1847. Het stuk is in aller naam onderteekend door E. Mouchelef, A. Bousquet, Planque, Rosé, 
Vr. Schemelser, Arnould, f. Haly. 

<) C. VAN DE Vijver ( Wandelingen in en om Amsterdam. Amst. 1829, bl. 160 v.) zegt, dat de recette per avond, 
als de schouwburg goed bezet was, / 1000 bedroeg. 



— ^™^'— ^— -*^ *• • ••■.^ . — . _^^.t^^^m:.-^ .^ ■ -.*• ^ ^-j.*.^»^-- ■ , - 



254 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

De kunstvrienden bleven niet doof voor het beroep op hunne hulp. De opera werd 
niet alleen tot 1 5 Mei voortgezet, maar begon in September opnieuw met La favorüe. 
Wel werden geregeld op de daarvoor bestemde dagen zoo oude als enkele nieuwe werken 
uitgevoerd, maar het schijnt groote moeite gekost te hebben om een goed gezelschap 
bijeen te krijgen, of deugdelijke zangers en zangeressen aan deze inrichting te ver- 
binden. Althans onder het personeel komen telkens andere namen voor. Zij die ten laatste 
overbleven namen op 19 Febr. 1848 hun afscheid met Les martyrs van DONIZETTI. Het 
duurde tot September 1850 eer de Fransche schouwburg weer geopend werd met Les 
mousqueiaires de la reine van Halevy. C. Lavergne, die sedert de laatste jaren aan 
het hoofd had gestaan van een Théatre de vaudevilles op het Singel bij het Koningsplein, 
trad als directeur op, en het gelukte hem een goed ensemble saam te stellen. Het met 
zorg gekozen repertoire, waarop ook nieuwe opera's van AUBER, Halevy en Flotow 
voorkwamen, uitgevoerd door zangers als Faller (tenor), Baille (baryton), VAN GooR 
(bas) en Huner, en zangeressen als Walker (sopraan), Clari en Pretti-Chaix, soms 
bijgestaan door gasten als Leonardi, eerste tenor van het theater te Londen, en FiNOSCHi. 
Majeski, eerste bas van het Théatre Italien te Parijs, als Thibeaud en Mad. Stransky, 
die alle rangen bezet zagen, als zij in Les Huguenots of Robert Ie Diable optraden, ver- 
levendigden de overtuiging, dat het toch nog mogelijk kon zijn te Amsterdam eene goede 
Fransche opera staande te houden. Het verwondert ons dan ook niet dat er een nieuw 
gezelschap onder den directeur-gérant Huner in het najaar van 1851 bereid bleek te zijn 
om het andermaal te wagen. Doch ditmaal slaagde men niet Huner riep in November 
de actionaires en de abonnés samen in het Wapen van Amsterdam, ,,pour prendre con- 
noissance d'une communication, relative au maintien du théatre". Deze samenkomst heeft 
zeker tot de overtuiging geleid, dat het niet was vol te houden. HUNER gaf de uitvoe- 
ringen op en nam zelf op 30 Maart 1852 afscheid van het toonvel. 

Nog eens, en ditmaal onherroepelijk voor het laatst, herleefde het Théatre de l'opera 
fran9ais in den winter van 1852 op 1853. Dit laatste jaar deed eerlang te meer het 
gemis betreuren en was het roemrijk verleden dezer instelling waardig. Het bleek ten 
duidelijkste, dat de belangstelling van het publiek niet verflauwde, en dat er onder een 
verstandig beheer met goede muzikale krachten aan de toekomst niet behoefde gewanhoopt 
te worden. Doch er deed zich iets anders voor, dat aan alle verwachtingen den bodem 
insloeg. In September 1850 hadden de toenmalige administrateuren van het gebouwi 
Brn VAN TuYL VAN Ser'ooskerken en J. BORSKI eene leening van ƒ 10,000 gesloten 
ten behoeve van den heer P. C. Guichet, waarvoor dit gebouw hypothecair werd ver- 
bonden. De heeren P. C. Stadniski en J. WiTTERiNG, die in Februari 1852 in de plaats 
traden van bovengenoemde administrateuren, bleven ten gevolge van den loop der zaken 
in gebreke om te voldoen aan de bepalingen in de hypotheekacte uitgedrukt. De hypo- 
thecaire crediteur deed daarop het gebouw bij proces-verbaal in veiling brengen in het 
O. Z. Heerenlogement, waar het bij opbod en afslag den 12 Nov. 1855 werd verkocht 



DE OPERA TE AMSTERDAM. 255 

aan den heer Paul Schwartz, leeraar en zendeling der Vrije Schotsche kerk, voor ƒ 247CX). 
De inventaris, die er bij overgenomen moest worden, werd den kooper toegewezen voor 
/ 4244.50 ^). Wat er van den laatsten geworden is, kon ik niet vernemen. Zoo de schouw- 
burg nog iets van een archief of eene tooneelbibliotheek bezeten heeft, dan is het verlies 
daarvan zeker te betreuren. Maar nog meer te bejammeren was de opheffing eener in- 
richting, die bijna tachtig jaren lang een sieraad van Amsterdam was geweest, en waar- 
van het gemis niet vergoed is geworden door de voorstellingen, die sedert de laatste 
jaren alhier door de Haagsche operisten worden gegeven. 



DE ITALIAANSCHE OPERA. 



Het tegenwoordig geslacht, dat zich nauwelijks herinneren kan Italiaansche 
zangers in een Nederlandschen schouwburg te hebben gehoord, zal misschien bezwaarlijk 
gelooven dat er tijden zijn geweest, waarin Amsterdam eene eigene Italiaansche Opera 
bezat Toch was dit inderdaad meermalen het geval. Reeds in het begin dezer eeuw 
bestond er in de eerste koopstad der Bataafsche Republiek een Italiaansch Opera-gezel- 
schap '). Het had zijn ontstaan te danken aan „een steeds klimmende zucht voor den 
Italiaanschen zang." Die zucht werd gevoed door de komst van NicOLO Miarteni met 
eenige Italiaansche zangers en zangeressen, die reeds vóór het jaar 1800 voorstellingen 
schijnen gegeven te hebben in den Hoogduitschen schouwburg. Een vreemdeling, ') wiens 
aandacht dit trok, achtte dit verschijnsel belangrijk genoeg om het in zijn reisverhaal op te 
teekenen, zonder zich te wagen aan de beslissing, of die geestdrift voor de Italiaansche 
opera door de zangers uit het zuiden was gewekt, dan wel of de mode zich hier deed 
gelden. Er vormde zich een college, dat de noodige gelden bijeenbracht, en de geregelde 
voorstellingen begonnen, naar ik vermoed, reeds omstreeks 1800. De zeven uitvoeringen van 
16 Maart 1804 tot 3 Mei 1805 zijn echter de eerste waarvan ik eenig stellig bericht kon vinden. 
Men gaf // pittore Parigino van CiMAROSA, // maestro di Capella en La serva padrona 



1) E^ is bij den verkoop nog sprake van eene som van 5000, waarvoor het gebouw per jaar verhuurd was. Mis- 
schien hebben wij hier aan de koninklijke subsidiën te denken. De bijzonderbeden betreffende het gebouw heb ik te 
danken aan de welwillende mededeelingen van den Notaris Mulder. 

*) De Italianen, onder directie van Damicis, die van 1760 tot 1761, en die in 1762 onder Gukini in den Stads- 
schouwburg enkele opera's uitvoerden, waren maar tijdelijke gasten en de voorloopers van de Italiaansche opera in he 
begin dezer eeuw. 

') R. Fell, Reixe door de Bataafsche Repliek in 1800. Uit het Eng, Haarl. 1806, bl. 159, v. 



256 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

van Paesiello, en nog een paar andere opera's, i) De krachten waren te gering voor het 
instudeeren van grootere werken. Toch vonden deze uitvoeringen zulk een gunstig onthaal, en 
bleek men zoo ingenomen te zijn met Miarteni als baszanger, „tout par la douceur de 
sa voix et de son langage^ que par sa pronunciation coulante*', dat deze besloot eene 
Italiaansche opera tot stand te brengen. Hij verbond zich daartoe met Matteo Stefanini, 
kwam door inspanning en volharding alle moeielijkheden te boven, en opende in het 
najaar van 1805 de reeks zijner voorstellingen met de volgende zangers en zangeressen: 
PiETRO Bertelli (tenore), Nic. Miarteni en Giuseppe Bertini (primi bassi), Maja 
LlON (sec. tenore), Caccofoni (messo carattere), Agnese Pucitta (prima donna), Maria 
Miarteni (sec), Maria Bertini (terza). Het orkest stond onder den kapelmeester 
ViNCENZO Pucitta, die later door Vittorio Trenso werd bijgestaan en telde ongeveer 
16 muzikanten. ^) Ook wordt nog melding gemaakt van Gaetano Rossi ■) en L. G. 
BüONAVOGLiA met den titel van poeta. Was het gezelschap niet groot, in den loop van 
het seizoen won het nieuwe krachten aan in LORENZO Sacconi, Franc. Balassi en 
Lor. Andreoli (primi en sec. tenore), GiUSEPPE Chiodi en LuiGl RUBBI (primo en sec. 
bassi), Marianna Borroni, Angela Sacconi en Antonia Carrara (prima donna). 
Chiodi en Borroni vooral onderscheidden zich ^.par leurs rares talents". Maar boven 
allen muntte Bertelli uit door zijn zang. Des te meer was het te betreuren, toen deze 
zanger aan eene kortstondige ziekte overleed. Men zong, behalve de vroeger genoemde 
Il filosofo sedicente van MOSCA, Zelinda e Lindoro van PuciTTA, Pamella van Farinelli 
en andere lichtere Italiaansche opera's, en besloot, na bijna geregeld wekelijks te zijn 
opgetreden, den gden Mei 1806 met de uitvoering van La Vülanella rapita^ muziek van 
MOZART, CiMAROSA en BlANCHl, ten voordeele van MiARTENl. Met dit al kon MiARTENl 
het niet volhouden. „La société", zegt de berichtgever van dien tijd *) „a donné bien 
de la satisfaction aux souscripteurs, k quoi les talents de Mrs. BERTELLI, MIARTENI, 
Bertini et Mad. Pucitta n'ont pas peu contribué. Cependant il est bien fiSlcheux que 
les entrepreneurs, dans l'exécution d'un plan si coüteuse et si difficile, n'ayent pas été 
épaulés (sic) par un nombre plus considérable d'amateurs". De heer en Mw. MiARTENl 
verzochten de ontbinding van hun contract met de directie en gingen tot het Fransche 
theater over. 

De Italiaansche opera hield daarmede echter niet op te bestaan. Er trad eene 
nieuwe directie op, ') die er in slaagde andere artisten bijeen te brengen en de onderne- 



1) Tooneelk, Brieven^ 1808, bl. 193, vv. Voll. Tooned-Alm. voor 1806. 

j) De voornaamste worden opgegeven in den Voll. Tooncel-Alm. voor 1807. In het tekstboekje La Molimra van 
Paesiello van 1806 worden niet alleen de acteurs en actrices, maar ook de directie en de leden van het orkest vermeld. 

3) Hij is de schrijver van den tekst van // Giuraniento^ waarbij Mercad.inte de muziek componeerde. 

4) In bovcngen. Tooncel-Ahn. 

i) Wie directeur was weet ik evenmin als een aantal andere bijzonderheden. De Tooncel-Almanakken loopcn maar 

tot 1807 en de couranten geven weinig licht. . 



L - 



DE OPERA TE AMSTERDAM. 257 

ming belangrijk uit te breiden. In den winter van 1807 tot 1808 werden enkel een paar 
proefvoorstellingen voor het publiek gegeven, i) Mogelijk stuitte men bij de onderhan- 
delingen op allerlei bezwaren. Ook schijnt de directie van den Franschen schouwburg aan 
de Italianen in het Duitsche Theater afbreuk gedaan te hebben door eene „grand opéra 
Italien" aan te kondigen, waarin Mad. Grassini de rol van Cleopatra in La mort de 
Ckópaire van Nazolini vervullen, en in de Horaces et Curiaces van CiMAROSA optreden 
zou ^). Nieuwe decoratiön waren voor deze voorstellingen gereed gemaakt, Er werd 
opzettelijk op Donderdag gespeeld, opdat het corps de ballet van den stadsschouwburg 
zou kunnen meewerken. Gelukkig was deze concurrentie maar tijdelijk. 

Het glorietijdperk van de Italiaansche opera begon den i^n Nov. 1808 met de 
uitvoering van Le Charlatan van Cordella en Le Testament van Farinelli. *) Niemand 
minder dan LODEWIJK NAPOLEON had zich de zaak aangetrokken. De kunstlievende 
vorst, die geen geld ontzag, verlangde in de hoofdstad van zijn koningrijk, die hij tot 
zijne residentie had gemaakt, een voortreffelijk Italiaansch opera-gezelschap te bezitten, 
dat de beste werken kon uitvoeren. *) Herhaaldelijk moet hij de voorstellingen, die op 
Dinsdag en Vrijdag gesteld waren, hebben bijgewoond, terwijl eene afzonderlijke hoofd- 
deur hem met zijn gevolg dadelijk toegang verleende tot het amphitheater. Het gezelschap 
onder directie van Steffanini*) bestond uit de HH. Caurini, Ambrogetti, Bertini, 
RuBBi en Balassi, de dames Strinasacchi- Ambrogetti, Bertinotti-Radicati, Bar- 
DELLI en nog meer uitstekende zangers en zangeressen. Men gaf niet enkel lichtere 
opera's, maar ook de meesterstukken van MOZART, zijn Don Giovanni en Le nozze di 
Figaro.^) Verder werden werken van Paer, Frederici, CiMAROSA en anderen uitgevoerd^ 
In een tekstboekje van // matrimonio per raggiro 7) van laatstgenoemden componist 
is deze rolverdeeling opgegeven: Elisa: Sig*. Stinassachi- Ambrogetti, virtuosa di 
camera di S. M. l'Imperatore e Re; Fabrizio: Sig. Benedetti; Babbione: Sig. Bertini; 
Agatina : Sig». Cauvini; Orazio : Sig. Cauvini ; Bettina : Sig^. Bardelli ; Cecco : Sig^. RUBBI. 
Men speelde door tot 18 Juli 1809, om na eene rust van eenige maanden in December 
weer te beginnen. Doch de ongunstige tijd maakte een einde aan deze opera-voor- 



1) Waarschijnlijk hebben er voor een kleinen kring van geabonneerden meer voorstellingen plaats gehad, die niet 
geadverteerd werden. 

2) De voorstellingeu hadden plaats van 10 Febr. tot 5 Mei, toen Grassini voor het laatst optrad. Amst. Cour. 

') Dit is althans de eerste uitvoering die geadverteerd werd. Maar de bijvoeging van de woorden „college 9", strr^ks 
gevolgd door „Coll. 10" enz., bewijst, dat er 8 private voorstellingen waren voorafgegaan. 

♦) C. VAN DE Vijver, Geschiedk. beschrijv. van Amst. Amst. 1846, bl. 58, vv. Dez. Wandelingen in en om Amst. 
Amst. 1829, bl. 155, vv. 

') Het tegenwoordig Amsterdam. Amst. 1809, bl. 293, vv. 

•) De heer J. C. Boers te Delft bezit het tekstboekje van de iste opvoering. In het Tijdschrift van de Vereent- 
ging voor N. Nederlands Muziekgesch. D. II, bl. 262. deelde ik den titel en de rolverdeeling mede. 

7) Het tekstboekje, dat berust in de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam, bevat den Itallaanschen tekst met eene 
Fransche vertaling van F. C. Muller, en werd, evenals alle andere, uitgegeven door Termeulen en Breeman. Het vermeld 
op den titel, dat deze iste uitvoering plaats had op 15 Nov. 1808. 

33 



258 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

stellingen. Nog vóór dat LODEWijK Napoleon voor goed Holland verliet waren de 
Italianen reeds verdwenen, ^) schulden achterlatende, ondanks de belangstelling die zij had- 
den ondervonden. 

Het duurde lang eer anderen hunne plaatsen innamen, en zij die zich later vertoonden, 
kwamen om spoedig weer te vertrekken. Op 31 Aug. 1832 gaven de Hr. DONATI en 
Mw. Perroni, op hunne doorreis van Berlijn naar Londen, in het Deutsche Theater 
La serva caprkciosa van Paer en // fanatico par la uiusica van ROSSINI. Dit was alles. 
Het schijnt dat zij alleen waren en de artisten van Haberkorn de overige partijen in 
het Hoogduitsch zongen. Zoo zal het ook gegaan zijn, toen in Febr. 1826 de familie 
C1NELLI, die uit Rusland kwam, in het Fransche Theater VAinant Burlato van 
ROSSINI opvoerde. 

Wij springen thans eenige jaren over en worden in Dec. 1842 opeens verrast door 
de verschijning van eene advertentie in de Amsterdamsche Courant, waarbij een Italiaansch 
gezelschap, als No. 29 van het abonnement, eene stellig laatste voorstelling aankondigt van 
Motse van RossiNl. Dit „Thé^tre Italien" bestond dus reeds sedert eenige maanden en 
had zijn intrek genomen in den Hoogduitschen schouwburg. «). Men speelde onafgebroken 
door tot het voorjaar van 1843, en zeker niet voor eene ledige zaal, dank zij de voor- 
treffelijke zangers en zangeressen, die het gezelschap onder zijne leden telde, of die 
voor enkele weken de uitvoeringen opluisterden. De opera seria werd afgewisseld door de 
opera buffa. GiMENEZ zong den Amenophis in Mólse^ Mazia den Edgard in Lucia 
di Lammcrmoor, in welke opera Mlle Emilia Dielitz de rol van Lucia en Catalano 
die van Raimond vervulde. Het repertoire bevatte verder; Lucretia Bargia en Belisaire 
van DONIZETTI, Romeo et Juliette en Les Puritains van Bellini, Le Barbier en La pie 
voleiise van ROSSINI, La fille de Varcher van den bekwamen orkest-directeur Pedrotti, 
SemiramidCf Tancredi en MozARTS Don Juan. Van deze laatste opera had men bijzonder 
veel werk gemaakt. Mad. Damoreau-Cinti, eene zeer gevierde zangeres,') zong de 
Zerline. Zij was eene uitstekende pianiste. Als Rosine in den Barbier speelde zij, in 
de acte van de muziekles, de „variations concertantes", door Artot voor haar gecompo- 
neerd, terwijl hijzelf haar spel met de viool begeleidde. Eene enkele maal schijnt men 
ook in het Fransch te hebben gezongen, en bij eene uitvoering van Le domino noir vervulde 



M Volgens C. v. d. Vijvek {Wnndd. t. a. p.) kon dit gezelschap, «hoewel het uit groote talenten was samenge- 
steld, en de Italiaanschc opera met den mcesten bijval opvoerde", de kosten niet goed maken. De recette van den schouw- 
burg wns f 900 & f 1000 per avond, wanneer de verschillende rangen goed bezet waren. Zonder subsidién kon men met 
dfze ontvangsten de groote uitgaven niet bestrijden, en de niet geringe geldelijke opofferingen, die koning LOOEWIJK en 
paniculiere ondernemers zich getroostten, schijnen niet voldoende geweest te zijn. (C. v. D. Vijver, GcschUdk, beschrijvimg 
i'tr ftji/ Amsterdam, bl. f8, vv.) 

') De advcrtenlién, die de titels der opera's in het Franscli opgeven, vermelden dit wel niet, maar daar de voor- 
s'.ellingen dezer troep telkens met die der Kranschen samenvallen, is het wel niet anders denkbaar. De artisten van dit 
^ezelschip worden opgegeven in den Toomcl-AIm. van 1843. tlz. loS. 

* Zie VlOTTA, I.txUvn der Toonkunst, 



DE OPERA TE AMSTERDAM. 259 

bovengenoemde zangeres de rol van Argile. De prima donna's Matthey, Donatelli, 
BOLDRINI, Villa Ramos en Bertrandi verwekten niet minder groote geestdrift, terwijl 
de dames MilanoLLO door haar vioolspel het publiek soms betoo verden. *) Het glans- 
tijdperk van dit seizoen waren de maanden Februari en Maart 1843, toen Mad. DEL C ARMEN 
Bernac viermaal als Rosine, zesmaal als Elvire in Les Puritains en tienmaal als Norma 
op het tooneel verscheen. Wat de reden is dat de directeur Laudi zich kort hierop 
terugtrok, weet ik niet. Als hij met het zwakste deel van zijne artisten elders optrad^ 
mocht de voorstelling zijn uitgefloten, *) aan den steun van het kunstminnend publiek der 
hoofdstad schijnt het niet ontbroken te hebben, De „artistes Italiens, réunis en société" ') 
zetten nu de voorstellingen voort. Zij gaven weder Lucia en Norma^ en zongen op 
27 April in eene gala-voorstelling in tegenwoordigheid der geheele Koninklijke familie 
Les PuritainSy met medewerking van DEL Carmen en den tenor JULius Muller, die 
zij nog voor enkele voorstellingen hadden geëngageerd. Met Mei werd het Italiaansche 
theater gesloten. 

In September kondigde EUGÈNE René, directeur van het Théatre Fran9ais, de 

heropening aan van het Theater Italien, doch in plaats van zangers verschijnt „physicien 

» 

Philippe", om de liefhebbers in de kermisweek op „soirees mystérieuses" te vergasten. 
De Italianen lieten zich te Amsterdam wachten; zij speelden in Den Haag. *) Daar gaven 
zij op 4 November Lucia di Lammermoor. Brunacci, als iste tenor, zong Edgardo, 
Catalano, de bas, Raimonde; AviGNONE, de baryton. Lord Ashton. Van de vroegere 
artisten wordt alleen ViGNOLA genoemd. Vooral AviGNONE' S krachtig, welluidend ^tem" 
geluid werd geroemd, ofschoon zijne gebaren wel wat te wenschen overlieten. Het gezel- 
schap bezat ook zeer middelmatige elementen, zooals CORRAZARI. ') Maar Mw. DONATELLi 
LUCCA, eene zangeres van den eersten rang, die de titelrol vervulde, maakte het voor 
allen goed. De zaal was, als zij optrad, altijd stikvol en het publiek begroette haar 
herhaaldelijk met uitbundige toejuichingen. Waarschijnlijk is dit gezelschap met deze en 
andere opera's ook wel in de hoofdstad opgetreden, doch ik zocht te vergeefs naar 
eene aankondiging. Het Amsterdamsche publiek schijnt bij het wegblijven in 1844 



1) Noord- en Zuid-HoU. Tooneel- Alm. voor 1876. 

2) Dit was het geval bij eene uitvoering van den Barbier te Rotterdam, toen hij zijne beste artisten in Amsterdam 
had gelaten. De Spectator van Tooneel ent. 's Gravenh. 1843, blz. 21, 

') Het waren, behalve de bovengenoemden, de HH. Bottagisi, Donelli, Ascani en Vignola enMUeSASSA. De 
laatste wilde 6 April, na het vertrek van den directeur, eene beneficc-voorstelling geven in den Stadsschouwburg, die echter, ik 
weet niet waardoor, mislukte. Zij betreurde het ongeval, „non pas 4 cause de ma propre détresse, mais k cause du 
désappointement, dont innocemment j'ai été la faute envers un public distingué et nombreux, qui me voulait accabler de 
ses bienfaits." Zij hoopte echter dat een groot gehoor haar eerlang zou geven „la satisfaction d'avoir obtenu un pardon 
que mes malheurs méritent, étant 4 300 lieus de ma patrie, sans ressources et sans appointements/' Zulk eene advertentie 
{Amst, Courant) teekent inderdaad den toestand'. Zij gaf op 13 April „Les Pwri/^ziVu" met medewerking van Del Carmeit, en 
zong met Donelli fragmenten uit den Belisario. 

*) Ik vond geene Advertentiön. De voorstelling van Lucie de Lammermoor^ wordt besproken in De Spectator 
van Tooneel, enz. 1843, bl. 188, vv. 

5) r^Vat die man op het tooneel doet, is mij tot heden een raadsel', zegt de tooneel recensent in De Spectator, 

33* 



260 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

en 1845 niet veel verloren te 'hebben. Het oordeel over de meeste artisten is niet 
gunstig ^), en de nieuwe opera's van Ricci en Verdi vielen niet in den smaak der ernstige 
kunstkenners. 

Eerst in het najaar van 1845 ^) verschijnt er weder eene Italiaansche operatroep in den 
Schouwburg van de Amstelstraat, die tot Januari blijft. Ten einde over de samenstelling 
eenigermate te kunnen oordeelen, geef ik een oogenblik het woord aan den recensent van 
de „Uitheemsche tooneelisten te Amsterdam" ^) „Mr Laconi", de directeur, „gij hebt 
getoond eenig begrip te hebben van hetgeen noodig is tot het uitvoeren van opera's ; 
het personeel is over het geheel genomen goed, doch de proportie in de vervulling der 
emplois is geheel uit het oog verloren. Waar is uwe tweede chanteuse, uw tweede tenor .^ 
Ik begrijp het al, gij hebt u te goeder ure herinnerd, dat wanneer men zangers of zang- 
geressen mist, men die scènes, waarin ze moeten voorkomen, weglatende, niet noodig 
heeft ze te engageeren. Het verbrokkelen van opera's is, helaas, eene hebbelijkheid, die 
gij naar het schijnt met de meeste opvoerders gemeen hebt. Wij roepen u evenwel een 
bravo toe voor de verstandige keus van uwe zangers en zangeressen." Over deze wordt 
het volgend oordeel geveld. „Mr Castigliano, uw stem is niet geschikt om alleen de 
tenorroUen te vervullen ; in de ensemble-stukken komt zij vrij goed uit, doch voor de 
soloos zijn de midden en lage toonen te heesch. Mr. Mancusi, gij hebt eene overheerlijke 
stem, maar men moet ook kunnen zingen. Gij draagt uw rol goed voor, maar dat valsch 
zingen is oorverscheurend. Mr Anconi, een voortreffelijke basstem, diepte, kracht, zuiver 
zingen zijn uwe onderscheidende qualiteiten ; wacht u voor eentoonigheid. Mme CoSTA 
Tamplini (alt), gij hebt ons verrast met eene schoone stem en groot talent. Nooit, zoolang 
Italiaansche zangers te Amsterdam opera's gaven, heeft zulk eene zangeres het personeel 
der operatroep opgeluisterd. Signora COLLEONI, ofschoon wij niet zulke overdreven hand- 
klappers zijn als het kunstvergodend publiek in de Italiaansche schouwburgzaal, hebben 
wij ons dikwijls niet kunnen bedwingen, om ons bij het gejuich der menigte te voegen. 
Wij beklagen daarom te meer, dat uwe stem zoo weinig gelijkheid van geluid in de drie 
registers heeft." De dames Stizzoni, Berti en Berlini en de hh. ROCCA en CüTELLi 
worden slechts vermeld. De koren worden vrij goed genoemd en het orkest veel beter 
dan vorige jaren. „Tot slot een algemeen bravi voor allen, met een stil regret, dat ook 
blijkbaar groote talenten hun kracht aan de Italiaansche prullen moeten verspillen." 
Deze laatste verzuchting ziet natuurlijk op het repertoire, dat Cenerentola en Semiramide 
van ROSSINI, Lucrètia Borgia en Marrino Falliero van DONIZETTI, Ernani van Verdi 
en Elena da Feltte van Mercadante bevatte. In het laatst van het jaar verschijnt als 
gast Mad. Rossi-Caccia, eerste zangeres van de Koningin van Portugal en van de 



*) Zie De spectator^ D.V. {1845) bl. 169, vv. 

-) De iste advertentie van het abonnement. 

•*) De Spectator D.V. bl, 406 vv, De kritiek is gcdagt 5 Oct. 1845. 



DE OPERA TE AMSTERDAM. 261 

tlieaters van Parijs, Londen en Italië; zij vervult de titelrollen in Norma^ Lucia en 
Semiramis en die van Rosine in Barbier, Het scheen dat de directeur nog groote plannen 
had, La Sontnambula en andere opera's werden aangekondigd, doch in plaats van deze 
beloften te vervullen, werden in Januari 1846 de deuren van den Italiaanschen schouw- 
burg voor maanden gesloten. 

Had dit gezelschap de kosten niet kunnen goedmaken, om geen andere reden zal 
het verblijf der Italianen, die daarna kwamen, zoo kortstondig zijn geweest. Op 4 Nov. 
1847 werd het Theater Italien weder geopend met eene opera van Verdi, / due foscari. 
De voornaamste artisten waren Mad. Franchesini-Garis en EuGENiA Tebaldi sopranen, 
Gamirato en Antonio Picasso eerste tenoren, Fallar eerste baryton. In December 
voegde zich hierbij als eerste bas GlOVANNi Aquaroni van het theater te Milaan, terwijl 
Ida Bertrandi, alt en lid van St. Caecilia te Rome, eenige gastrollen vervulde. Opera's 
van Bellini werden opgevoerd, alsmede Luciay Ernani en Tancredi, Bij een der voor- 
stellingen werd — men denke aan de gebeurtenissen in Italië van dat jaar — eene „Hy mme 
populaire 'k Pio IX" aangeheven. Doch half Januari trokken ook dezen weder af. 
Ongetwijfeld moeten wij hierbij de tijdsomstandigheden in rekening brengen, en het 
verwondert ons niet, dat in 1848 de schouwburg in de Amstelstraat verlaten was. Niet 
vóór 20 Febr. 1849 traden er weder Italianen op, die maar twee maanden bleven. De 
schitterende ster van dit gezelschap was Mad. Del Carmen-Montenegro, eerste zan- 
geres van het theater della scala te Milaan, en van de theaters te Weenen en Londen, 
die als Rosine in den Barbier , als Adina in LElisire d'Amore, als Léonore in La Favorite^ 
als Elvira in / Puritani en in de titelrollen van de opera's Lucretia Borgid^ Lucia di 
Lammermoor en Norma ^) optrad. De beroeringen in Frankrijk en Duitschland kwamen 
hier te lande niet alleen de Duitsche, maar ook de Italiaansche opera ten goede. Daaraan 
hebben wij voor een deel ook de komst te danken gehad van een andere gezelschappen, die 
echter maar enkele dagen of weken vertoefden. De ons bekende groote zangeres Rossi 
Caccia zong met haar gezelschap waartoe Mll. Maraschi en de hh. Mararacchi en 
Fallar behoorden, driemalen (27, 30 Aug. 2 Sept.) de Norma, Dezelfde opera stond 
bovenaan op het repertoire van Mad. VAN HassELT-Bart, eerste zangeres van het hof- 
theater te Weenen, toen zij op 27 Dec. 1851 hier optrad. Die haar vergezelden waren 
meerendeels artisten, die op de theaters van Parijs, Londen en Italië reeds vele lauweren 
hadden behaald, de tenor RiCClARDI, de baryton Fallar, en de bas Paltoni en zijne vrouw. 
Na de uitvoering van de Lticia en Les Puritains^ keerden zij Amsterdam weer den rug toe. 

Met de Italiaansche opera in het Duitsche theater, dat in 1852 in andere handen 
overging, was het nu gedaan. Toch keerde zij nog een paar malen terug op het programma 
der Amsterdamsche tooneelvoorstellingen. Het gelukte den ijverigen directeur van den 



^) In deze opera, waarmede men opende en besloot, zong Mlle Montelli Adalgise, de xste Tenor Santiago 
Pollion, en de iste baryton Montelli Orovèse. 



262 DE OPERA TE AMSTERDAM. 

Stadsschouwburg, Jan Eduard de Vries, in den winter van 1852 eene overeenkomst 
te treffen met de HH. Gardoni, Tamburini en Rossi en Mw Persianii), die van 
30 Nov. tot 17 Febr. achtereenvolgens! Il Barbieri di SevÜla, Lucia di La»tmerrrtoor, 
VElisire damore, I Puritani, Don Pasquale en La Somnambula ten gehoore brachten. 
Elke avond van hun optreden was eene schitterende zegepraal. Een tenor zoo zuiver en 
krachtig als die van Gardoni wordt zelden gehoord. Vierjarenlater vervulde hij hier nog- 
maals enkele rollen. Minder roemrijk was de verschijning van de ^Compagnie Italienne", die 
in Maart 1854 in den Franschen schouwburg eene reeks van uitvoeringen scheen te openen. 
Men begon met Nerma, waarin Mad. Clari Norma. Mr Favesi Pollion, Mr Arnolih 
Orovese en MUe GaUGAENHEMI Adalgise zong. „La Compagnie Italienne," zoo werd 
aangekondigd, ,jalouse de mériter les suflrages de MM. les dilcttanti d' Amsterdam, va 
mettre k l'étude les principaux ouvrages de Mozart, Rossini, Donizetti et Mercadante." 
Allereerst zou Lucretia Borgia volgen. Doch men zag de Italianen niet weder en de 
schouwburg waarin zij optraden werd weldra voor goed gesloten. 




^: 



•1 






■■-p 



-O-- 



^'<--^l 



■^■'-^\ .•' ' 







t) 



,-f 



l\ 



y 



'S /■ 












r 



-f 

ï 



/^ 






•-' 



t' 



-X: 



'.' f/. ... 



< 



/ 





:-^-^l 



); 










' i 



A 



\f 



r -, 'O' iV"' xr^ ^ /j ..-."■ S 



A- l -'^ 



/ ) ' r 

I 

.■ ■ \h 



^^ 



.: •. '• ' -^v -L>V •'-■ "- ^^^ ^V'-'- '<■> / •*■.. .^' '-■:.■* 






■ï" * 






i 






r 

/ 



t' 



/ cy 









'■ ->- 



V 






.a 



— ■ - — ■ -* ^ _ 






S 



"^ 



•f. 






-^ 



'/; 



^ 'ii^^i^Jg^.^^ ^JB:*»g«ti«=Liu ■■■ 



bM-*dMaÉihÉU«Mii*jMb^ 



264 



EEN EN ANDER OVER CASPAR NETSCHÉR. 



De schilder zou naar Italië reizen, maar raakte in Bordeaux verliefd op Marga- 
RETHA GODIJN, huwde haar 25 November 1659 en trok met haar, na een verblijf van een 
paar jaren te Bordeaux, naar den Haag. Zoo Houbraken. En in de bovengenoemde 
nalatenschap vinden wij: een portrait van Margaretha Gom]^, tot Bordeaux gescküdert. 
Hun eerste zoon, Theodorus, later pok schilder, werd in Bordeaux geboren; Ik zocht 
hem te vergeefs in de Haagsche doopboeken. 

Daarentegen vond ik daarin: 



1663. 22 July 

1667. 18 Februari 

1668. 16 December 
1670. 26 Augustus 

1673. 18 Maart 
1675. 8 Maart 



Caspar. 

EVERHARDUS. 

CONSTANTIJN. 
Alexandria en Isabelle 
Amaranthe. 

JULIANA. 

Rachel. 



(Groote kerk.) 

(Kloosterkerk.) 

(ibidem.) 

(Nieuwe kerk.) 
(ibidem.) 

(Kloosterkerk.) 
(ibidem.) 



1677. 15 Januari Alexander. 

1678. 18 Maart ISABELLE Amaranthe II. (ibidem.) 



1679. 17 September Antoni. 



(ibidem.) 



Onder de in de acte van 29 Juli 1687 genoemde kinderen van Netscher wordt 
nog vermeld Johannes, „out 22 jaren," dus geboren in 1664 of 1665, wiens doopacte 
ik niet heb kunnen vinden. 

Wij zien, aan kinderen heeft het onzen kunstenaar niet ontbroken. Maar door 
noeste vlijt bracht hij toch in dat groote huisgezin welvaart, en kon zelfs een aanzienlijk 
schilderijenkabinet verzamelen. Toch schijnt NETSCHER geen groote sommen voor zijne 
schilderijen ontvangen te hebben. De bekende, ijverige kunstverzamelaar, de Heer Edw. 
Habich te Cassel, kocht onlangs 15 blaadjes uit een schetsboek van onzen schilder (wij 
zullen er straks honderden in zijne nalatenschap genoemd zien.) Door de welwillendheid 
van den eigenaar zijn we in staat één daarvan ter reproductie aan dit opstel toe te voegen. 
Het stelt een familiegroep voor, uit man, vrouw en 5 kinderen bestaande, (ten minste 
als die rijzige, staande jonkvrouw als oudste dochter gelden kan) los en bevallig 
gegroepeerd. Die schetsen, met de pen, met zwart of rood krijt of gewasschen, steeds 
zeer vluchtig gedaan, bevatten soms enkele aanteekeningen. Zoo lezen wij achter een 
damesportret: Mevrou ■ Kencyes{?) op de Br est raat. Bij anderen zijn hier en daar de 
kleuren aangeduidt: de sjerp bleumouranty de tabbart paers met goude en silvere blommen, 
de gardijn gredelyn {gris de laine?) Meest zijn het damesportretten; op een daarvan 
lezen wij: Geschildert 1667 voor vijftigh guldens. Het is ecne dame voor haar toilettafel 
„zich palleerende" zouden de oude Catalogi vermelden. Op een andere studie voor een 
schilderij (Vertumnus en Pomona.^) leest men: geschildert Anno 1664 voor 66 Guldens. 
Dus 50 gulden voor een portret, 66 gulden voor een stuk met drie figuren — men kan 



EEN EN ANDER OVER GASPAR NETSCHER. 26 

niet zeggen, dat Netscher zeer duur betaald werd, en 't is zeker aan zijn grooten ijver 
te danken, dat hij nog een aardig kapitaaltje voor zijne weduwe en kinderen kon achter- 
laten. In 1662 woonde hij reeds in den Haag. 25 October 1662 betaalde hij reeds aan 
de Haagsche schildersconfrerie zijn inkomgeld *); toch liet hij zich eerst 30 Maart 1668 
als burger (en schutter bij het Witte vendel) inschrijven. 18 Mei 1669 bekende iemand 
/ 100. — van hem geleend te hebben *). 

17 February 1674 maken Monsr. Casparus Netscher en Juffr. Margarita 
GODYN, woonende in den Hage, ^den voorn. Comparant sieckelyck sijnde^ en des- 
selffs huysyrouwe gesont van lichaem" hun testament. Ieder der zeven kinderen, 

Theodorus, Casparus, Johannes, Everhardus, Constantijn, Isabelle 

Amarante en Juliana, krijgt ƒ 200. — ééns. De weeskamer wordt gesecludeerd, 
Overigens is de langstlevende van beiden universeel erfgenaam. Getuige is de 
Schilder Monsr. DANIEL Haringh •). 

Hij leed toen (10 jaren vóór zijn dood) waarschijnlijk reeds hevis: aan het graveel, 
dat hem volgens Houbraken, sedert 20 jaar plaagde. En 15 Januari 1684 overleed 
hij te 's Gravenhage. Waar hij begraven werd, kon ik niet opsporen; de Haagsche 
begrafenisboeken zijn helaas zeer inkompleet. Reeds in 1687, drie jaren later, ge- 
voelde Margaretha Godijn zich tot een tweede huwelijk met eenen Heer NicOLAES 
JOBLOTT aangetrokken; zij handelde toen echter zeer moederlijk en hartelijk met hare 
kinderen, zoo als we uit de hier volgende acte, in het Haagsche Schepenarchief ontdekt *) 
zien kunnen. 

Achtereenvolgende den mondel. app^e van dato 1687 comp 

voor ons enz. Schepenen in s' Gravenhage, Juffe Margreta GODijN, wed® wijlen 
Sr. CaSPER Netscher, in sijn leven constigh schilder alhier, dewelcke niet willende 
sigh ten 2^» huwelijcke begeven met Sr. Nicolaes Joblott (met dewelcke sij 
reets haer drie proclamatiën te dien eynde heeft gehadt) sonder alvorens hare 
negen kinderen met name Theodorus out 26 jaren, JOHANNES out 22 jaren, 

Everardus out 20 jaren, Constantijn out iSjaren, Juliana out 13 jaren, Rachel 
out 12 jaren, Alexander out 10 jaren, Isabella Amarante out 9 jaren en 
Anthony Netscher omtrent 8 jaren begrootinge te doen van de legitieme portie 
haer uyt crachte van de testamentaire dispositie van haren voorn : Vader compe- 
terende, aen ons heeft geexhibeert den sta et en inventaris van den boedel en 
goederen soo deselve bij haer comparante en haren voorn : man zal : waren beseten, 
verclaerende naerdat sij deselve exactelijck hadde geexamineert, oock met raet 
ende advys van Mr. Adr. Deym en PiETER van Aerden, haren advokaet en 
procureur, dat sij sigh hadde verplight gevonden om de legitieme portie bij den 
mutueelen testamente van haer comp*® en haren voorn: man besproocken en daerbij 

alleen begroot ter somme van (opengelaten) voor yder kint, als 

niet begeerende dat hare kinderen souden sijn versteecken van hare portie in de 



1) Archief V. bl. 131. 

') Prot. Not, W. Nolet, den Haag. 

s) Prot. Not. J. V. Deutecom, den Haag. 

4) Onder de nVerbaelen.'' 

84 



266 EEN EN ANDER OVER GASPAR NETSCHER. 

in de winsten waermede haer Godt Almacbtigh naer date van de voorsz. testa- 
mente hadde gelieven te segenen, te verhogen ter somme van duysent gis, voor 
yder der voorsz. nogh mindeijarighe kinderen (als werdende de sake ten reguarde 
van Theodorus Netscher, nu reeds meerderjarigh, gelaten in sijn geheel) beloo- 
vende aen yder der voorn : minderjarighe kinderen tot hare mondighen dagen offte 
huwelijcke state gekomen, uyttekeeren de voorsz: somme van duysent guldens en 
middelerwijle deselve kinderen te samen en yder in het bysonder eerlijck en naer 
haer fatsoen en gelegentheyt opvoeden en soowel in sieckte als gesontheyt versorgen 
van voetsel en decksel mitsg^s. alles wat deselve sullen van noode hebben, en 
wijders te besorgen dat deselve door het leeren van eerlijcke stijl sich selven sullen 
connen erneren, verclarende tot naercominge van dien te verbinden haer persoon 
en generalijck alle hare goederen, roerende en onroerende; en naerdat deselve 
inventaris bij ons Commissarissen was geexamineert, hebben wij bevonden, dat de 
Comparante mette voorsz: somme van duysent gis. als met de alimentatie van de 
voorsz. minderjarigen can voldoen der voorsz. kinderen legitime portie haer bij 
den voorn: testamente besproocken. 

Aldus gecompareert ende geverbaliseertden 29 July 1687. Mij present Secretaris 

{w, g,) Anthony de 'Veer. 

Uit de hiervolgende aanteekeningen zien wij, wie voogden over Netscher's kin- 
deren waren. Eigenaardig daarbij is, dat de bekende schilder Jan van Haensbergen 
(wiens portret, door hem zelf geschilderd, thans in 's Rijks-Museum prijkt), reeds 14 dagen 
na zijne benoeming „wegens sijn eygen affaires van sijn beroep als familie" die post 
weder neerlegt. 

17 Januari 1684. Margaretha Godijn, Wede van Monsr. CasparüS 
Netscher, stelt (ingevolge Testament van 17 Februari 1674 voor Not. J. v. 
Deutecom) tot voogden over hare onmondige kinderen Messrs. VAN Hardenbroeck, 

Anderlijn en van Manschoti). 

II July 1687 compareerde Juffr. Margrieta GüDIJN, Wed® van wijlen 

Sr. Casparus Netscher, in sijn leven Kunstschilder, ons Nots. en getuygen wel 
bekend, te kennen gevende, dat denselven Sr. Casparus Netscher sijn Testament 
hadde gemaakt 17 February 1674 voor den Notaris J. V. DEUTECOM — waerbij 
haer comp^* authoriteyt gegeven wert een voogd te kiesen, daer de weeskamer .... 

gesecludeert was kiest mits desen tot voogd Sr. Johannes Haensbergen 

(kunstschilder) over hare minderjarige kinderen Johannes, Everardus, Constantijn, 

JULiANA, Rachel, Alexander, Isabella Amaranthe en Anthony Netscher. 
De comparante sal ten tweeden huwelijcke treden met Sr. NICOLAES JOOBLOD." 
Arnoldus van Ravesteijn is getuige. 

Gei. Margreta Godijn. 

JOHAN VAN Haensbergen. 
Arnoldus van Ravesteijn. 2) 

26 July 1687 verzoekt Sr. Johan van Haensbergen ontslag van het boven- 
genoemd voogdijschap „sijnde daertoe niet in staet van wegen sijn eygen affaires 
van sijn beroep als familie". Hij wordt dus met deze Acte plechtig daarvan ontslagen»). 



*) Prot. Not. J. VAN Deutecom, den Haag. 
3) „ n P- VAN Aerden, den Haag. 



EEN EN ANDER OVER CASPER NETSCHER. 267 

Lang zou dat tweede huwelijk niet duren. 

Nog I July 1694 maakt Juffrou Margaretha Godijn, huysvrou van d*Heer * 
NiCOLAES JOBLOD, wonende in den Hage, haar testament. Zij legateert aan haren 
man, „neffens hare kinderen, een gerechte filiale portie off kintsgedeelte," mits- 
gaders „het grootste portrait van de Testatrice mette goude lijste." CoNSTANTIJN 
Netscher, haar zoon, en de Commies Anthony van Hardenbroek zullen „toe- 
siende executeurs ende vooghden" over de minderjarige kinderen zijn. Enz. 

(Get. M. Godyn i). 

Maar reeds 11 September 1694 overleed zij in haar huis in het „Speckstraatje" 
in den Haag. Hier volge de 

INVENTARIS van J«ffrou Margaretha Godijn. Overleden 11 Sept 1694. 

Een huis in het Spekstraatge. 

een aantal Obligaties en Schuldbekentenissen van allerlei aard; een niet onaan- 
zienlijk vermogen. 

Eenige lappen van zijde en satijn^ totte Schildercamer behoorende 2). 
een beelt van pleyster, griexse Venus, levensgroote. 

SCHILDERIJEN IN SALET. 

Een schilderij van TiTlAEN, genummert No. i 

een dito van Bassan, de slachtmaend ^^ 2 

een portrait van wijlen Margaretha Godijn in 't cleijn „ 3 

een portrait van Monsieur Netscher, in 't cleijn „ 4 

3 kindertjes met een steen beelt op een turcx cleet „ 5 

portrait van Margaretha Godijn in 't groot „ 6 

een dito van Theodorus Netscher „ 7 

een dito van Margaretha Godijn tot Bourdeanx geschildert mette 

meijt bij haer, door Sr. NETSCHER ,, 8 

een portrait van Mons»* Netscher, levensgroote, door Ravensteijn. „ 9 

een dito van juffroti GoDijN, moeder van de voorsz. MARGARETHA GODiJN lO 

Vier kindertgens met een hont en kan op een turcx kleet .... „ ii 

portrait van Casparus, soon van S^ NETSCHER in 't cleyn . ... „ 12 
een schilderij van Venus die 't harnas past van Vulcanus, met 6 

cleijne Cupidoos, in 't cleijn ,n '3 

'T selve subject, wat grooter. ,, 14 

een dito daer Christus de vrouw geneest van de bloetgangh metaen- 

rakinge van de soom sijns cleets 91 15 

een dito, de tijt, die de vleugels van Cupido afscheijt „ l6 



*) Prot. Not. P. VAN Aarden, den Haag. 

^ Reeds HoiBRAKEN roemt de uitmuntende wijze, waarop Netscher het satijn teruggeef:. 

34» 



268 EEN EN ANDER OVER CASPAR NETSCHER. 

een dito, van 't selve subject No. 17 

een dito daer Venus ontloopt een sater en vat een arm met riet in 

plaats van Venus „ 18 

een schilderij daerin een bachenaal „ 19 

een dito, een partij soldaten en ruyters die in actie sijn, een soldaet 

lost sijn musquet op een ruyter op een wit paert „ 20 

Diane, daerachter Cupido met een arent bij hem ....... „ 21 

een pot blommen „ 22 

2 Naeckte vroutges tegen een rots, aensiende het aenleveren van 

Europa over de see ^ 23 

Een van saters, die een vroutge geeselen „ 24 

Vijff vroutges baden in 't water, de zesde hangt een root kleet aen 



twee boom en 



w 



2 



een harder met sijn sone en 6 schapen met een boekje, wat doncker. „ 26 

een vrou die een rode koe melckt, een boer met een kint aen de hant daerbij „ 27 

een slapende vrou met een sater daerachter • . „ 28 

een herbergh met een vrou die een wit pack op haer hooft draegt. ,, 29 

de geboorte Christi in een stal met de harders ,, 30 

een cleijn lantschap, wat doncker ,, 31 

een vroutge in wit satijn, spelende op de luijt „ 32 

Vier beelden in een schilderij, d'een is een sittende officier die zigh laet 

waerseggen, waeronder een ander hem van achteren sijn sack luyst. „ 33 

een cleijn slapent kintje op een roó gront „ 34 

een offerhande met 6 beelden, 2 kinderen en 2 Cupidoos in de lucht. ,, 35 
2 lantschappen van één meester, in d'een is een fonteijn met 2 beel- 
den, met een lopende witte hont „ 36-37 

INT ZYKAMERTJE BENEDEN : 

een stuck schildwij van NETSCHER, srjnde Moyses en Aaron wijsende 

op de kopere slange voor de kinderen van Israël ....... 38 

een historie uyt Ovidius, sijnde het hoet (?) kussie, vol beelden . . ^ 39 

d'afbeeldinghe van Conïngh Hasueros ende Hester, in't cleijn. . „ 40 

een juffi-ou, staende met een witte satijne tabbert en blauwe scherp. „ 41 

het portrait van Oom WiLLlAM, de broeder van MagarethaGodijn. „ 42 
een gevangen Coningh, gebonden en geleijt met soldaten, van de 

gemeente bespot, wat doncker „ 43 

een stuckje van VAN Derven, ^) van geringe importantie ^ 44 



1) Zeker de visch-schilder J. Dirven van wien 1886 twee uitmuntende stukken in krach tigen, warm-bruinen toon 
op de tentoonstelling te Düsseldorf aanwezig waren. 



EEN EN ANDER OVER GASPAR NETSCHER. 269 

een martelaerster met een rat met kopere pennen in de hand. . . No. 45 

4 schilderijen van weinigh waerde „ 46-49 

2 schilderijen van één meester, met bruyne 01)rverwe „ 50-51 

Joh ANNES, predikende in de woestine^ door Terwesten, in*t portael. % „ 52 
Christus, schrijvende in't stoffe voor de schriftgeleerden, wegens de 

vrou in overspel, in de keuke voor de schoorsteen „ 53 

een memento mory, sonder beelt „ S4 

Slijp scheere messe, met sijn jongen „ 55 

een lantschap met grooten bergh en een geruïneert kasteel daarop. „ 56 
een krijghsman met sijn hooft op de schoot van een vrou die haer 

in een spiegel besiet, met 3 kupidoos „ 57 

een Romeijn met een ponjaert, willende een vrou vercrachten . . . „ 58 

een schets, ter zijde de schoorsteen in de keucken „ 59 

een wage met drie paarden op woleken, op de trap „ 60 

een vroutge met een druyff in de hant met een meyssie en 2 saters „ 61 

een copie nae TiTlAEN , . . . „ 62 

een schilderij daerin vertoont wort dat alle menschen de lieflTde moeten 

navolgen, die alle mette pijl worden geschooten, hoe sterck dat 

sij lopen , . , . . „ 63 

de historie Sardenapals die zigh verbrant met sijne concubinen 

in't Gasteel „ 64 

een Mariabeelt houdende het kint Jesus op haer schoot, sittende op 

een boom, en menschen die 't selve aenbidden „ 65 

2 hooflTden van een Silenus met een Sater en een oudt wijff, wat r „ 66 

root geschildert, nae RUBBENS ( „ 6y 

een lantschap, wat doncker, op sijn Italjaens, met 9 beelden in 3 

figuren, op 't portael „ 68 

een Officier, schrijvende een brieff om een trompetter afftevaerdigen, 

op 't portael 1) „ 69 

Een groot lantschap, daerin 2 paerden en andere personen te 

paerd op de jacht, met een Heer en Juffrouw op een wit paert 

in 't water „ 70 

het portrait van een kint van Sr. Netscher op een root fluweel 

kussen met een roos in de hant „ 71 

een lantschap, achter de deur, daerin twee naeckte beelden staende 

en sittende . ,, 72 



1) Zonder twijfel de bekende Ter Borch te Dresden (No, 1829). Ik zag daarvan onlangs te Londen een uit- 
muntende oude copie. Dus een werk van of naar Netscher's meester. 



270 EEN EN ANDER OVER GASPAR NETSCHER. 

de bootschap van den engel aen de harders wegens de geboorte Christi 

met 2 paerden, d'eene wit en d'andere root . No. 73 

een boquet met rosen gebonden met een blau lint ^ 74 

een j>ortrait van een discipel . . . . : . , „ 75 

3 cleyne poitraitjes, op de bedstede, daeronder een met een mossekoy „ 76-78 

een harder spelende op de sackpijp „ 79 

een schilderij waerinne Paulus van een slange wert gebeten, en hoe 

sijn geselschap schrikte „ 80 

3 cleijne schilderijtgens voor de schoorsteen, d'eene den Raetpensio- 

naris DE WiTH, een koey met een vogeltje en hont met blauwe 

en gele plumen, en een van Alexander Netscher .... „ 81-83 
een portrait van een Juffrouw met een blauw scherp met een parel 

in de hant • „ 84 

een dito Juffrou met blommen voor haer borst „ 85 

een stuck voor de schoorsteen, daerin Bachus met een goude schael 

in de hant, daerbij 4 Numphes (sic) met 6 kinderkens en 3 kupi- 

dootges vliegende in de lucht > • • it 86 

het portrait van den Ruwaert van Putten, maer gedootverft . . . „ 87 

een slapent boertje . ,, 88 

6 schilderijtjes van weinig belangh „ 89*94 

een kint JESUS en JOHANNES „ 95 

het portrait van ISABELLA Amaranthe, die doot is „ 96 

een slapent boertje op sijn rugge. „ 97 

Christus met de Samaretaensche vrouw ,, 98 

een Pomona, een brieff in de hant, met een turx kleet ,, 99 

een vrou, sittende aen een taefel met een turcx kleet, daerop een 

spiegel; en een hontje met pluymen „ lOO 

het portrait van Johannes Netscher, int groot „ loi 

een Italiaens vroutje in't root gekleed ,, 102 

één stuck met de huysen in brant, daerom de menschen vluchten, 't 

ander met een wit en een bruijn hontje „ 103- 104 

een spel van 8 kinderkens, in de schildercamer „ 105 

twee koppen levensgroote, d'een wijzende mette vinger, d'ander heb- * 

bende in de hant blauwe papieren „ 106 

Coningh Carel van Engelant int harnas v» 107 

een schilderij van 8 persiken met bladen, door Mons. NETSCHER. . „ 108 

2 lantschappcn bij de deur „ 109-110 

een stuck met 5 beeldetgens aen een water, d'eene met een blauwe 

rock, d'andere zittende met haer knyen na buyten „ iil 



k. 



EEN EN ANDER OVER CASPAR NETSCHER. 271 

een poiirait van Mr. Netscher door De Meele (Demeele)^) . . No. 112 
een jufBrou met pluymen op 't hooft, bij haer 4 kinderkens in een 

goude lijst ,1 113 

een doot Christus op de schoot van Maria met 2 engeltjes. ... y, 114 
het portrait van wijlen Margaretha Godijn, met een boeckje in 

de handen, en voor haer gestelt memento morij „ 115 

een stuck daerin een Sater kastijt een vrou aen een boom gebonden. „ 116 

een oudt portret van Jacob Croessingh, Heer van Benthuijsen. . „ 117 

2 portraiten van baron DE Gent en de Princesse van Portugael. . „ 118-119 

een kint van de Graeff VAN Portlant, nae Netscher „ 120 

2 schilderijen van de Prins en Princesse van Vrieslant „ 121-122 

het aengesicht van de Heer RoosEBOOM, door Netscher. ... „ 123 

het aengesicht van de Heer Solangre, door Netscher „ 124 

8 portraiten, begonnen door Netscher, daervan eenige sijn gedootverft. „ 125-132 
4 vissers, treckende hare netten uyttet water, daerbij een man op 

een root en een vrou op een wit paert „ I33 

het portrait van de Princesse van Orange, na NETSCHER „ 134 

een officier in't harnas op een wit paert, en een cornet mette standaert 

op een bruyn paert met eenige rui jters „ 13 5 

een stuck met 5 honden , . . . . „ 136 

een blomstuck met roosen en witte jassemain ^^ I37 

een keuckenstuck „ 138 

een ex-homo (sic) geschildert naer Paul Veronese „ 139 

een schilderij met 3 beelden naer POUSSIN ,.,...... „ 14O 

een lantschap met 3 beelden en een hont daerin v, 14^ 

2 ditos met 2 beelden int midden, met een vareken tegens een boom 

zigh streckende omhoogh „ 142-143 

eenige boeren spelen a la boele door een isere ringh „ 144 

een keuckenmeijt, die peen schrapt, met een root keurslijff. ... „ 145 

het portrait van den Collonel SiDENISKY, door NETSCHER . , , „ 146 
2 lantschappies, in d'een is een leggent vroutge met een Sater, 't ander 

sonder beelden met een vallende storm van den bergh ... y, I47"H8 
JUDITH met haer meijt, houdende het hooft van HOLOFARNEO in de 

hant, naar Paul Veronese „ 149 

Het portret van Titiano, wat doncker ,, iSO 

een freuytstuck, daerin een jongelingh, houde een bos witte druyven 

in de hant „ 151 



1) De Haag'sche schildp Mathias Demele. 



272 EEN EN ANDER OVER GASPAR NETSCHER. 

een oud vroutge, die aen een stock spint haer draet No. 154 

Lucretia [Cleopatra?] gebeten van een slangh „ 153 

d'Offerande Abrahams met Isaacq „ 132 

2 hoofden en een hant, levensgroote. , , , . . „ 155 

een lantschap met een hoogen bergh, met een man en vrou te paard 

met pluymen „ 156 

een man sittende in een bad met een Juffrou, nogh een Juffrou zit 

voor hem en wijst mette vinger „ 157 

't portrait van de Coningh van Vranckrijck in print, hangende in een raam ,, 158 

8 schilderijen van weinigh waerde, ter zijde de schoorsteen. . . . „ 159-166 

2 naeckte beelden in een prent, overgeschildert ,, 167 

het staende pourtrait van de Heer VAN Brederode int harnas . . ,. 168 
een harder met een harderinne, met een fleuyt in zijn hant, naer 

Netscher „ 169 

't portrait van een franschman int harnas, met een generaalsstaf in 

de hant, van NETSCHER ,. 170 

een model van 2 harnassen en een kas, nog eenige modellen in de betstede ,, 171 
het portrait van de moeder van NETSCHER, int cleijn, met een ronde 

lijst voor de schoorsteen „ 171 ^/i 

een lachent vrouwtje met een naeckte borst, in 't cleijn ,, 172 

een meijsken, siende omlaagh, met een witte muts op 't hooft. . . „ 173 

een portrait van Juliana, in 't cleijn ,. 174 

4 stuckies in miniatuyren met kopere lijsten, en 2 in't cleijn met 

ronde lyssies, alle op *t kabinet „ 175-178 



Volgen verscheijde prenten oft teyckeninghen. 

In de portefeuilje No. i sijn 296 teyckeninghen, iedere teyckeningh is gemerckt 
met een streep onder't cijfer, opdat men yder soort bij malcanderen soude kennen. 

Item in No. 2 sijn 425 soo prentges als teyckeninghen, dienende tot bijwerck in 
de schilderien, in't groot boeck met bruyn leer 398 prenten meest Italiaens. 

In't bruyn portefeuilje gemerckt sijn 407 Chetsen (schetsen) met 16 prenten, mede 
geteeckent A. onder't Cijfer. 

Een bruyn portefeuilje mette letter A. (B??) sijn 93 teyckeninghe, ongeveer de. 
helft handen in allerhande postuyr. 

In't boeck geteyckent mettet jaergetal 1664 sijn 278 schetsen, meest van NETSCHER. 

In't cleyn portefeuilje met blauw gemamield papier sijn 17 teyckeninghen met 4 
cleijne ovale portraiten in miniatuyr, onder de wekken de portraiten van MONS. NETSCHER 
en sijn overleden huysvrou. 



V 



EEN EN ANDER OVER GASPAR NETSCHER. 278 

Iri*t boeck geteyckent mette letter C sijn 366 soo prentges als teyckeninghen, 
alle gemerckt met C onder 't cijfer tot een teijcken dat sij by den anderen moeten sijn. 

ïn't boeck geteijckent mette Letter D. sijn 5 teyckeninghen en 3 boeckjes, genu- 
mereert 51, 52, 53> "lede geteyckent met D. 

In't boeck E sijn 583 soo prenten als teyckeningen. 

Nogh 30 bladeren van Oudt Roomen, aen malcanderen genaeyt, geteyckent met F. 

Nogh een van Oudt Roomen, gebonden in marmer papier van 51 bladeren, mette m^ 

letter G. 

In de bruyne portefeuilje in de betstede sijn 327 soo prenten als teyckeninghen 
van weijnigh waerde, dienende voor discipulen om na te teijckenen. 

De letter H. is een prent van Mr. LE Brün van Alexander Magnus, nog 2 
stucken in deselve, dat in één hoort. 

De letter I is een lange prent van GOLTIUS. 

Item: C. is een boekje van 14 bladeren, waerin zijn vrouwen van allerhande dracht. 

K is een boeckje met 7 postuyren. 

L sijn eenige teyckeningen van Kusten off Landen langs de Zeekant. 

M is een boeckje met teyckeningen van weynigh belangh. 

N is een Bijbel 1616 tot Aernhem gedruckt 

O is een boeckje daerin C. NETSfcER heeft geteijckent tot Aernhem sijnde. 

P is een boeckje met 32 ronde portraiten van roomsche Keijzers; nogh een franse 
beschrijving der proportien en teyckeninghen off schilderijen par maistre JEAN COUSIN. 

Q is een bijbelsche historie in prenten beschreven, int latijn, hoogduyts en frans. 

Q is nogh een boeck: les jeux de plaisirs de petits enfants, par Jaques Stella. 

R is een historie van OviDiüS, geschildert op parquement door Bramer. 

R is nogh een historie van Ovidius door WILHELMUS JANSSONIUS excudit 
Amsterdam. 

R is nogh een historie en bedrijff van Ulespicgel, geteijckent door Bramer. 

S is een boeck van d' exercitie militair soo wel te voet als te paert door Jan 
Jaque de Walhuys in Dansick. 

T is een bijbelsche historie door NicOLAES VAN Aelst, Roma 161 3. 

V is een Colonne Traiane met 130 blaeden gedruckt door FranciscüM WlLLAMENAM(?) 
te Rome. 

V is nogh een groot boeck waerin sijn de portraits van veel groote generaals met 
hare daet in de latijnsche tael, door JOHANNES Agricola, 

X is de schilderconst van David Teniers geboortigh van Antwerpen, sijnde de 
schilderconst van Prins Leopoldus, Aertshertogh tot Brussel. 

Y is een boeckje genoemt Imagines Mortis off doodendans, anno 1 566. 

Y is nogh een boeck na Italiaense beelden geïntituleert Signorum veterum icones. 

85 



274 EEN EN ANDER OVER CASPAR NETSCHER. ^ 

Onder de ontvangen gelden o. a. 

Voor 2 schilderijen van MijTENS, ^) vercocht aan VrOLO tot Rotterdam / 180-0-0 
Aldus gedaen enz. 22 November 1694 'J 

De volgende acte, waarin de jong gestorven schilder TheODORUS NÉTSCHER een 
rol speelt, vindt hier mede een plaatsje : 

8 December 1679 verklaren Móns''. Jacob van der Does (J'.) Gerardus** 
► Vheedenrijck en AntONY GerICOT, allen wonende in den Hage, ten versoucke 

van Morsr. Casparus Netscher, dat sij eergisteren avond 6 Maert nevens noch 
8 oiT 10 jonge borsten sijn geweest op haar Academie Cam er, al waer onder anderen 
waren DominicuS van WeiJNEN en THEODORUS NETSCHER, omme allen nae een . 
modell te teeckenen en aldaer geteeckent hebbende tot over de clocke acht uyre 
een iegelijck nae sijn huys wilde vertrekken. Onderweg volgde een gevecht; 
Theodorus Netscher had ruzie met van WeijneN en beweerde, dat die kwaad 
van zijn vader Caspar Netscher had gesproken. Men nam NETSCHER bij 't 
gevecht den degen af, en bij het worstelen viel VAN Wijnen en riep: „O God- 
wat heb ick begonnen, mijn been is gebroocken." Op 't coUegie had Elias 
ViGNv nog gezegd, dat VAN Weynen, eer hij Netscher aanviel, om zijn eer te 
bewaren, „hem een clap soude geven. Enz. ') 

Eindelijk nog eene korte mededeeling over Netscher's jongsten zoon, te Batavia 
als vendrig overleden: ^ 

5 December 1714. De Heeren Theodore en Constantin Netscher, Jofir. 
Rachel Netscher, dHr. Alexander Netscher, Joffr. Isabelle Netscher, voor 
haarzelven en voor de kinderen en erfgenamen van Juiïr. JULIANA Netscher, hare 
zuster, geprocreert bij Mons. Du ChaMP, Mr. Chirurgijn tot Bergen in Henegou- 
wen gestorven, .broeders en zusters en erfgenamen van dHeer Anthony Netscher, 
gewezen Vendrich, op lo Oct. 1713 op Batavia overleden .... machtigen iemand 
om in Batavia diens zaken te regelen enz. «) 



1) Van Gool legt, dal Daniel Mijtens, uil geldgebrek, soms goedkoop lij 
_vrouw vu^ Nktschrb, die eeo slimme trip woi, (ix en snedïe op aesde: wam dan wist lij onzen ve 
niraaiitc stukjes rui zijnen balen lijl, voor een klein prijsje afhuidiiï te maken." (v, UooL, I, p. 76.) 

*) Prot. Not. P. TAN Abrdkh, den Haag. 

" Prol. Nol. J. VAH Dkutkcom, den Haag. 

*) Prol. Nol. G. iiE Cretseb, den Haag. 




CHARLES DE TRELLü EN ZIJNE DOCHTER LUCRETIA. 

DE '/PARTHENINE" VAN C. HUYGENS, 

DOOR 

J. F. M. STERCK. 



E gedichten van Constantin Huygens mogen hem als een 
der pittigste vernuften, als een der schranderste geesten doen 
uitblinken, toch blijft zelfs voor onze eerste letterkundigen 
tal van verzen van den y,taelgeleerden Haegenaer" even weinig 
lichtgevend als zijn vertaling van 

De(n) Brit5e(a) Donn', 
Die dujttre Son 

het voor Vondel was. 
Ontstaan de moeilijkheden om den dichter te verklaren van den eenen kant juist 
hierdoor dat men in die diepzinnige versregels soms nog meer geestigheid wil zoeken 
dan Constantin er in heeft willen leggen, ï) van den anderen kant rijzen tallooze be- 
zwaren uit de ongenoegzame kennis van 's mans taaieigen, van zijn levensomstandigheden 
en van die der personen uit zijn omgeving. Maar ter overwinning van deze moeilijk- 
heden is men den goeden weg opgegaan. Het derde deel van Oud-Holland deed ons 




'/7« CHARLES DE TRELLO 

• « 

reeds een blik slaan op de schatten, die Huygens' Dagboek tot nu toe verborgen hield ; 
moge uit de nog weinig ontgonnen goudmijn van CONSTANTiN's onuitgegeven brieven 
en gedichten weldra alles te voorschijn worden gebracht, wat kan strekken om een volledig 
beeld van 's mans uitgebreide kundigheden en belangrijken levensloop te vormen. 

Dit zijn de stille wenschen van menig letter zwoeger \ voorloopig kan men niet 
beter doen dan Maerlant's raad te volgen: 

„Die gheven mach gheve alle weghe: 
eiken radic dat hijs pleghe, 
want dat men gheeft dats dat men wint, 
ende dat men houdt, vroomt niet een twint.*' 

Deze woorden indachtig, stel ik mij ten doel een kleine, doch nieuwe en karakte- 
ristieke bijdrage te leveren die, zij het ook indirect, tot nadere kenschetsing van personen 
uit HüYGENS' omgeving kan strekken. 

In 1647 dichtte HUYGENS zijn Euf rasta. Oogen-Troost aen Parthenine, bejaerde 
Maeghd^ Over de verduysteringh van haer een ooge. Dat achter Parthenine LUCRETIA VAN 
Trello schuilt, is reeds door BildÊrdijk bewezen, ja, vóór hem „opgemerkt door den 
eerw. R. Koopmans." ^) Onder welke omstandigheden CONSTANTIN deze verzen aan haar 
schreef, is uitvoerig te vinden in het werk *) door prof. JORISSEN aan hem gewijd. Slechts 
over LuCRETiA en haar familie hangt grootendeels nog de sluier der vergetelheid uitge- 
spreid. Dat omhulsel geheel wegnemen vermag ik nog niet, ik zal het slechts wat door- 
zichtiger maken* Het is vooral over haar vader Ridder Charles de Trello (of de Trillo) 
dat ik eigenaardige mededeelingen kan geven; 's mans dochters, en bijzonder LuCRETiA, 
zullen daardoor vanzelf ter sprake, en in nog niet opgemerkte noch juist omschreven 
omstandigheden te voorschijn komen. Ook op haar vriendschappelijke verhouding tot 
Huygens in zijn jeugd wensch ik, uitvoeriger dan tot nu toe geschied is, de aandacht 
te vestigen. In het werk van prof. JORISSEN komen over haar jongere jaren geen bijzon- 
derheden voor. 

Ter inleiding verzamel ik hetgeen hier en daar over Charles DE TRELLO gedrukt 
is. In 1573 was hij onder Willem I bij het beleg en de verovering van Geerfruidenberg;') 
toen hij in '75 Commandeur van Loevesteyn geworden was, werd het slot nog in '79 
onder zijn bestuur hersteld en versterkt.*) Ch. DE Trello nam in 1583 ontslag uit den 
krijgsdienst en begaf zich in 't burgerlijk leven,*) waarop hij in 1586 door Leicester tot 



*) Etmasl, Huygens-Siudün, bL 125. Dat SCHELTEMA onder dien naam Tesselschade zocht is bekend. 
*) CoNSTANTiN HuYGENS. Arnhem 1871. bl. 292, volg. 

3) Zie de mededeeling van den Heer J. G. Frederiks in de Navorscher 1885. bl. 288. Trello's vader kwam uit 
Italië: hïj was van Antwerpen, naar de Hr Frederiks mij bericht. 

^) Van Dam van Brakel, De oa, sprong van Loevestein en Monnikenland, Gorinchem 1856. bl. 51. 
») V. D. Aa, Biogr. Wdbk. Dl. 18. bl. 205. 



^ 



EN ZIJNE DOCHTER LUCRETIA. 277 

schout van JJtrecht werd aangesteld, doch in '88 weer afgezet en gevangen genomen. i) 
Later werd hij bevelhebber van Herenthals. *) Bij de inneming van Geertruidenberg, door 
Maurits in 1593, vervaardigde hij y^Een Historiael ghesangK^ van zestig coupletten.') 
Dat DE Trello in 1615 reeds overleden was zal straks blijken.*) 

Hij was gehuwd met Clara van Persijn en had vier dochters: Sara Adriana 
(+ 1648), c}e tweede vrouw van Fredêrik van Dorp; Lucretia (+ 1663); Barbara 
(+ 1672) en Walburch (geb. 1588, + 11 October 1688) gehuwd met den schout van 
Delft Fr. Willemsz. van Santen.*) 

Toen Charles de Trello in 1586 schout van Utrecht geworden was, nadat Jhr. 
NicOLAAS VAN ZuYLEN, zijn voorganger, en andere aanzienlijke inwoners de stad hadden 
moeten verlaten, blijkt hij zich in zijn nieuwe waardigheid zeer willekeurig en nalatig te 
hebben gedragen. Zelfs lang na zijne afzetting, nog in 1598, evenals ook vóór dat jaar, werd 
hem de herinnering aan die tijden op onaangename wijze voor den geest geroepen. 
Dit gebeurde bij gelegenheid dat Trello (in 1598) aanspraak maakte op „een onderhout 
van vijftich gulden ter maent" boven zijn gewone tractement als hopman, zelfs nog „na 

't opbreeken vant leger", ofschoon deze som hem slechts was „toegeleyt zoe lange* 

tleger te velde wesen soude.''«) 

Trello had machtige voorspraak om zijn verlangen vervuld te zien : hij werd 
gesteund door „een favorabel voorschriven van zijn Excellentie, hoewel hem 'tselve on- 
noodich was, diewijle hij die gunste van genouch alle die heeren voor hem hadde," te 
weten van de Staten-Generaal. 

Maar Floris Heermale, thesaurier en gedeputeerde van de Staten van Utrecht, 
aan een van wiens rapporten •) deze bijzonderheden ontleend zijn, was niet te bewegen 
om tot het verleenen van dit „onderhout" mede te werken, en het was bij een bezoek 
dat Trello hem over die zaak bracht, „verzouckende ende biddende", dat Heermale 
„hem 't genoth van dyen nyet en wilde verhinderen ende in desen benarden tijt in 
meerder verdryet doen leven," — dat de thesaurier het noodig oordeelde „hem die 
memorie te ververschen van eenige zaecken by hem selver in persoon aengerecht, als 



1) Wagenaar. VaderL Historie. Dl. VIII. bl. i68. 

s) V. Dam van Brakxl, t. a. p. 

•) Navorscher t. a. p. 

*) V. D. Aa. t. a. p. deelt nog mede dat een verzameling brieven in a deelen (169 in getal), enkele van Trello, 
doch meerendeels aan hem gericht, in het bezit was van Jhr. C. A. van Sypensteyn. 

») Etmael, HuygenS'Studiin, bl. 123—124. 

De Heer J. G. Frederiks was zoo vriendelijk mij mede te deelen, dat op 4 Januari 1608 in het Haagsche trouw- 
boek voorkomt: Sara Adriana met den Colonel en Gouverneur vanden lande ende stadt Tolen. Dit schijnen dus haar 
juiste namen te zijn. Vglk. Eymael, bl. 123. Aant. 3) in verband met Unger Dagboek van C. H. Bijl. I. 

•) J. J. DODT van Flensbürg, Archief voor kerkelijke en wereldsche geschiedenissen, inzonderheid van Utrecht 
Utr. 1848. Dl. VII. bl. 286. 

Ook de Navorscher 1855. Bijbl. bl. LXXXIV. 



278 CHARLES DE TRELLO 

vant gene hy in den huyse van den heere van Drakenburch ^), eygener authorileyt in 
afhalen van zyn E. geweeren bedreven hadde, insgelycx vant apprehendeeren ende achter 
straete slepen van eenige heeren vant ridderschap enz. item van den schandelicken ende 
calmunieusen (sic) aenspraeck ende nog arger conclusie in syn libel genomen eninjuditio 
overgegeven." Deze feiten, rapporteert Heermale, verdienen toch geen tractement. De 
Prins was echter van meening y»dat men alle gepasseerde onlusten eeuwelyck nyet en 
moste gedachtich zyn of blyven.'* 

Of DE Trello zijn wensch vervuld heeft gezien, blijkt niet ; des te duidelijker even- 
wel, hoe ruw en gewelddadig hij zich als schout van Utrecht had gedragen; tevens wordt 
hier nader bevestigd, dat hij degen en pen beide wist te gebruiken. 

Het is echter vooral in geldzaken dat de vader van LUCRETIA zeer onbe- 
schaafde begrippen getoond heeft. Ik vestig hierop de aandacht omdat, in verband met 
later te vermelden bijzonderheden, uit dezen karaktertrek, ten opzichte van het lot zijner 
dochter, gevolgtrekkingen gemaakt kunnen worden. 

Reeds twee jaren voordat het verwijt van Heermale Ridder de Trello trof, in 
1596, had de Secretaris der Staten van Utrecht, Gillis van Ledenberch, hem per brief 
aangemaand „om te seynden syne reeckeningen van den schoutampte van de jaeren 87 
en 88." Bovengenoemde Jhr. VAN Zuylen van Drakenburch, die ook Trello's opvolger 
was, had ,,tot die tijt gereeckent ende soude syne resteerende geerne voort afdoen." Veelbe- 

teekenend zijn de woorden, die LEDENBERCH hier bijvoegt: „ ick gelove dat men hem 

dese reyse sal moeten quytschelden ende wachten van meer te burgen." «) Bij het lezen 
van deze aanhalingen zal het dan ook niemand verwonderen vermeld te vinden, dat, na 
Trello's dood, zijne weduwe in 161 8 bij resolutie der Generale Staten „voor de leste 
reyse nog geaccordeert [moet worden] vier hondert guldens, die sy by gratie eenige jaren 
voor deesen heeft genoten, nyettegenstaende de voorgaande resolutie, van dat zij haere 
Ho. Mo. nyet meer moeyelijck en soude vallen."*) 

Ook Clara VAN Persijn schijnt veel voorspraak gehad te hebben; immers in 
161 9 wordt haar toch nog „omme goede consideratiön . . . . toegeleet vier hondert carolus 
guldens eens tot haer onderhout, ten regarde van haeren hoogen ouderdom."*) 

Lange jaren nog moest de moeder van HüYGENs' vriendin, weinig bemiddeld als 
zij was, haar leven rekken. Nog in 1630 komt de hoogbejaarde vrouw verzoeken, dat 
van hoogerhand in haar onderhoud voorzien worde. Nu wendt zij zich om onderstand 
tot de Staten van Zeeland. Door den steun van den Prins van Oranje en van LucRETlA*s 
vriend CoNSTi^ ^TIN Huygens wordt aan haar verzoekschrift voldaan. *) 



Trello's voorganger als schout: Nic. va.n Zuylex. 
*) DODT V. Flensburg, t. a. p. bl. 272. 

3) T. a. p. blz. 44— 45« 

4) id. blz. 83 

») V. Dam V. Braki:l. bl. 51. 



^ 



EN ZIJNE DOCHTER LUCRETIA. 



279 



Waren de zoo even vermelde eigenaardigheden van den Heer DE Trello wel 
de eenige oorzaak, dat wij zijn nagelaten familie in zulke droevige omstandigheden vinden? 
De hier volgende karakterschets van ridder Charles geeft eenig antwoord op die vraag. 
Zij is ontleend aan een aanteekening, die ik overschreef uit een handschrift, ^) dat zich te 
, Nürnberg bevindt en door Pauwels DE Kampeneer ») is samengesteld. Het daar ge- 
noteerde is, in verband met de bovenstaande bijzonderheden, ook voor de juiste kennis 
van Lucretia's jeugd van belang. Ziehier wat door DE KAMPENEER over zijn' vriend 
Ch. de Trello in het jaar 1615 werd aangeteekend : 

^^Voicy rOde que Messire Charles de Trello, etc. jadis Gouverneur d'Herentals 
„en Brabant et de Louvesteyn en HoUande, comme un sélateur très-fervent en la parolg 
„de Dieu a faict, passé trente ans, k l'honneur de Messire Phpe. de Mornay') Sr. du 
„Plessis etc. fran9ois, sur son livre intitulé: De la vérité de la religion Chrétienne contre 
„les athées, Mahumétans, Juifs, Epicuréens et autres esprits libertins; pour Ie grand plaisir 
„que sa personne print k la lecture notable et digne d'admiration dudict livre, que j'ai 

youlu retenir pour la rarité de tels Zélotes auiourdhuy. Comme atteint de même affec- 

tion au regard de l'auteur susdit. 






A L'AUCTEUR de CE LIVRE PAR Ch. DE TRELLO. 

O Phpe de Mornay, 
O si j'eusse (cc que n'ay) 
d*un Homère l'éloquence, 
Il me semble que ferois 
Que Ie monde k haute voix 
Chanterait ton excellence.' 



Doch laten wij den dichter-krijgsman, dié met grondige zelfkennis erkent niet 



^) Door vriendelijke tusschenkomst van Proi. Dr. Max Cokrat, alhier. 

') Zie over hem en zijn werk v. der Aa, Biogr. Woordenboek X. 107, en verbeter aldaar het geboortejaar in 1555 
volgens 's mans eigen mededeeiing. Het door van der Aa, genoemde: j^Handschrift , , van godsdienstigen aard^ waarin 
fraaije met de pen geteekende beeldjes^* is ongetwijfeld het te Nürnberg aanwezige (German. Museum. No. 22243. Sam- 
melbuch.) De schrijver maakte in dat boek allerlei aanteekeningen in verschillende talen, schreef er brieven en versjes in aft 
o. a. het Liedeke uit het Antwerpscke Liederboek van 1545: „Hoe luyde riep die Siele tot Godt van binnen." (Horae Belgi- 
cae. Pars XII. No. 56; ook in andere oude liedboekjes.) Verder een anti-paapsch liedje, dat ik later zal uitgeven, en 
oefende zich daar ook in het penteekenen. Dit los fol. groote handschrift bevat voor onzen tijd weinig belangrijks; in 
hoofdzaak is het gevuld met allerlei godsdienstig-dweepzieke betoogen. De Kampeneer schijnt ook met veel kunstzin 
bedeeld (Zie ook Ferwerda in het nader aan te halen Wapenboek', omnis elegantioris picturae summus non tantum admirator 
sed et insigniter peritus noemt hem Philip Galle ) en vooral met Vlaamsche kunstenaars in kennis geweest te zijn. Hoe 
nederig de zonderlinge schrijver over zijn werk dacht, blijkt op fol, 82. verso, waar hij met veel waarheid uitroept: «Wonder 
Godt, ncempt met mate aen de gedachten van uwen sott.'» Zijn spreuk KAMP en EER£ komt in het H.S. dikwijls 
voor als acrcfetichon. De mede te deelen Nota stel ik, door vergelijking met andere aanteekeningen uithetboek, in 1615. 
(Zie ook bl. 281). 

1) Philippe du Plessis Mornay (1549 + 1623), bijgenaamd „Ie Pape des Huguenots", reist van 1565—72 ook in 
Nederland. -Sjn zoon, Phiuppb, sneuvelt in het leger van Prins Maurtts in 1605. De Mornay is beroemd alskrijgs-en 
staatsman en niet minder bekend om zijne geschriften. Het door Trello bezongene werk heeft tot titel: Traite de la Vé- 
rité de la religion chrétienne, contre les athées, épicuriens, payens, juife, mahumedistes et autres infidèles. Anvers, 158 1. 
Het werd herdrukt tot 1617 (zie o. a. NouveUe Biographie Générale, du Dr. Höfer, voh 36. p. 617). De Kampeneer 
schrijft: PHte de Mornay. 



280 CHARLES DE TRELLO 

„d'un Homère 1'éloquence" te bezitten, in al de strofen van zijn Ode niet volgen. Slechts 
de achtste en laatste is hier nog van belang, omdat zij het jaartal draagt : 

Livre, dicti-je, méritant 
d'Estre gamy d'or luysant 
Avecq perles précieuses, 
Car de vray c'est un Joyaul 
Sur tous aultres riche et beaul 
Contre sectes dangereuses, 

1585. 

Aan dit gedicht voegde P. DE Kampeneer in margine het volgende toe: 
„Nota, que quelque temps après, les deux filles, k savoir la deuxiesme et quatrième 
dudict Sr. C. DE Trello, venant visiter mes filles furent de par moy ces vers de la 
main de leur feu Sr. et Père k elles monstréez, pour leur faire voir en quelle afféction 
honneur et révérence je tendts ^) Ie bon, sainct et pié esprit de celluy; qui leur futchose 
très-agréable, coê celles qui avoient helas palies et endurées beaucoup k cause d'aucunes 
gestes OU manières de parier et de faire qu'ovoit ledict personnaige, estant k 1' occasion 
de celles de plusieurs légiers et esventez courtisans qui, ne regardent qu'k l'extérieur, 
(car il fut un temps bas et destitué de moyèns tenu) Ie tindrent assez pour un homme 
reddant fantasque ou encervellé, j'usques k Ie réclamer bouffon du Prince MaURICE et 
de Tentière court; mais non adroict Car je soit qu'en aucunes morgues ou manières de 
faire (tant par un esprit gay ou bizarre qu'il avait de nature, et plus par la réduction 
de sa condition première, se voiant au regard d'autres petits espaignons comme miz au 
blan(c)) il samblait excéder Ie degré ou norme de son eage, si ne fut il pas tel, coê ce 
chanson et autres inventions pies et assez doctes Ie tésmoignent.*' 
Onmiddellijk hierna laat DE Kampeneer dit rijmpje volgen: 

„Somma, die geen croonen heeft te verpralen 

te vertuysschen of te verbancken, 
„Geit nau by de rycke sotten 2 blancken; 
daer Claus Nazzry 40.000 d'alven goU.'**) 

Dat Ridder Charles de Trello zijn spiess^ encP sweerdt alleen niet gebruikte, 
maar ook de pen hanteerde en bijwijlen de lier tokkelde, hierop heb ik reeds vroeger 



*) Je tendts, tiens; pié, pieux; paties, soufFert; regardent, lees: regardant ; j e soit, sais. Al zijn de 
zinswendingen in deze Nota vrij zonderling, toch komt zij mij duidelijk genoeg voor, om verdere verklaringen of een 
vertaling overbodig te maken* 

3) Ondanks al mijne nasporingen is deze kostbare Claus Nazzry mij onbekend gebleven. Misschien wordt bedoeld: 
Claus Narr, de zot van het Saksische Hof, wiens portret bestaat op een vliegend blaadje (door J ACQ. van der Heyden uit 
Straatsburg). Het bijschrift daarop, in duitsche en latijnsche verzen, heeft tot titel: In effigiem Nüolai Morionis vulgo Claus 
Narren '^ het leert ons dat Claus geboren werd te Ranst^tt in Meissenen, 60 jaar oud, te Weida overleed; deze meldt tevens: 

.... das von meiner Wunderthat 
Man ein gantz Buch gesamnult haU 



EN ZIJNE DOCHTER LUCRETIA. 281 

gewezen; als „sélateur très-fervent en la parole de Dieu" zien wij hem hier voor 't eerst 
optreden, evenals in een minder verheven hoedanigheid. 

Doch laat ik eerst nagaan wat er, ,,en vérifiant les dates", uit de Kampeneer's 
mededeeling valt op te maken. Quelque temps qprès..., slaat niet op het jaartal 1585 
dat onder de ode staat, doch beteekent blijkbaar: eenige tijd nSi het opschrijven der verzen 
door DE Kampeneer in 1615. Eenigen tijd dtórna komen de dochters van DE Trello 
zijne dochters bezoeken, en het is na dat bezoek dat DE K. zijn Nota nog aan de 
verzen toevoegt. 

De woorden: a faicty passé 30 ans, die aan DE Trello's verzen voorafgaan, 
wijzen ook juist op 161 5 als het jaar waarin DE K. ze in zijn boek neerschreef. Dit 
betoog zal niemand betwijfelen, die weet dat les filles van DE K. omstreeks 1585 geboren 
werden, te weten: Sara 1583, Annetie 1584, Elisabeth 1587. i) Vooreen bezoek 
van Trello's dochters, q.q, temps après 1585 konden zij dus niet in aanmerking komen. 
Ik hecht er aan om dit alles uitvoerig te bewijzen, omdat, in verband daarmede, uit de 
woorden: ^yfeu leur Sr. et Père" blijkt, dat Ch. de Trello reeds in 161 5 niet meer tot 
de levenden behoorde. «) 

Men kan door de Kampeneer's aanteekening^ook vrij zeker aannemen, dat Trello's 
dochters, wier geboortejaren (behalve dat van Walburch) onbekend zijn, ongeveer van 
den leeftijd van die van DE K. waren. 

Wie nu met ,,la 2»^™^ et la 4ième" bedoeld worden, is niet met zekerheid uit te 
maken. Toch, dunkt mij, kunnen het slechts LucRETiA en Barbara geweest zijn. Immers 
Sara, die in 1608 de tweede vrouw werd van Fr. van Dorp, was toen (161 5) sedert 
drie jaar weduwe, en Walburch, in dat jaar 27 jaar oud, was naar alle waarschijnlijkheid 
reeds gehuwd met Fr. Wz. van Santen te Delft.') Op de beide laatste kunnen de 
woorden van DE Kampeneer dus moeilijk slaan. 

De karakterteekening van DE Trello door een man, die hem blijkbaar hoogschatte, 
doet hem in een zeer eigenaardig licht verschijnen. Al laat DE Kampeneer het ook voorko- 
men alsof de slechte toestand van Trello's geldmiddelen (wij hebben hierboven een kijkje 
daarin kunnen nemen), hem ten spot der hovelingen deed strekken, toch ontkent hij niet, 
dat ledict personnaige zeer zonderling was in zijn wijze van optreden en spreken, en voor 
zoo vreemd en buitensporig gehouden werd, dat hij als de nar van Prins Maurits en het 
geheele hof bekend stond. 



1) Ferwerda, Adelijk en aanzienlijk wapenboek van de zeven provinciën. Leeuw. 1760. I. 3© stuk (Genealog. v. Oude 
aanzienel. familien in Friesland.) 

s) En niet in 1630 overleed, als in de Dietsche Warande v. 1869, blz. 482 wordt medegedeeld. 

3) Den leeftijd van Fr. Wz. v- Santeit kan men eenigszins opmaken uit de volgende jaartallen: Hij was schepen 
van Delft van het jaar 1626—28. In 1629 wordt hij tot scht)ut benoemd, welke betrekking hij bleef vervullen tot 20 
Dec. 1675 toen hij overleed. (Zie Beschrijving der stad Delft enz. bij Reinier Boitet. 1729. III Hoofdst.) Walburch de 
Trello was dus waarschijnlijk eenige jaren ouder dan haar echtgenoot. 

36 



282 CHARLES DE TRELLO 

Vooral schijnt ook aanleiding tot spotternij gegeven te hebben : la réduction de sa 
conditum première^ namelijk zijn afzetting als schout van Utrecht, en het komt mij voor, 
dat Ledenberch's raad om te „wachten van meer te burgen" ook wel de algemeene 
denkwijze der hovelingen over den ex-schout bevat zal hebben. Tevens kan het „au regard 
d'autres petits espaignons" niet ontgaan zijn, dat Ridder CHARLES na ongeveer tien jaren 
nog geen rekening en verantwoording had afgelegd en zijn opvolger in het schoutambt 
voor de schulden had laten zitten. 

Zoodanig „mis au blanc" zijnde, geeft het voor de nagedachtenis van den Bevel- 
hebber van Loevesteyn niet veel, of „des inventions pies et assez doctes" al gunstig van 
hem getuigen, en of DE Kampeneer ook al in het rijmpje als verschoonende verklaring 
meent te kunnen samenvatten: dat hij die, als Trello, geen kroonen heeft te verbanken 
daarom bij de rijke zotten nauwlijks twee blanken waard is. 

Het meest moeten evenwel zijne nagelaten betrekkingen onder zulke omstandig- 
heden geleden hebben. Hoe zijne weduwe, ofschoon zij den naam van Persijn (een 
Delftsche regeeringsfamilie) droeg, herhaaldelijk nu hier dan daar om onderstand moest 
smeeken en die bij gratie nog ontving, heeft zoo even reeds ons medelijden opgewekt. 
Dat Trello's dochters, en, naar ik meen, LUCRETIA en Barbara in 't bijzonder, in 
haar jeugd de gevolgen van „1'esprit gay ou bizarre" haars vaders moesten ondervinden, 
en daardoor veel te lijden en te verduren hadden, zal zeker met niet minder verwondering 
gelezen worden. 

Vanzelf doet zich de vraag voor, onder welk opzicht de twee dochters van 
DE Trello wel zooveel hadden uit te staan. Natuurlijk zullen de spotternijen ^afej /^/Vrj 
et esventez courtisans^ die de vader moest hooren, ook zijne dochters niet onthouden 
zijn geworden. Doch ik meen, dat het geen gewaagde of onjuiste gevolgtrekking is om 
aan te nemen dat haar lijden, ook voor haar, voornamelijk uit den slechten staat harer 
geldmiddelen zal gesproten zijn. Onder het beheer haars vaders toch zal die toestand 
wel zeer treurig zijn geworden. Want hadden de dochters, na 's vaders dood, eenig 
vermogen bezeten, dan zouden ze ongetwijfeld haar moeder hebben ondersteund en voor 
deze, op haar hoogen leeftijd, de vernedering van de herhaalde requesten om onderstand 
wel onnoodig hebben gemaakt. 

Het is dus vrij zeker dat LuCRETiA en Barbara (de beide andere zusters waren, de een 
gehuwd, de andere weduwe, en dus wel niet onverzorgd), althans gedurende langen tijd, in be- 
krompen omstandigheden verkeerd hebben, en dat eerstgenoemde, behalve aan 0^^^«/r^^5/ 
op later leeftijd, wellicht ook dikwijls aan stoffelijke vertroosting behoefte gehad zal hebben. 

Hij die haar de eerste in zulke schoone en wijze verzen toebracht, heeft ook steeds 
van groote belangstelling in DE Trelloos blijk gegeven. Wij zagen reeds, dat Clara VAN 
Persijn o. a. ook aan zijn voorspraak op haar ouden dag de toelage van de Staten van 
Zeeland te danken had, en de eerste verzen van HUYGENS' Oogentroost leeren ons, dat 
hij in zijn jonge jaren ook reeds zeer goed met LuCRETiA bekend was, al veel met haar 



EN ZIJNE DOCHTER LUCRETIA. 283 

omging, en zij niet „vooral in de jaren 1640—50 in HUYGENS' kring" ^) schijnt verkeerd 
te hebben. 

Hooren wij CONSTANTIN zelven zijner vriendin dien ouden tijd nog in 1647 in 
herinnering brengen : 

„Verdenckt den Dichter niet, die desen rijm beleidt: 

Hy heeft U vander jeught met ydel' vrolickheit, 

Met jock voor jock bericht; 2) en 't docht hem, in die jaren, 

Dat woorden sonder sout en lacchen susters waren, 

En 't docht u even soo. Nu weten Ghy en Hy 

Het suer en *t soet gesicht te stellen, naar het zy.'' ') 

Met deze inleiding draagt HUYGENS zijn zeer wijdloopig leerdicht aan Parthenine 
op, en nog niet is de aandacht er voldoende op gevestigd geworden, dat er werkelijk nog 
voorbeelden over zijn van deze ^.yder vrolickheit'*, van de focJk en het lacc/ien van CON- 

STANTIN en LUCRETIA. 

Zij zijn voorhanden in de niet voltooide uitgave der Volledige die/Uwer ken van 
Canstantijn HuygenSy onder toezicht van Dr, N, Beets^)^ en zij verleenen ons werkelijk 
een geheel nieuw en verrassend inzicht in LucRETlA's jongere jaren en haar karakter 
op den leeftijd, toen zij toch reeds de 3 kruisjes wel bijna achter den rug had. Ik 
wensch uit den inhoud dier versjes hier een tafereeltje te schetsen, niet slechts van 
Constantin's verhouding op 23-jarigen leeftijd tot zijn veel oudere vriendin LüCRETiA 
VAN Trello, maar ook van hun Haagsche omgeving in het jaar 1619. *) 



1) J0RIS8EN blz. 294. 

9) Bericht \ Bilderdijk voegt hier aan toe: „lees berecht" en de Heer Etmael verklaart dit woord met bexig 
gtkomdem (bl. 1x9.) Mij dunkt dat Huygexs hier in dit woord niet slechts de beteekenis van (7n^/^rr/VA/f« heeft willen leggen, 
maar ook die van terecht wijzen^ leiden. En ik word in mijn meening versterkt door de hierna volgende Ycrsjcs uit 
's dichters jonge jaren, waaruit men zien kan dat hij werkelijk zijne vriendin met Jock voor jock" terecht wijst dat zij is: 
,zoo licht van belghen." 

») Editie Bilderdijk, Dl. I. bl. 259. 

De Heer Eymael schijnt in zijn zeer schrandere verklaring (bl. 118.) van deze verzen te mecnen, dat H. 
bedoelt: „Het leek U en mij in de jaren onzer jeugd" enz. Het komt mij voor dat de dichter met de woorden: „vander 
jeught" slechts zeggen wil: „van mijn jeugd." Cünstantin kan toch niet bedoelen dat Lucretia ook maar ongeveer zijn 
leeftijd had, zij was veel ouder dan hij. Immers bij haar overlijden in 1663, ja, reeds vroeger in 1644 („Maeghd, onver- 
sleten, onverslij telicke Maeghd.") verkondigt Huygens als een bijzonderheid, dat zij hoog bejaard was (zie het graüschrift: 
Sneldichten: Boeck XXI. 109. „Haer leven was soo hoogh in 't jaren-tal geresen; sy scheen onsteiffelick" enz.) Ware 
Lucretia nu van Hs'. leeftijd (geb. 1596), dan zou zij bij haar overlijden slechts dl 67 jaar zijn geweest, een ouderdom 
waarop 's dichters woorden volstrekt niet toepasselijk zijn. Een zeer hoogc leeftijd is daarbij in de familie Trello-Persijn 
geen zeldzaamheid: L's moeder Clara wordt in 1618 reeds vermeld in „haer hoogen ouderdom*', en in 1630 leeft zij 
nog. Walburch werd, zooals de Heer E. mededeelt, óver de 100 jaar. Naar ik gis, was LucRETiA zeker 20 jaar ouder 
dan HUTGRNS, en dus, toen zij de Oogentroost ontving, zoowat 71, en bij haar overlijden 87 jaar, eigenlijk toch nog geen 
leeftijd om met zooveel ophef te vermelden! 

4) ie. Afl. bl. 49, volg. De Heer Leendertz wijst daar ook op het verband tusschen de verschillende stukjes, die 
op Lucretia betrekking hebben. Aan de lijdensgeschiedenis van de beide verschenen afleveringen behoef ik hier niet te 
herinneren. Men zie Dr. Penün's Bijdragen enz. III. 175 volg. 

») Prof. Jorissen zegt (t. a. p. bl. 43) van dit tijdperk in Huygens' leven: „Van zijn verkeer in de Haagsche 
kringen is geen stellig spoor overgebleven." 

36» 



284 CHARLES DE TRELLO 

In dat jaar, den 1 1 Februari, was HuYGENS te Amsterdam in kennis gekomen met 
Anna Roemer Visschers en, als ieder die haar talenten bewonderen mocht, tot in de 
wolken opgetogen door haar „over-vrouw verstand t** en kunstvaardigheid in het glasgra- 
veeren. Ja, den 1 1 November ontvangt de dichter RüTGER Wessel van DEN Boetselaar 
Vrijheer van Asperen, van den jeugdigen HuYGENS nog : „ Yet Boerighs^^ ^) met andere 
woorden, een boerenliedje, waarin CONSTANTIN, als boerenherder vermomd, al de ver- 
diensten, al de macht en kracht van zijn luitspel opsomt, om ten slotte zijn speeltuig 
toe te roepen: 

>Luyt, te veel gepresen Luyt, 
Stopt u snaren, Anna flayt."*) 

Natuurlijk moest onze dichter ook bij zijn trouwe, door hare latere geestige 
brieven bekende vriendin DOROTHEA VAN DORP') al zijn gevoelens en bevindingen 
uitstorten. Wat hij haar over Anna mondeling heeft medegedeeld, weten wij niet, 
wel dat hij aan 

>Thé, de soetste van ongs bueren*' *) 
ook het Haagsche Boerenliedje toezond 

»Met ien veersjen drie ofT vier," 

en daarbij onder meer een beschreven glas, waarschijnlijk een kunstwerk van Anna 
Roemers. Hij voegt daarbij, dat de zanger van het boerenliedje (HüYGENS-zelf) zoo 
verwend is dat hij, zoo hij zijn wil deed, niemand prijzen, niemand minnen zou. 

Dan de soetste fraeyste meyt 
Die oyt aerd edregen heyt, 
Waer by all' ongs aare troosjes 
Komen lijck verlepte roosjes 
Lijck ien knip-slach by ien worp 
Lijck ien huysien by ien Dorp, 

Wie dat voortreffelijke meisje was, moest het Boerenliedje oplossen: 

as je 't hebt elesen, 
Raet wie mach het meysien wesen: 
Asje siet op 't schreeven glas 
Denckt wie dat het knechje was. 



*) Zie COHSTANTINI HüGENii Equitis Otiorum L. VI. Harlemi, 1634 p. 473. 

2) Zie Volledige Dichiw., enz. bl. 45 afl. I. 

Hoe Anna wederkeerig Huygens luitspel waardeerde ziet men bij Beets, Anna R. Visschbr, Gedichten II 48 
en in de daar voorafgaande inleiding. 

3) Zie Dietsche Warande Dl. VI. 477 volg. en Jorissen bl. 294 volg. 

*) VolL Dicktw, bl. 48. DOROTHEA woonde, zoowel als Huygens, in *t Voorhout. (Zie o. a. Volledige Dichiw^ bl. 8, 
en J0RIS8EN bl. 172.) 



EN ZIJNE DOCHTER LUCRETIA. 285 

Zoo besluit CONSTANTIN zijn berijmd brietje aan DOROTHEA. Ik lees hieruit dui- 
delijk, dat hij Anna Roemers en zich zei ven bedoeld heeft. ^) Gelijk wij straks zien zullen, 
namen de Haagsche y,troosjes" waaronder Lucretia, het echter geheel anders op. 

Met zooveel ophef de schoohe gaven van een andere jonge vrouw te roemen, dat 
mocht en dorst Huygens tegenover zulk een vriendin, met zóó een goed, oprecht hart 
als Dorothea, zonder te vreezen dat dit haar hinderen ot haar naijver zou opwekken. 
Maar, o wee ! hetzij de vriendin niet zwijgen kon, of graag pronkte met CONSTANTIN'S 
verzen, zijn rijmpje op „de soetste fraeyste meyt" kwam de ,^aare troosjes", die H. bij 
v»verlepte roosjes" had vergeleken, ter ooren, en het behoeft geen nadere omschrijving 
welke uitwerking dit had. 

De diepgegriefde Haagsche schoonen meenden niet anders oi de loftuitingen in de 
versjes waren aan Dorothea. gericht, waardoor haar bloed kookte van verontwaardiging 
en afgunst De niet meer jonge, doch zeer schrandere LuCRETiA VAN Trello ») maakte 
zich de tolk der jaloezie van hare medezusters in Der dorpen dorp, CONSTANTiN ontving 
van haar een lang niet malsch briefje, waarschijnlijk op rijm, dat echter niet meer voor- 
handen is en slechts uit HüYGENS' versjes kan worden aangewezen. 

Dit alles moet geschied zijn kort voor 20 November van datzelfde jaar, want op 
dien dag zette Constantin zich ter neder en schreef: raptim et ludibundtis, vix tribus 
horisi een antwoordje aan het „Grilligh trilligh Trilloos kindt," dat zoo eigenaardig is 
en zoo een karakteristieken blik geeft op beider vriendschapsbetrekking, dat ten minste 
de inhoud er van hier niet mag ontbreken. Ziehier den aanhef:'^ 

Grilligh trilligh Trilloos kindt 
'Kha^je dapper wel esint 
Waerje niet zoo licht van belghen, 
Dat en ken ick niet verswelghen 
Datje zoo soudt mitter vaert 
Raecken op je groote paert; 
Om de hoop onnoosel grillen 
Die me lestereys ontvillen 
Tusse waeck en slaepe schier 
'Savents, schat ick, byde Vier, 



1) Immers de woorden : „als je *t hebt elesen" kunnen slechts op de .Haagsche Boerenjool" slaan, als het laatstge- 
noemde van de versjes die H. aan Dorothea zendt. En in dit herderslied is slechts sprake van Anna Roemers, terwijl 
het juist moet oplossen: „wie mach het meysien wesen". De regel: „Lijck ien huysien by een Dorp'' kon overigens we 1 
tot een andere uitlegging aanleiding geven, zooals werkelijk in Hüygeks» tijd geschied is. Leest men echter nauwkeurig, 
dan zegt de dichter : De andere troosjes staan tot Anna Roemers, o. a. als een huisje tot een Dorp staat, en stelt daar- 
door zijn beide vriendinnen A. R. en DOR. v. D. te zamen tegenover de .„verlepte roosjes", namelijk de andere Haagsche meisjes. 

^ Mocht men soms twijfel opperen of wel Lucretia en niet een harer zusters door Huygens in deze gedichten 
bedoeld wordt (omdat H. den voornaam niet uitdrukkelijk vermeldt), dan wensch ik er op te wijzen, dat slechts van Lucretia 
bekend is dat zij in vriendschapsbetrekking tot hem stond, en dat ook zij alleen, onder haar zusters, zich met letteren 
heeft bezig gehouden. 

») • Zie het geheel: VoU. Dichtw. bl. 49. 



286 CHARLES DE TRELLO 

Om en onbeschoft versieren 
Om en onbedocht vercieren 
Datje giste t'jouwer schandt 
In men rijmpge was eplandt. 

„Ik moet je eens een „kunstgc" leeren, gaat de geestige dichter voort; veronderstel, 
ik had eens van een meisje kwaad geschreven en verteld, om een ander te prijzen en 
het onderscheid aan te toonen dat tusschen haar en het andere bestaat. Zou je dat alles 
dan zoo grif gelooven, als je het te lezen kreegt? Maak dat je eerst eens leert kennen 
wat de mannen voor lui zijn, en wat de vrouwen al van hen te lijden hebben. Dit moet 
je van mij hooren: geen man is zoo oprecht of eenvoudig, dat hij geen leugens verzint 
om de hoedanigheden van zijn meisje te prijzen. Meisjes, ik maak professie van te liegen 
als ik met jelui in aanraking kom. Als je mij dus allerlei lof hoort verkondigen over de 
schoonheid v^n een meisje, zegt dan maar: die slimmert maakt ons wat wijs. Maar een 
ipalle wijsneus zal zeggen, dat liegen zonde is. Vaer, al weet je meer dan ik, laatje niet 
beetnemen, want alle vrijen is liegen; maar die leugens dienen ergens toe: want evenals 
men groote heeren veel hooger prijst dan zij verdienen, eveneens gaat het met de vrijers 
en vrijsters, zij prijzen elkander hemelhoog, dat is te zeggen: ze noemen elkaar zooals 
ze elkander het liefst zien zouden. 

„Maar het is genoeg; nu zal je wel weten waar het eigenlijk alles op neerkomt 
wat ik laatst zeide om een meisje te „bestieren, die" ik 

Liever sie as alden dach 
Daer ick me in deucht en eeren 
Wonder wel ken ackerderen. 
Die ick liefT heb met een maer. 
Niet ae Vrijster maer as Caer. ') 

,,Zou je nu daarom kijven en kribben, dat kan ik nooit denken; maar in trouwe, 
doe nog veel meer dan dat, 

'Klaetje grollen, 'klaetje morren, 
'klaetje grimmen, 'klaetje knorren, 
Qu^igh krelligh Trelloos kindt 
'kHebje al evewel esint. 

In het bovenstaande vinden wij er een voorbeeld van, hoe in die jaren voor CON- 
STANTIN en Lucretia: 

„woorden sonder sout en lacchen susters waren," 



1) Deze woorden slaan op Dor. v. Dorp en geven meteen H.'s verhouding aan tot zijn vriendin. Zij zeggen echter 
niet méér, dan dat het pas aangehaalde liedje (.Thé, de soetste*') aan DorOTHEA gericht was, en sluiten niet uit dat H. 
met ,de soetste fraeyste meyt" in dat gedichtje, Anna R. bedoeld heeft. 



EN ZIJNE DOCHTER LUCRETIA. 287 

en hoe hij met het „cribbigh" karakter van zijn vriendin wonder wel wist om te springen. 
Hij stond dan ook met haar op te goeden voet om zulke booze luimen veel te tellen. 

Evenwel van de andere „troosjes" kwam het knechje niet zoo gemakkelijk af. Wat 
er naar aanleiding van dat onschuldige versje aan ,,Thé, de soetste van ongs bueren" al 
is voorgevallen vult menige geestige bladzijde in de eerste aflevering der gestaakte HUY- 
GENS-uitgave. ^) Doch aangezien LuCRETiA VAN Trello daar verder niet meer op 't 
tooneel verschijnt, komen die verzen hier minder te pas. Slechts de afloop van het ge- 
schil, zoo vol jaloezie, wil ik hier nog mededeelen. 

Naar Huygens' voorstelling, in zijn „Verantwoordinghe** aan de „Haegse kindre," 
werd het voorgevallene met het briefje zóó bekend, dat 

Daer 't Noordende, daer de Plaets 
Daer de Vijver-berghsche boomen 
Ofif van spreken ofF van droomen, 

daarom wil de dichter, na een week of drie, vier, toch eens wat meer over die ge- 
ruchten vernemen, en richt zich tot het eerste 't beste jonge meisje dat hij ziet. Deze 
„Cleuter" «) komt direct voor den dag met het schriftelijk antwoord van LucRETiA 
aan HuYGENS: 

„,Kijck, Cabouter, hier is *t brieflQe 
Datje lest en seker liefifje 
Op je hacken heyt estuert, 

— zoo begint het meisje Constantin aan te spreken, — 

Doe je ginder in je buert 



Sucke malle parte stelden 
Datter scheen in 't heel' A. B. 
Ghien zoo costelicken Ds) 
Van sen leven waer te vinne 
Om en rijmpge te beghinne.. 



1) BI. 52—64. Tvrouwe-lof alias mans handt boven. Boertighe verantwoordinghe aendc jeught van Tsgravenhaegen 
(V. 23 Jan. 1620) Verder bl. 70-74. „Roose mongkie, krale lipgies" enz. (aan een zekere Maeykex de Bie.) Al de«e 
versjes rijn bijzonder geestig en, evenals de voorgaande, in boerenplat gedicht; ik kan den lezer aanraden re eens na te 
slaan om niet al te uitvoerig te worden, is in deze bladzijden slechts zeer weinig er uit aangehaald. 

*) Uit deze verzen die aan 't einde der Verantwoordinghe voorkomen: (bl. 62). 

Maer geluckich mach hem roemen 
Die uyt allerhande bloemen, 
Die uyt allerhande ruycht 
Mette Byeiges heunich suycht. 

besluit ik dat de „cleuter'! niemand anders is dan dezelfde Marykx.s de Bie, een ander Haagsch troosje^ die wij straks 
nog zullen zien verschijnen. 

») D0ROTHEA, aan wie het rijmpje, waarin Anna Roemers zoo hoog gesteld werd en de „aare troosjes" er zoo 
slecht afkwamen, gericht was. 



288 CHARLES DE TRELLO 

En verder verwijt zij hem alles wat ons reeds bekend is van de „verlepte roosjes." 
De „Juffer", die zijn versje ontvangen had, noemt zij echter niet, wel het liefje dat hem 
die verlepte bloemen 

Zoo suer op doen breken heyt. 

Zij meent dan al heel goed op de hoogte te zijn: de „hooghe tarme" van het 
ons niet bekende antwoord (van Lucretia) laten haar geen twijfel: 

Die dit stickgen heeft versint 
Is *t beroemde Visserskint, 
Anne fleurtge van je nati 
lenich HoUancks reppetaci 
Trouwe voorspraeck van ongs eer 
Duysent dancken en noch meer 
Duysent groene Lauwer-croonen 
Moeten jou de moeyte loonen 
Eere zy de cloecke hangt 
Die de spotter brocht te schangdt. 

Doch CONSTANTIN weet wel beter dat de y^wijse Anna^^ niet de schrijfster is, en 
schande roepend over den Haag zegt hij : „Kan men nu een ROEMER-dicht niet onder- 
scheiden van een grapje, 

„Dat ick voor en puer gcnuchgie 
Van en vrolick Juffer-dier 
'Smorghens op men bedde schier 
Buers-gewijse quam t'ontfange, >) 
Daerse, loof ick, niet zoo langhe, 
(Want ick hebb' al starcker pangt 
Van her ongemeyn verst angt) 
Hadd* me kenne besich wesen 
As veel andre om te lese.*' 

En zulke „blaeuwe bloemen*' durft men in den Haag voor „Amsterdamse schrifte" 
aanzien! „Foeyl die misslach is te groot I" JANUS DOUSA, leefde hij nog, zou er zijn 
zinnen bij verliezen! 

En zoo toont onze dichter, nog in menig geestig versje, zich tegen de Cleuter 
„deughdelick" te kunnen „verwere": aan zijn betoog komt haast geen einde. Ten slotte 
wil hij wel toegeven, — ook met het oog op de „wijse Anna", — 

„Datter ongder duysent leuren 
Wel en moye paerel leyt 
Die wat meer is as en meyt;" 



i) Woonde Lucretia. dus ook in Huygbns* buurt? 



EN ZIJNE DOCHTER LUCRETIA. 289 

doch, zegt hij er bij, als om de „verlepte roosjes" in den Haag weer tevreden te stellen: 
daarom behoeft men niet uit Holland te loopen, die weet ik hier, in den Haag, nog wel 
aan te wijzen. Ik zie echter graag eens iets bijzonders, ik behoor ook tot die gekken 
die door iets zeldzaams worden aangetrokken, daarom dus: 

„Om en mans-gelijcke meyti) 
Om en reliek wijff te kenne 

Wil ick vlieghen en niet rennen." 

* 

Bij dat alles besluit HUYGENS met te verzekeren, dat alle meisjes gerust kunnen 
zijn, want dat hij „van vrijen noch van raesen" afweet. Tegen 

sucken cloken spreker 

Sucken elequenten tong, 

is zelfs de spraakzame Maeyken niet bestand: zij laat hem praten en druipt af. 
Maar zelfs het volgende jaar, toen HuYGENS te Londen was, 

„Daermen mannen Engels hlet," 

schijnt Joffrouw DE BlE zich nog gewroken te hebben over haar nederlaag, door een 
ander voor haar een gedichtje te laten opstellen aan het adres van CONSTANTIN, dat hem 
echter hartelijk deed lachen en haar toeroepen: 

„Wie mach toch den brodder wesen 

Die sen onverstandich lesen, 

Jou ter schande, myn ter spijt, 

Nae soo menigh maenden tijdt 

Na becans en coppel jaren 

Voor de Werrelt comt verclaren !*' >) 

Toch oordeelt hij ook deze versjes nog een antwoord waardig en begint hij met 
het meisje den wijzen raad te geven, van zich toch nooit achter een ander te verschuilen, 
en gaat daarna zijn vroegere versjes verklaren, hij eindigt met het „Peerel-bietgie" bij 
hoog en bij laag te verzekeren, er nooit aan gedacht te hebben om haar „renemeê te 
krenken," noch haar „beteyckent off beticht" te hebben. 

Dit schreef Constantin den 7 April 162 1 te Londen, en reeds den 30^^ van 
dezelfde maand was hij in 't vaderland terug. ') Of men hem toen nog zijne argelooze 
doch geestige rijmpjes en al de opschudding, die zij onder de Haagsche troosjes veroor- 
zaakt hadden, heeft nagehouden, vind ik niet vermeld; aan de vriendschap tusschen hem 
en Trilloos kindt hebben zij blijkbaar geen afbreuk gedaan. 



1) Mans'gelijke meyt, vglk. hiermede Constantin's lof van Anna's ozer-vrauw verstandt. [VolL Dichtw. bl. 47.) 
Deze uitdrukkingen zullen wel op één en dezelfde persoon slaan. 

2) VoUed. Dichtw. bl. 72, 

8) Dagboek; uitg. v. Unger. bl. 10: 30 Aprilis reversus. 

37 



290 CHARLES DE TRELLO 

Is het ter herinnering aan die jaren dat HUYGENS, toen zij beiden 

„Der stormen en *s geruchts der straten even moê" ') 

waren, haar in zijn Oogen-Troost^ misschien half ironisch, nog deze verzen (in 1647) 
toevoegt ? 

,/k Wil van geen Liefde spreken: 
.,Wy waren oock eens jongh: maer onJer die gebreken 
„En lagen wy noyt sieck," 2) 

Meende de dichter deze woorden in ernst, dan veronderstelde hij bij Parthenine 
tofch een zeer kort geheugen. Immers, mag men de geestige snapster gelooven die 
HuYGENS, tijdens zijn derde verblijf in Engeland '), van al het Haagsche nieuws op de 
hoogte hield, — men moge DOROTHEA VAN DORP onbescheiden vinden, dat zij onwaar 
was is nog niet bewezen, — kan men haar brieven dus als een vertrouwbare bron be- 
schouwen, dan leeren haar bulletins ons o. a. over LUCRETIA en, wat HuYGENS noemt: 
dié gebreken^ de volgende telegram-achtige bijzonderheden: 
24 Maart 1622 (?); Den Trello compt in den Hag,^) 
12 Mei i622(?): Den Trello is inden Hag. 

23 Mei i622(?): Den Trello is noch hier, noch begeerich naer den man^ 
30 Mei 1622: Den Trello doet ue seer groeten, en het schoone kint oock^) 
DoROTHEA had dus haar nicht LuCRETiA gesproken en van haar de groeten voor 
HUYGENS ontvangen; waarschijnlijk echter zal „DEN Trello" haar het intieme bericht 
van 23 Mei wel niet hebben opgedragen. Neemt men in aanmerking hoe lichtzinnig en 
oneerbiedig zij zich tegelijkertijd uitlaat tegen CONSTANTIN over zijn, door hem zoo 
hooggeschatte vriendin Anna ROEMERS *), dan zou men allicht denken dat een bui van 
kwaadsprekendheid haar al dat gespot over de beide vriendinnen van HuYGENS, die in 
den Haag te gast waren, in de pen gegeven kon hebben. DOROTHEA schijnt het evenwel 
niet zoo geheel en al mis gehad te hebben dat LuCRETiA was: noch begeerich naer den 
man! Huygens zelf toch heeft ons het bewijs bewaard, dat er werkelijk in dat tijdperk 
van 1622 — 23 aanleiding geweest kan zijn om van de „onverslij telicke Maeght" zulk een 
bericht over haar innigste hartsgeheimen naar Londen over te brieven. 

In de tweede aflevering 7) der onvoltooide uitgave van HuYGENS' Dichtwerken, is 



1) Edit. Bilderdijk, DL I. bl. 261. 

') Aldaar, bl. 275. 

) Van 5 Dec. 1621 tot 13 Febr. 1623. (Dagboek bl. 10.) Volgens Dr. Jorissen (bl. 129.) was Hutgbns reeds 13 
Januari 1623 terug en bij de bruiloft van Johan Dedel en Isabeaü Vogelaer tegenwoordig. 

*) Dietsche Warande, Dl. VI bl. 479—484—485. 

*) Jorissen t. a. p. bl. 385. Over het schoone kint, Huygens* toekomstige vrouw, zie Jonckbloet, Gesch. der 
Ned. Letterk. 4® Dl. bl. 68 (3e. druk, 1882.) Ook over het juiste tijdstip van Dorothea's brieven (1622). Jorissen Btelt 
dezen in 1624, hetzelfde jaar van de vijf andere in de Dietsche Warande. 

Anna Rommers is hier met haren man Ik sou qualijck worden om sulken ouwen crijng soo mal te 

sien." Enz, gelijk bekend is, 

7) Bl. 147» 



EN ZIJNE DOCHTER LUCRETIA. 291 

voor het eerst afgedrukt een zesregelig versje, dat onder de biographische bijzonderheden 
van LüCRETiA niet mag ontbreken. 

CONSTANTIN zendt haar, nadat hij den 13 Februari 1623 uit Engeland is terug- 
gekeerd, in September daarop het volgende gedichtje: 

Een siecke vrindt 
Aen Trellos kindt. 

Gouwe Gouwbloem van Ter Gouw 
"Wist ick wie u plucken souw, 
'Kpaerden hem van desen dach 
Mette wijste Bloeme-sotten 
Diemen oyt voor Bloeme-potten 
Goudt ter Gouw besteden sach. 

febricitans. Hag. 19 7^. 1623. 

Hoe raadselachtig dit briefje ook zij, wat de bedoeling er van is valt niet moeilijk 
te verklaren. Lucretia is blijkbaar tusschen 1622 en 23 (wellicht oni geldelijke omstandig- 
heden i) naar ter Goude, of gelijk men nu gelatinizeerd zegt: Gouda verhuisd. ^) HUYGENS 
schijnt vernomen te hebben, dat er kans bestond, dat de „Gouwe Gouwbloem" aldaar 
geplukt zou worden ; met andere woorden, dat men zijn vriendin het hof maakte. Maar 
de vrijer is hem onbekend of slechts bij gerucht bekend. Zijn belangstelling in LüCRETIa's 
toekomst doet hem zijn kooftsigen toestand vergeten, en de „siecke Vrindt" richt een 
fijn ingekleeden raad aan zijn oude vriendin, die misschien op 't punt stond om een 
groot besluit te nemen. 

Wat kan men nu uit die versjes lezen, die, op 's dichters gewone wijze, door ge- 
zochtheid van woordspelingen slecht verstaanbaar zijn.^ Men houde in 't oog, dat die 
bloemrijke beeldspraak evenwel niet slechts haar oorsprong vindt in de toevallige over- 
eenstemming van eenige woorden (wat bij HuygENS vaak voorkomt), doch dat zij wer- 
kelijk een dieperen zin heefl. Het briefje aan „Trellos kindt" bevat, in een beeld, 
ontleend aan de toen reeds zoo belachelijk overdreven bloemenhandel, een compliment 
en tevens een bedekte waarschuwing aan haar, en, van alle bloemrijke woorden ontdaan. 



1) Vglk. bl. 282 hiervoor. 

s) In het eerste jaar was zij nog in den Haag, blijkens het bericht van Dorothba v. Dorp. Waarschijnlijk woonde 
of verbleef zij dus achtereenvolgens in deze plaatsen ; 

1615 in den Haag (het bezoek van de Kampeneer's dochters.) 

1619 nog in den Haag (Huygenb* gedichtje: „Grilitch Tril/üA" enz.) 

1622 B n » f) (n^^^N Trello is in den Hag".) 

1623 in Gouda (.Gouwe Gouwbloem van Ter gouw.") 

1643 te Muiden bij Hooft te Gast.. (Zie Korenbloemen d. van Vloten bl. 159 — 60.) 

1644 in Delft („Delfs Puyck der onver^leten Vrouwen") 

1663 „ „ begraven (Zie Eymael^ bl. 123 en Huygens* grafschriften.) 

En verder misschien sedert 1643 op „Pasgeld aen der Weide" nabij Delft (Zie Huygens' „Andere [verbintenissej 
aen den selven" (P. C. Hooft), Korenbloemen d. v. Vloten t. a. p. Ook Eymael blz. 124). 
Wellicht kan men uit bovenstaand versje lezen dat zij te Gouda geboren is. 

37» 



292 CHARLES DE TRELLO 

willen 's dichters verzen dit zeggen: „LUCRETIA, die als de goudsbloem van Gouda zijt, 
wist ik wie u tot vrouw zou nemen, dan stelde ik hem reeds heden gelijk met de ver- 
standigste onder de zotte bloemenlief hebbers, die ik ooit te Gouda voor bloemepotten goud 
zag besteden;" of anders — doch min waarschijnlijk, — : „Al zijn de andere bloemenkoo- 
pers zot, die u zou willen hebben, zou ik verstandig noemen, maar tevens een zot indien 
hij u met zijn goud zou trachten te winnen." 

En wie wenschte dan wel de Goudsbloem te plukken ? Dat CONSTANTIN, bevreesd 
voor een mededinger, met het versje zich zei ven wilde aanduiden, kan men niet aannemen. 
Hij was veel te jong voor LUCRETIA en verlangde daarenboven reeds lang naar het bezit 
van een andere bloem, die nog niet zeker was naar welke zon zij haar knopje zou neigen. 
SUZANNA VAI* Baerle toch, die later Huyg^NS' vrouw zou worden, twijfelde toen nog of zij 
haar hart aan CONSTANTINS' broeder Maurits, aan den weduwnaar HoOFT, of aan een 
ander zou schenken. Zelfs kort te voren, den 7«° September diende HUYGENS nog een 
Request aen Anna en Tess. Visschers ^) in om haar tusschenkomst in te roepen bij „de 
moye Maeght" zijn nichtje SuzANNA; en kort daarna, den 26 November, op den bruiloftsdag 
van Tesselschade, was hij in kennis gekomen met dezer Nichtje MACHTEED VAN ICampen, 
ja, voor haar in „vier en vlam" geraakt. Voor LuCRETiA zal hij dus toen wel niet zulke 
teedere gevoelens gekoesterd hebben. Ook de gemoedelijke, vaderlijke toon, die vooral 
uit het opschrift spreekt, doet meer aan een raad in den vorm van een compliment, dan 
aan een liefdesverklaring denken. Men heeft hier geenszins te doen met een schertsend 
rijmpje zooals er voor een paar jaren tusschen hen gewisseld werden. 

Wie die wijze bloemenzot dan moge geweest zijn, — dit valt hier moeilijk uit te 
maken 3) ; dat er een getracht heeft de Gouwbloem te plukken, komt mij, in verband 
met, en ter bevestiging van de tijding door Dqrothea naar Londen gestuurd, niet slechts 
waarschijnlijk, maar vrij zeker voor. En al wil onze dichter ook na vier-en-twintig jaren 
tegenover zijn oude vriendin „van geen liefde spreken", in beider jongere jaren had hij 
dit wel gedaan; al moet men ook toegeven dat hij die meer af- dan aangeraden had 
en misschien Lucretia belet had van „onder die gebreken*' ziek te vallen! 

Opvallend is het evenwel dat CONSTANTIN, toen hij, bij het overlijden zijner vriendin, 
in 1663, ïi^ ^^^ lange reeks van grafdichten de schrandere vrouw herdacht, in een daarvan 



1) VolUd. Dichtw. bl. 147. 

2) Een oogenblik meende ik in den „Bloeme-sott" die „Goudt Tergouw'' besteedde, een zin- en woordspeling te 
lezen op den Utrechtschen plaatsnijder Hendrik Gravb van Goudt. Dat deze in den kring: Anna Roemers-Hütgens- 
LucRETiA van Trello Verkeerd kan hebben, is zeer waarschijnlijk door een gedichtje van eerstgenoemde aan hem (Zie 
Beets, Alle de Gedichten van Anna Roemers Visscher D. II. bl. 206-7). Goudt was daarbij zeer vermogend (Zie o. a. 
V. D. Aa, Biogr, Woordend, Dl. 7. p. 320.): een aanleiding te meer voor Huygens tot een woordspeling; en overleed 
in 1630; in 1624 (Huygens' versje is van 19 Sept. 1623) was hij zinneloos geworden door een liefdes-avontuur. Volgens 
Houbraken, Groote Schouburgh (ED. 1718.) Dl. I. 56, gaf „een juffrouw die graag met hem wilde trouwen, hem iets 
in, dat in stee van hem verlieft te maken hem het verstant deed verliezen." 

Het is echter verre van mij, om de eerzame Lucretia van zoo iets te verdenken, en het blijkt mij ook niet vol- 
doende uit den zin, dat Huygens met „Goudt'* een persoon bedoeld heeft. 



EN ZIJNE DOCHTER LUCRETIA. 293 

geheel anders en met meer juistheid over haar spreekt dan hij in „Oogen-troost" had 
gedaan. ' In dat jaar zeide hij niet met zekeren trots, als de liefde minachtend : al waren 
wij jong, dat gebrek bezat gij noch ik, — neen, hij betreurt „Trellos kindt" zijn 
geestverwante, 

«Die 800 welsprekende geen raed en wist tot Ja; 

Die soo verstandigh geen verstand en had van trouwen 

O Jammer en ó srha 

Voor nu en lang hier nal 
't Stuck was te goed om geen Copyen af te houwen.** i) 

Wellicht dacht Constantin in dit grafgedicht nog wel een oogenblik aan den 
,,Bloeme-sott*' die haar, de Gouwbloem, had willen „plucken" in 1623 1 In allen geval 
drukt hij zich hier juister uit dan een 1 6-tal jaren vroeger. 

In de gedichten 2), die HuYGENS in latere jaren aan Trellos kindt gewijd heeft, 
kan men moeilijk een toespeling op hun jeugd aantreffen. Het valt niet te verwonderen, 
dat noch in Oogentroost, noch elders eenige bepaalde herinnering voorkomt aan de jaren 
toen LuCRETiA en haar zuster „avaient helas ! paties et endurées beaucoup i cause d'aucunes 
gestes OU manières de faire," waardoor haar vader zich onderscheiden had, evenmin als 
een vermelding van haar bekrompen geldelijke omstandigheden. Voor den (in Oogen-troost) 
zoo fijngevoelenden CONSTANTiN zou, ook zelfs een zijdelingsche toespeling op die dagen, 
in een gedrukt gedicht, zeer onkiesch zijn geweest. *) 

Toch doen de toon en de aard van dit gedicht, naast al de levenswijsheid en 
menschenkennis waarvan het overvloeit, hier en daar gevoelen, dat het gericht is aan 
iemand die, met gelatenheid, veel leeds in een lang leven verdragen heeft, evenals er uit 
blijkt, dat de dichter toen, kort na het overlijden zijner „Sterre", zwaarmoedig gestemd 
was. Op het einde van dit lang-ademig leerdicht komt CONSTANTiN nog tot deze overweging : 

^,Is dit nu *t heele pack, zijn wy tot daer toe effen 
^,En voelden wy ons noyt een ander lemte treffen ? 4) 
„Wel seven. Maer een oogh, een oogh is sulcken schat 1" 

Reeds deze verzen kunnen LuCRETiA een lang verleden vol verdriet voor den 
geest geroepen hebben, zonder dat haar vriend meer deed dan, met een enkel goedgevoeld 
woord, de overige ziekten of tegenspoeden, die zij verduurd had, tegenover de ramp 
die haar nu trof te stellen, ten einde die te verlichten. 

Het bevreemde ons dus niet, dat HuYGENS, eenmaal aan vervlogen tijden denkend, 

») Zie Sneld. 112. Korenbl. Boek XXI. (Edit. Bilderdijk IV, 90.) 

3) Deze zijn, behalve Oogentroost, „Nieuwjaardicht" v. 1644; Opdracht der „Heilighe Dagen" van 1645, en een reeks 
grafechriften v, 1663. 

8) Vreemd is het, dat dezelfde man zich toen vaak zoo grof en onkiesch uitliet over de heiligste gevoelens van 
zijn andere vriendin Tbsschelschade (Zie o. a. De tweede Tessels-schade, van 1642; Edit. Bild. III bl. 255); en in 1658 
een „voderye" als Trijntje Carnelu in druk heeft gegeven I 

^) ïiAnder lemte," te weten : als onze oogenkwaal. 



\ 



291 CHARLES DE TRELLO EN ZIJNE DOCHTER LUCRETIA. 

zijn vriendin niet duidelijker (voor ons oo^) daaraan herinnert. In tegenstelling met hun 
jonge jaren wisten zij immers nu 

„Het suer en 't soet gesicht te stellen, naer het zij,'' 

en tot zulle een wijze berusting in voor- en tegenspoed waren zij niet gekomen dan na 
een langdurige en vaak droevige ondervinding. 



De voorgaande bladzijden doen, naar ik meen, een nieuw licht vallen op het 
karakter van Charles DE Trello en op de vriendschapsbetrekking van CONSTANTIN 
HUYGENS met het „Delfs Puyck der onversleten Vrouwen". 

Ofschoon slechts een twint ten opzichte van alles wat er voor de kennis van den 
Secretaris van FreDERIK Hendrik gedaan is en nog te doen valt, moge deze studie 
toch iets vromen aan de HuYGENS-literatuur. 

Amsterdam, Maart 1887. 




VIER KAMPER SCHILDERS. 

ERNST MAELER, MECHTELT TOE BOECOP, 
BERNHARD VOLLENHOVE, STEVEN VAN DUYVEN, 

DOOR 

G. P. R O U F F A E R. 



BERNHARD VOLLENHOVE. 




A het stuk van Mr. J. NanninGA Uitterdijk over dezen schilder in het 

Archief voor NederL Kunstgeseh. II en het kortelings openbaar geworden 

^testament van Bernard Vollenhove, door Mr. J. J. van Doorninck 

3in de ^Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel' geplaatst, kan 

^men den geslachtsboora der familie al vrij zeker vaststellen. Hij zou 

burcr. van VoUcahami, 




1} Waar in 't vervolg veel gesproken zal worden over de schilderijen van de hand van Bebnhard VolLEmhovb 
in 'I beiil van Mevrouw de Wed Mr. F. Lkukrr te Kampen, is het van belang haar vermaagschappiDg sa te gaan met 
de Tollen HO VE's. Uit bet huwelijk van Aknold Vollbnhote (geb. löSi, gest. 1731, klerk ia pror. Overijssel en om- 



296 VIER KAMPER SCHILDERS. 

Bernhard's tweede vrouw, Elisabeth Braem, welke hij, blijkens de volgende mij 
door den Heer Bredius verstrekte aanteekening, in 1670 huwde, overleed (zie het ge- 
noemde testament) in de eerste maanden van 1691. 

27 Nov. 1670. Huwelijksche voorwaarden i) van de Hr. Bernardt 
VOLLENHOVE, Schout van Camperveen, Weduwnaer, geadsisteert met dE. Heeren 
Johannes Vollenhoven, Bedienaer des Godd. Woorts in 's Gravenhage, sijn 
broeder, Mr. Henrick Wolfsen, Secretaris van de Generaliteyts Reeckencamer, 
en Lucas Coenradus Bonnier, Medecinae Doctor binnen Leyden, sijne neven, 
als toecomende bruydegom, ter eenre, 

en Juffr. ELISABETH Braem, jongdr., geadsisteert met d'Heeren Adriaen 
Braem, haer vader. Mr. Willem Braem, Adt, haer broeder, woonende tot Rijns- 
burg, mitsgaders met Do. PETRUS Alberti Cuijckius, haar neeff, en de Hr. en 
Mr. NiCOLAAS VAN PERSIJN, Bailliu en Schout van Rijnsburg, haer vriendt, als 
toecomende Bruyt, ter andere sijde 

De Schout-schilder teekent: 




Gevoegelijk kan de volgende aanteekening hier mede eene plaats vinden: 

S January 1674. Compareerde Juffr. ELISABETH Braems, huysvrouw 

van d'Heer BeRnardt Vollenhoven, Schout tot Camperveen, zijnde met haer 
man buyten gemeenschap van goederen op 't passeren deser acte binnen Leyden, 
te kennen gevende, dat bij dese bedroufde tijdt en sware oorlogh haer comp^^s üeve 
en beminde ouders (die haer leven langh geduerende moeten trecken de vruchten 

en innecomen van versch. goederen die haer toecomen) enz : . . , machtigt 

haren broeder Mr. Willem Braem om die goederen te verkoopen enz. enz. 

Zij bezat o. a. de huysinge tot Amsterdam staende op- de St. Anthonie's 
Bredestraet daer „de Zeeridder" uythangt. Een oblig. van/ 4000. — W. I. Compie. enz. ^) 

Bernhard zelf leefde den 13 en April 1Ó91 nog. 

Hij is het, van wien VAN DER Aa in zijn Biografisch Woordenboek zegt: „Bernard 
VOLLENHOVE, burgemeester van Kampen, raad van de Admiraliteit te Amsterdam, is 
dichter van het treurspel: De broedermoord te Franziane. Amst 1661, 80. Men vindt 
ook een krachtig vers van hem voor Valckenier's Verward Europa. Zie Witsen 



vanger der havenaccynsen) met Rensia Eekhout (gest. 1729, dochter van den Kamper burgemeester Joiïan Roelofsz 
Eekhout), welk huwelijk in 1695 voltrokken werd, sproot o. a. Gesina Catharina Vollenhove; deze trouwde in eerste 
huwelijk met den Kamper secretaris Asper Herweyer, en kort na 1728 als diens weduwe in tweeden echt met den Kam- 
per secretaris Frans Lemker. Deze Frans Lemker was de grootvader van den Kamper burgemeester Mr. Frans Lemker, 
wijlen den echtgenoot van Mevr. de Wed. Lemker. Op deze wijze is een groot gedeelte van het VoLLENHOVE-bezit in 
dat van Mevr. Lemker overgegaan. Zoo heb ik b. v. bij de hand een akte, waarin in 1698 aan Arnold Vollenhove 
het gebruik van een stuk bolwerk te Kampen wordt toegestaan, vermits dat in 1692 ook was toegestaan aan zijn vrouw 
Rensia Eekhout. toenmaals nog ongetrouwd. Ditzelfde gebruik van dat stuk bolwerk genoot Mevr. de Wed. Lemker 
indertijd ook nog. 

Een en ander volgens welwillende meded. van Mr. }. I. van Doorninck en Mevr. de Wed. Lemker. 

1) Prot. Not. J. VAN Noort. Leidea. 



VIER KAMPER SCHILDERS. 297 

Gijsbeek B. A. E. Wb. D. VI, blz. 15; Verwoert, Kobus en de Rivecourt." Als 
schilder heeft hij hem echter niet vermeld gevonden. 

Om 's mans geboortejaar vast te stellen komen we in een warnet van gegevens, 
die elkaar alle in de onderdeelen tegenspreken. Het jaar 1633, dat Mr. J. Nanninga 
Uitterdijk hem geeft, is echter zeker niet het juiste. Laat ik om duidelijk te zijn de 
verschillende gegevens bijeen plaatsen, om dan te trachten die oplossing te geven^ welke 
het waarschijnlijkst is en het meest klopt met de feiten: 

10. In het genoemde testament van Bernhard worden door hem onder zijn 
inboedel o. a. met name genoemd: 

a. Mijn en mijn huys vrouwen (i. * e. zijne eerste vrouw) conterfeitsel in den 
jare 1648 door viij selfs gedaan. 

b. Een St. Lourentius door Salomon Coning in den jare 1653 naer mij gedaen 

c. Een St. Augustijn door Salomon Coning in den jare 1656 gedaen. 
Allereerst konstateeren wij hieruit, dat Berniiard VOLLENIIOVE den Amsterdam- 

schen schilder Salomon Koninck zeer waarschijnlijk gekend heeft. Hoe toch moeten 
we dat „naer mij gedaen" opvatten; wil het zeggen, dat Salomon KONiNCK een schilderij 
had gemaakt naar een schets, of een eigen schilderij van Bernhardt } Dan wel, zou het 
beteekenen dat deze laatste wellicht als model had gestaan voor den heilige, die gemarteld 
wordt .^^) In dat geval is het der moeite waard op te merken, dat volgens de geschiedenis 
van de martelaren der R. K. kerk, de H. Laurentius op ongeveer 25-jarigen leeftijd den 
marteldood onderging. 

20. In de regentenkamer der Kamper Gast- en Proveniershuizen komt een merk- 
waardige schilderij voor. Het verbeeldt, gelijk men op het eerste oog reeds ziet, de marteling 
van den H. Laurentius 2j. Zouden we hier werkelijk den SaloMON Koninck van 1653 
voor ons hebben, voor wiens hoofdfiguur volgens de laatstgenoemde konj ektuur Bernhard 
VOLLENIIOVE zou geposeerd hebben. Dat is zeker, dat de jonge heilige al het uitzicht 
heeft portret te zijn; terwijl het aan den anderen kant niet minder zeker is, dat de 
schilderij sterken invloed der Vlaamsche school na Rubens verraadt. ^) Laat anderen 



*) Mr. J. I. VAN DooKNiNCK bracht mij op hel denkbeeld v:in deze konjectuur, waan'oor ik hem hartelijk dank 
zeg. Werkelijk lijkt zij me de juiste opvatting te geven. 

>) Ziehier de beschrijving: De viurtelinc^ vaji den II. I.aurejttias. Doek, Br. i,o8, H. 1,51 M. De ongeveer vijf-en- 
twintigjarige heilige, geheel nnakt, met alleen een doek om de lenden, wordt door twee Romeinschc krijgsknechten achter- 
over getrokken op een ijzeren rooster, waaronder een naakte kerel het vuur met houtskool aanstookt. Rechts en links 
nog andere krijgsknechten, o. a. ook rechts een paard. Een engeltje komt naar den heilige loegezweefd. 't Toonecl heeft 
plaats bij een Romeinseh gebouw, waarvan men een standbeeld in een nis ziet. Dicht daarbij nog een lictor's bundel en 
een man met een toorts. Van koloriet is het stuk uitstekend, van teekening niet minder (men zou alleen kunnen op- 
merken dat de iinker-bil van den heilige wat misteekend is); het geheel is een hoogst merkwaardig voortbrengsel van 
oud-Hollandsche kunst. Vooral de naakte S. Laurentius is hoogst oorspronkelijk en warm van kleur. 

Het geheel tamelijk dun van verf; donkere en halfverlichte deelen dun en glad; vleesch waar het verlicht is soheder, 
maar ook glad; alleen op handen en gezicht hier en daar goed streekje. Zéér warmbruin in de halfschaduwcn. Merk- 
waardig is, dat de kop van djn heilige i^chcel en al in de opvatting is van Berniiakd Vollenhove's authentiek schilderij 
van pi. m. 168 r, in t bezit van Mr. J. Xanninüa Uittkrdijk {Archief zoor Ncd, Kuustircsch, IT, blz. 277.) 

3) De bijfiguur wel te verstaan, niet de hoofdfiguur. 

38 



298 VIER KAMPER SCHILDERS. 

beslissen of het stuk naar schilderwijze en opvatting van Salomon Koninck kan wezen i). 
Dit is zeker, dat mocht de zaak zoo opgehelderd zijn, twee feiten zouden blijken: a. dat 
Bernhardt Vollenhove zéér intiem bekend moet zijn geweest met Salomon Koninck; 
b. dat hij ongeveer geboren moet zijn in 1629 (i. e. 1653 ± 24 jaar). 

30. In het Geschiedkundig Overijsselsch Museum te Zwolle bevindt zich sedert 
korten tijd het portret van een jongen van ongeveer twaalf-, dertienjarigen leeftijd, met 
grooten artisten-flaphoed op; daarop bevindt zich een onderteekening B. VAN Vollenhove 
1641 en een wapen (in goud drie roode kepers) dat wel aan verschillende Overijsselsche 
familiën eigen is geweest, maar volgens Mr. J. J. van Doorninck nooit door het geslacht 
VAN Vollenhove of Vollenhove is gevoerd. *) 

Het eene is nog raadselachtiger dan het andere; de jongen met zijn breeden 
flaphoed is misschien wel het portret van een schilder in den dop; de handteekening 
B, VAN Vollenhove komt wat hand betreft overeen met de schrijfwijze der onderteeke- 
ning van Bernhard Vollenhove van later, hoewel hij dan nooit ^^van" teekent; als 
het wapen slaat op het portret, en de handteekening op den schilder — een meening 
waartoe men op het eerste oogenblik komt, en welke volgens schildersgebruik de meeste 
rationeele, neen de eenige is — dan zouden we hebben: het portret van een jongen uit 
een familie van Overijssel^) (ik noem b.v. de fam. van Voorst, VAN Dorth, die het 
genoemde wapen voeren), geschilderd door een B. VAN Vollenhove in 1641; eindelijk 
lijkt de opvatting van het portret niets op de manier van begrijpen der authentieke 
schilderijen — waaronder veel portretten — van Bernhard Vollenhove, welke wij 
nader zullen leeren kennen. 

De eenige oplossing, die steek houdt, is dunkt mij die welke ik daar net gaf: het portret 

^) Om de zaak nog ingewikkelder te maken, vond ik in de verzameling van Ter BoRCH-teekeningen op 
No. 73 van den grooten atlas een fraaie teekening met zwart krijt en doezel op grauwblauw papier, gejaarmerkt onder- 
aan 1660, die, in overeenstemming met de andere voluit geteekende, van de hand van MosES Ter Borch moet zijn, en 
welke volkomen, en nog eens volkomen, het schilderij van de Kamper Regentenkamer in verkleinde afmetingen (br. 0,31 

h. 0,405 M.) weergeeft, maar in omgekeerden zin. De teekening is, ook volgens het jaartal, naar de schilderij 

gemaakt; maar hoe kan dat in 's hemelsnaam „en sens inverse" gebeurd zijn? Als het een ets was, ja, maar een teekening? 

2) Ziehier de beschrijving : JongensprotreU Doek. Br. 1,47. H. 0,62 M. 

Een jongen van ± 12 jaar heeft een] grooten rosbruinen flaphoed op, waaronder lange tamelijk sluike haren 
uitkomen. En face, links gekeerd. Met grooten kraag, in rosbruin leeren wambuis, met gele knoopen en overhangende 
lappellen op de schouders. Portret gevat in ovaal. Rechts tamelijk midden in het genoemde wapen. Vlak daaronder 
in grauw op donkerbruin : 



"BVa^ ^oMe^f^ove \Gk^ 



Gewoon van verf, tamelijk degelijk maar gelijk en-egaal. Wel grove borstel maar veel duidelijker dan diens streek 
overal de plekken waar het doek doorschijnt- Verlichte kraag degelijker, met groven borstel maar zeer taaie verf, warm 
bruin van kleur, met iets rood geelachtigs. 

3) De kwestie van den grooten flaphoed is toch ook makkelijk op te lossen ; hoewel bij voorkeur een siersel van 
artisten. hoe jonger de artist, hoe grooter de hoed, waren zulke breedgerande slappe vilten hoeden juist in dezen tijd het 
tooisel van jongens. Men vergelijke eens een jongen van negen jaar met dien grooten vilten hoed op den Jacob Ger- 
RiTSZ Cuijp van 1635 ^^ Boymans (no. 58) De soldaten-flaphoeden, zooals zij voorkwamen op de stukken van Pieter 
Codde c. s. zijn van een ander model, evenals de breede magistraat-hoeden, welke Tiiomas de Kbijser zoo graag 
schildert. 



VIER KAMPER SCHILDERS. 299 

is dat van een jongen uit een Overijsselsche familie, die het wapen: „in goud drieroode 
kepers" voert — waarvan meer dan een aan te geven is — ; doch het is van de hand van 
een zekeren B. van Vollenhove, welke een heel andere is als de Bernhard Vollenhove 
die ons bezig houdt. Wellicht is deze nog onbekende schilder familie van Bernhard 
Vollenhove, wellicht ook van dien Herman van Vollenhove, wiens bestaan Mr. 
J. Nanninga Uitterdijk betwijfelt, maar welke inderdaad wel degelijk moet bestaan 
hebben, volgens Mr. S. Muller Fz. : Schildersvereenigingen te Utrecht^ volgens Nagler, ^) 
èn volgens het naschrift van den heer D. Franken Dz. in het Archief II, bl. 286. 

40. In de verzameling schilderijen van Mevr. de Wed. Mr. T.^Lemker te Kampen, 
bevinden zich twee authentieke, geteekende en gejaarmerkte stukken door BERNHARD 
Vollenhove, van 1650, tegenhangers, die een zéér sterken invloed van Rembrandt ver- 
raden. Terwijl volgens het gemelde naschrift van den heer D. Franken Dz. er in 1874 
te Amsterdam moet geveild zijn een stuk van Bernhard Vollenhove van 1652 „Ie vieux 
libertin", in de manier van G, Sckalcken. 

50. Nagler bij Kramm aangehaald op Herman van Vollenhove, spreekt van 
een „jongeren kunstenaar, va7i gelijken naaniy die geboren zou zijn in 161 9, de kunst bij 
Ph. Koning had geleerd en in 1675 de leermeester zou geweest zijn van een zekeren 
Th. Valkenburg. 2) 

We zien hoe deze vijf gegevens elkander ten deele in den weg zitten. Toch dunkt 
me dat de volgende oplossing alle zwarigheden oplost: Bernhard Vollefthove zal om* 
sireeks 1629 geboren zijn en omstreeks 1650 eeji leerling zijn geweest van Salomon 
Koninck,y terwijl het portret van 1641 in het Gesch. Over. Mus. te Zwolle, van een 
anderen, van een B. VAN Vollenhove is ^). Dan v/ordt alles duidelijk ; van gegeven 
I® begrijpen we hoe hij aan een St. Augustinus van Salomon KONINCK^) kwam en 
weten we dat hij in 1653 zelf als ..heilige Laurentius" model stond voor zijn leermeester, 
van gegeven 4° begrijpen we dat hij op + 21-jarigen leeftijd twee schilderijen kon 
vervaardigen welke volkomen Rembrandtiek zijn van opvatting, daar hij natuurlijk via zijn 
leermeester Salomon Konlnxk — die zelf sterk onder Rembrandt's invloed stond — 
met Rembrandt's manier kennis maakte; waarbij nog te voegen is, dat de genoemde 
twee schilderijen duidelijk de kenmerken dragen vervaardigd te zijn door een talent, dat 
nog maar pas zijn loopbaan begon; en gegeven 5° kan evenzeer zéér voldoende verklaard 
worden; Nagler (waar vond hij zijn mededeelingen .^) zal zich verschreven of vergist 
hebben, wellicht zelf foutieve opgaven hebben gevonden, zoodat we voor een ,, Herman 



1) Door VAN HER Aa, Biogr. W. van Kramm overgenomen. 

j) Door van dkr Aa, lüogr. W. cven/oo onrlcr een afzonderlijk hoofd naar Kkamm overgenomen. 

3) „Ter vermeerdering", schrijft mij Mr. J. I. van Doorninck, „der reeds bestaande verwarringen, wijs ik u op een 
«eer slecht geschilderd, maar niet onbelangrijk ge/.ichl op do stad Zwolle, onlangs voor het G. O. Museum door mij ge- 
kocht, volgens de onderteckoning geschilderd door J. r;r,v l'oUeu-IIovc 1641 ^het laatste cijfer onduidelijk)" Dit versterkt 
mij te meer in de boven uitgesproken meening. 

*) Waar is deze schilderij gebleven? 

38* 



ITj — ^M-- - ' 'i -■■— J^^^^-. ■ -- ^i-^.. -A.».-- 



300 VIER KAMPER SCHILDERS. 

VAN VOLLENHOVE, die leerling van PHILIPS DE KONINCK was en in 1619 geboren werd" 
moeten lezen „Bernhard Vollenhove, leerling van Salomon Koninck, omstreeks 1629 
geboren"; mij dunkt deze laatste verklaring is noch gewrongen, noch onwaarschijnlijk. 

Laten we, indien mijn konklusie aangenomen mocht worden, dat Bernhard 
Vollenhove ± 1629 geboren werd, leerling van Salomon Koninck was, tweemaal trouwde, 
uit zijn eerste huwelijk vijf kinderen had^ den 24'^'» Oct, 1672 zijn eed deed als gilde- 
meester van het Kamper St. Lucasgild,^) en den ly^^ April 1691 nog leefde, als gewezen 
burgemeester van Kampen, gewezen schout van Kamperveen, schilder en dichter y — laten 
we dan nu eens nader zijn schilderijen behandelen. — In de eerste plaats komt daarvoor 
in aanmerking de fraaie collectie schilderijen van Mevrouw de Wed. Mr. F. Lemker 
te Kampen*), in wier bezit we de volgende authentieke Bernhard Vollenhove's 
aantreffen : 

De lezende kluizenaar. Paneel. Br. 0,245. H. 0,27 M. 

Een grijsaard, met rood kapje op het hoofd, zit, Rembrandtiek verlicht, in een 
leuningstoel. Hij is in bruin-groenig gewaad en rood vest. Op den linker opslag van 
zijn gewaad van voren een Maria-beeld. Bij een kloostergewelf, houdt hij een grooten 
foliant in de handen. Gemerkt rechts in den middenin grauw op grauw, nogal onduidelijk: 

Jj V o I I € 71 k O V e 

rec/+ /650 

De lezende kluizenaar. Paneel. Tegenhanger van het vorige. 

Hij ligt in grijze pij, met bloote voeten en bloot hoofd op zijn knieën en leest 
in een grooten foliant op een tafel, waar tevens nog een doodshoofd, eenige folianten, 
een groote zandlooper en een Christusbeeldje. Links van hem op den grond eenige 



1) In de studie over het St. Lucasgilde te Kampen door Mr. J, Nanninga Uitterdijk in de „Bijdragen tot de 
geschiedenis van Overijssel", se deel. 

^ Genoeg duiken zou ik Mevr. Lemker moeilijk kunnen; de groote welwillendheid, waarmee zij mij steeds ontving, 
de onbekromi>en gulheid, met welke zij mij toestond de schilderijen te bestudeeren alsof ze mijn eigendom waren, de belang- 
stelling, waarmede zij mij ter zijde stond, zou ik bezwaarlijk voldoende kunnen roemen. Laten we hopen, dat deze kollektie, 
wier bezitster zooveel hart voor de kunst heeft, bijeen blijve in de toekomst 

Behalve de boven te noemen en te behandelen schilderijen, heeft Mevr. Lemker nog: een Hendrick Averkamp; 
een Kornelis Beelt; twee Gillis de Bergh, (zie daarover Meijer's Kunstier- Lexicon in voce); een Jan Brüeghel den 
Fluweelen; een Willem van Diest; een Joost Coruelisz Droochsloot 1645; een Gerbrandt van dbnEbckhout 
1667; een M. F. DB Hosson 1723; twee Frans de Hulst; twee Johannbs Jakson; een F. Knibbergew; een Bartho- 
LOMEUS Molenaer (sic! monogram: B M^; echt Molenaer-genre ; verg. v. d. Willigen, Les artistes de Harlem, p. 225 
waar een Bartholombus Molenaer als schilder wordt ingeschreven in September 1640)/ een Jan Miensr Molenaer 
1640; drie Klabs Molenaer; twee Hendrick Mommers; drie P. van Noort; een Maria van Oostbrwijck; een Egbbrt 
VAN der Poel; twee R Roghman; een Rolant Savery 1618; een Jan van de Velde (de Jonge) 1647 (stilleven, pracht- 
stuk I!); een Willem van de Velde den Oude (penteekening op paneel); een Adriaen van der Werff ; een Jacob de 
Wet; een Isack Willarts; twee Pieter Wouwerman: twee A. Wulfrabt 1691; behalve nog een en twintig andere 
schilderijen van onbekende meesters, waaronder eenige zeer merkwaardige. 

Het stuk van M. F. de Hosson 1723 is een voor den tijd zéér uitstekend portret van Gesina Catharina Vol- 
lenhove (over wie bij de genealogie der Vollenhove's gesproken werd) op p. m. 25-jarigen leeftijd. 



VIER KAMPER SCHILDERS. 301 

paperassen en een soort van kruik Zijn verblijf schijnt een stal of hut te zijn, waarin 
door een opening links een felle lichtstraal valt die het geheel fantastisch verlicht. 

Beide stukken zijn wat lichtop vatting betreft, zeer Rembrandtiek, gelijk reeds opge- 
merkt is. Alles is degelijk van verf; donkere kleeren zéér zwaar van verf en relief 
makend, waarbij de plooien zelfs nog eens door verfhoogsel worden aangegeven. Verlicht 
vleesch ook zeer dik van deeg en al naar het licht verschillend relief makend in fijne 
plekjes. Grauwgroenig van algemeen koloriet, wat in het tweede stuk meer in het warm- 
bruine gaat. 

Daarop volgen met een spatie van acht jaar, twee portretten: 

Meisjesportret. Doek. Br. 0,785. H. 0,965 M. 

Zij heeft een zwart kapje op, een zwart chemisetje van neteldoek en daarover een 
neteldoeksch doekje met zwarte roset; zwarte japon en witte lubben; ze is geheel in den 
rouw. Haar rechterhand houdt een zwarten waaier in de vingers; haar linker vat over 
den rechter pols heen. Links tamelijk in den midden in zwart gemerkt : Ao -^tat XIX 
en daaronder: 




IL^Ti ho 



/ 

/ 

Zachtbruin, iets lichtbruin van kleur. Eenigszins hard en droog van opvatting, 
maar de rechterhand prachtig. Alles met behoorlijk verf en groven borstel. 

Vrotnvcnportret. Doek Br. 0,645. H. 0,775 M. 

Zij heeft een zwarte veer in de bruine haren, groote oorhangers met juweelen, een 
fraai kanten doekje over de borst, een zwart kleed en mouwen, die zoodanig zijn uitge- 
sneden, dat het wit daar met het zwart afwisselt Het doekje om de schouders word 
saamgebonden met drie fijne witte strikjes. Zij is blijkbaar de moeder van het voor- 
gaande meisje. 

Tamelijk onderaan links geteekend : B. VoLLENilOVEN, waarbij de B en V aaneen 
gesloten zijn als bij de schilderij, die hierna zal beschreven worden. 

Dit portret is geheel in opvatting en uitvoering als het voorgaande, maar is minder 
kranig ; het heeft iets gelikts, iets glads. De streek van groven borstel is ook minder op 
het gelaat te zien, zoodat dit hier en daar glad wordt. Ornamenten der kant degelijk 
van verf met een goed borsteltje. 

Hierop volgen, elf jaar later vervaardigd, weer twee portretten : 

Mmisportret, Paneel. Breed 0,795. H. 0,85 M. 

In zwart oppergewaad, witte kleine lubben, witte bef. Hij heeft een kalotje op ; 
lange, grijze, golvende lokken. En face, naar links gekeerd. Grijze flinke snor en klein 



802 VIER KAMPER SCHILDERS. 

grijs sikje. Zijn rechterhand rust op de dij, de linker houdt hij voor de buik, met een paar 
handschoenen er in. Gemerkt rechts in het midden in zwart : Out $6 Jaren, en daaronder 



(^jyolUnfto ve/ec ii • 




Wat koloriet betreft, vinden we een geheel anderen, wat behandeling aangaat, den- 
zelfden schilder terug. Hoe warmbruin, men zou kunnen zeggen hoe overdreven bruin is 
de kleur! Overigens is het een uitstekend portret. Gezicht en handen, vooral het gezicht, 
zijn flink van verf, bepaald reliefmakend, terwijl alles met een breeden borstel is gedaan, 
en zwaar ineengewerkt. De witte bef evenzoo. Alleen het zwarte kleed is zeer ijl en dun, 
slechts de plooien zijn iets dikker aangegeven. 

Vrouweportret, Paneel, tegenhanger van het vorige. 

Zij heeft een zwart kapje op, is en face links gewend. In zwart kleed, met fijn 
bewerkte witte lubben, een lichte witte bef om de schouders saamgebonden door twee 
toegestrikte zwarte veters. Een gouden halsketting schijnt er half door. Haar linkerhand 
rust op de heupen en middel, haar rechter houdt een bijbel met zilveren sloten vast, 
die rust op een tafel. Gelijke en gelijkvormige inscriptie als bij het bijbehoorend manspor- 
tret, links middenin, maar deels minder duidelijk .• ö»/ 49/0^^^/1 5. Vollen/iave f ecit Ao. i66(), 

In uitvoering is dit portret geheel gelijk aan het vorige. Alleen de kleur is iets 
minder bruin, en dus zeer natuurlijk. 

Tot zoover de authentieke Vollenhove's, gelijk men ziet allemaal in één en het- 
zelfde partikulier bezit ; als we van de schilderij in 't bezit van Mr. J. Nanninga Uitterdijk 
(zie Archief II, blz. 276 en 277) aannemen, dat de daar voorgestelde Arnold Vollenhove, 
in 1661 geboren, ongeveer 20 jaar is, dan dateert deze schilderij uit plm. 1681. 

Welk een kontrast, welk een afwisseling van opvatting tusschen die twee stukken 
van 1650, die twee van 1658, die twee van 1669 en dat eene van plm. 1681 I En daar 
komt me nu nog volgens de heer D. Franken Dz. een schilderij bij van 1652, in den 
trant van GODFRIED SCHALCKEN ! Jammer, dubbel jammer, dat we de authentieke konter- 
feitsels niet meer hebben van den schilder en zijn tweede vrouw uit 1684 1 Waar zouden 
ze gebleven zijn ? 

Zouden die de eigenaardige opvatting nog kond doen van Mr. J. Nanninga Uit- 



VIER KAMPER SCHILDERS. 303 

TERDIJK's schilderij van ± 1681 ? Want, merkwaardig genoeg, we vinden daar Gothieke 
herinneringen in ; de plooijen der gewaden, vooral de verlichte linkermouw, zijn zoo gotliiek 
opgevat, als we het, om een voorbeeld te noemen, van QuiNTEN METSIJS gewoon zijn, 
•en gelijk we bij Marinus VAN ROEMERSWAELE opmerken. *t Is waar, onder alle verandering 
van opvatting blijft zijn manier van schilderen tamelijk wel zich zelven gelijk; ook in 
dit hoogst merkwaardig stuk, waarbij Bernhard Vollenhove zich herinnert moet 
hebben wat hij van de oude Vlamen uit het eerste deel der zestiende eeuw gezien had, 
smeert hij op lichtdeelen behoorlijk verf met een flinken groven borstel ; het gezicht in 
de warmbruine schaduwdeelen is glad. Wat nog de kleur betreft, vinden we een eigen- 
aardig gedempt rood op de wangen en in de muts van bont. 

Is het wonder, dat het veeg en hachelijk mag geheeten worden niet gemerkte 
schilderstukken te herkennen van een artist, die in zijne jonge jaren door Rembrandt 
bezield werd onder den invloed van zijn niet matig Rembrandtieken leermeester ; die 
aan schilderijen met kunstlichteffekt zich niet onbetuigd schijnt te hebben gelaten ; die 
omtrent het begin van zijn bloeitijd een manier vond, goed doch wat droog ; en in de 
kracht van zi^n leven overging tot een opvatting die warmbruin, haast overdreven bruin 
was en krachtig; om een jaar of twaalf later, zich in eens antiek- Vlaamsche schilders te 
heugen — is het wonder dat we daar ten zeerste aarzelen ook maar één schilderij zulk een 
schilder toe te schrijven, 't geen niet op onomstootelijke gronden het zijne kan blijken? 
Aan welke manier, aan welke opvatting klampt men zich vast in dezen overvloed 
van keuze ? En God weet, welke afwijkende en uitmiddelpuntige schilderijen hij nog ge- 
maakt heeft, die nog niet bekend zijn of het misschien nooit zullen worden ! 

Het ééne schilderij dat autenthiek van hem schijnt te zijn, helpt ons niets. Het 
is een portret (br. 0,61. h. 0,79 M.) geteekend B. Vollenhove fecit 1679, in het bezit 
van Baron van Aerssen Beijeren tot Voshol te Zwolle i), maar zoo onbeduidend en 
zoo blijkbaar het werk van een onbewaakt oogenblik, dat het niets aan den naam van 
onze schilder toe, maar wel kan afdoen, en het beter is het stuk blauw blauw te laten- 

Wat ik dan nu ook ga zeggen omtrent andere schilderijen, die ik aan VOLLENHOVE 
meen te mogen toeschrijven, is louter gissing. Alleen één ding staat vast : als er één reden 
kan wezen die de authenticiteit van een Bernhard VOLLENHOVE waarschijnlijk maakt, zou 
het deze zijn, dat de schilderij in het bezit is of was van Mevr. Lemker, wier huis een mijn 
is van schilderijen van dien schilder, van bescheiden omtrent de familie VOLLENHOVE, enz. 



1) Over de partikulierc kollekiie v.iu dezen heer zal nog nader gesproken worden bij Steven Van Duijvf.n, echter 
ook daar naar aiinleiding van een minder dan middclnriatig stuk. 't Is er echter verre van dat deze beide schilderijen de maat 
zouden aangeven. Integendeel; de heer baron van AKKSbKN Bkijeren tot Voshol heeft een zeker getal familie-portretten 
uit de beroemde familie van Akkssen van het incest uitstekend gehalte: twee Mierevelt's, 1597, tegenhangers; nogmaals 
twee Mierevelt's 1629, ook tegenhangers nog een Milrevelt 1636 (portret van Franqüis van Aerssen) Art. 64; een 
MOREELSE (portret der vrouw van FRAN901.S vax Aerssen); twee van Ravestel^'s (get. J. V. Ravestbin pinxit) en 
eindelijk lest best twee heerlijk fraaie Gekaki/s lIuNTinJRbT, beide geteekend: (i. IIONTHORST a. 1640. 

Ik kan moeiclijk nalaten den heer Baron van AkrssLN (e danken voor de welwillendheid, waarmede hij mij ontving. 



304 VIER KAMPER SCHILDERS. 

Dit nu houd ik in het oog bij de vier schilderijen welke het Geschiedkundig Over- 
ijsselsch Museum te Zwolle zoo gelukkig was voor eenigen tijd ten geschenke te krijgen 
van Mevr. Lemker ^), en die ik op goede gronden meen te kunnen beschouwen als 
Bernhard Vollenhove's uit diens derde (of vierde?) periode van omstreeks 1669. Zi« 
hier de korte beschrijving: 

Portret van Gerrit Gerritsz, Podt, Paneel Br, 0,63. H. 0,79 M. 

Afgebeeld op ± 50 jaar. Hij heeft een opengeslagen boek in de hand met een 
spreuk uit Proverbi I. 

Portret va?i Hendrina Marienburg 2) Paneel tegenhanger van 't vorige. 

Afgebeeld op ± 50 jaar. Zij heeft een kerkboekje in de rechterhand. 

Portret van Pieter Sabé, Paneel Br. 0,54. H. 0,78 M. 

Afgebeeld op ± 35 jaar. Met zijn rechterhand in de zijde; de linker houdt een 
handschoen. 

Portret van Lucretia van Hardenberg ^) Paneel. Tegenhanger van 't vorige. 

Afgebeeld op ± 25 jaar. Met de rechterhand houdt zij een ring en den sleutel 
van het horloge, dat ze in de linker heeft. 

Alle vier deze schilderijen zijn in éénzelfde bruine tint gedaan, die echter daarom 
nog niet warm, maar eer, vooral bij de mannen, overdreven is. De vrouwen zijn beter 
van kleur, en ook over 't geheel beter (opmerking, die klopt met Mevr. Lemker's beide 
portretten van 1669!) Vooral het vierde stuk, het portret van LuCRETiA VAN HARDEN- 
BERG is uitstekend. Toch verdient het opmerking, dat de SABÉ'S over het geheel meer 
bruin zijn dan de Podt's, en dat zij geheel en al het koloriet hebben van VOLLENHOVE's 
authentieke portretten van 1669. Ik kom hierop straks terug. 

De behandeling klopt geheel met die van VOLLENHOVE : behalve de zwarte kleuren 
die dun van verf en glad zijn (verg. de portretten van 1669 !), gedaan met groven 
borstel en behoorlijk verf, middelbaar vloeibaar. Verlichte kant der beffen en ander ver- 
dicht wit goed dikker van verf. Vleesch alles (!) met groven borstel, hoe meer verlicht hoe 



1) Mevr. Lemkee vereerde aan datzelfde Musenm een fraaien Pieter van anraadt, portretstuk (br. 0,62 h.0,79 
met zijn gewone hand geteekend:.PiETER van Anraadt. Wellieht is het het portret van Jan van der Vee», apotheker 
en dichter (!), en van Anraadt's schoonvader. 

2) Zij huwde 22 Maart i66q met G. Gsz. Podt en stierf 9 December 1707. 

s) Zij trouwde in 1666 met Pieter Sabé. Over haar twee kinderen Lucretia en Quirinus werden den 27 Febr. 
1678 mombers gesteld wegens haar dood. 

Het aangeven wie de portretten voorstellen, is volgens authentieke inschristen met een hand van dien tijd op stukjes 
papier achter op de pancelen geplakt. 

Men zou kunnen vragen of de vier portretten, die op één duim in de hoogde en één duim in de breedte na van 
gelijke afmetingen zijn niet zéér kort na elkaar, in ééne bestelling, geschilderd waren? Zij zouden dan uit pi. m. 1675 
moeten wezen, daar Lucketia van Hardenberg in de allereerste maanden van 1678 gestorven was. 't E^nige won- 
derlijke zou zijn, dat dan Hendrina Marienburg, in 1669 getrouwd, ongeveer 36 jaar zou geweest zijn, toen zij huwde 
iets wat niet zeer strookt met de zeden onzer voorouders. Maar mogelijk is het. Zoodra van alle vier de personen de 
geboortedata bekend zullen zijn, zal men door mijn opgaven van ouderdom een nauwkeuriger oordeel kunnen vellen. 



VIER KAMPER SCHILDERS. 305 

grover en hoe meer verf. In de stukjes landschap voorliefde voor leelijk rood, leelijk 
geel en leelijk grauwblauw. *) 

Me dunkt we behoeven niet meer te twijfelen. 

En kis we niet meer behoeven te twijfelen of deze vier portretten zijn van de hand 
van Berniiard Vollenhove, dan maken we een hoogst belangwekkende gevolgtrekking: 
daar de Sabé's, vooral de vrouw, jonge menschen zijn, als echtelieden hier geconterfeit staan 
en in 1666 trouwden, dateer en hun portretten waarschijnlijk uit een jaar of vier, vijf na 
hun huwelijk, dus uit + 1670, een jaartal dat uitstekend strookt met hun schilderwijze 
vergeleken met de authentieke portretten door Vollenhove van 1669. Terwijl wat de 
Podt's betreft, hun portretten als echtelieden eerst na 1669 (het trouwjaar) kunnen gedaan 
zijn, zoodat, in aanmerking genomen de betrekkelijke ouderdom der afgebeelden en de 
zede onzer voorouders van gewoonlijk vroeg te trouwen, deze beide schilderijen iiit + 16^0 
sullen jaarteekenen. Waaruit deze gevolgtrekking zou volgen : dat Bernhard VOLLENHOVE 
zijn bruine schilderwijze, voornamelijk van portretten, in den jare 1669 zoo krachtig uitge- 
sproken en volkomen gevormd getoond, jaren lang daarna behouden heeft en de schilderij 
van Mr. Nanninga Uitterdijk-) meer als een — zij het dan ook hoogst merkwaardige 
en zeer verdienstelijke — gril beschouwd moet worden, dan als een bepaalde manier. 
Dit is zeker, de bruine portretten van Bernhard Vollenhove geven wel diè uiting 
van zijn talent te aanschouwen, welke het meest typisch, het meest oorspronkelijk is^ 
Andere stukken bepaald aan Vollenhove toe te schrijven, schijnt mij te veeg. Laat ik 
er echter de aandacht op mogen vestigen m een noot^). 



*) Ik weet dit laatste is con kleine bijzaak ; men vindt datzelfde bij portretten van NicoLAES Maf.s. Ook dóet men 
het bij de twee fraaie portretten van Pieiek van Askaj\dt, hier te Deventer in het bezit van Mr. H. HouCK, notaris. 
Maar wal meer treft bij deze portretten is dat zij — vooral het vrouwenportret — herinneren in hun kleur aan de bruine 
manier van Bekkhaku Vollknuoven, en ecnigszins afwijken van de gewone ANKAADT-opvatting. Zou het mogelijk wezen, 
dat de cene Overijbselaar don andiTcn gekend had, en de eene invloed had uitgeoefend op den ander? 

5) Zou het te boud wezen in het lichteflfekt, dat in deze schilderij door een brandende kaars wordt teweeg gebracht, 
een herinnering te zoeken aan den invloed van Goufrieu Schalckex, welken Vollexiiüve moet hebben ondergaan? 

1) Het zijn er vijf in getal, \\aar\an twee in het bezit van Mevr. Lemker. Ziehier de beschrijving: 

Portret vau Cocmact van Ditsun: (volgens achtergeplakt oud briefje). Paneel Br. 0,23. H. 0,285. Afgebeeld in de 
kracht van zijn leven (pi. m. 35 jaar). Met lange tot op den schouder vallende haren, zwart kleed, witte bef, witte pof- 
mouwen. Zijn rechter arm rust op een balustrade; de linker hangt af. 

Portret van Marf^arctha Co/t hu f (volgens idem), gade van den voorgaande. Paneel. Tegenhanger van *t vorige. In 
den bloei van haar leven (pi. m. 28 aar), niet ontblootcn hals, groote parels in de oorcn en een parelsnoer om den hals. 
Zwart gewaad met witte lubben. Met h;iar uitgesirekten rechter-, en haar teruggebogen linkerarm houdt zij een zwarte 

falie vast. 

Uitstekende portretten, vooral d.it der vrouw; de man heeft nog a geleden en schijnt mij door hitte geblakerd. 
Lijken mij Vollenhovk's uit j)l. m. i^>5o; streek: zéér typiscl^^warte kleercn in sterk relief, waarop de plooien weer in 
bepaald hoogsel zijn aangebracht; vleoch in donkere partijen of halfschaduwon glad; in lichtdeelen met meer verf en 
aardig borsteltje, evenals witte kit eren. Achtergrond fraai warm bruin. Wat warmte van zoom en vooral wat de behande- 
ling en streek aangaat, lijken ze uïo .«-terk veerwant aan de kluizenaars van Vollenhove uit 1650. 

De drie anderen bevinden zieh allen in de regentenkamer der K;impcr Gast- en Proveniershuizen. Ik vermeld ze 

zuive^pro memorie: 

Portret Tan deu koniv.andant Sirnifii> (K-tm. Paneel. Pr. 0,325. H. 0,41. 

Met grijs haar, i;rij/en banrd, Kriji"" >^^i zwart gewaad, witten kraag en zwart kalotje. Geieekend bovenaan in den 
midden: ,.com: Simoms C)oms obyi S no\emlur 1653". Wel aardig portretje; warm bruin Rembrandtiek lichteffekt 

39 



306 VIER KAMPER SCHILDERS. 

Mocht ik dus hier ook weer niet het juiste geboorte- en sterfjaar van den schilder 
Bernhard VollenhoVE geven, ik houd mij overtuigd een belangrijke bijdrage te hebben 
geleverd tot de kennis van zijn kunst-ontwikkeling, terwijl het mij mocht gelukken het 
ééne schilderij, dat aan M'r. J. Nanninga Uitterdijk van zijn hand bekend was, te 
brengen tot een getal van dertien ; terwijl nog de konterfeitsels van hemzelven en zijn 
vrouw uit den jare 1684 bestaan moeten, in alle gevallen bestaan hebben. 



IV. 

STEVEN VAN DUYVEN. 

Een volkomen onbekend meester ! Bij Kramm, noch Immerzëel, noch van der Aa, 
noch . . . nergens te vinden ! Een heel veld geopend voor historischsi en artistieke nasporingen! 

Maar hoe de jacht ook zij, ongelukkig of gelukkig, de uitkomsten zullen in zooverre 
minder belang inboezemen als we den meester naar de drie werken, welke ik van hem 
mocht leeren kennen, een middelmatigheid mogen noemen. En dewijl hij nooit één 
rang zal kunnen innemen met Ernst Maeler, Mechtelt toe Boecop of Bernhard 
VOLLENHOVE, is hij verreweg min belangwekkend. 

De twee eenige jaartallen van zijn bestaan, die mij bekend werden, zijn 1682 en 
1683, helaas al zoo weinig van elkaar verwijderd als eenigszins mogelijk is. 

In de studie over het Kamper St. Lucasgilde toch door Mr. J. Nanninga Uitter- 
dijk in het 2e Deel der „Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel" geplaatst, vind 
ik dat den 19^" October 1683 Steven van DüYVEN zijn eed doet als meester van dat gilde". 

Om zijn werk eenigszins te leeren kennen, gaan we weer tot de zoo belang- 



Zwart kleed goed van verf, waarop de plooien weer dikker. Vleesch in donkere of halflichtc deelen glad maar degelijk^ 
waarover in lichtdeelen üinke streekjes met flink borsteltje en heel wat verf. De afgebeelde is zeker gasthuis-regent. 

Portret van een gasthuisregent. Doek. Br. 0,80 H. o 98 M. 

Jonge man van pi. m. 37 jaar. Voor hem een boek; de linkerhand op de borst, de rechter vooruiigestoken. 

Portret der vrouw van den voorgaanden gasthuisregent. Doek. Tegenhanger van 't vorige. 

Vrouw van pi. m. 35 jaar. In zwart kleed, met grooten neervallenden kraag en witte lubben. De linkerhand hangt 
neer, de rechter rust op de buik. 

Wel goed, maar droog. Zwarte kleeren dun van verf en glad: verlicht vleesch met groven borstel en behoorlijk 
verf, doch niet zwaar. Kleur zacht bruin met iets zacht roodachtigs op het vleesch. Lijken op Vollenhove's „droge" 
manier van 1658. 

Zonder ook maar eenigszins borg te willen staaiÉBat /.e van de hand van Bkrnard Vollenhove zijn wijs ik er 
alleen op, dat een Kamper gasthuis niet op onwaarschijniyke wijze kan gekomen zijn aan portretten geschilderd door eeiv 
Kamper burgemeester. 

Ten slotte vermeld ik nog dat in deze veelgenoemde Regentenkamer aanwezig zijn: een droog en weinig fraai por- 
tret van een gasthuisregent Aetatis 68 Henric Bloemaert fc: Ao 1664 (br. 0,67, h. 0,75), een zéér belangwekkend^Ver- 
zoeking van Jezus in de woestijn" (br. 1,30, h 1,47) door een onbekenden meester, zéér fraai en interessant met dr^erifin 
van gothieke opvatting; en een goed krijgsmansportret van Johan.nks Vollevens den oude, volkomen overeenstemmend 
met diens portretten in het Haagsch Gemeentemuseum. 



VIER KAMPER SCHILDERS 



807 



Avekkende verzameling schilderijen van Mevr. de Wed. F. Lemker te Kampen. We vinden 
daar twee authentieke Steven's van Düyven van 1682 en 1683. 

Het eerste stelt voor: 

Een familie-portret. Doek. Br. 1,68, H. 1.44.^) 

Rechts zit de zeer zware en dikke cchtgenoote in grijs satijn; naast haar zittend 
haar man met groote pruik. Links zittende een jong meisje met een hondje op den 
schoot; staande een ander meisje en evenzoo staande een jongen met roode muts, met 
«en windhond bij hem. Gemerkt rechts onderaan in bruin op grijzen grond: 



^68 X 







De hier behandelde schilderij is niet groot van gehalte, al is het groot van af- 
metingen. De kleur is grauw en mat; de heele wijze van uitdrukken theatraal en „naar". 
Alleen de jongen met de roode muts is uitstekend. Behoorlijk van verf maar glad ; slechts 
zelden is een goede streek te zien met niet te groven borstel. 

Het andere schilderij van VAN DuYVEN is evenzeer een familiestuk, maar een 
jaar later: 

Een faviilic-portrct in ecu landschap. Doek. Br. 1.85, H. 1.35. 

Rechts op den voorgrond de moeder met vier dochters. Bij haar staande haar 
man met een zoontje. Links op den voorgrond twee zoons met twee honden ; zij houden 
ieder een haas in de hand, en hebben jacht-attributen. Gemerkt links onderaan in zwart 
op donker bruingrauw 



51* 



l 



J^ux 



uyjpCj 



( 




1) Dat ik geen mcMinj maakte va» den katalogus der Prov. Overijsselschc Tentoonstelling Ie Zwolle in 1882 was mei 
opzet; de verschillende rubrieken toch waren onder % erschillende personen verdeeld, waarbij die der schilderijen-beschrijving 
het niet heel gelukkig getroffen had. Zoo b. v. stond dit stuk opgeteckcnd als van de hand van S. van Duvnen, hoewel 
«r een v „als een koe" op stnat. 

39* 



VIER KAMPER SCHILDERS. 



en rechts daarvan, er op volgend: 



J[^'m 



Deze schilderij is belangrijk beter dan het voorgaande, al is het ook slecht en stijf 
van kompositie. Het rechterdeel is goed en waar van Ideur, terwijl de kleine jongen 
links met den haas over den linkerschouder en den jachthoorn in de rechterhand uitste- 
kend van kleur en opvatting is. Streek en behandeling als bij de vorige. Goed vleesch- 
kleurig van tint, met iets zachts warmbruinigs '). 

De derde Steven van Duyven, dien ik mocht zien, bevindt zich bij den heer 
Baron van Aerssen Beyeren tot Voshol te Zwolle, 't Is een volkomen echt portret 
(br, 0,63- h. 0,79) maar fraai is anders. De behandeling en opvatting is volkomen als 
van Mevr, Lemker's van Duwen van 1682. Trouwens dit portret is ook gemerkt: 
S. van Duyven fee. 1682. ^) 

Ziedaar alles wat ik omtrent dezen schilder melden kan. Veel is het niet, maar 
ruim voldoende om de aandacht op hem te gevestigen. 

Deventer^ 17 Juli 1885. 



( Eeckhout van 1667 
irati Altbtus Tolling), 
met lijn oneindiR kra- 



1) Zooals men deze schilderij bij Mevr. Lemkbr liet hangen naasl den Gerbrand 
(Dogmaals een ramilïelafereel van ivs kinderen in een landschap, volgens Mevr. Lemker di 

nïger tijdgenoot. Zou hierbij enkel toeval in het spel weien? 

(Werkelijk steUen de drie jongens en de drie loeisjes op T. D. EeCKHOXJT's stuk afgebeeld voor de les kinderen 
van den Steenwijken Alt etus Tollihc en Aleid Jakssen, geb. löa?, gesl. 1700, dochter van Louwi Janssen en Geertje 
Buis, met hem getr. in 1654. Hunne kinderen toch waren; Geerthuid Machteld, ged. ie Kampen 14 Nov. 1655; 
Aleida Johanna; Gillts Valckenstein, gest. 29 Mei 174i;Cathakina, gest, 1744; Paulus, gesl, 1670 eo Petrus. 
Volgens vriendelijke mededeelirg van Mt. J. I. tan DooHNiHCK}. 

*) Een vierde stukje van deien middelmatigen schilder was in de veiling SNOtJCK van Looïen te EQkhuiien(i8B6) 
en stelde voot: een meisje, ran hare moeder vruchten onlvangende. Gem.: S. v. Dvyvai. D. H. 0.49, br. 0.40. (Red.) 




JOHANNES OSBORN, 

KUNSTIG BALEINWERKER. 

UOOii 

mk. n. de roever. 




• ENIGE jaren geleden zag ik in het magazijn van den Heer J. BoAS Berg, 
, alhier, een paar medaillons met verheven beeldwerk, bijna rond, van onge- 
veer 9 ïi lo C.M. middellijn, vervaardigd iiiteene zwarte zelfstandigheid. Ik 
^.— ^ hield de medaillons voor gietwerk en het kwam mij voor, dat de stof 
J-^ hoorn was. Het eene medaillon droeg de beeldtenis van Prins MauRITS, 
het andere, die van een mij onbekend persoon. Beide voorwerpen waren getcekend^ 
^oA. Osborn. Aiigl. Amstcrod. Fecit. 1626. Later zag ik dergelijke medaillons met de 
portretten van Frederik IIendRTK en AmalIA van SolmS geteekend: Jokannes .Osborn, 
Anglus. Amst. 1626. Zij waren allen zóó uitmuntend van bewerking, dat het wel een 
kunstenaar van den eersten rang moest zijn geweest, die deze voorwerpen had vervaar- 
digd. Op welke wijze deze vervaardiging echter had plaats gehad, daarover kon ik tot 
geen eenstemmigheid komen met anderen, die deze medaillons ook hadden gezien. 

De naam van den maker bleef mij in de gedachte, en ik verheugde mij toen ik 
dien in het puiboek sub 2 Juni 1607 vond. Aldaar staat aangeteekend de ondertrouw 
van John OsbORNE, van VVorchestershire in Engeland, kokermaker, oud 23 jaren, woont 
sedert 6>g jaar in den Liesdcl, wiens vader in Engeland woonachtig is, met Frances 
COTTEN, van Berchshirc (■■) in Engeland, oud 19 jaren, wonende op Uilenburg. 

Osborn was dus naar Amsterdam gekomen juist in den tijd, toen zich hier tal 
van engelsche puriteinen, volgelingen van ROBERT Brown, nederzetteden. en de gemeente 
der Bruinisten stichtten. Heeft hij inderdaad tot deze dissenters behoord, dan hebben 
zijne beginselen hem toch niet belet voor commissarissen van de huwelijkszaken eenjaar 
of drie in zijn ouderdom te smokkelen, want volgens zijne eigene, maar latere verklaring 
was hij in 1624 43 jaren oud, en dus niet in 1584, maar in 1581 geboren. Dergelijke 
leugentjes moet men blijkbaar zelfs geen puritein kwalijk nemen. 



'^ii^ 



310* JOHANNESOSBORN. 

Of de kokermakerij iets met de baleinwerkerij te maken had weet ik niet. Het 
schijnt wel het geval te zijn geweest, maar dan heeft OSBORN het eerstgenoemde be irijf 
langzamerhand voor het tweede laten varen. 

Het schijnt dat OSBORN nadat hij eenige jaren het vak had bedreven, bedacht 
om de grondstof op eene nieuwe wijze te bewerken of daarvan allerlei voorwerpen van 
versiering te maken. Hij verzocht en verkreeg octrooi op zijne uitvinding. Daarmede 
' was liij de weinige andere baleinwerkers — later, in 163 1, was er behalve OSBORN en 
Jan Cranenbergh te Amsterdam nog slechts één — in vele opzichten vóór. Rustig 
oefende hij zijne vrije niet onder een gild gebrachte kunst uit, wellicht liet hij, als 
Cranenbergh, met zijn fabrikaat het land rondreizen, totdat hij in 1624 verschil kreeg 
met zijn broeder Rtchard Osborn, die eenige jaren bij hem werkzaam geweest was en 
de bewerking van hem had geleerd. Deze had zich laten overhalen, om in compagnie 
met den meshechtenmaker Thomas Comes eene baleinwerkerij in concurrentie met JoitN 
of Jan (gelijk hij zijn naam teekende) op te zetten. 

Dat Jan hierover verontw?ardigd was en zijn octrooi wilde handhaven, wie zal 't 
misprijzen.^ En RiCHARD van zijnen kant trachtte aan te toonen, dat hem de eer en het 
voordeel toekwam van sommige nieuwe toepassingen, die Jan evenzeer als hij zelf in 
praktijk bracht 

Wie van beide recht of billijkheid, of wel beide aan zijne zijde had is thans niet 
uit te maken. Genoeg is het te weten, dat de te berde gebrachte stukken en verklaringen 
een tamelijk goed licht werpen op de door de OSBORNS uitgevonden wijze van bewerking 
van het ongetwijfeld eerst in weeken en kneedbaren toestand gebrachte balein, en ons 
inlichten omtrent de personen, die hunne machinerien en, wat nog merkwaardiger is, 
hunne vormen hebben gemaakt 

RiCHARD legde de volgende verklaring over: 

„Jacob Stevensz Versteegh, out 71 jaren, en GOVERT Jacobsz. Versteegh, 
„out 25 jaren, sijnen sone, beyde horologemakers, burgers deser stede. Ende hebben 
„bij ware woorden inplaetse van solemneele eede, ter productie van RiTCHARD 
„Osborn ende Thomas Comes (.^), Baleynwerckers, verclaert, getuycht ende geat- 
„testeert hoe waer is : dat de producenten omtrent drye maenten geleden hen 
„getuygen eerst geopenbaert ende aenbesteet hebben te maken ende gieten sekere 
„vormen van cooper inwendich, omme daerinne leeuwenhoefTden ende andere figuren 
„en personagien te connen drucken, ende dat tselve al geschiet is geweest omtrent 
„vijff off ses weecken vóór ende aleer dat Jan Osborn, des voorsz. RiTCHERTS 
„broeder, bij hen getuygen oyt is gecomen om oec eenigsodanich vormen te maeken." 

„Alle 't welk enz. ter presentie van Mathijs Bogaert; kokermaaker" 
4 Mei 1624. ^) 

Jan liet daarentegen Hendrik Verstegen, horlogemaker, oud 30 jaren, voor den 

notaris Warnaerts attesteeren (17 Januari 1625), dat hij in het vorige jaar verscheidene 

koperen vormen had gegoten, om daarin balein te drukken, waarvan hij verschillende 

*) Prot. Not. P. Carelsz. Amst. Medcdecling van den Heer A. Bredius. 



JOHANNKS OSBORN. 311 

Stukken had gezien, en dat hij met dit kopergietwerk 215 gld. had verdiend. Hij lokte 
den volgenden dag nog verklaringen uit van den smid Jan Berbax, dat hij voor 450 gl. 
twee ijzeren persen gemaakt had, die tot niets anders dan tot het baleindrukken konden 
dienen, benevens ijzeren platen, om onder de koperen vormen te leggen. Deze persen 
schijnen op de wijze van stempelpersen gewerkt te liebben. Bij COMES stond er althans 
een, precies van hetzelfde model, maar door Samuel Dirksz gemaakt, welke door middel 
van een gesneden ijzeren schroefdraad in beweging gebracht werd. 

De pers en de vormen hadden het blijkbaar vrij hard te verantwoorden. Jan wilde 
eens aan een zijner vrienden den vorm laten zien, waarin de Prins stond afgebeeld. Deze 
stond juist op de pers en moest afgeschroefd worden. Hij beval zijn dienaar Artur 
SUTTON — die zich later ook bij CüMES verhuurde — dit te doen, doch daar de pers 
onder zijn handen brak, was dit onmogelijk. Ook de vormen moesten van tijd tot tijd 
opgesneden worden. OSBORN vertrouwde dit werk voorzeker aan deskundige handen toe, als 
hij het opdroeg aan den zilversmid JoosT LüTMA en aan den wapensnijder Trowest SiMONS. 

Waren de vormen echter van bijzondere kunstwaarde, dan werd de beroemde goud- 
smid JOHANNES LUTMA, die sedert 162 1 hier gevestigd was, voor het zuiveren in den 
arm genomen. In 1624 had hij twee van OsBORNS borstbeelden opgeknapt. 

Maar de bekende zilverdrijver deed voor OSBORX meer. In datzelfde jaar 1624 
boetseerde hij twee vormen in pleister, waarop ongetwijfeld door de ons thans bekende 
horlogemakers negatieven in koper werden vervaardigd, en dreef hij het model van een 
schuierblad, van een sandschotel en van twee kleine spiegellijsten. Al dit werk liet hij 
zich niet duurder dan 70 gl. betalen. 

Wetende dat Jühannes Lutma door OsBORN in het werk werd gesteld, is de 
onderstelHng niet te gewaagd, dat de inschriften als fabrieksmerken veeleer dan als het 
merk van den kunstenaar, die het werk vervaardigde, zijn te beschouwen. Wellicht mag 
men aannemen, dat de kunstenaar, die in 1624 borstbeeldjes „verzuiverde" er zelfde maker 
van was, en moet men de eer, die wij gespaard hadden voor den nijveren en vindingrijken 
Engelschman, voor een groot deel overdragen op den Oost-friesschen te Amsterdam 
gevestigden en gevierden goudsmid. 

OsBORN overleed omstreeks 1Ó34. Meer dan dertig jaren later werd nog een 
handel in balein gedreven door Constantijn Osbürx, vermoedelijk zijnen zoon. Of deze 
ook de kunstiiidustrie van den vader voortgezet heeft, weet ik echter niet. 

De hierboven b'..\sproken medaillons zijn door buitenlandsche liefhebbers gekocht. 
In de verzameling van het Rijks-Museum bevindt zich echter écn soortgelijk kunststukje Vi.n 
dezelfde grootte, doch zonder fabrieksmerk. liet vertoont het borstbeeld van HENDRIK VIIJ, 
koning van Engeland. 



Ongelukkiglijk zijn van het opstel ^^Arent van Buchel^s Res Pictoriae^* eenige blad- 
zijden vóór de laatste correctie afgedrukt, hetgeen aanleiding geeft tot de volgende 

AANVULLINGEN EN VERBETERINGEN. 



Blz. 147 regel 2 staat. 



»> 

n 

11 
19 
?i 
19 
»» 
148 

» 

»> 
») 

93 
9» 

»} 

»» 

9> 

9J 

93 
149 

93 
>9 

9) 
99 
93 
Ï9 
93 

f» 
»» 
9f 

i% 
»> 
91 
93 
93 
99 
93 
93 

«53 
154 

>» 

93 

tl 



99 
93 

1» 

95 
99 
99 
93 
93 
91 

« 
99 
99 

19 

99 
93 

19 

19 

93 

19 

W 

93 

93 

93 

19 

99 

99 
99 
19 
93 
93 
93 
91 
93 
99 
93 
99 
93 
93 
»9 
>» 
f» 
9» 
11 
97 
>f 

99 
99 
93 
93 
99 
99 
»> 
99 
>> 
99 
93 



11 

3 

H 

18 

91 
19 

20 

93 

30 
I 

99 
99 

3 
99 

4 

99 

6 

6/7 

9 
21 

22 

23 

99 

25 
26 

27 

29 
So 

33 

34 

9 

14 
16 

20 

21 

24 

93 

28 

IS 

17 
20 

I 

2 

9 

14 

»» 
18 

19 

33 

99 

3 

19 
14 
22 

99 



99 
99 
11 
11 
99 
93 
99 
99 

9' 
99 
99 
*9 
99 
93 
11 
11 
11 
11 
93 
11 
99 
93 
99 
93 
93 
11 
99 
99 
99 
91 
93 
93 
93 
W 
99 
93 
93 
99 
9» 
9» 
H 
>» 
93 
9» 
99 
99 
>I 
9» 
>9 
99 
11 
9» 
99 
9' 
99 
99 



,Delphus, tabulas 
dum varia distincte 
.Cedit Apelles a C3rprio 

placent 

vercnter 

est ille 

dispositionibusque 

vita ipsa 

videntur 

vidi 

Francogallia 

ISAAC 

diTinum 
pictori .... 
et — prepon 
sine — ... 
utroque. . . . 
quem fonte .... 
pictor. . . . 
visitatores 
percepta 



lees. 



anno — hispanam 

quium 

CoGNETis Hamburgae 

quosdam 

pcrvenerant 

de 

cero 

quos 

una 

conventionibus 

venusta 

plastica. Adeo 

Srangeri 

juniores 

admodu . . . . calis 

— f ene stres 

infortun ymicum 



ouder waer in 

• • • • 

van .... een schilderijken 

vide de 

ex vote 

ROUEN 

J. C. B. puto. . . , 

20. ... 

ambo 



dubitur an eius erit 

.... arum 

verschoten 

magnitudine 

sij 

TOUIIICA 

vidi 



99 

19 
11 
V> 
1) 

n 

99 

9» 

99 

99 

9» 

93 

9» 

93 

99 

11 

99 

99 

93 

93 

11 

11 

11 

11 

93 

93 

93 

93 

99 

11 

93 

9) 
93 
9> 
99 
99 
99 
99 
99 
99 
f> 
f9 
» 
99 
99 
99 
99 
9) 
»3 
99 
99 
93 
9» 
99 
99 



Delphos tabulis. 
: Dumvarie distincta. 
,Cedit Appellea Cypria. 
Parm(ae) et Placent(iae). 
verentur. 
sunt illo. 
dispositionisque. 
vitam ipsam. 
videtur. 
vide. 

Francogallus. 
1605 ISAAC. 
divine. 
pictoria. 
ut — preponi. 
sive — ceu. 
utroque modo. 
qualem fontem. 
pictores. 
licititores. 
praecepta. 

et praesuli(?) a 8enatus(?) 
annum — hispanicam. 
qui cum. 

CoGNETUS Hamburgi. 
quasdam. 
pervenerunt. 
esse. 
vero. 
quae 
uno. 

inventionis. 
venustae. 
,plastica adeo. 
Sprangeri. 
junioris. 

admodum icunculis. 
ovi in — fenestrae. 
iufortunium chyraicum. 
klein 

ouder, waerin 
s(eer) 

van een schildercken 
vide et 
ex voto des 
Rous 

Jo. B. puto esse. 
20 tantum, 
limbo, 
tarnen. 

dubites an eius sit. 
parum 

Verschoten 
magnitudinem. 
sijn. 

TOY IIICA(NOY) 
.Vide. 




-1 *i 



■V:-- 



, — _i «j^i j ■■««^*-< 



BLADWIJZER 

OVER DEN JAARGANG 1887. 



A. 

A b r a m s I ( J a c O b) 237 

Abt (Sim on) 7 

Abt (de heer en mevrouw) 178 

A c k o 1 e y (C 1 a e s) majoor 53 

Adam (Opera's van) 192, 250 

Adriaensz (A Ie x ander) schil- 
der 238 

Adriaensz (Comelis) 145 

Adriaensz (Quirijn) 149 

Aelst (Pieter van) 50 

A e l s t (teekening van) 151 

Aerden (l'ieter van) 265 

Aerssen (Fran9oi8 van)... 303 
Aerssen Beijeren van Vos- 
hol (baron van) collectie 303, 308 
Album amicorum van een lid der 

fam. V. Besten 25 seq. 

Aldengreef I54 

Alewijn (Dirck) 10 

A 1 e w ij n (D. M.) 10 

Alphen (Dirck van) Schout 

te Vianen 72 

j4/s de eckelen rysen^ soe mest de 

boer de svyn 27 

Al tor f (teekening en prent van) 

15Ï» Ï52 

Am am a (S ixtus), 36, 37 

Ambrogetti (operazanger) 257 

Amelius (Johannes) bouw- 
meester 1 30 

Amelung (G.A.) operadirecteur 

190, 191 
Ampzingius (Samuel) por- 
tret van 172 

Anatomie-stukken 19 

A n c é (operazangeres) 242 

A n c o n i (operazanger) 260 

Anderlijn ,..*.. 266 

Andree (Joachi m) iio 

A n d r e e (Opera's van) 183 

Andreoli (Lorenzo) opera- 
zanger 256 

Anraadt (Pieter van) schilder 

3041 30S 
Appel (gesneden houten) van Vin- 

ckenbrinck 79» 86 

Aquaroni (Giovanni) opera- 
zanger 261 

Arcnts (Geertgen) 127 

A r e n t s (T r ij n t j e) 235, 236 

Armenkamer te Kampen 203 

A r m i n i u s (Dr. D a n i e l) 104 

Ar n o 1 d i (operazanger) 262 

A r n o u l d (operazanger) 253 

A s c a n i (operazanger) 259 



Asschenberg (G.) 244, 246 

A8seignie8(Christoffel d') 

juwelier 62 

Aswegen (Borchert van) 

wapensmid * 58 

Athenaeum (gebouw van 't) 94 

Athenaeum (oudste geschiedenis, 

van 't) 94, 95> 96» 98 

A u b e r (operas van) 191, 248, 249, 

250, 252, 254 

A u g u s t e (tooneelspeler) 247 

Avercamp (Hendrik)... 25, 300 

A V i g n o n e (operazanger) 259 

A 7 n e 1 1 (operazanger) 252 

B. 

B. (P. o. V.) 26 

Baak 101,117 

Baccovius(Bartholomeus) 35 
Backer, advocaat te Leiden.... 152 

Backer(Jacob) 42 

Backer (WilJem Cornelisz 

C r o m ol) kapitein 53 

B a e c k (Portret van Joost).... 22 
Baecken (Joost Jansz) ko- 
perslager 13S 

Baen (Jan de) schilder 229 

Baerle (Adriana van) iii 

Baerle (Anthony van) ili 

Baerle gaspar van) 93, seq. 

zie ook Barlaeus. 
Baerle Jr. (Gaspar van).... loi 
B ae rle (J acobus van)97, loi, 104 
Baerle (Lambertus van).. 104 

Baerle (Susanna van) 292 

Baers (Johannes) schilder . . 236 

B a i 1 1 e (operazanger) 254 

B a i 1 1 e r (operazangeres) . . . 204, 245 

Bailly (David) 151,154 

Bakker (Gerrit) 7 

B a 1 a s s i (F r a n 9.) operazanger 

256, 257 

Baleinbewerking 310, 31 1 

Banning (Jan) 19 

Banquetgen d. i. vroolijk gezel- 
schap of stilleven 167 

B a r d e 1 1 i (operazangeres) 257 

Barendsz (Dirk)... 4, 7. 147, 150 

B a r l a e u s 37, 38, 41, 42, 43 

Barlaeus (Onuitgegeven brieven 

en gedichten van) 1 13 — 125 

Basch (Adolf) operazanger ... 187 

B a s s a n (schilderij van) 267 

Bassée (Pieter) schilder 217 

Bassen 146 

Bassen (Warner Ernst van) 8 
Baudartius 38 



Baudartius Jr. ( W i 1 1 e m). . . 39 

B a u d a t (regiseur) 250 

B a u d r i e r (regiseur) £44 

B a u g ij (^ e) Fransch gezant. ... 105 

B e c k e r (Collectie C.) 79, 86 

Beelden (beschilderde houten) .... 158 
Beeldhouw- en houtsteekkunst in 

de Nederlanden 73 

Beeldsnijder ( Jhr.) 37 

B e e 1 1 (Comelis) 300 

Beer (Fr.) operazanger 189 

Beethoven (operas van). 187, 188 

B e i 1 (operazanger) 122 

Belasting op de doodkisten 136 

Bellemonte (operazangeres) . . 248 

B e 1 1 i n i (operazangeres) 260 

Bellini (operas van). 191, 258, 261 

Beltens (Pieter) 215 

Benaso 153 

Benedetti (operazanger) 257 

B e n e y t (operazangeres) 250 

Benthem (Adolph comte de) 26 
B e r a 1 (A u g.) muziekdirecteur. . 189 

Berge (operazanger) 244 

B e r g h (G i 1 1 es de) 300 

Berbau (Jan) Mr. smid 310 

Bernard (Mathilde) opera- 
zangeres 189 

BerteUi (Pietro) operazanger 256 

B e r t i (operazangeres) 260 

Bertini (Giuseppe) opera- 
zanger 256, 257 

Bertini (Maria) operazangeres 256 
Bertinott i-R a d 1 c a t i (opera- 
zangeres) 257 

B e r t o n (opera van) 245 

Bertrandi (Ida) operazangeres 

259, 261 

Besten (Adolph van) 26 

Besten (van) 25 

B e t s i (operazangeres) 250 

Beudeker (Chr is to ff el) 

handschriften van 3 

Beuningen (Dirk Geurtsz. 

van) 77 

Beuningen (Capitein Geurt 

D i r k s z van) 4 

Beverwael (Hans Lucasz 

van) 28 

Beverwijck (Johannes) 102, 108 
Beverwijck, (Dr. Johan van) 48 
Be ij eren (Abraham van) 

Schilder 229 

Beijeren fArnoldus van).. 239 
Be ij eren (Balthazarvan). 239 
Beijeren (Cornelis Aertsz 
van) houtkooper. . . . 235, 236, 237 



II 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1887. 



Be ij e ren (Leendert C ome- 
lis z van) schilder.. 21 7, 235, seq. 

B h r a (A b r a h a m) ' 38 

B i a n c h i (operas van) 256 

BiberhOfer (operazanger) 192 

Bicker (Andries)... 42, iio, 114 
Bicker(Pieter) kapiteinmajoor 

52, 53 
Bie (Mayken de) 287, 289 

B i e r c 7 (operas van) 186 

B i e s e m (van) kunstkooper te 

Rotterdam 69 

Binck IS4 

B ing er (Hij man) 196, 197 

Bisbinck (Barend) schilder. . 1 56 
Bisbinck (Joost Barentsz) 

kanonier 156 

Bisschop (Abraham) schil- 
der * 157, 160 

Bisschop (Catharina) 157 

Bisschop (Cornelia) 157 

Bisschop (Cornelis) schilder 

157, seq. 
Bisschop (Jacobus) schilder 

157, 159 
Bisschop (Jan de) 7 

Bisschop (Capitein J a n d e) . 12 

Bisschop (Sara) 157 

Blauw (Claes Dirkszj 7 

Bleker (Dirk) schilder 229, 230, 231 

Bleyenbergh (Bartholo- 

m e u s) 230, 231 

Blockland heer P i e t e r s dr. 

(Jufir. A n n a V a n) 48 

Blocklandt (Antonie van) 

schilder 147, 150, 151 

Bloemaert (Abraham) schil- 
der 147, J49, 150, 151 

Bloemaert (Hendrik) schilder 

234, 306 

Blommert(Samuel) 5 

B 1 o n V a 1 (operazangeres) ..23, 244 
Bloocke (Cornelis van 

den) beeldhouwer 76 

B 1 u m (operazanger) 190 

Blyenburg(Adriaenvan).. 38 

Boas Jr. (Jozef) 196, 197 

Boas (J. S.) 196 

Bodeghem (Bartholomeus 

van) tamboer 63 

Bodeghem (Cornelia van) 

62. 63 
Bodeghem (F ranchoys van) 

adelborst 63 

Bode gh em (Magdalena van) 63 
Bodeghem (Maria van).... 63 

Boecop (Arent toe) 202 

Boecop (Cornelia toe).... 201 
Boecop (Egbert toe) 202, 

203, 204, 209 
Boecop (Margriet toe).... 203 
Boecop (Mechteld toe) 

schilderes 201, seq. 

Boecop (geslachtslijstje toe)-.. 202 

B o e 1 e n s (capitein) 4 

B o e 1 s (schilderij van) 153 

Boetselaer (Rutger Wes- 

sel vanden) 284 

Bogaert (Mathys) kokermaker 310 
Boissens te Leiden.. 151, 152, 153 
Bol (Ferdinand) schilderi58, 

218, 238 
Bol (teekening van) 151, i $3 



Boldrini (operazangeres) 259 

Bonasorius (Julius) 152 

B o n d t (R e i n i e r d e) 37 

Bonifacius iii, 114 

B o n n i e r (Dr. L. C.) 296 

Bont (schout) 104 

Booms, Burgemeester te Leiden 150 
B o r c h (G. ter) schilderij \ an . . 269 

Borch (Mozes ter) 298 

Bornschein (Carl) opera- 
directeur 189 

Borroni (Maria nna) opera- 
zangeres 256 

Borski (J.) 254 

Bos (Cornelis) plaatsnijder... 154 

Bos 195 

Bosch (Lodewijk van den) 149 
Bosman (Casper) wapensmid 58 
Bot (teekeningen van Andries) 81 

Both (Jan) schilder 156 

Botland (Geertruy van)... 157 

B o 1 1 a g i s i (operazanger) 259 

Bourgois (Constant) 19 

Bouricius (Hector) 36 

Bousquet (A.) operazanger. . . . 253 
Boxhornius(Marcas Zue- 

rius) 42 

Boxtel (de Heer van) 144 

Boy (Mr. Cornelis) 48 

Boyeldieu (opera's van) 186, 

190, 245, 248, 249 

Braem(Elisabeth) 296 

Braem (Willem) 296 

B r a m e r (teekening van) 273 

Brandt 98, 104, 109 

Brandt (Isabella) 149 

Brasser (Geertruy d) 234 

Brasser (Joost)... 95 

Braun (Jos.) muziekdirecteur • • 190 

B r a u n (operazangeres) 185 

Braunsberg 182 

Brederode (Heer van) portret 

van 272 

Bremer(Adriaen) 4 

Briant (Jan) wapensmid 58 

Bryenen (Derck van) 29 

Brievenboek van C u n a e u s uit- 
gegeven door P. Burmannus 40 

Bril (teekening van) 151 

Brochard 179 

Broeck (Hendrik van den) 

schilder 83 

Broederschap van O. L. Vrouw tè 

Amersfoort 128, 129 

B roem et (operazangeres) 189 

Bronchorst (Everard) 36 

Bronckhorst 135 

Brosterhnysen 98 

Brouck (C, van den) teeke- 
ning van 152 

Brouwer (Cornelia).... 23, 24 
Brouwer (Capitein D i r c k 

Thymensz) 4 

Brouwer (Jacob Dirksz).. $ 

Brouwer ( J a n)^ 23 

Brouwer (Theodora) 23 

Brouwer (schilderij van) 81 

Brown (Robbert) 309 

Brueghel (de flaweelen) 300 

Brueghel (navolgers van) 151 

Breughel (schilderij enz. van) 1 49, 153 
Brug (Hendrik ter) schilder. 147 
Brugghen (Anna van der) 3*) 



Brugman (Dirk Pietersz.) 5 

B r u n (Ie) operazanger 245 

Brunacci (operazanger) 259 

Buchel deOude(Arentvan) 144 
Buchel (Arent van)... 143, seq. 
Buchel (Marten van)... 97, 109 
Buckingam (Johannes).... 68 
Bueren(Barthoutvan).... 72 

Buis (Geertje) 308 

Buonavoglia (L. G.) 256 

Burchmans (Mayken Le- 

naerts) 235 

Burger-vrijkorpsen (Vaandels van) 61 
Bu rgh(Alb er t C oenraatsz) 96 
B u r g h (van der) 99, loi, 120, 124 
Burmannus Secundus (Pe- 
trus) 43 

Busschop (Cornelis) 49 

Busschenschut (bronzen beeldje van 

een) 60 

Butsch (Fidelis) operazanger 

190, 191 
Buttinga (Jacob Pietersz) 170 

B u y c ky te Leiden 1 50 

Buyserius (W ilhelmusAn- 

tonii) 96 

Bysterbos (Mr.) 26 

O. 

{Zte ook K.) 

Cabeljau (Abraham) 33, 

34, 35. 37, 38 
Cabeljau (Abraham) boek- 
houder 34 

Cabeljau (Prof. J o a n n e s) 

33, seq. 
C a b e 1 j a u ( J o a n n e s^ . . . . 33, 34 
Cabeljau de Jonge (johan- 
nes) 38 

Cabeljau (Margaretha)... 35 

C abelj au (Maria) 41 

C a b e 1 i a u's f geslachtslijst der). . 44 

Caccofoni (operazanger) 256 

Caerdekamp (Sybout van)... 219 

C aey (Luc as van) 47 

Camerarius, Zweedsch gezant 

105, 110 
Camerbeek (Francois) wa- 
pensmid 58 

Campen (Dr.Casparus van) 

advocaat 218 

Campen (Cornelis van).... 7 

Campen (Jacob van) 134 

Campen (Jacob van) por- 
tret door 133 

Campen (Mechtelt van)... 292 
Campenhaut (operazanger) 244, 

246, 247 

Candidus 152 

Capelle (Prof. van) 94 

C a r e 1 de Jonge (capitein Jan 

Jansz) 4 

Carmen— Bernac (Mad. Del) 

operazangeres 259 

C a r m e n — M ontenegro(Del) 

operazangeres 261 

Carrara (Antonia) operazan- 
geres 256 

C a s a 1 (operazangeres 243, 244 

Casino (Theater) I99 



BLADWIJZER OVERDEN JAARGANG 1887. 



III 



Cassandriu8(Joanne8)35, 42 
Castigliano (operazanger) . . . 260 
Catalano (operazanger) . . 258, 259 

C a t* J.Azn. (A.) 192 

C a t e 11 i (operazanger) 260 

Cats 105, 108 

C a u (Mr. C o r n e l i s), 50 

Canlery (Joris de) kapitein 

ter zee 5^ 

C a u r i n i (operazanger) 257 

Celens (Barbara) 233 

C h a m p (du) chirargijn • . 274 

C h a r d oji (operazangeres) 248 

Charnassé (baron de) Fransch 

gezant 105 

Cherubini (opera's van) . 186, 191 

Chevallier (operaist), 178 

Chiffletus (Johannes Ja- 

cobus) 38, 39 

Chiodi (Guiseppe) opera- 
zanger 248, 256 

Christiany (operazangeres) . . . 192 

Chys (Johan van der) 167 

C i m a r o s e (opeta's van) 186, 197, 

243, 25S, 256, 257 
C i n e 1 1 i (familie) opersusangers. . 258 

Ciprianus(Sara) 76 

Ciszewsky (operazangeres) .... 192 
Claes Jacobsz (Anneke),.. 46 
Claesz (Antonie) schilder. ... 147 
Claesz (Cornelis) uitgever. . . 18 

Claesz (E wout) 224 

Claesz CG i 1 1 e s) schilder- 147 

Claesz (Paulus) 7 

ClaesiCPieter) schilder. 147, 233 
Clairville (operazangeres) .... 242 

C 1 a r i (operazangeres) 254, 262 

Clavecimbels die van zelf spelen.. 72 
Cleyn (Celitje) waardin in 't 

oude Doolhof. . • 78 

Clusius 145 

C o b e r g (W enceslaus) schil- 
derij van 149 

Coccejus (Johannes) 39 

C o c k (teekening van) 151 

Cocq (Frans Banning) Al- 
bum van 12 

C o d d e (P i e t e r) 298 

C o e u r i o t foperazanger) 247, 248, 250 
Cogniet (Gilles) schilder. . . . 148 

Cohen(S. D.) 196 

Colck (Johan Wybrandtsz) 134 
CoUaert (Geertruyd Dirksdr.) 

77, 78, 83 
College dramatique et lyrique 241, 242 

Colleoni (operazangeres) 260 

Colleville (tooneeldirecteur) . . 249 
Colthoff (Margaretha).... 305 

Col ij n (schilder ij van) 81 

Comes (Thomas) meshechten- 
maker 310 

Con flans (Christianus de) 

schilderij 4 

Coninxloo (schilderij van) 150, 154 
Coninxveld (Abram) schil- 
der 47 

Conringius(Hermanus) 98, 

99» 107 

C o n t a t (Actrice) 244 

C o p (Claes) schilder 236 

Coppenoll (Lieven Wil- 
le msz. van) 213 

Cordella (operas van) 257 



Coret de Jonge (Jan) wapen- 
smid 57, 58 

C o r n e g a (E.) operadirecteur. ... 189 
Cornega (Nina) operazanger. . 189 

Corneille 249 

Cornelisz (Cornelis) schil- 
der . 17. iS, 24, 147, 149, 150, 151 
Cornelisz (Jftcob) school- 
meester . 33 

Cornelisz (L eender t) schil- 
der zie V. B e ij e r e n . 
Cornelisz (Mr. Lucas) schil- 
der 209 

Corporaalschap (beteekenis van het 

woord) 22 

Corput(Jacob vanden)... 49 

Corrazari (operazanger) 259 

Corseek 55 

Cort (Cornel is) prent 153 

Corvinus (Johannes Ar- 

noldi) 42 

Costa-Tamplini (operazan- 
geres) 260 

C o s t e r (I. N.) zanger 196 

Costerus (Willem ij n t j e). . 77 

Cotten (Frances) 309 

Court (Allard de la).... 67, 68 
Couwenbergh (Gerrit Ger- 

r i t s z van) 239 

C o V ij n (Reinier) schilderij van 64 
Cranach (L u c a s) schilderij van 154 
Cranenbergh (Jan) balein- 
werker 3 

Crans(Dirk) 158 

Cr ayesteyn (Huig Jansz.). 13 
Croessingh (Jacob) portret 

van 271 

Crom (Peter) 72 

Cr om (Willem Cornelisz 

B a c k e r oO kapitein 53 

C r o m h o u t (Jacob) 83 

Crucius (Jacobus) 38 

Cruyf(Rijk) 142 

C u n a e u s (Petrus) 36, 40 41, 

94,97,99, loi, 106, 108, iio, 112 
C u n a e u s, uitgegeven door P. 
Bufmannus (Brievenboek van) 40 

Cup (Willem) 41 

Cupido trionfant aenhoort mijn 

lammenteren ^. 30 

C u y c k i u s (Ds. pH^.) 296 

Cuylenburch (T oenken 

vrou van) 146 

Cuyp (A eiber t) schilder 155 

Cuyp (Jacob Gerritsz)47, 

49. 298 
Cuyper (Frederik) 47 

D. 

D a 1 a i n V a 1 (tooneelspeler), .... 242 
Dalayrac (opera van) 179, 197, 

243, 245, 248 
DallainviUe (operazanger). . . 179 

Dalle Aste (operazanger) 194 

Dam (van) 144 

D a m i c i s (operadirecteur) 255 

D a m o r e a u — C i n t i (operazan- 
geres) 258 

Dangeville (actrice) 247 

Dangeville (tooneeldirecteur) 

247, 248, 249 



Dannewaard Jansdr. (Maria 

van) 156 

D a s a i d e s (opera van) 196 

Day (Marten) kapitein 53 

Debreuil (operadirecteur) 252 

Decker (Ezechielde) land- 

meter 234 

Dedel (Johan) 290 

D e d e m (van) 27 

Degens (spaansche en solingsche) 54 

D e i m a n (Dr. J. A.) 182 

Deisenrieber (operazangeres) 191 
Delff (Willem Jacobsz) 

gravure van 8, 9 

Delft (Pieter Gerritsz van) 

kapitein 53 

DelmenhoKst (Hendrik van) 37 

D e 1 i e (operazanger) 244 

Demele (Mathias) schilderij 

van 271 

Deschamp (opera's van) 245 

Deschamps (operazanger) .... 244 
D e s s a u e r (J. H.) 189, 194, 195, 

196, 197, Ï98, 199 
D e s 8 a u e r Jr. (J. H.) zanger.. . 198 

D e t r o o t (E,) regisseur 189 

Deur horst (Hendrik) wa- 
pensmid 58 

Devilliers (operazanger) 252 

D e y m (Mr. A d r i a a n) 265 

D e y r i s (operazanger) 244 

D e z è d e (opera's van) 243 

D i d o t (operazangeres) 253 

D i e 1 i t z (operazangeres) 258 

Diemen Gijsbertsz (Jan 

van) 156 

Diemen (Maria van) 156 

Diepenbroeck (Eva van).. 30 

D i e st (W i 1 1 e m V a n) 300 

D i e 8 1 e 1 (operazanger) 186 

D i e t r i c h (operadirecteur) 181, 

183, 184, 195 

Dirksz (Samuel) ^... 310 

D i r V e n ( J.) schilderijen 268 

Ditsum (Coenraad van) 305 
Dit ten dor f (opera's van) 183, 

184, 186, 196 
Dobbelin (Carl) operadirec- 
teur 184, 185 

Doelroes (schutterstuk van schutters 

met) 14 

Does ( J. van der) 30 

Does (Jacob van der) 274 

Domselaer 135 

Donatell i — L u c c a (operazan- 
geres). 259 

D o n a t i (operazanger) 258 

D o n c k e r (Hoedenkramer) '. 23 1 

D o n e 1 1 i (operazanger) 259 

D o n i z e 1 1 i (opera^s van) 250, 252, 

254, 258, 260, 262 

Doodkisten (belasting op de) 136 

Doolhof (wapens uit het oude) ... 5^ 
Doorninck (Mr. J, J, v a n) . . 26 
Doren (Cornelis Willemsz) 

goudsmid 209 

Dorp (Dorothea van) 284, 

285, 286, 287, 290, 291, 292 
Dorp (Frederik van).. 277, 281 

Dousa (Janus) 288 

Drabbe (Floris) 68 

Dronckelaer(Pelgrom van) 

7, 9 



IV 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1887. 



Droochsloot (Joost Cor- 

nelisz) 300 

Duchesne (operazanger) 248 

D u c o s ( J. B.) 244 

Ducq(JaDle) 172 

D u g u a i (operazanger) 179 

D n p u y (operazanger) 244 

Durer (Albert) schilder 148, 

151. 152» ï53 
D u r i n g e r — B r a u e r (opera- 
zangeres 191 

D u V a 1 (opera's van) 186 

Duvel (Dirk) kapitein 53 

D u y n (jan) kapitein 53 

Duysentdaelders (Jan).... 235 
Duy sentdaelders (Wiggert) 235 
Duyster (Willem) schüder . . 236 
Duyven (Steven van) schil- 
der, 306, seq. 

Duyverlandt von Roden 

(Peter van) 42 

Dyck(Anthonie) 51 

Dyck (van) schilder.. 163, 171, 172 
Dyl (Marten) 232 

E. 

Eeckhout (Gerbrand van 

den) schilder 233, 238, 300 

Eekhout (Johan Roelofsz) 296 

Eekhout (Rensia) 296 

Eentgens (Willem AUertsz) 233 
Egbertsz (Cornelis En- 
ge 1 s z of) zie Verspronck. 
Egbertsz (Dr. Sebastiaen) 19 

E g g e r s (operazangeres) 191 

E h 1 e r s (W.) operadirecteur .... 191 
Eisenmann (Dr. Oscar).... 51 
E 1 i a s (N i c o 1 a e s) schilder. ... 215 
Elias (Nicolaas) schilderij 

van 2, 16, 20, 21 

Emaus (Albert Dirksz) ka- 
pitein 53 

Epenhuizen 49 

Episcopius 107 

Ernst (operazangeres) 183 

Erp (Magdalena van) por- 
tret van , 22 

E r p e n i u s 38 

Eschborn (operazangeres) 192 

Eschenburg (opera van) 183 

E u n i k e (operazanger) 183 

Everts (Brigitta) 144 

Eyck (CorneliaCÏerritsdr. 

van der) 15 

E y n d e (Dr. Francisco van 
den) medicus ^38 

F. 

F a b r e (operazanger) 248 

F a b r i t i u s (schilder) 230 

F a 1 1 e r (operazanger) 254, 261 

Farinelli (opera's van). . . 256, 257 
F a r n e s e, hertog van Parma en 

Plaisance 152 

F a u r e (regisseur) 244 

F é d e 250 

F e 1 d t (operazangeres) 191 

Fernay(Michiel) 19 

Ferreris (Jacob) schilder . . . 149 
Festlinger (zanger) 200 



F i n o s c h — M a j e s k i (opera- 
zanger) 254 

F i s c h e r (operazanger) .... 184, 188 
Fleurimont (tooneelspeler) . . . 242 
Flinck (Govert) schilder .... 238 
F lo ris (Frans) schilder 148, 152, 153 

F 1 o t o w (opera's van) 254 

F o f e e s t (medicus) portret van , 150 
Formes (Carl) operazanger... 194 

F o r n e r (operazanger). 192 

Franchesin i — G a r i s (opera- 
zangeres) 261 

Franckenburg (Johannes) 78 

F r a n c X (schilderij van) 154 

Fransche Opera 241, seq. 

Fransman (S.) operazanger 

196, 198, 199, 200 

Fransz (Segcr) 219 

Frede rik He ndrik. . . . 107,110 
Frederik Hendrik (borst- 
beeld van) 309 

Frederiks (Helen a) 239 

Fredericksz (Jacob) hout- 

kooper 33 

Frédéricq (Carolina) 178 

Frédéricq (Ch ar lo 1 1 e).. . . 178 
F r é d é r i c (les enfants du Sieur) 

178, 179 
Freundt te Furstenau (C.) ge- 
weermaker 58 

F r i t s c h (J.) operadirecteur 189, 190 

F u r s t (operazanger) 188, 189 

G. 

G a d b 1 e d (operazanger) . . . 244, 246 

Gamirato (operazanger) 261 

G a r d o n i (operazanger) 262 

G a r i 11 e (operaïst), 178 

G a r n i e r (tooneelspeler) 247 

G a s c a r (N.) schilder 240 

G a s p a r d (operazanger) 244 

Gasverlichting te Amst 189 

Gaugaenhemi (operazangeres) 262 

G a V c a u X (opera van) 245 

Geel III, 112 

Geelvinck (Jan Cornelisz) 8 
Gemaelde-Sammlung te Coblentz 

(Stlldtisch-Lang'sche) 64 

Gent (baron van) portret van. . . 27 1 

G e o r g e (actriK) 249 

Gequtst byn ick van bynnen 28 

Geraud (P.) 246 

Géricot (Antony) 274 

Gerrit Jansdr. (N eelt ken) i$6 
Gerritsz (Arent) wapensmid 

van Solingen 57 

Gerritsz (Claes) wapensmids- 

leerling 57 

Gerytszoen (Gheryt) goud- 
smid 72 

Gerritsz (Hendrick) schilder 162 
Gerritsz (Ja>n) wapensmid ... 58 
Gerritsz (Pieter) schilder... 209 
Gerstilcker (operazanger) .... i87 

Gerwen (Pieter van) 219 

Geslachtlijst Cabeliau 44 

Geslachtslijst van Rembrand t's 

verwanten. 228 

Geslachtslijst Vollenhove.... 295 

Geschutboor 60 

Geschutgieterij (Stads Klok- en).. 59 
Gesselaer (Herm an van).. i67 



Geurtsen (W o u t e r) smid ... 84 

Geweren 58 

Geyn (teekening enz. van). 151, 154 
Giamagli, leerling van S c h al Cr 

ken (portretschilder) 70 

Gillesz (Gilles)...' 224 

G i m e n e z (operazangeres) 258 

G i r a 1 (operazanger) 244. 246 

G 1 a c k (opera's van) 186, 248 

G n e i b (operazangeres) 190 

God ij n (Margaretha) 263, 

264, 265, 266, 267, 271 

Godijn (William) 268 

Goe d e wae rt (H ans). ..*.... . 19 

Golius 105 

Gollmick(Emil) operazanger . 189 
Gollmick (Herman) opera- 
zanger 189 

Gollmick (W i 1 h e 1 m) opera- 
zanger 186 

Golsmith (operazanger) 189 

Goltz (Susanna wed. C o r- 

nerlis de) 232 

Goltzius (Hubert).. schilder 148 

Goltzius 20 

Goltzius (schilderij enz. van) 

149. 151. ^53 
Gomarus 38 

Gonzala 98 

Goor (van) operazanger 254 

Goos (Pieter) plaatsnijder 165, 166 
Goossensz (Cors) wapensmid 58 

Goris (Mayke) 76 

Gort (Adam van der) 63 

G ö s s 1 e r (operazangeres) 188 

Goudt (Hendrik graaf van) 

plaatsnijder 292 

G o y e n (van) schilder 164, 229, 233 
Gracht (Jacob van der) 

schilder 80 

Graeff (Jhr. D. de) 12 

Grandville (regisseur) 248 

Grassini (operazangeres) 257 

G r a V e (D.) klokgieter 140 

G r a V e Jsz. (G.) 192 

G r e b b e r (F. P. d e) schilder 163, 164 
Gretry (opera's van) 179, 185, 

197, 243, 245, 246, 248, 249 

G r i m m e r (teekening van) 151 

Groenhagen(Fran9ois) mu- 
zikant, 178 

Groeningen (Jan van) zie 

S w art j a n 
Grol (Rudol van) portret- 
schilder 62, 63 

Groof (Claes) majoor 53 

Groot (H u g o d e) 95, 100 

Groot (Jan de) schilder. . . 64, 6$ 

Groot (M a r i k e de) 77 

Grootenhuys (Jan ten) 

schout 93, 96 

Grotenhuys (Johannes ten) 42 

G r O s s e r (operazanger) 186 

G r u n o w (operazanger) 191 

Gruterus (Petrus) 36 

G u h r (kapelmeester) 191 

Guichet (C. P.) 254 

Gunt her (Frederik) 106 

G u r i n i (operadirecteur) 255 

G u s t a a f A d o 1 f 34, S^, 37 

Guthmann (operazanger) i8g 

Gyrowitz (opera's van) 18$ 

Gysen (Margriete Albert) 127, 128 



mm 



«■■WH 



BLADWIJZER. OVER DEN JAARGANG 1887. 



H. 

Haan (J. Bierens de) 2, 3 

Haberkorn(Friedrich) ope- 

radirectenr 185, 186, 187, 258 

H a e c k (B a r e n d) 39 

Haeck (Machtcld) 39 

Haeck (Margriet) 39 

Haeck (Wouter) 39, 41, 43 

Haensbergen (Jan van) 

schilder 266 

*H a e r 1 e in (C. Cz. van) zie Co r- 
n e l i s z. « 

Haes (Cornelis de) 83 

Haes (Maerten) wapensmid.. 58 

H a 1 e V y (opera's van) 250, 254 

Hals (Dirk) 175.233 

Hals (Frans) 151, l6i, 162, 163, 

164, 165, 169, 170, 171, 173 

H a 1 y (F.) operazanger 253 

H a n (klokkenist) 140 

Handboogdoelen (lijst der schut- 
terstukken in de) 4 

H & n d e 1 (opera's van) 188 

Handkanon (oud) 58 

Hanstein (acteur) 185 

Hanswijk (Hans van) wapen- 
smid 5^ 

Haquette (Eduard) operadi- 
recteur 250 

Hardenberg(Lucretia van) 304 
Hardenbroeck(Antonyvan) 

. . 266, 267 

Haringh (Daniel) schilder . . 265 
Haringius (Jacobus) stud. 

te Amst 41 

Harmensz (Arent) wijnkoo- 

per 230 

Harmensz (IJsbrand) 8 

Hamassen 5^ 

Harnasmakers 56, 57 

Harsolte (Marya van) 30 

Hart, Oudegracht, Utrecht (huis 

ter) 43 

Hart (v a^n der) stads-architect. 182 
üart (Jan Jacobsz in 't)... 4 

Hartig (operazanger) 186 

Hartwig (operazangeres) 190 

Hasselaer (Dirk) 4, 9, 12, 

52, 53 
Hasselaer (Nicolaas) kapi- 
tein majoor 52, 53 

Hasselaer (P i e t e r) 3, 4, 5, 1 1, 20 
Hasselaer (Pieter) luitenant 162 
H a s s e 1 t-B art (van) opera- 
zangeres 26 1 

Haydn 188 

H e b e r t (operazanger) 250 

Hecke (Abraham van den) 

schilder 239 

H e d a (schilder) 164 

Heem (Jan de) schilderij ge- 
naamd de Rinse Roomer van... 69 
Heemskerk (Marten van) 

204, 206 
Heemskerk (schilderij enz. door) 

150. i5ï> 154 
Heermale (F 1 o r is)-. , . . 277, 278 
H e i n s i u s (Prof. D a n i e 1) 36, 

37, 38, 40, 42. 99. Ï08 
Heinsius (Nicolaas)... 41, 42 
Heinefetter (£va) operazan- 
geres 191 



Hellebaarden 55 

Helst (B. van der) portret van 

Vinckenbrinck 84 

Helst (van der) 172 

Hemony (Fran^ois) klokgie- 

tcr 132, 137, 138, 139, 140 

Hemony (Petrus) klokgieter . 140 
Hendriksz (Mr. Gerrit) the- 
saurier te Haarlem 162 

Hendricx (Hendrik) 7, 76 

Hendriksz (Jan) wapensmid. . 58 

Hendriksz (Willem) 7 

Hendriksz (Zweer) 72 

Hennsly(F.) 199 

Herk(Pieter) 19 

H e r o 1 d (opera's van) 249 

Herrm ann (operazangeres) .... 191 

Hertsbeek (van) 217 

Herweijer (Aper) 296 

H e s 8 e Sc h.a per (operazang- 

ger) 185 

H e u s d e n (kapitein Cornelis 

van) 52, 53 

Hey ekens (Jan) 13 

Heyden(Janvander) 85 

Hildebrand (operazanger) .... 187 
Hildebrand (de Hr. en Mevr.) 

operazangers 190 

Hilten (van) secretaris van den 

Prins 114 

Hoeck (Jan van) portret van . 2 

Hoedt en Bingley 193 

Hoeufft van Velzen (Jhr. 

Mr. H.) 9 

H o f f m a n (operazanger) 191 

H o f m a n, zie H o o f t m a n. 
Hofmeister (Carolina) ope- 
razangeres 186 

Hoinck (Jacob Gerritsz)3, 11 
Holbein (Hans) doodendans 

van 152 

Holsteyn (gegraveerd portret 

van Vinckenb rinckdoor P.) * 81 
Holsteyn (Pieter) graveur 82, 

85, 92 

Hommius 38 

Honaert (Rochus van den) 

Ï03» '09, iio, 121 

Hondi us (Hendrik) 149 

H o n k e 1 b o e r (Dirk) 19 

H o n o r é (operazanger) 252 

Honthorst (Gerard) schil- 
der 303 

Hoofien (M. J.) 196, 198 

Hooft 95, 96, 97, 98, 100, 104, 

108, II o, 112, 292 

Hooft (Jan Lucas z) 5 

Hooft (Pieter Cornelis z) 

portret van 22 

Hooftman (Andries) por- 
tret van 167, 172 

Hooftman (Zac ha r i as) 166, 

170, 171, 172 

Hoogh(P. de) 158 

Hoogstraten 158 

Horsevoort (Jacob van) or- 
ganist 139 

H o s s o n (M. F. de) 300 

Houbraken 263 

H o u c k (Mr. H.) 305 

Houtsteek- en beeldhouwkunst in 

de Nederlanden 73 

H o V e (van) actrice 244 



Hoven wed. van der Voort 

(M. van) 173 

H u b y (operazanger) 246 

Huis de looo-daelders 235 

Huis 't vergulde plooybertje 76 

Hulshout (Wouter) wijn- 

kooper 66 

Hulst (Frans de) 300 

H u n e r (operazanger) 254 

Hunnius (F. H.) operadirecteur 183 
H u n n i u s (Gebroeders) opera- 
zangers 183 

Hurteaux (operazanger) 244 

Hu ter 151 

Huybertsz (Andries) wa- 
pensmid 57 

Huygens (Constantijn) 38, 
39, 41, 42, 96, 97, 98, 99, 100, 
loi, 102, 103, 104, 107, 108, 
109, iio, III, 113,116,119,120, 
121, 122, 123, 214,275,276,278. 

282, seq. 
Huygens (Maurits) 292 



I, J, Y. 



I. W. onbekend auteur 147, 149 

acobsz (£ vert) 7 

a n de aanbeeldmaker (Mr.). ... 59 

anssen (Aleid) 308 

ansz (Andries) wapensmid.. 58 

ansz (Arent) smid 59 

ansz (t),o m 1 n i c u s) beeldsnij- 
der en zilverdrijver 168 

ans (Geertruyd) 232 

ansz (Gerrit) 145 

ansz (Jan) wapensmid 58 

ansz (Johannes) schilder. . . 300 
ansz (Joost) beeldsnijder .... 147 

ansz (Joost) 239 

ansz (Jurriaen) glazenma- 
ker .- 19 

ansz (Louw e) 308 

ansz (Michiel) teekening. ..154 
ansz (Mr. Willem) organist . 72 

b b e 1 e r (H e r k e) 218 

e 1 i s (B a r b a r a) 104 

e 1 1 o t (Peter) tapitsier 240 

n- und Kniphausen(Eva zu) 31 
^g^^ (Johannes) advocaat . . 105 

o a n n i s (operazanger) 250 

oblott (Nicolaas).... 265, 267 

yohannis Cabeljavii j. U, D. 
Epistolarum centuria prima. ... 37 
ohannes Paleologus (kei- 
zer) 154 

o 1 1 y (operazangeres) 250 

onckheyn (Simon Hen- 
dr i c k s z Verwer alias) kapi- 
tein.., 53 

ong (Frans de) schilder .... 65 

o n g (Gerrit de) 142 

ong (S. de) zangeres 196 

oodsch 'Hoogduitsch Tooneelge- 

zelschap 194, seq. 

o s e p h (operazanger) 244 

Y. o u n g (operazanger) 187 

' r m e z (H.) operazanger 189 

saac (Brensie) zangeres .... 196 
saacsz (Pieter) schilderij ... 4 
sabellaClaraEugenia.. 39 

taliaansche opera 196 

ttervoort 145 



VI 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1887. 



K. 

(ZiV ook C) 

K a i b e 1 (operazanger) 190 

K a i n (L e) operazanger, 179 

K a i n z (operazangeres) 186 

Kalff (Willem) schilder 165 

Kam (W. H.) 131 

Kampeneer (Annetie de) 

2&1, 291 
Kampeneer (Elis abeth de) 

281, 291 
Kampeneere (Paulus de) 

279, 280, 281,' 282 
Kampeneere (Sara de). ... 281 
Kanonnen (modellen van) .... 59, 60 
Kapel (Lieve Vrouwe) te Amers- 
foort 128, 129 

K a r e 1 I koning van Engeland 

(portret van) 163, 171, 173 

Karel IX 35 

K a u e r (opera*s van) 184, 185, 186, 197 
Kerchem (Hendrik Wil- 

lemsz Trom alias) kapitein. . 53 
Ketel (Cornelis) schilder 20, 

147, 150, 151 

Kettler (Goswinus) 31 

Kettler (Gotthard) 31 

K c t w ij c k (Mr. Gerard van). 236 
Key (Willem) schilderij van.. 153 
Keyzer (Hendrik de) beeld- 
houwer * 147 

Keyzer (Thomas de) schilder 

172, 298 
Key8ers(Kniertje, Cunera) 

portret van. 2 

K i e f e r (operazanger) 183 

Kieft (Cornelis IJ sbrantsz) 4 
Kieft (Jan IJ sbrantsz).... 4 
K i n n e mji, beelcfhouwer te Alk- 
maar 75 

Kinschot (Cornelia van).. 172 
Kistenmakers of meubelmakers 74, 75 

K 1 e i n h a u s (acteur) 185 

Klok- en geschutgieterij (stads)...' 59 
Klokkenspel van de L. Vr. toren 

IC Amersfoort 140 

K nelier (Godfried) schilder 71 

Knibbergen (S.) schilder 300 

K n i e p (operazanger) 183 

K n i e p (operazangeres) 183 

Koch (Bernard) 198 

Koningh(Philip) schilder 299, 300 
Koninck (Salomo n) schilder 

76, 297, 298, 299, 300 
Kool onjuist voor Grol (R u- 

d o 1 f V a n) 62 

Kooplieden (Barlaeus over de 

Amst.) 94, 96 

Kreutzer (opera's van) 187, 197, 

243, 247, 248 

Kr OW (operazanger) 189, 190 

Kruithoorns 59 

K a h n 1 e (operazanger) 192 

Kunst (Cornelis) 50 

K u n t z (operazangeres) 244 

L. 

Laan (Alit Nicolaesdr. 

van der) 15 

Laborde te Parijs, pistolenmaker 59 



L a c o n i (operadirecteur) 260 

L a c o s t e (operazanger) 248 

L a f r e n z (operazangeres) 191 

Lagardere ftooneelspeler) .... 247 

Lambertsz(Jan) smid 59 

Lampsonius 148 

Lange (de) 144 

Lange (Louis e) operazange- 
res 184 

Lastman (Claes) 21 

Lastman (Pieter) schilder 

21, 236 

L a u d i (operadirecteur) 259 

L a u r e (operazangeres) 250 

Lavergne (C.) operadirecteur.. 254 

L a V i g n e (operazanger) 248 

L a V i n i u s ( J o a n n e s) 35 

L e b e 1 (operazanger) 252 

Lebrun (opera van) 197 

Ledenberch (Gilles van) 

278, 282 

L e e f s o n (operazangeres) 198 

Leest (Maria van) 34 

Leeuw (Hendrik de) huis- 

timmerman 78 

Lehman (Carolina) opera- 
zangeres 194 

Leisring (Angelica) opera- 
zangeres 189 

Leisring (Natonie) opera- 
zangeres 1 89 

L e m a i r e (operazangeres) 247 

Lemens (Cornelia van).... 167 

Lemker (Frans) 296 

L e m k e r (Mr. Frans) 296 

Lemker (Mevr. de Wed. Mr. F.) 

295. 296, 299, 303, 304, 305, 308 
L e m o i n n e (tooneelspeler) 243, 252 

Lenartsz (Nicasius) 137 

Len s (Hendr ik) 5, 12 

Leonardi (operazanger) 254 

L e s c h e r (operazangeres) 248 

Lesire Garlaszoon (Au- 
gust ij n) schilder 46, 47 

Lesire (Claes) schilder . . . 46, 47 
Lesire (Paulus) schilder. 45, seq . 

Lessing 184 

Leur alias Capt. Spelt (N i- 

colaes van de) kapitein .... 53 
Leyden(Aertgen van) schil- 

der 147 

Leyden (Aertgenvan) tec- 

kening van 151 

Leyden (Lucas van) schilder 

148, 151, 153 
Leyden (Lucas van) kunst- 
boek 217, 225 

Leyden (Lucas van) schil- 
derij V laatste oordeel van 72 

L e y e 1 (W i 1 1 e m) van Kopen- , 

haven 57 

Llberati (operazanger) 185 

L i b o 1 1 e (^H.) geweermaker te 

Amst 58 

Lichtenbergs (Aleyt) 202 

Lichtenberg (Anna van).. 202 

Lichtenbergs (Claes) 202 

Lichtenbergs (Femme).... 202 
Lichtenberg (Gerritvan) 202 
Lichtenberch (Mechteld 
van) zie B o e c o p. 

L i e f f r i n c k plaatsnijder 153 

Liefhebberij tooneelgezelschappen 179 



L ier (Sc hoe m an en van). . . 193 

Lier (teekening van) 151 

Lievens 172 

Lievensz(Jan) 51 

L i p p e (graaf v a n d e r) 72 

Lion (1" rancois) muzikant. . . 1 78 

L i o n (M a j a) operazanger 256 

Litterarum Amicorum Series J. Ca- 

beljavii. 38 

L o b é (operazangeres) 244, 246 

Lockhorst (Pieter Wou- 

terszvan) 137 

Lodewijk NapoleSn 246, 

257, 258 

L o e n (Rftetsheer) 146 

Lombardus(L amber t) schil- 
der 148 

L o o (van) 63 

Loon (Hans van) portret van 

3, 10, 16 

Loon (Lieven van) 10 

Loon ( Jhr. W. van) 3, 10, 14 

Looten (Jan) schilder 233 

Lubbertus (S anderus).... 36 
Lucasz (Jacob) luitenant. ... 19 

Lucas (operazangeres) 183 

Luce (Lucas) schilder. 213 

Lutma (Johannes) goudsmid 31 1 

Lutma (Joost) zilversmid 311 

Luttichuys (Simon) schil- 
derij van 82 

Lnytsz (Nicolaas) kapitein- 
majoor 52, 53 

Lijnderhuysen (Johannes) 36 
Lijnslager (Philip Frede- 

r i k) dichter I79 

Lyraeus(Justus) 40 

M. 

M acaré (Abra ham) 167 

Machiavelli 100 

M a e 1 e r (E r n s t) 205, 206 

Maes (Nicolaas) schilder. . . . 305 
Mager (V.) operazanger 189, 190, 

191, 192 
Magistris (Troyanus de) 

advocaat 214, 231 

M a ij e r (operazanger) 189 

M a n c u s i (operazanger) 260 

Mander (Karel van) schil- 
derij enz. van 150, 152 

Manege in de Utrechtschc dwars- 
straat 180 

M a n s c h o t (v a n) 266 

Mararacchi (operazanger) .... 261 

M a r a s c h i (operazangeres) 261 

Marcke (C. van) 39 

Margaillon (operazanger) .... 250 
M a r i c h a 1, microscopenmaker te 

Londen 7^ 

%Iarienburg (Hendrina)... 304 

M a r n e f f e (operazangeres) 252 

Harschner (opera's van) 191 

Martelaer(Dirk Theunisz.) 17 
M a r t e n (hupsche) teekening.. . . 151 
Marteni (Maria) operazan- 
geres 256 

Mart ensz (Albert) I54 

Martin (opera's van) i^A 

Martin (operazanger) 244 

Martini (opera van) I97 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1887. 



VII 



Martsz de Jonge (schilderij 

van Jan) 81 

Martsz fReyer) smid 59 

Marqnette (wapenkamer van 't huis) 56 

M a 1 1 a c ( J.) 244 

Massu(Garsonde) 19 

Mathenesse (Anna van)... loa 
Matthaeus(Antonius). 40, 99 

M a 1 1 h e y (operazangeres) 259 

Maubuis 152 

M a u r i t s (borstbeeld van) 309 

M a u rit s (Prins) 277, 279, 280 

Mayerhofer (operazangeres) . . 1 85 

M a z i a (operazanger) 258 

Meckenen(Iraelvan) 154 

Meetkercken (A dolf van). 34 
Me hal (opera's van) 186, 197, 

243, 24S, 248 

M e 1 i c h i u s 35 

Mennigeshave bij den Ham 25 

Merca^dante (opera's van) 260, 262 
Alercator sapiens ( Casparis Barlaei) 96 
Merckt|,(Jacob vander) por- 
tret van 173 

Merken van Solingsche degens 54, 55 
Merken van wapenrustingen.. 52, 53 
M e s r i t z (C. H. v o n) zangeres 

196, 199 

Methorst (Mr. E.) 141 

M e t i u s 38 

Meulen (vander) portretschil- 
der 71 

M e y e 1 (operangeres) 1 83 

Meyerbeer (opera's van) 189, 

249, 250, 251 

Meyn (Jan Gerrits z) 4 

Miarteni (Nicolo) operadi- 
recteur 255, 256 

Micolino (operazangeres), 192 

Miereveld (schilder) 17, 303 

Milanollo (dames) vioolspeel- 
sters 259 

Miller (Julius) operazanger 

en directeur 186, 187, 189, 192 

Mo eyaert (Cl aes) schilderij van 64 
M o i n e (L e) opera's van 197, 

243, 248 
Molenaer (Bartholomeus) 

schilderij van 64 

Molenaer (Bartholomeus) 

schilder 300 

Molen&er (J&i^ Miense) 

schilder 300 

Molenaer (Klaes) schilder. . . 300 

Molenyser (Fran9ois) 62 

Molière 248 

Molino III, 114 

M o 1 1 e r (opera^s van) 186 



M ö 1 1 e r (operazangeres) 183 

M o 1 y n (P.J schilder 164 

Mom (Jan) 137 

Mommers (Hendrik) schil- 
der 300 

M o ra p e r (teekening van) 152 

Moncassin (operazangeres). . . . 248 

Mondevill^ (operazanger) .... 248 

M o n n i c kh o f f e n (kolonel) ... 34 

M ö n s (opérazanger) 1 84 

M o n t SII1 o (operazangeres) 248 

Mont.'éverde 177 

Mont^reuil (operazanger) 252 

M o niie 1 (opera's van) 243 

Morejelse (Paul),. 10, 11, 16, 17 

k 

\ 
1 



Morel rtooneelspeler) 247 

Morin (operazanger) 244 

Mornay (PhilippeduPlessis) 279 

Moro (Antonio) schilder 148 

Moro (Antony) schilderij van. 64 

Mory (de) 109 

M o s c a (opera's van) 256 

Mostaert 105 

Most er t (den ouden) schilder.. 150 

Mouchelet (operazanger) 252 

Mouchelet (£.) operazanger.. 253 
Moulinneu f (tooneelspeler) 243, 

244, 246, 248, 250 
M o u 1 i n s (orchestdirecteur) .... 252 
Mozart (opera's van) 181, 183, 
184, 185, 186, 187, 188, 190, 191, 
192, 194, 195, 197,198,245,248, 

256, 257, 258, 262 

M u l h e i m ^E.) zanger 196, 198 

M u 1 h e i m (G.) zangeres 196 

Muller (Catal. van Portr. F.). . . 48 

Muller (Jan) 66 

Muller fjulius) operazanger. 259 
Muller (Marie) operazangeres 194 
Muller (Wen zei) opera van.. 197 

Muziekinstrumenten (Oude^ 61 

Myle (Adriaan van aer)... 105 
Myle (Arnold van der).... loi 
Myle (Cornelis van der) 94, 
105, 107, iio, 112, 113, 114, 

117, 122, 124 

M y n s s e n ( J. G.) 244 

Mytens (Daniel) schilder.... 229 
M y t e n s (schiMSrijen van) 274 

N. 

N a c h o n (operadirecteur^ 245 

Nach tgl as(J ac ob Pietersz) 13 
Nagel (Johannes) schilder . . 148 

Nagel (operazanger) 191 

Narr(Claus) 280 

Nazolini (opera's van) 257 

Neck Corneli8z(Pieter van) 

kapitein 4, 19, 53 

Neer (vander) schilder 233 

Nee»se(C. G.) 184 

Nes (Frans van) 19 

Nes (Hans van) 19 

Nes (Jasper van) 19 

N e s t r o y (operazanger) 187 

Netscher (Alexander) 264, 

265, 266, 270, 274 
Netscher (Alexandria)... 264 
Netscher (Antonie) 264, 266, 274 
Netscher Jr. (Gaspar) 264, 

265, 267 
Netscher (Gaspar) schilder 

263, seq. 
Netscher (Gonstant ij n) schil- 
der 264, 265, 266, 267, 274 

Netscher (E ve rhardus)264, 

265, 266 
Netscher (Isabelle Ama- 
rant e) 264, 26S, 266, 274 

Netscher (Johannes) 264, 

265, 266 
Netscher (J uliana) 264, 265, 

266, 274 
Netscher (Rachel) 264, 265, 

266, 274 
Netscher (Theodorus) schil- 
der 264, 265, 266, 267 274 



Neumeyer (operazanger) 186 

Neureuther (operazangeres) . . 192 

Neve(Francoi8de) 4 

Neyts (Toussaint) opera's 

van 1 79 

Nicasius (Lenart). 131, 133, 134 

N i c o 1 o (opera's v.an) 248 

Niendalius (Johannes)... 95 
Nïeuwland (Adriaen van). 21 
Nieuwland(Jacobvan)... 5 

N i e u l a n t (schilderij van) 81 

Nister s (Andr ies) 1^2 

N o o m s (capitein S i m o n W i 1- 

l e m s z). . . . ^ 4 

N o o t e n (S. V a n^ \ 162 

N o o r d t (P. van) schilder 300 

N OU e 1 1 e (Pierre) meester- 
knecht harnasmaker 57 

Nourrit (August e) 249 

N o u r r i t (operazanger) 190 

Noyrigat (operazanger) 248 

Nuckle bij Bremen (landgoed) 39, 41 

Nu te r (Lu d wig) 178 

Nypoo rt (Jo an nes V ander) 40 

O. 

i z e 1 i u s (J a c o b u s) 43 

1 i s ( J a n^ schilder 47 

1 i s (Jan) schilderij van 64 

Olivier asaac) schilder. 148, 152 

01 th off (Herman) majoor 53, 54 

Olycan (Nicolaas) 170 

Ommeren (Henrick van) 

137, 138. 139, 140 
Onderwateren.) 49 

Onderwater (Pieter) 49 

Ooms (S i m o n 1 s) 305 

Oosterwyck (Maria van) 

schilderes 300 

Oost-Friesland (Prins en Prinses) 

Portret v^n 271 

Opera te Amsterdam (de)... 177, seq. 

Opera ( Hoogduitsche) 181 

Operaloods in de Diemermeer. ... 178 
Operatent aan de Bergervaarders- 

kamer 178 

Operatent aan den Overtoomschen 

weg 178 

Operavoorstellingen te Buiksloot. . 178 
Oranje (princes van) portret van.. 271 
Osborn (Gonstantijn) ba- 

leinverkoopcr 311 

Osborn (John) baleinwerker 

309, seq. 
Osborn (Richard) baleinwer- 
ker 310 

Ostade (Adriaen van) schil- 
der 65 

1 1 o (operazanger) 191 

Oudshoorn (£ woud Glaesz 

van) 220 

Outerff (Henrick van).... 137 
Over den sesden Psalm door Po- 

lyander 38 

Overbeke 151,154 

Overbeke (Gatharina) loi 

Overbeke (Matthias). 101,105 
Overlander(Volckert)... 13 
O X e n s t i e r n a (A X e 1) . . . . 37, 38 
Oxenstiern (Johannes) 102, 

104, iio, 125 



^^^^9P 



vni 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1887. 



P. 

Paer (opera's van) 186, 187,197, 258 
Paesiello (opera's van) 179, 196, 

197, 243, 255 

Pae ts 105 

Paets (Adriaen) 222 

Palamedesz (schilder) 234 

P a 1 m a (teekening van) 151 

P a 1 1 o n i (operazanger) 261 

Paludanus (Dr. Bernhard) 

portret van 171 

P a m p i s (Mr. P i e t e r) clave- 

cimbelmaker 72 

Pa ncrat (Gerbrand) 42 

P a p p e 1 (operazanger) 183, 185 

Pappenheim 98 

Parmensis 152, 154 

Pathenine zie Trello(Lu- 

cretia van) 

P a s q u é (operazanger) 194 

Patenier (Joachim) 153 

Paul ij n (H oratio s) schilder 

175» 176 
Pauw, pensionaris van Amsterdam 152 

P a V e s i (operazanger) 262 

P a y e r (H.) kapelmeester 189 

Pen asse (G asp ar) 31 

P e r r o n i (Mevr.) operazangeres. 258 

P e r s i a n i (operazangeres) 262 

Pers ij n (Nicolaas van).... 296 
Pers ij n (Clara van) 277. 278, 282 
P e r s ij n (wed. van den Raadsheer) 

49, 50 

Pertisanen 55 

Pescarengis (Cosmo de).. 33 

P e t i p a (operazangeres) 252 

Pfeiffer (F. J.) decoratieschilder 

182, 186 

Philidor (opera van) 196 

Philippe (physicien) 259 

P i c a r d (opera's van) 245 

Picasso(Antonio) operazanger 261 

P i c c i n i (opera's van) 183, 248 

Pieken of speren 55 

P i e n e m a n (kunstschilder) ... 5, 60 
Pier (dt Jonge) schilderij van . . 150 

Pier (Lange) keuken van 150 

Pietersz (Aert) schilder 4, 7, 

9, 18, 19, 20 
Pietersz (Aert) schilderij van 64 
Pietersz (Cornelis) wapen- 
smid 57, 58 

Pietersz(Jacob) 146 

Pietersz (L amber t) 8 

Pietersz alias jonge lange Fier 

(P i e t e r) schilder 17 

P i 11 w i t z (operazanger) 188 

P i 1 o 1 1 i operazanger 178 

Pinas (Annetge Simons)... 236 
Pinas (Jan) schilder 172, 234, 

235, 236, 238 

Pinas (schilderij van) 81 

P i s c h e k (operazanger) 194 

Pistolen 59 

Pistor te Smalkaldcn (T. W.) 

geweermaker 58 

P 1 a n c q u e (operazanger) 253 

Ploos vanAmstel (kunstkooper) 84 

Ploos 112, 114 

Plujrm (Dominicus van der) 222 
P 1 u y m p o t (P e t r o n e 1 1 a) . . . , 34 
Podt (Cierrit Gerritsz) 304 



Poel (Egbert vander) schilder 300 
Poclenburg (schilderij van) . . 81 

Poemata Barlaei 94 

P o 1 i a nd e r (portret van) 150 

Polyander 38 

Polidamas (beeldhouwer) 148 

Polidorus 152 

Poll (Jhr. J. S. R. V a n d e) 9 

Ponchard (operazangeres) 250 

Ponsen (Neeltgen) 221, 222 

Pontanus (Isaac) 37, '38 

Pontanus (Prof. Johannes 

Isacius) 4i> 94i 99 

Ponteves (H.) 244 

Poppen (luitenant J a c o b) . . . . 4 

Porcellis (schilderij van) 154 

Porcellis (schilder) 22I 

Portland (graaf van) portret van 271 
Portretten (F. M u 1 1 e r Catal, van) 48 
Portugal (princes van) portret van 271 
Pot (Claes Hendriks z) ser- 
geant 5, 162 

Pot (Hendrik Gerritsz) 

schilder 161, seq. 

Pot alias Oostindie-P o t, schilder 166 

Pon (Steven de) 47 

Praag (van) zangeres 200 

P r a e g e r (E. A.) zangeres 196 

P r a e g e r Jr. (H.) orchestdirecteur 196 
Praeger fj.) orchestdirecteur.. 196 

P r a e g e r (O. ) operazanger 199 

P r a d h i e r (operazangeres) 250 

Preekstoel in de Ni^we Kerk te 

Amst 75. 82, 84 

Preekstoel (Afbeelding van die) . . 85 
Pretti-Chaix (operazangeres) . . 254 

Princenhof te Haarlem 164 

Prins (BarentWillemsz).. 5 
Pucitta (Agnese) operazan- 
geres 256 

Pucitta (Vincenzo) kapel- 
meester •. . . 256 

Pucitta (opera's van) 256 

Puteanns (Erycius)... 100, 114 
Puteanus (Justus Caeci- 

lius) 37, 38 

Puth (Jan Jansz) 224 

Q. 

Quyckelbergh (Susanna). 34 
Quellien (buste van) 16 

R. 

R a a V e n s (de heer) te Rotterdam 69 

Racine 249 

R a e p (capiteiu Adriaen Pie- 

te rsz.) 4 

R a e p (W illem Adriaen z.). 5 
Rafael (prent van) 151, 152,153, 154 
Rahnenberg (operadirecteur). . . 193 
Raimondi (Marcus Ant.) 153, 154 

Rasé (Jacques) 7 

Ra vel (de hr. en mevr.) 193 

Ravenna (Marcus de) 153 

Ravenstein (Arnoldusvan) 267 
Ravestein (Johannes van) 

schilder 303 

Ravenstein (schilderij van). . . 267 
Razet zie Rasé (Jacques) 

notaris 
Reael 104, 105 



Reael (portret van) 150 

Regnault (operazangeres) 244 

Reichenstein (operadirecteur) 250 
Rembrandt 51, 149, 176, 212, 

seq. 236, 238, 299, 303 

R e m b r a n t Anatomische les 16 

Rembrandts verwanten (ge- 

slachtslijst) 228 

R em me r s (Aren t) 7 

René (Eugene) operazanger en 

directeur 250, 251, 252, 259 

René (Isma) operazangeres 252 

Rhijn(Adriaen van) 218,219, 

220, 221, 222, 223, 224 
Rhijn (Cornelia van) 225,226, 227 
Rhijn (Elizabeth van) 220, 

221, 222, 223, 224 
Rhijn (Gerrit van of^'an 

den) 219 

Rhijn (H armen Gerritsz. 
van of van den) 219, 220, 

223, 224 

Rhijn (Titus van) 225, 226 

R h ij n (W i 1 1 e m V a n) 218, 220, 

222, 223, 224 

R ie ei (opera van) 260 

Ricciardi (operazanger) 261 

Richterenvon Isenau (opera- 
zangeres) ..: 194 

Ritzler (operazangeres) 187, 188 

Rivetus (Andreas) 38, 39, 40 

Rocca (operazanger) 260 

Roche (operazanger) 250 

Roche (operazangeres) 250 

Rochel (operazanger) 186 

Rodenburg (Har men) kapitein. 53 
Rodenburg d'oude (Herman) 

kapitein ♦. 53 

Roder (J. C.) boek- en inuziek- 

handelaar 196, 197 

Rodes (Johannes de) 62 

Rodriges (Salvador) 215 

Roeder (Ferd.) operadirecteur... 192 
Roelandus (Dominé) portret van 8 

Roest (Claes) wapensmid 58 

Roghman (Roeland) schilder.. 300 
R o m a n i (Mevr. S i m o n) opera- 
zangeres 194 

Boobol(Symon Crynsz) kapi- 
tein 53 

Roodenburgh (Jan Beths)... 63 

Rooseboom (portret van) £71 

Ros (Daem van) kapitein 53 

Rosé (operazanger) 253 

Ros^Jly (Gram mond de) too- 

neelspeler 242 

Rosenberg (acteur) 185 

Rosner (operazanger)... 181, 189, 190 

Rossem (Maarten van) 132. 

Rossi operazanger 262 

Rossi-Caccia (operazangeres; 

260, 261 

Rossi (Gaetano) 256 

Bost in i (opera's van) 186, 187, 

188, 19Ó, 191, 248, 249, 258, 260, 262 
Rot ter ham er (teekeningen van). 151 
Rotteveel (Adriaen Jansz.).. 50 

Rous (schilder) 152, 153 

Royenburch (Frederi k).. . . 209 

Rubbens 170, 209 

Rubbens (schilderij van) 150 

Rubbens (schilderij van) Leauder 
en Hero 214 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1887. 



IX 



R u b b i (L a i c i) operazanger 256, 257 
Ruitenburch (Cornelia 

van den) 31 

Ruse (Hendrik) kapitein 53 

Rustan (I.) 10 

Ratten (J.) kunstschilder 158 

Ruychaver (Anna) portret 

yan 3, 10 

Rujchaver (Maarten Wil- 

lemsz) 15 

Ruychaver (C oionel Nico- 

laas) portret van 14 

Ruychaver (Nicolaas) raads- 
heer 15 

Ruys (Clement Leenertsz) 

221, 223 
Ruysch Adriaansz (Jan) 

144, 145, 146 
Ruysch van Pijlsweert 

(Johan) « 146 

Ruysdael (Salomon) schilder. 164 
Ruyter (Admiraal de) har- 

nas van 54 

R ij s w ij c k (Dirk van) paarle- 
moerwerker 84 

S. 

Sabé (Lucretia) 304 

Sabé (Pieter) 304 

Sabé (Quirinus) 304 

Sacchini (Opera's van) 248 

Sacconi (Angel a) Operazan- 
geres 256 

Sacconi (L o renzo) operazan- 
ger 256 

Sadler (G.) 151, 153 

Sa int val (tooneelspeelster) 242 

Salieri (Opera's van). 184, 186, 197 

Salmasius 38, 43 

Samson (Operazanger) 252 

Sambix (Felix V an) 8 

San se (Operadirecteur) 253 

Santen. (Frederik Willemsz van) 

277, 281 
San t V ee r (Alber t Jacobsz) 

49. 50 
S an t voor t (F ie t e r Dirksz) 7 

S a n t w ij ck 145 

Saravia (Prof. Adrianus) 

33. 34 
Sas sa (Operazangeres) 259 

Savery. (Schilder) 164 

Savry (Jacob) plaatsnijder 153 

Savry (Roelant) schilder 149, 

151, 152, 300 

Sawijer (E.) 182 

Schaack (Dr. Henrick van) 

ï37i 139» 140 
S c h a e p. (Handschrift van) 3, 4, 

7» II, IS 
Schagen (Wed. Jac. van) 234 

Schagen (Willem van) Heer 

van Burghoorn 102 

Schaicken (G od f r ie d) schilder 

302, 305 
Sch ellinger 154 

Schéllinger Cornelis) 13 

Schellingh (Pieter Sijmonsz 

van der) 13 

Schemelser (Yr.) operazanger... 253 

Schepel (Dirck CUesz) 13 

Schiele (operazanger) 187 



Schild (Albert Gerbrandsz) 

provoost 5 

Schilden 56 

Schimmel (Gerrit) wapen- 
smid 57, 58 

Schimmel (Jacob) wapensmid. 58 
Schirmer (Albert) muziekdi- 
recteur 186 

Schirmer (de Heer en Mevrouw) 

operazangers 186, 187 

Scnirmer (Charlotte; ope- 
razangeres 186, 187, 189 

Schlegel (operazanger) 183 

Schmidtgen (operazangeres). . . 192 
Schmiedicke (operazanger).... 191 

Sch oema n en van L i er 193 

Schon (Marten) 152 

Scho n aeus 151 

SchOnberger Marconi (ope- 
razangeres) 188 

Schonck (Danie 1)... lOi, 105. 114 

SchOnitz (operazanger) 183 

SchO'nmann (operazangeres).. . . 185 
Schoonhoven (Jan van) car- 

meliet 128 

Schooten (Joris van) schilder 

zie Verschoten. 
Schoterbosch (Bregjevan) 

9. 10 
Schouten (H. P.) teekenaar.... 85 

Schrevelius. 38, 112, 149, 

150. 151 
Schrijver (Philip Thijsz.) 4 

Schubauer (Operas van) 183 

Sch uer m ans 154 

Schurman (Anna Maria van) 

48, 102, 103, 107, 115, 119 

Schutterij. (Over de Vaandrigs bij de) 5 
Schutterstuk van schutters met 

doelroers 14 

Schutterstukken in de Handboog 

doelen (lijst der) 4 

Schuttersvaandels 60, 61 

Schatz (de Hr. en Mevr.) opera- 
zangers '. 186, 187, 190 

S c hu u r m ans (Mar i a) 10 

Schuylenburg (Johan van) 

muzikant 178 

Schuylincx (Daniel) wapen- 
smid 58 

Schwachhofer (operazangers) 183 

Schwartz (Paul) zendeling.... 255 

Schweitzer (operazanger) 188 

Schijndel (Jelis van) 231 

Scorel (schilderij van) 149, 151 

Scorel (Jan van).... 204, 206, 209 

S er i V er iu s 151 

Scriverius (portret van) 171 

Secretarisplaats (verkoopsom van 

een) 69 

Seidler (operazangeres) 192 

Se lm er (operazangeres) 244 

Sesselman (operazanger; 192 

Setje (A. L.) zanger 196 

Se ullij n s (He ndr ik) 5 

Siebert (operazanger) 191 

Sigrist 182 

Simons (Trowest) wapcn- 

snijder 311 

Simonsz (Willem) 4 

Sladus (Marcellus) 36 

Sladus 38 

Slednisky (portret van kolonel) 271 



Smits 125 

Snoek (Andries) acteur 180 

Snoek (Helen a) actrice 180 

Soest (Hendri k V an) 33 

Solangre (portret van) 271 

Soligni (operazanger) 242 

Solms (Amalia van) 309 

Sons (zanger) 200 

Someren (Ber nar d van),.... 213 

Soop (Floris) 52 

Soop Hendriksz(Jan) 53 

Soop Jansz. (Jan) Kapitein. 52, 53 
Spelt (Nicolaas van de Leur 

alias Kaptein) 53 

Speren of Pieken 55 

Spiegel (Outger Pietersz). 19 

Spinhuissteeg 93 

Sp liet hof 182 

Splinter (schilder) 238 

Splitgerber (Collectie) 85 

Spitgerber (David) 182, 185 

Splitgerber (D. C.) 193 

S p o h r (Operas van) 186, 188, 189, 190 

Spontini (operas van) 186, 192 

Sponton (of halve piek). 55 

S praeckel (Jurriaen) hologemaker 139 

Sprong (Willem) kapitein 53 

Stadnitski (P. C.) 254 

Stadssoldaten 52 

Stager (operazanger) 191 

Steen winkel 195 

Steenwyck ( Juffr. van) schilde- 
res 81 

Stefanini (Matte o) opera- 
zanger 256, 257 

Steger (operazanger) 194 

Stehle (Mathilde) operazan- 
geres 190 

S t e i n e r t (operazangeres) 187 

S t eino V en (H endr ik) 7 

Steinsberg (C. R.) operadi- 
recteur 184 

Sterndorf(Ottilie) operazan- 
geres 194 

Stevens (operazangeres) 250 

Stizzoni (operazangeres) 260 

Stoetz (operazangeres) 250 

Stoffels (He ndrikj e).. 225,226 
Stoll (Franz) operadirecteur... 192 
S t o 1 1 geb. B O h m (operazange- 
res) 190, 191 

Strada (Octavianus) 154 

Straten (Jac o bus van der) 99 

Straeten (Jan van) 146 

Stransky (operazangeres) 254 

Strelitsky (J.) 250 

Strelitsky. (L.) orchestmecster. 250 
Strinasacchu ( Ambrogeiti.) ope- 
razangeres 257 

Struyvenberg. (Barthole- 

m^us van) 141 

Studentenleven te Leiden 1619.... 35 

Stomer (operazanger) 187 

Stuurman (Barend) wijn- 

kooper 

Sussmayer (operas van) 

186, 197 

Sutton (Artur) 311 

Suyderhoeff, (plaatsnijder) 165, 172 
Suythoff. (Cornelis) schil- 
der 227 

Suythoff. (Hendrik) 227 

Suythoff. (Remb randt) 227 



X BLADW 

Swaab (L. S.) lanEe' 196 

S w a e n (5 i mo n) majoor, 53 

Swaen (Sim on) kapitein 53 

SwancDbnreh (Coriiclis)... 36 
SwBnenbiireii (Isaac CUesi 

van) schilder 154 

Swart an TanGroiÜDECQ (Schil- 
derij eni. ïflöl.... 150, 151, 15a, 153 
Swelinck (Ur. Dirltjansi) 

organist 72 

Swelinck (Geirit Pietcrsi) 
schilderij 4, 11, 19 

T. 

Talma (Acteur) 144 

Tamburini (operaiauger) 262 

Tay (operaiangeres) 148 

Tcbaldi (Eugenia) opern- 

zangeres 161 

Tengnagel (Jouker J acab)... 41 
Tenguagel (Jan) schilderij ... 4 
Teniers (schilderij van David) 81 

Terneaui (operazangeres) 148 

TerwesCen (schilderij van) 269 

Terwcsteo (August) schilder 159 

Tesselïchade 276, 292 

TejlingenSr.(Aaguslijn van) 

portret van 150 

Teylingenjr. (Augustijn van) 

T e y 1 i n g e r' (M ar ia' va n)"ii^r- 

t«< van ISO 

Thalberg (pianist) 253 

Theater in de Amstclstrant 182 

Theatre francais op de Er wte markt 

242, 243 

Théatre des Variétés (Grand) 193 

Tbeodore (operajin^er) 250 

Theunisi (Arcu) 19 

Thibauld (regis* cur) 246 

Thibeaud (operazanger) 254 

Thirii of Theodorici (Lea- 

nardui) 153 

Tholingh (Dirk) 13 

ThoUnB(Heodric) 7 

Thomaczek (opera2int'«r 194 

Thysias .. 3S 

Thijsi (Christoftel) 215,216, 217 
Till (Willem Hermansi 

van) smid 135 

Titiaan (schilderij van) 151, 153, 

267, 271 

Tivoli (Theater) 199 

TjaertsMJ"") w:,,,e„smid.. 5» 

Tobie (operaianperes) 244. 246 

TollinB(AUctu») 3°» 

Tolliug (Altelus) kinderen van 308 
Tombeau of Tom boy (Fran- 

fois) muEikant ■.• 17^ 

Tooneelgcielschappen Ie Amster- 
dam (Liefhebberij) 179. 180 

Tooneelscholea 199. ï*** 

Toteo (Lieve Vrouwe) te Amers- 
foort 127 seq. 

Touring (Martin) operadirec- 

tenr 249 

Treek (Jan Hendricksz) 

herbergier 233 

Treek O»» J»nïi) «•'ildor- 232 
Treilo (Barbara de) 277,281, 282 

Trello (Charles de) 275 seq. 

Treilo (Lucretia de).... 275 seq. 



IJZER OVERDENJAARGANG1887. 

Treilo (Sara Adrianade) Vereist 

277, 181 Ver hoe 
Trello (Walburch de) 277, 

281, 283 Ver kol 
Trenso (Vittotio) kapelmeester 256 Verseh 

Triglandius ^& V^rinr 

Triumfhui fidtrati Bilgi 1 

Trom aliasKercliemiHendrik. 

Willerasi) kapitein 

Tromp (Maerten Hntper.si) 

portret van 165. 1 

Truchsess vod Reinfelden 

(Joseph) 2 

7» n'aura pJt de moy tan tiferanti 
Tulp (Ds. Nicolaas) portre 






:, 5. 7. 



u. 

Uria (Franfois de) 

Uytenbogaert 9S> ' 

Ur(cwael (Joachim) schilder 1 

Uyl(Arent Jan.i) 2 

Uylde Jonge (Jan J a n s z. 

den) lehilder 232, 2 

Uyl (Janjanszden) schilder 

214, 229 E< 
Uylenborch (Geirit van) 

schilder 2 

Uylenborch (Hendrik van) 

schilder 2 

Uylenbnrg (Saskia van) 

Uyttenbrouck .' ! 



van) 



V. 

Valekenaer (Jan).. 
Valckenburg (Lu 

teekening 

Valckert (Warner van de 

schilder 2C 

TaUoogli (Dirk Adriaensi 
Valdor (Gille) meesterknecli 



.Ikenburg (Th.) schilder. 



en (Ja 



rr).. 



iimon) Bloemschïldur 
n(cabinetvaD Pastoor) 

(Mr. Johanne's;...! ': 



ipronckfCorncl 

risz) schilder 

itappen (Pieter 
ileegh (Goveri Ja 

logem ■ 



.bsz) 



egh (JacobStevensz) 

horWcmiker 

Verstegen (Hendrik) horlo- 

Tervoort (joh aanes) schilder 

te Antwerpen 

VerwerQan Gerrilsi) 

Verwer alias Jonckheyn 
■■ ■ iksz.) kapi. 






18S, 1 






Vico(Aenea) > 

ViBnola(op<:t=7.angcr) 2 

Vigny (Elias) = 

Villa Ramos, (operaiangeresi- 2 

Villcaoius (Bonaventura) 1 

Vinck (Capitein Egbert)..,. 4, 
Vinck (Jacob J acobaz.)..... 
Vinck (Pieier EgbcrtsuS, 
Vinckenbtinck (beeldhouw- 
werken van) 78, 79. 88 s 

Vinckenbrinck door van 

der Helst (Portret van) 

Vinckenbrinck (Albert 

Jansi,) beeldhouwer 73. »' 

Vinckenbrinck (Abraham) 

beeldhouwer 77. 78, 

Vinckenbrinck [Claertje) 

Vinckenbrinck (Cornelia) 

77. 

Vinckenbrinck (Dirk)boek- 



beeldhouwi 



ck (Francijn) 
ck tGoris)76. 
ck (Hendrik) 



ck (Ja 
ck (Ja 



. 77.; 



. , --■ (de) Noord-Puolvaardcr.... 18 
Velde (Adriaen van de)schil- 

Velde v^sajai van de) stof- 
(eering van ïyi, '5^ 

Velde (Esaias van de) schil- 
der 149. '64 



rijen van 

Vendr^ bij de schutterij (over de) 
Venne (Adriaen van de) 167, 2 

Vtnui Cimirictt van Barlaens i 

Verdi(aperat van) 160, 2 

Verdeel (Adriaen) schilder. 
Verdonk (HuyberI) 2 



b e r t s) kisteumaker. 
Vinckenbrinck (Jan Jansi) 
Vinckenbrinck (Johannes) 

beeldsnijdersgeiel 77. 7". 

Vinckenbrinck (Marrelje) 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1887. 



Vogelaer (Isa beau) 290 

Vogt (operazanger) 190 

Voizel (operadirecteur) 245 

Vollenhove (geslachtlijstje) .... 295 
Vollenhove (Arnold) 295, 

296, 302 
Vollenhoven (B. van)... 298, 299 
Vollenhove (Bernhard) 

schilder 295, seq. 

Vollenhove (Gesina Catha- 

rina) 296, 300 

Vollenhoven (Herman van) 299 

Vollen-Hove (J. van) 299 

Vollen-Hove (Johannes).. 296 

Volt air e 249 

Vondel 96, 104, 136 

Vooght van Rij nevelt (Cor- 

nelia de) 202 

Vooght van Rij nevelt (Z we- 
der de) 202 

Voorde (C. van) teekenaar.... 165 
Voort (van der) portretschilder 71 
Voort (Cornelis van der) 

schilder .1 i, seq. 150, 162 

Voort (Chronol : lijst van het werk 

van C. v. d.) 22 

Voorts (Goert van) 209 

Vorstius 38, 102 

Vorstius (Prof. E.)... 143, 145, 146 
Vos alias Godsgeley (Gerrit 

Hendriks z) kapitein 53 

Vos Pi e ter sz (Mar ten de) 

schilder 149 

Vos (Pieterde) schilder 149 

Vos van Steenwijck (Reindt 

de) 39 

Voskuyl (PieterPietersz) 11 
Vosmaer (Jacob) schilder 26£ 

Vossius 41, 42, 43. 95. 97. ïoi> 

105, iio 

Vossi u s (Fr anc iscus) 42 

Voye (Salomon de la) portret 

van) 166, 172 

Vreedenrijck (Gerardusi. 274 
Vriend (Pieter Willerasz) 7 
Vries (Abraham de) schilder 16 
Vries (Adriaen de) beeld- 
houwer 66 

Vries (Jan Eduard de) 192, 

193, 262 
Vrotu mane lat u scynnen staen,., 29 

Vr oio 274 

Vroom (teekening van) 152 



W. 

W. voor V. V. of U. U 6 

W. (J.) onbekend auteur 147, 149 

Wael (Cornelis de) schilder. 6 
Wafel (Cornelis Ar entz.)... 7 

Wagner (operas van) 194 

Walae as 38 

Waldmöller (operazangeres) . . 188 

Walker (operazangeres) 185, 254 

Wallius (Caspa rus) 36 

Wal ter (operazanger) 187 

W alter (J.) operazanger 198 

Wandschee r (Rudolf) 50 

Wapenkamer van het huis Mar- 

quette 56 

Wapensmeden (Ambacht der) 56 

Wapensmeden 56, 57 

Wapensmeden (proef der) • 56 

Warin (Jhr. Mr. A.) 193 

Warin (J. A.) 182, 185 

W asaborg (Gustaaf graaf van) 35 

Wattier (actrice) 180 

Watzinger (operazanger) . 190, 191 
W a V e r e n (Burgemeester 6 o r s 

van) 173 

W e b e r (operas van) 186, 187, 189, 

190, 191, 250 

Wegman 182 

Wemmei (J. L.) 32 

Werff (Adriaen van der) 

schilder 67, seq. 300 

Werff (Burgje Jans van der) 77 
W e r n e r (W. ) muziekdirecteur ... 191 

Wesselingius (Pe trus) 43 

Westervelt (Marritjen Roe- 

lofs van) 239 

Wet (Jacob de) schilder.. 164, 300 
Weynen (Dominicus van) 274 

Wicq uefor t fAbr aham) 100 

Wicquefort (Joachim) 100, 

loi, iio, 113, 118, I20, 124 

Wieri ex 151 

Wij en (Hendrik Hendrik sz. 

van) 78 

Wijnveld (Prof.) 5 

Wild (operazanger) 186 

Wil hem (Juffr. de) 100 

Willarts (Isaak) schilder 300 

Willem II. (Prins) 229 

Willem V. (Kabinet van Prins) 171 
Willemsz (Cornelis) Goud 

smid 209 



Willemsz (Cornelis) schilder 209 

Willemsz (Jacob) 223 

Willemsz (Jan) zwaardveger 

57. 58 
Willer (Henriette) operazan- 
geres 184 

Winsemius 41, 42 

Wi n t e r (operas van) 185, 186, 

Ï87. 197 
Witsen 217 

Witsen(Petronella) 173 

W ï. t s z (capitein Jonas) 12 

W^itt (D.) 29 

Witt (de). 145 

W i 1 1 (Mr. Cornelis de) .... 158 

Witt (portret van raadpensionaris 

de) 270 

Witt (Hans de) 66 

Wittering (J.) 254 

W ol ff (S.) zanger 196 

Wolfsen (Hendrik) 296 

Wolgemuth 153 

Wolphius fJoannes).. . . 35, 36 

Wolterek (operazanger) 190 

Wranitsky (Paolo) opera van 

186, 196 

W u 1 f r a e t (A.) schilder 300 

Wuytiers (Dirk)...- 8 

Wijbrandtsz(Johan) 134 

Wijck (Cornelis van) 145 

Wijlicx van Santen (Dirk) 26 



X. 

X i m e m e s (J. L.) . 



199 



z. 



Zegel (belofte na het steken van een) 72 

Z e r r. (operazangeres) , 192 

Zietten (van) op^ radirecteur . . 190 
Ziethen (van) operazangeres . . 190 
Zoudenbalch ( W a 1 r a v e n 

van) 143, 145 

Zoutman (Pieter Claesz) 

schilder 1 70 

Zuylen van Drakenbur^ 

(Ar, Nicolaas van)... 277, 278 
Zuytbroek (Weeltje Wil- 

lems van) 220, 22 1 

Zwaardvegers..? 56, 57 



/• 



ac»^^» 



Replaced with Commwcial Microffirm 1993 




3 901 5 01637 1869 






^^ 



^^, 



'ce(f 






■"*'<*'■« 



'333 



^ 



BLADWIJZER 

OVER DEN JAARGANG 1887. 



A. 

A b r a m s z (J a c o b) 237 

A b t (S i m o n) 7 

Abt (de heer en mevrouw) 178 

Ackoley (Claes) majoor 53 

Adam (Opera's van) 192, 250 

Adriaensz (A Ie x ander) schil- 
der 238 

Adriaensz (Cornelis) 145 

Adriaensz (Quirijn) 149 

Aelst (Pieter van) 50 

A e 1 s t (teekening van) 151 

Aerden (Pieter van) 265 

Aerssen (Fran9ois van)... 303 
Aerssen Beijeren van Vos- 
hol (baron van) collectie 303, 308 
Album amicorum van een lid der 

fam. V. Besten 25 seq. 

Aldengreef I54 

A 1 e w ij n (D i r c k) 10 

Al e wijn (D. M.) 10 

Alphen (Dirck van) Schout 

te Vianen 72 

Als de eckelen rysen, soe mest de 

boer de svyn 27 

Al tor f (teekening en prent van) 

151, 152 

Amam a (S ixtus), 36, 37 

Ambrogetti (operazanger) 257 

Amelius (J o hannes) bouw- 
meester 1 30 

A m e 1 u n g (G. A.) operadirecteur 

190, 191 
A m p z i n g i u s (S a m u e 1) por- 
tret van 172 

Anatomie-stukken 19 

A n c é (operazangeres) 242 

A n c o n i (operazanger) 260 

A n d e r 1 ij n ...*.. 266 

Andree (Joachim) iio 

A n d r e e (Opera's van) 183 

Andreoli (Lorenzo) opera- 
zanger 256 

Anraadt (Pieter van) schilder 

394, 305 
Appel (gesneden houten) van Vin- 

ckenbrinck 79, 86 

Aquaroni (Giovanni) opera- 
zanger 261 

Arcnts (Geertgen) 127 

A r e n t s (T r ij n t j e) 235, 236 

Armenkamer te Kanipen 203 

A r m i n i u s (L>r. D a n i e 1) 104 

Arnoldi (operazanger) 262 

A r n o u l d (operazanger) 253 

A s c a n i (operazanger) 259 



Asschenberg (G.) 244, 246 

Asseignies(Christoffel d') 

juwelier 62 

Aswegen (Borchert van) 

wapensmid * 58 

Athenaeum (gebouw van 't) 94 

Athenaeum (oudste geschiedenis, 

van 't) 94, 95. 96, 98 

A u b e r (operas van) 191, 248, 249, 

250, 252, 254 

A u g u s t e (tooneelspeler) 247 

Avercamp (Hendrik),.. 25, 300 

Avignone (operazanger) 259 

A y n e 1 1 (operazanger) 252 

B. 

B. (P. o. V.) 26 

Baak 101,117 

Baccovius(Bartholomeus) 35 
B a c k e r, advocaat te Leiden.... 152 

Backer (Jacob) 42 

B a c k e r (W ilJem Cornelisz 

C r o m ol) kapitein.. 53 

B a e c k (Portret van Joost). 22 

Baecken (Joost Jansz) ko- 
perslager 1 35 

Baen (Jan de) schilder 229 

Baerle (Adriana van) iii 

Bacrle (Anthony van) iii 

Baerle (Gaspar van) 93, seq. 

zie ook Barlaeus. 
Baerle Jr. (Gaspar van).... loi 
Baerle (Jacobus van) 97, loi, 104 
Baerle (Larabertus van).. 104 

Baerle (Susanna van) 292 

Baers (Johannes) schilder . . 236 

B a i 1 1 e (operazanger) 254 

B a i 1 1 e r (operazangeres) . . . 204, 245 

Bailly (Davi d) 151,154 

Bakker (Gerrit) 7 

Balassi (F rang.) operazanger 

256, 257 

Baleinbewerking 310, 311 

Banning (Jan) 19 

Banquetgen d. i. vroolijk gezel- 
schap of stilleven 167 

B a r d e 1 1 i (operazangeres) 257 

Bare ndsz (Di r k).. . 4, 7. 147, 150 

Barlaeus 37, 38, 41, 42, 43 

Barlaeus (Onuitgegeven brieven 

en gedichten van) 113 — 125 

Basch (Adolf) operazanger. . . 187 

B a s s a n (schilderij van) 267 

Bassée (Pieter) schilder 217 

Bassen 146 

Bassen (Warner Ernst van) 8 
Baudartius 38 



Baudartius Jr. ( W i 1 1 e m). . . 39 

B a u d a t (regiseur) 250 

Baudrier (regiseur) £44 

B a u g ij (5I e) Fransch gezant. ... 105 

B e c k e r (Collectie C.) 79, 86 

Beelden (beschilderde houten).... 158 
Beeldhouw- en houtsteekkunst in 

de Nederlanden 73 

Beeldsnijder (Jhr.) 37 

B e e 1 1 (Cornelis) 300 

Beer (Fr.) operazanger 189 

Beethoven (operas van) . 187, 188 

Bell (operazanger) 122 

Belasting op de doodkisten 136 

Bellemonte (operazangeres) . . 248 

Bellini (operazangeres) 260 

Bell in i (operas van). 191, 258, 261 

Beltens (Pieter) 215 

Benaso 153 

Benedetti (operazanger) 257 

B e n e y t (operazangeres) 250 

Bent hem (Adolph comte de) 26 
B e r a 1 (A u g.) muziekdirecteur. . 189 

Berge (operazanger) 244 

B e r g h (G i 1 1 es de) 300 

Berbau (Jan) Mr. smid 310 

Bernard (Mathilde) opera- 
zangeres 189 

Bertelli (Pietro) operazanger 256 

B e r t i (operazangeres) 260 

Bertini (Giuseppe) opera- 
zanger 256, 257 

Bertini (Maria) operazangeres 256 
Bertinott i-R a d 1 c a t i (opera- 
zangeres) 257 

B e r t o n (opera van) 24.5 

B e r t r a n d i (I d a) operazangeres 

259, 261 

Besten (Adolph van) 26 

Besten (van) 25 

B e t s i (operazangeres) 250 

Beudeker (C h ris tof f el) 

handschriften van 3 

Beuningen (Dirk Geurtsz. 

van) 77 

Beuningen (Capitein Geurt 

D i r k s z van) 4 

Beverwael (Hans Lucasz 

van) 28 

Beverwijck (Johannes) 102, 108 
Beverwijck, (Dr. Johan van) 48 
Be ij eren (Abraham van) 

Schilder 229 

Beijeren TArnoldus van).. 239 
Beij6ren (Balthazarvan). 239 
Be ij eren (Cornelis Aertsz 
van) houtkooper. . . . 235, 236, 237 



II 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1887. 



Beijeren (Leendert Corne- 
lisz van) schilder.. 2i7, 235, seq. 

Bhra (Abraham) ' 38 

B i a n c h i (operas van) 256 

Biberhöfer (operazanger) 192 

Bicker (Andries)... 42, iio, 114 
Bicker(Pieter) kapiteinmajoor 

52, 53 

Bie (Mayken de) 287, 289 

B i e r c y (operas van) 186 

B i e s e m (van) kunstkooper te 

Rotterdam 69 

Binck 154 

B i n g e r (H ij m a n) 196, 197 

Bisbinck (Barend) schilder.. 156 
Bisbinck (Joost Barentsz) 

kanonier 156 

Bisschop (Abraham) schil- 
der " 157, ï6o 

Bisschop (Catharina) 157 

Bisschop (Cornelia) 157 

Bisschop (Cornelis) schilder 

157, seq. 
Bisschop (Jacobus) schilder 

157, 159 

Bisschop (Jan de) 7 

Bisschop (Capitein J a n d e) . 12 

Bisschop (Sara) 157 

Blauw (Claes Dirksz) 7 

Bleker (Dirk) schilder 229, 230, 231 
Bleyenbergh (Bartholo- 

m e u s) 230, 231 

Blockland heer P i e t e r s dr. 

( Juffr. A n n a V a n) 48 

Blocklandt (Antonie van) 

schilder 147, 150, 151 

Bloemaert (Abraham) schil- 
der 147, ^49. 150, 151 

Bloemaert (Hendrik) schilder 

234, 306 

Blommert(Samuel) 5 

B 1 o n V a 1 (operazangeres) ..23, 244 
Bloocke (Cornelis van 

den) beeldhouwer ^6 

B 1 u m (operazanger) 190 

Blyenburg(Adriaenvan).. 38 

Boas Jr. (Jozef) 196, 197 

Boas (J. S.) 196 

Bodeghem (Bartholomeus 

van) tamboer 63 

Bodeghem (Cornelia van) 

62, 63 
Bodeghem (Franchoys van) 

adelborst 63 

Bod e gh em (Magdalena van) 63 
Bodeghem (Maria van).... 63 

Boecop (Arent toe) 202 

Boecop (Cornelia toe).... 201 
Boecop (Egbert toe) 202, 

203, 204, 209 
Boecop (Margriet toe).... 203 
Boecop (Mechteld toe) 

schilderes 201, seq. 

Boecop (geslachtslijstje toe)-.. 202 

B o e 1 e n s (capitein) 4 

B o e 1 s (schilderij van) 153 

Boetselaer (Rutger Wes- 

sel vanden) 284 

Bogaert (Mathys) kokermaker 310 
Boissens te Leiden.. 151, 152, 153 
Bol (Ferdinand) schilder 158, 

218, 238 
Bol (teekening van) 151, 153 



Boldrini (operazangeres) 259 

Bonasorius (Julius) 152 

B o n d t (R e i n i e r d e) 37 

Bonifacius iii, 114 

B o n n i e r (Dr. L. C.) 296 

Bont (schout) 104 

Booms, Burgemeester te Leiden 150 
B o r c h (G. ter) schilderij \ an . . 269 

Borch (Mozes ter) 298 

Bornschein (Carl) opera- 
directeur 189 

Borroni (Marianna) opera- 
zangeres 256 

B o r s k i (J.) 254 

Bos (Cornelis) plaatsnijder... 154 

Bos 195 

Bosch (Lodewijk van den) 149 
Bosman (Casper) wapensmid 58 
Bot (teekeningen van Andries) 81 

B o t h (Jan) schilder 156 

Botland(Geertruyvan)... 157 

B o 1 1 a g i s i (operazanger) 259 

Bourgois (Constant) 19 

Bouricius (Hector) 36 

Bousquet (A.) operazanger.... 253 
Boxhornius(Marcus Zue- 

rius) 42 

Boxtel (de Heer van) 144 

Boy (Mr. Cornelis) 48 

Boyeldieu (opera's van) 1 86, 

190, 245, 248, 249 

Braem (Elisabeth) 296 

Braem (Willem) 296 

B r a m e r (teekening van) 273 

Brandt 98, 104, 109 

Brandt (I s a b e 1 1 a) 149 

Brasser (Geertruyd) 234 

Brasser (Joost)... 95 

B r a u n ( J o s.) muziekdirecteur • . 190 

B r a u n (operazangeres) 185 

Braunsberg 182 

Brederode (Heer van) portret 

van 272 

Bremer(Adriaen) 4 

Briant (Jan) wapensmid 5^ 

Bryenen (Derck van) 29 

Brievenboek van C u n a e u s uit- 
gegeven door P. Burmannus 40 

B r i 1 (teekening van) 151 

Brochard 179 

Broeck (Hendrik van den) 

schilder 83 

Broederschap van O. L. Vrouw tè 

Amersfoort 128, 129 

B r o e m e t (operazangeres) 189 

Bronchorst (Everard) 36 

Bronckhorst 135 

Brosterhnysen 98 

B r o u c k (C, van den) teeke- 
ning van 152 

Brouwer (Cornelia).... 23, 24 
Brouwer (Capitein D i r c k 

Thymensz) 4 

Brouwer (Jacob Dirksz).. 5 

Brouwer (J a n)^ 23 

Brouwer (Theodora) 23 

Brouwer (schilderij van) 81 

Brown (Robbert) 309 

Brueghel (de fluweelen) 3cx> 

Brueghel (navolgers van) 151 

Breughel (schilderij enz. van) 1 49, 153 
Brug (Hendrik ter) schilder. 147 
Brugghen (Anna van der) 3-^ 



Brugman (Dirk Pietersz.) 5 

B r u n (Ie) operazanger 245 

Brunacci (operazanger) 259 

Buchel deOude(Arentvan) 144 
Buchei (Arent van)... 143, seq. 
Buchel (Harten van)... 97, 109 
B u ckingam (J oh annes).. . . 68 
Bueren(Barthoutvan).... 72 

Buis (Geertje) 308 

Buonavoglia (L. G.) 256 

Burchmans (Mayken Le- 

naerts) 235 

Burger-vrijkorpsen (Vaandels van) 61 
Bu rgh (Alb e r t C oenraatsz) 96 
Burgh (van der) 99, 101,120, 124 
Burmannus Secundus (Pe- 

t r u s) 43 

Busschop (Cornelis) 49 

Busschenschut (bronzen beeldje van 

een) 60 

Butsch (Fidelis) operazanger 

190, 191 
Buttinga (Jacob Pietersz) 170 

B u y c k, te Leiden 150 

Buyserius (W ilhelmusAn- 

t o n i i) 96 

Bysterbos (Mr.) 26 

O. 

{Zte ook K.) 

Cabeljau (Abraham) 33, 

34, 35» 37, 38 
Cabeljau (Abraham) boek- 
houder 34 

Cabeljau (Prof. J o a n n e s) 

33» seq. 
Cabeljau (J o annes^.... 33, 34 
Cabeljau de Jonge (j o h a n- 

nes) 38 

Cabeljau (Margaretha)... 35 

Cabelj au (Maria) 41 

C a b e l i a u's (geslachtslijst der). . 44 

Caccofoni (operazanger) 256 

Caerdekamp (Sybout van)... 219 

C a e y (L u c a s V a n) 47 

Camerarlus, Zweedsch gezant 

105, IIO 
Camerbeek (Francois) wa- 
pensmid. 58 

Campen (Dr. Gas parus van) 

advocaat 218 

Campen (Cornelis van)..,. 7 

Campen (Jacob V an) 134 

Campen (Jacob van) por- 
tret door 133 

Campen (Mechtelt van)... 292 
Campenhaut (operazanger) 244, 

246, 247 

Candidus 152 

Capelle (Prof. van) 94 

C a r e 1 de Jonge (capitein Jan 

Jansz) 4 

Carmen— Bernac (Mad. Del) 

operazangeres 259 

C a r m e n — M ontenegro(Del) 

operazangeres 261 

Carrara (Antonia) operazan- 
geres 256 

C a s a 1 (operazangeres 243, 244 

Casino (Theater) 199 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1887. 



III 



Cassaiidritts(Joannes)35, 42 
Castigliano (operazanger) . . . 260 
Catalano (operazanger) . . 258, 259 

C a t^ J.Azn. (A.) 192 

C a t e 1 1 i (operazanger) 260 

Cats 105, 108 

C a u (Mr. C o r n e 1 i s), 50 

Caulery (Joris de) kapitein 

ter zee 50 

C a n r i n i (operazanger) 257 

Celens (Barbara) 233 

C h a m p (du) chirurgijn 274 

C h a r d o n (operazangeres) 248 

Charnassé (baron de) Fransch 

gezant. 105 

Cherubini (opera's van) . 186, 191 

Chevallier (operaist), 178 

Chiffletus (Johannes Ja- 

cobus) 38, 39 

Chiodi (Guiseppe) opera- 
zanger 248, 256 

Christiany (operazangeres) . . . 192 

Chys(Johanvander) 167 

C i m a r o s e (opeia's van) 186, 197, 

243, 255, 256, 257 
C i n e 1 1 i (familie) operazangers. . 258 

Ciprianus(Sara) 7^ 

Ciszewsky (operazangeres) .... 192 
Claes Jacobsz (Anneke),.. 46 
Claesz (Antonie) schilder. ... 147 
Claesz (Cornelis) uitgever. . . 18 

Claesz (E wout) 224 

Claesz (Gilles) schilder- 147 

Claesz (Paulus) 7 

Claesi ^Pieter) schilder. 147, 233 
Clairville (operazangeres) .... 242 

C 1 a r i (operazangeres) 254, 262 

Clavecimbels die van zelf spelen.. 72 
Cleyn (Celitje) waardin in 't 

oude Doolhof 78 

Clusius 145 

C o b e r g (W enceslaus) schil- 
derij van 149 

Coccejus (Johannes) 39 

C o c k (teekening van) 151 

Cocq (Frans Banning) Al- 
bum van 12 

Codde (Pieter) 298 

C o e u r i o t (operazanger) 247, 248, 250 
Cogniet (Gilles) scnilder. . . . 148 

Cohen(S. D.) 196 

Colck (Johan Wybrandtsz) 134 
CoUaert (Geertruyd Dirksdr.) 

77, 78, 83 
College dramatique et lyrique 241, 242 

C o 1 1 e o n i (operazangeres) 260 

Colleville (tooneeldirecteur) . . 249 
Col thoff (M argaretha).... 305 

Col ij n (schilder ij van) 81 

Comes (Thomas) meshechten- 
maker 310 

Con flans (Christianus de) 

schilderij 4 

Coninxloo (schilderij van) 150, 154 
Coninxveld (Abram) schil- 
der 47 

Conringius (Hermanu s) 98, 

99, 107 

C o n t a t (Actrice) 244 

C o p (Claes) schilder 236 

Coppenoll (Lieven Wil- 
le m s z. van) 213 

C o r d e 1 1 a (operas van) 257 



Coret de Jonge (Jan) wapen- 
smid 57, 58 

C o r n e g a (E.) operadirecteur. ... 189 
Cornega (Nina) operazanger. . 189 

Corneille 249 

Cornelisz (Cornelis) schil- 
der . 17, iS, 24, 147, 149, 150, 151 
Cornelisz (Jècob) school- 
meester 33 

Cornelisz (L eender t) schil- 
der zie V. B e ij e r e n . 
Cornelisz (Mr. Lucas) schil- 
der 209 

Corporaalschap (beteekeüis van het 

woord) 22 

Corpat(Jacob vanden)... 49 

Corrazari (operazanger) 259 

Corseek 55 

Cort (Cornel is) prent 153 

Corvinus (Johannes Ar- 

noldi) 42 

Costa-Tamplini (operazan- 
geres) 260 

C o s t e r (I. N.) zanger 196 

Costerus (W i 1 1 e m ij n t j e) . . 77 

Cotten (Frances) 309 

Court (A.llard de la).... 67, 68 
Couwenbergh (Gerrit Ger- 

r i t s z van) 239 

C o v ij n (Reinier) schilderij van 64 
Cranach (L u c a s) schilderij van 154 
Cranenbergh (Jan) balein- 
werker 3 

Crans (Dirk) 158 

Crayesteyn (Huig Jansz.). 13 
Croessingh (Jacob) portret 

van 271 

Crom (Peter) 72 

Cr om (Willem Cornelisz 

B a c k e r of) kapitein 53 

C r o m h o u t (Jacob) 83 

Crucius(Jacobus) 38 

Cruyf(Rijk) 142 

C u n a e u s (Petrus) 36, 40 41, 

94,97,99, loi, 106, 108, iio, 112 
C u n a e u s, uitgegeven door P. 
Burmannus (Brievenboek van) 40 

Cup (Willem) 41 

Cupido trionfant aenhoort mijn 

lammenteren ,^. 30 

C u y c k i u s (Ds. P.^.) 296 

Cuylenburch (T oenken 

vrou van) 146 

Cuyp (A eiber t) schilder 155 

^^yp (Jacob Gerritsz) 47, 

49, 298 
Cuyper (Frederik) 47 

D. 

Dalainval (tooneelspeler), .... 242 
Dalayrac (opera van) 179, 197, 

243, 245, 248 
Dallainville (operazanger). . . 179 

DaUe Aste (operazanger) 194 

Dam (van) 144 

D a m i c i s (operadirecteur) 255 

D a m o r e a u— C i n t i (operazan- 
geres) 258 

Dangeville (actrice) 247 

D angeville (tooneeldirecteur) 

247, 248, 249 



Dannewaard Jansdr. (Maria 

van) 156 

D a s a i d e s (opera van) 196 

Day (Marten) kapitein 53 

Debreuil (operadirecteur) 252 

Decker (Ezechielde) land- 

meter 234 

Dedel (Johan) 290 

D e d e m (van) 27 

Degens (spaansche en solingsche) 54 

D e i m a n (Dr. J. A.) 182 

Deisenrieber (operazangeres) 191 
Deiff (Willem Jacobsz) 

gravure van. 8, 9 

Delft (Pieter Gerritsz van) 

kapitein 53 

Delmenhonst (Hendrik van) 37 

D e 1 i e (operazanger) 244 

D e m e 1 e (M a t h i a s) schilderij 

van 271 

Deschamp (opera's van) 245 

Deschamps (operazanger) .... 244 
D e s s a u e r (J. H.) 189, 194, 195, 

196, 197, 198, 199 
De SS au er Jr. (J. H.) zanger... 198 

D e t r o o t (E,) regisseur 189 

Deur horst (Hendrik) wa- 
pensmid 58 

D e v i 1 1 i e r s (operazanger) 252 

D e y m (Mr. A d r i a a n) 265 

D e y r i s (operazanger) 244 

D e z è d e (opera's van) 243 

D i d o t (operazangeres) 253 

D i e 1 i t z (operazangeres) 258 

Diemen Gijsbertsz (Jan 

van) 156 

Diemen (Maria van) 156 

Diepenbroeck (Eva van)., 30 

Dieit (Willem van) 300 

D i e 8 1 e 1 (operazanger) 186 

D i e t r i c h (operadirecteur) 181, 

183, 184, 195 

Dirksz (Samuel) 310 

D i r V e n ( J.) schilderijen 268 

Ditsum (Coenraad van) 305 
Dittendorf (opera's van) 183, 

184, 186, 196 
D O b b e 1 i n (C a r 1) operadirec- 
teur 184. 185 

Doelroes (schutterstuk van schutters 

met) 14 

Does ( J. van der) 30 

Does (Jacob van der) 274 

Domselaer 135 

D o n a t e 1 1 i — L u c c a (operazan- 
geres) 259 

D o n a t i (operazanger) 258 

D o n c k e r (Hoedenkramer) '. 23 1 

D o n e 1 1 i (operazanger) 259 

D o n i z e 1 1 i (opera's van) 250, 252, 

254, 258, 260, 262 

Doodkisten (belasting op de) 136 

Doolhof (wapens uit het oude) ... $4. 
Doorninck (Mr. J. J, v a n) . . 26 
Doren (Cornelis Willemsz) 

goudsmid 209 

Dorp (Dorothea van) 284, 

285, 286, 287, 290, 291, 292 
Dorp (Frederik van).. 277, 281 

Dousa (Janus) 288 

D r a b b e (F 1 o r i s) 68 

Dronckelaer (Pelgrom van) 

7. 9 



IV 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1887. 



Droochsloot (Joost Cor- 

nelisz) 300 

Duchesne (operazanger) 248 

D u c o s ( J. B.), 244 

Ducq(Janle) 172 

D u g u a i (operazanger) 179 

D n p u y (operazanger) 244 

Durer (Albert) schilder 148, 

151. 152, 153 
D u r i n g e r — B r a u e r (opera- 
zangeres 191 

D u V a 1 (opera's van) 186 

Duvel (Dirk) kapitein 53 

D u y n (Jan) kapitein 53 

Duysentdaelders (Jan).... 235 
Duy sentdaelders (Wiggert) 235 
D u y s t e r (W i 1 1 e m) schilder . . 236 
Duyven (Steven van) schil- 
der, 306, seq. 

Duyverlandt von Roden 

(Peter van) 42 

Dyck(Anthonie) 51 

Dyck (van) schilder.. 163, 171, 172 
D y 1 (M a r t e n) 232 

E. 

Eeckhout (Oer brand van 

den) schilder 233, 238, 300 

Eekhout (Johan Roelofsz) 296 

Eekhout (Rensia) 296 

Eentgens (Willem Allertsz) 233 
Egbertsz (Cornelis En- 
ge 1 s z of) zie Verspronck. 
Egbertsz (Dr. Sebastiaen) 19 

E g g e r s (operazangeres) 191 

E h 1 e r s (W.) operadirecteur .... 191 
Eisenmann (Dr. Oscar).... 51 
Elias (Nicolaes) schilder. ... 215 
Elias (Nicolaas) schilderij 

van 2, 16, 20, 21 

Emaus (Albert Dirksz) ka- 
pitein 53 

Epenhuizen 49 

Episcopius 107 

Ernst (operazangeres) 183 

Erp (Magdalena van) por- 
tret van , 22 

E r p e n i u s 38 

Eschborn (operazangeres) 192 

Eschenburg (opera van) 183 

E u n i k e (operazanger) 183 

Everts (Brigitta) 144 

Eyck (CorneliaGerritsdr. 

van der) 15 

E y n d e (Dr. Francisco van 
den) medicus ^38 

F. 

F a b r e (operazanger) 248 

Fabritins (schilder) 230 

F a 1 1 e r (operazanger) 254, 261 

Farinelli (opera's van)... 256, 257 
F a r n e s e, hertog van Parma en 

Plaisance 152 

F a u r e (regisseur) 244 

F é d e 250 

F e 1 d t (operazangeres) 191 

Fernay(Michiel) 19 

Ferreris (Jacob) schilder . . . 149 

Festlinger (zanger) 200 



F i n o s c h — M a j e s k i (opera- 
zanger) 254 

F i s c h e r (operazanger) .... 184, 188 
Fleurimont (tooneelspeler) . . . 242 
Flinck (Govert) schilder .... 238 
F 1 o ris (F rans) schilder 148, 152, 153 

F 1 o t o w (opera's van) 254 

F o r e e s t (medicus) portret van . 150 
Formes (Carl) operazanger... 194 

F o r n e r (operazanger} 192 

Franchesin i — G a r i s (opera- 
zangeres) 261 

Franckenburg (Johannes) 78 

F r a n c X (schilderij van) 154 

Fransche Opera 241, seq. 

Frausman (S.) operazanger 

196, 198, 199, 200 

Fransz (Seger) 219 

Frederik Hendrik.... 107, 1 10 
Frederik Hendrik (borst- 
beeld van) 309 

Frederiks (Helen a) 239 

Fredericksz (Jacob) hout- 

koopcr 33 

F r é d é r i c q (C a r o 1 i n a) 178 

Frédéricq (Ch a r lo 1 1 e). . . . 178 
Frédéric (les enfants du Sieur) 

178, 179 
Freundt te Furstenau (C.) ge- 
weermaker $8 

Fritsch (J.) operadirecteur 189, 190 
F u r s t (operazanger) 188, 189 

G. 

G a d b 1 e d (operazanger) . . . 244, 246 

Gamirato (operazanger) 261 

G a r d o n i (operazanger) 262 

G a r i 1 1 e (operaïst), 178 

G a r n i e r (tooneelspeler) 247 

G a s c a r (N.) schilder 240 

G a s p a r d (operazanger) 244 

Gasveflichting te Amst 189 

Gaugaenhemi (operazangeres) 262 

G a V c a u X (opera van) 245 

Geel III, 112 

Geelvinck (Jan Cornelisz) 8 
Gemaelde-Sammlung te Coblentz 

(St^dtisch-Lang'sche) 64 

Gent (baron van) portret van... 271 

G e o r g e (actri||^) 249 

Gequist byn ick van bynnen 28 

Gerand (P.) 246 

Géricot (Antony) 274 

Gerritjansdr. (Neeltken) 156 
Gerritsz (Arent) wapensmid 

van Solingen 57 

Gerritsz (Claes) wapensmids- 

leerling 57 

Gerytszoen (Gheryt) goud- 

smid 72 

Gerritsz (Hendrick) schilder 162 
Gerritsz (Jan) wapensmid ... 58 
Gerritsz (Pieter) schilder... 209 
GerstJlcker (operazanger) .... i87 

Gerwen (Pieter van) 219 

GeslachtUjst Cabeliau 44 

Geslachtslijst van Rembrand t's 

verwanten. 228 

Geslachtslijst Vollenhove.... 295 

Geschutboor 60 

Geschutgieterij (Stads Klok- en).. 59 
Gessel aer (H er m an v an).. i67 



Geurtsen (W o u t e r) smid ... 84 

Geweren 58 

Geyn (teekening enz. van). 151, 154 
Giamagli, leerling van S c h a 1 C; 

ken (portretschilder) 70 

Gillesz (Gilles)...' 224 

G i m e n e z (operazangeres) 258 

G i r a 1 (operazanger) 244. 246 

G 1 ü c k (opera's van) 186, 248 

G n e i b (operazangeres) 190 

God ij n (Margaretha) 263, 

264, 265, 266, 267, 271 

Godijn (William) 268 

Goede wae rt (H ans). ..'.... . 19 

Golius 105 

Gollmick(Emil) operazanger . 189 
Gollmick (Herman) opera- 
zanger 189 

Gollmick (W i 1 h e 1 m) opera- 
zanger 186 

Golsmith (operazanger) 189 

Goltz (Susanna wed, Cor- 
nelis de) 232 

Goltzius (Hubert).. schilder 148 

Goltzius 20 

Goltzius (schilderij enz. van) 

149» 151» ^53 
Gomarus 38 

Gonzala 98 

Goor (van) operazanger 254 

Goos (Pieter) plaatsnijder 165, 166 
Goossensz (Gors) wapensmid 58 

Goris(Mayke) 76 

Gort (Adam van der) 63 

Gö s s 1 e r (operazangeres) 188 

Goudt (Hendrik graaf van) 

plaatsnijder 292 

Goyen (van) schilder 164, 229, 233 
Gracht (Jacob van der) 

schilder 80 

Graeff (Jhr. D. de) 12 

Grandville (regisseur) 248 

Grassini (operazangeres) 257 

G r a V e (D.) klokgieter 140 

G r a V e Jsz. (G.) 192 

G r e b b e r (F. P. d e) schilder 163, 164 
Gretry (opera's van) 179, 185, 

197, 243, 245, 246, 248, 249 

G r i m m e r (teekening van) 151 

Groenhagen(Fran90is) mu- 
zikant, 178 

Groeningen (Jan van) zie 

S w art j a n 
Grol (Rudol van) portret- 
schilder 62, 63 

Groof (Claes) majoor 53 

G r o o t (H u g o d e) 95, 100 

Groot (Jan de) schilder. . . 64, 65 

Groot (Marike de) 77 

Grootenhuys (Jan ten) 

schout 93, 96 

Grotenhuys (Johannes ten) 42 

G r ö s s e r (operazanger) 186 

G r u n o w (operazanger) 191 

Gruterus (Petrus) 36 

G u h r (kapelmeester) 191 

Guichet (C. P.) 254 

Gunt her (Frederik) 106 

G u r i n i (operadirecteur) 255 

G u s t a a f A d o 1 f 34, 3^, 37 

Guthmann (operazanger) i8g 

G y r o w i t z (opera's van) 185 

Gysen (Margriete Albert) 127, 128 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1887. 



H. 

Haan (J. Bierens de) 2, 3 

Haberkorn(Friedrich) ope- 

radirectenr 185, 186, 187, 258 

H a e c k (Barend) 39 

H a e c k (M a c h t e 1 d) 39 

Haeck (Margriet) 39 

H a e c k (W o u t e r) 39, 41» 43 

Haensbergen (Jan van) 

schilder 266 

*Haerlem (C. Cz. van) zie Co r- 
n e 1 i s z. • 

H a e s (C o r n e 1 i s de) 83 

Haes (Maerten) wapensmid. . 58 

H a 1 e V y (opera's van) 250, 254 

Hals (Dirk) 175» 233 

Hals (Frans) 151,161,162,163, 

164, 165, 169, 170, 171, 173 

H a 1 y (F.) operazanger 253 

H a n (klokkenist) 140 

Handboogdoelen (lijst der schut- 
terstukken in de) 4 

H 21 n d e 1 (opera's van) 188 

Handkanon (oud) 58 

H a n s t e i n (acteur) 185 

Hanswijk (Hans van) wapen- 
smid 5^ 

Haquette (Eduard) operadi- 
recteur 250 

Hardenberg(Lucretia van) 304 
Hardenbroeck(Antonyvan) 

266, 267 
Hariugh (Daniel) schilder . . 265 
Haringius (Jacobus) stud. 

te Amst 41 

Harmensz (Arent) wijnkoo- 

per 230 

Harmensz (IJ sbrand) 8 

Hamassen 52 

Harnasmakers 56, 57 

Harsolte (Marya van) 30 

Hart, Oudegracht, Utrecht (huis 

ter) 43 

Hart (v ajn der) stads-architect. 182 
Hart (Jan Jacobsz in*t)... 4 

Hartig (operazanger) 186 

Hartwig (operazangeres) 190 

Hasselaer (Dirk) 4, 9, 12, 

52. 53 
Hasselaer (Nicolaas) kapi- 
tein majoor 52, 53 

H a s s e 1 a e r (P i e t e r) 3, 4, 5, 1 1, 20 
Hasselaer (P ie ter) luitenant 162 
H a s s e 1 t-B art (van) opera- 
zangeres 26 1 

Haydn 188 

H e b e r t (operazanger) 250 

Hecke (Abraham van den) 

schilder 239 

H e d a (schilder) 164 

Heem (Jan de) schilderij ge- 
naamd de Rinse Roomer van... 69 
Heemskerk (Marten van) 

204, 206 
Heemskerk (schilderij enz. door) 

150» 15Ï» 154 
H e e r m a 1 e (F 1 o r i s)- . . . . 277, 278 

H e i n s i u s (Prof. D a n i e 1) 36, 

37, 38, 40, 42, 99, 108 
Heinsius (Nicolaas)... 41, 42 
Heinefetter (Eva) operazan- 
geres 191 



Hellebaarden 55 

Helst (B. van der) portret van 

Vinckenbrinck 84 

Helst (van der) 172 

Hemony (Fran9ois) klokgie- 

tcr 132, 137, 138, 139, 140 

Hemony (Petrus) klokgieter . 140 
Hendriksz (Mr. G e r r i t) the- 
saurier te Haarlem 162 

Hendricx (Hendrik) 7, 76 

Hendriksz (Jan) wapensmid.. 58 

He n dr ik s z (W i 11e m) 7 

Hendriksz (Zweer) 72 

Hennsly (F.) 199 

Herk (Pieter) 19 

H e r o 1 d (opera's van) 249 

Herrm ann (operazangeres) .... 191 

H e r tsb e e k (v an) 217 

Herweijer (Aper) 296 

H e s s e Sc h-a per (operazang- 

ger) 185 

H e u s d e n (kapitein Cornelis 

van) 52, 53 

Heyckens (Jan) 13 

Heyden(Janvander) 85 

Hildebrand (operazanger) .... 187 
Hildebrand (de Hr. en Mevr.) 

operazangers 190 

Hilten (van) secretaris van den 

Prins 114 

Hoeck (Jan van) portret van . 2 

Hoedt en B ingley 193 

Hoeufft van Velzen (Jhr. 

Mr. H.) 9 

H o f f m a n (operazanger) 191 

H o f m a n, zie H o o f t m a n. 
Hof meister (Carolina) ope- 
razangeres 186 

Hoinck (Jacob Gerritsz)3, 11 
Holbein (Hans) doodeudans 

van 152 

Holsteyn (gegraveerd portret 

van Vincke nb rinckdoor P.) ' 81 
Holsteyn (Pieter) graveur 82, 

85, 92 

H o m m i u s 38 

Honaert (Rochus van den) 

103, 109, iio, 121 

H o n di u s (Hendrik) 149 

Honkelboer (Dirk) 19 

H o n o r é (operazanger) 252 

Honthorst (Gerard) schil- 
der 303 

Hoofien (M. J.) 196, 198 

Hooft 95, 96, 97, 98, 100, 104, 

108, iio, 112, 292 

Hooft (Jan Lucas z) 5 

Hooft (Pieter Cornelis z) 

portret van 22 

Hooftman (Andries) por- 
tret van 167, 172 

Hooftman (Zacharias) 166, 

170, 171, 172 

Hoogh(P. de) 158 

Hoogstraten 158 

Horsevoort (Jacob van) or- 
ganist 139 

H o s s o n (M. F. de) 300 

Houbraken 263 

H o u c k (Mr. H.) 305 

Houtsteek- en beeldhouwkunst in 

de Nederlanden 73 

H o V e (van) actrice 244 



Hoven wed. van der Voort 

(M. van) 173 

H u b y (operazanger) 246 

Huis de looo-daelders 235 

Huis 't vergulde plooybertje 76 

Hulshout (Wouter) wijn- 

kooper 66 

Hulst (Frans de) 300 

H u n e r (operazanger) 254 

H u n n i u s (F. H.) operadirecteur 183 
H u n n i u s ((gebroeders) opera- 
zangers 183 

Hurteaux (operazanger) 244 

Hu te r 151 

Huybertsz (Andries) wa- 
pensmid 57 

Huygens (Constantijn) 38, 
39, 41, 42, 96, 97, 98. 99. 100. 
loi, 102, 103, 104, 107, 108, 
109, iio, III, 113,116,119,120, 
121, 122, 123, 214,275,276,278, 

282, seq. 
Huygens (Maurits) 292 



I, J, Y. 



I. W. onbekend auteur 147, 149 

acobsz (E ve rt) 7 

a n de aanbeeldmaker (Mr.) .... 59 

a n s s e n (A 1 e i d) 308 

ansz (Andries) wapensmid. . 58 

a n s z (A rent) smid 59 

ansz (ï),o m 1 n i c u s) beeldsnij- 
der en zilverdrijver 168 

ans (Geertruyd) 232 

ansz (Gerrit) 145 

ansz (Jan) wapensmid 58 

ansz (Johannes) schilder. . . 300 
ansz (Joost) beeldsnijder .... 147 

ansz (Joost) 239 

ansz (Jurriaen) glazenma- 
ker .- 19 

ansz (Louw e) 308 

ansz (Michiel) teekening. . . 1 54 
ansz (Mr. Willem) organist . 72 

b b e 1 e r (H e r k e) 218 

e 1 i s (B a r b a r a) 104 

e 1 1 o t (Peter) tapitsier 240 

n- und Kniphausen(£vazu) 31 
ngel (Johannes) advocaat . . 105 

o a n n i s (operazanger) 250 

oblott (Nicolaas).... 265, 267 

Johannis Cabeljavii J. U. D- 
Epistolarum centuria prima., . , 37 
ohannes Paleologus (kei- 
zer) 154 

o 1 1 y (operazangeres) 250 

onckheyn (Simon Hen- 
dr i c k s z Verwer alias) kapi- 
tein.., 53 

ong (Frans de) schilder .... 65 

o n g (Gerrit de) 142 

ong (S. de) zangeres 196 

oodsch 'Hoogduitsch Tooneelge- 

zelschap 194, seq. 

o s e p h (operazanger) 244 

Y. o u n g (operazanger) 187 

~ r m e z (H.) operazanger 189 

saac (Brensie) zangeres .... 196 
saacsz (Pieter) schilderij ... 4 
sabeUa Cl ar a Eugenia.. 39 

taliaansche opera 196 

ttervoort 145 



VI 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1887. 



K. 

(Zie ook C) 

K a i b e l (operazanger) 190 

K a i n (L e) operazanger, 179 

K a i n z (operazangeres) 186 

Kalff (Willem) schilder 165 

Kam (W. H.) 131 

Kampeneer (Annetie de) 

2^1, 291 
Kampeneer (Elis abeth de) 

281, 291 
Kampeneere (Paulus de) 

279, 280, 281/282 
Kampeneere (Sara de). ... 281 
Kanonnen (modellen van) .... 59, 60 
Kapel (Lieve Vrouwe) te Amers- 
foort 128, 129 

K a r e 1 I koning van Engeland 

(portret van) 163, 171, 173 

Karel IX 35 

K a n e r (opera's van) 184, 185, 186, 197 
Kerchem (Hendrik Wil- 

lemsz Trom alias) kapitein.. 53 
Ketel (Cornelis) schilder 20, 

147, 150, 151 

Kettler(Goswinus) 31 

Kettler (Gotthard) 31 

K e t w ij c k (Mr. Gerard van). 236 
K e y (W i 1 1 e m) schilderij van . . 153 
Keyzer (Hendrik de) beeld- 
houwer *. 147 

Keyzer (Thomas de) schilder 

172, 298 
Keysers(Kniertje, Cunera) 

portret van 2 

K i e f e r (operazanger) 183 

Kieft (Cornelis IJsbrantsz) 4 
Kieft (Jan IJsbrantsz).... 4 
K i n n e m^, beelcfhouwer te Alk- 
maar 75 

Kinschol (Cornelia van).. 172 
Kistenmakers of meubelmakers 74, 75 

K l e i n h a u s (acteur) 185 

Klok- en geschutgieterij (stads)...' $9 
Klokkenspel van de L. Vr. toren 

te Amersfoort 140 

Kueller (Godfried) schilder 71 

Kuibbergen (S.) schilder 300 

K n i e p (operazanger) 183 

K n i e p (operazangeres) 183 

Koch (Bernard) 198 

Koningh(Philip) schilder 299, 300 
Koninck (Salomo n) schilder 

76, 297, 298, 299, 300 
Kool onjuist voor Grol (R u- 

d o 1 f v a n) 62 

Kooplieden (Barlaeus over de 

Amst.) 94, 96 

Kreutzer (opera's van) 187, 197, 

243» 247, 248 

Kr OW (operazanger) 189, 190 

Kruithoorns 59 

K ü h n 1 e (operazanger) 192 

Kunst rC o r n e 1 i s) 50 

K u n t z (operazangeres) 244 

L. 

Laan (Alit Nicolaesdr. 

van der) 15 

Laborde te Parijs, pistolenmaker 59 



L a c o n i (operadirecteur) 260 

L a c o s t e ^operazanger) 248 

L a f r e n z (operazangeres) 191 - 

Lagardere (tooneelspeler) .... 247 

Lambertsz (Jan) smid 59 

Lampsonius 148 

Lange (de) 144 

Lange (Louis e) operazange- 
res 184 

Lastman (Claes) 21 

Lastman (Pieter) schilder 

21, 236 

L a u d i (operadirecteur) 259 

L a u r e (operazangeres) 250 

Lavergne (C.) operadirecteur. . 254 

L a V i g n e (operazanger) 248 

L a V i n i u s ( J o a n n e s) 35 

L e b e 1 (operazanger) 252 

Lebrun (opera van) 197 

Ledenberch (G 111 es van) 

278, 282 

L e e f s o n (operazangeres) 198 

I^ e e s t (M a r i a V a n) 34 

Leeuw (Hendrik de) huis- 

timmerman 78 

Lehman (Carolina) opera- 
zangeres 194 

Leisring (Angelica) opera- 
zangeres 189 

Leisring (Natonie) opera- 
zangeres 1 89 

L e m a i r e (operazangeres) 247 

Lemens (Cornelia van).... 167 

Lemker (Frans) 296 

L e m k e r (Mr. Frans) 296 

Lemker (Mevr. de Wed. Mr. F.) 

295, 296, 299, 303, 304, 305, 308 
L e m o i n n e (tooneelspeler) 243, 252 

Lenartsz (Nicasius) 137 

Len s (Hendrik) 5, 12 

Leonardi (operazanger) 254 

L e s c h e r (operazangeres) 248 

Lesire Garlaszoon (Au- 
gust ij n) schilder 46, 47 

Lesire TClaes) schilder . . . 46, 47 
Lesire (Paulus) schilder. 45, seq. 

Lessing 184 

Leur alias Capt. Spelt (N i- 

colaes van de) kapitein .... 53 
Leyden(Aertgen van) schil- 

der 147 

Leyden (Aertgenvan) tee- 

kening van 151 

Leyden (Lucas van) schilder 

148, 151, 153 
Leyden (Lucas van) kunst- 
boek 217, 225 

Leyden (Lucas van) schil- 
derij U laatste oordeel van 72 

L e y e 1 (W i 1 1 e m) van Kopen- , 

haven 57 

Liberati (operazanger) 185 

L i b o 1 1 e (H.) geweermaker te 

Amst 58 

Lichtenbergs (Aleyt) 202 

Lichtenberg (Anna van).. 202 

Lichtenbergs (Claes) 202 

Lichtenbergs (Femme).... 202 
Lichtenberg (Gerritvan) 202 
Lichtenberch (Mechteld 
van) zie B o e c o p. 

Lieffrinck plaatsnijder 153 

Liefhebberij tooneelgezelschappen 179 



Lier (Schoeman en van)... 193 

Lier (teekening van) 151 

Lievens 172 

Lievensz(Jan) 51 

L i p p e (graaf v a n d e r) 72 

L i o n TF r a n c o i s) muzikant. . . 1 78 

L i o n (M a j a) operazanger 256 

Litterarum Amicorum Series J. Ca- 

beljavii, 38 

L o b é (operazangeres) 244, 246 

Lockhorst (Pieter Wou- 

terszvan) 137 

Lodewijk Napole&n 246, 

257. 258 

L o e n (R&etsheer) 146 

Lombardus(L amber t) schil- 
der 148 

L o o (v a n) 63 

Loon (Hans van) portret van 

3, 10, 16 

Loon (Lieven van) 10 

Loon (Jhr. W. van).... 3, 10, 14 

Looten (Jan) schilder 233 

Lubbertus (Sanderns).... 36 
Lucasz (Jacob) luitenant. ... 19 

Lucas (operazangeres) 183 

Luce (Lucas) schilder 213 

Lutma Hohannes) goudsmid 31 1 

Lutma (Joost) zilversmid 311 

Luttichuys (Simon) schil- 
derij van 82 

Luytsz (Nicolaas) kapitein- 
majoor 52, 53 

Lijnderhuysen (Johannes) 36 
Lijnslager (Philip Frede- 

r i k) dichter 179 

Lyraeus(Justus) 40 

M. 

Macaré (Abraha m) 167 

Machiavelli 100 

Maeler (Ernst) 205, 206 

Maes (Nicolaas) schilder. . . . 305 
Mager (V.) operazanger 189, 190, 

191, 192 
Magistris (Troyanus de) 

advocaat 214, 231 

M a ij e r (operazanger) 189 

M a n c u s i (operazanger) 260 

Mander (Karel van) schil- 
derij enz. van iSOf ^52 

Manege in de Utrechtsche dwars- 
straat 180 

M a n s c h o t (v a n) 266 

Mararacchi (operazanger) .... 261 

M a r a s c h i (operazangeres) 261 

Marcke (C. van) 39 

Margaillon (operazanger) .... 250 
Marichal, microscopenmaker te 

Londen 7^ 

%Iarienburg (Hendrina)... 304 

Marneffe (operazangeres) 252 

Marschner (opera's van) 191 

Martelaer(Dirk Thcunisz.) 17 
M a r t e n (hupsche) teekening. ... 151 
Marteni (Maria) operazan- 
geres 256 

Mart ensz (Albert) I54 

Martin (opera's van) 184 

Martin (operazanger) 244 

M ar t in i (opera van) ... 197 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1887. 



VII 



Martsz de Jonge (schilderij 

van Jan) 81 

Martsz (Reyer) smid 59 

Marquette (wapenkamer van 't hub) 56 

M a s s a c (J.) 244 

Massu(Garsonde) 19 

Mathenesse (Anna van)... loa 
Matthaeus(Antonius). 40, 99 

M a 1 1 h e y (operazangeres) 259 

Maubuis 152 

M a u r i t s (borstbeeld van) 309 

M a u r i t s (Prins) 277, 279, 280 

Mayerhofer (operazangeres) . . 185 

M a z i a (operazanger) 258 

Meckenen(Iraelvan) 154 

Meetkercken (A dolf van). 34 
Me hul (opera's van) 186, 197, 

243, 245, 248 

M e 1 i c h i u s 35 

Mennigeshave bij den Ham 25 

Mercadante (opera's van) 260, 262 
Mercator sapiens ( Casparis Barlaet) 96 
Merck t, (Jacob vander) por- 
tret van 173 

Merken van Solingsche degens 54, 55 
Merken van wapenrustingen.. 52, 53 
M e s r i t z (C. H. v o n) zangeres 

196, 199 

M e t h o r s t (Mr. E.) 141 

M e t i u s 38 

Meulen (vander) portretschil- 
der 71 

M e y e i (operangeres) 1 83 

Meyerbeer (opera's van) 189, 

249, 250, 251 

Meyn (Jan Gerrits z) 4 

Miarteni ^icolo) operadi- 
recteur 255, 256 

Micolino (operazangeres), 192 

Miereveld (schilder) 17, 303 

M i 1 a n o 1 1 o (dames) vioolspeel- 
sters 259 

Miller (Julius) operazanger 

en directeur 186, 187, 189, 192 

Mo eyaert (Claes) schilderij van 64 
Moine (L e) opera's van 197, 

243, 248 
Molenaer (Bartholomeus) 

schilderij van 64 

Molenaer (Bartholomeus) 

schilder 300 

Molen&er (Jan Miense) 

schilder 300 

Molenaer (Klaes) schilder. , . 300 

Molenyser (Franfois) 62 

Molière 248 

Molino III, 114 

M o 1 1 e r (opera's van) 186 

M ö 1 1 e r (operazangeres) 183 

M o l y n (P.J schilder 164 

Mom (Jan) 137 

Mommers (Hendrik) schil- 
der 300 

M o m p e r (teekening van) 152 

Moncassin (operazangeres). , . . 248 
Mondeville (operazanger) .... 248 
Monnickhoffen (kolonel) ... 34 

M ö n s (operazanger) 184 

M o n t a n o (operazangeres) 248 

Monteverde 177 

Montreuil (operazanger) 252 

M o n V e 1 (opera's van) 243 

Mor e el se (Paul).. 10, ii, 16, 17 



Morel (tooneelspeler) 247 

Morin ^operazanger) 244 

Mornay (PhilippeduPlessis) 279 

Moro (Antonio) schilder 148 

Moro (Antony) schilderij van . 64 

Mory (de) 109 

M o s c a (opera's van) 256 

Mostaert 105 

M o s t e r t (den ouden) schilder. . 150 

Mouchelet (operazanger) 252 

Mouchelet (£.) operazanger.. 253 
Moulinneu f (tooneelspeler) 243, 

244, 246, 248, 250 
M o u 1 i n s (orchestdirecteur) .... 252 
Mo z art (opera's van) 181, 183, 
184, 185, 186, 187, 188, 190, 191, 
192, 194, 195, 197,198.245,248, 

256, 257, 258, 262 

Mulheim (E.) zanger 196, 198 

M u 1 h e i m (G.) zangeres 196 

Muller (Catal. van Portr. F.). . . 48 

Muller (Jan) 66 

Muller Qulius) operazanger. 259 
Muller (Marie) operazangeres 194 
Muller (W e n z e 1) opera van. . 197 

Muziekinstrumenten (Oude) 61 

Myle (Adriaan van der)... 105 
Myle (Arnold van der).... loi 
Myle (Cornelis van der) 94, 
105, 107, iio, 112, 113, 114, 

117, 122, 124 

M y n 8 s e n ( J. G.) 244 

Mytens (Daniel) schilder.... 229 
M y t e n s (schildirijen van) 274 

*N. 

N a c h o n (operadirecteur) 245 

N ach tgl as(J ac ob Pietersz) 13 
Nagel (Johannes) schilder . . 148 

Nagel (operazanger) 191 

Narr (Claus) 280 

Nazolini (opera's van) 257 

Neck Cornelisz(Pieter van) 

kapitein 4, 19, 53 

Neer (vander) schilder 233 

N e e s 8 e (C. G.) 184 

Nes (Frans van) 19 

N e s (H a n s V a n) 19 

Nes (Jasper van) 19 

N e s t r o y (operazanger) 187 

Netscher (Alexander) 264, 

265, 266, 270, 274 
Netscher (Alexandria)... 264 
Netscher (Antonie) 264, 266, 274 
Netscher Jr. (Gaspar) 264, 

265, 267 
Netscher (Gaspar) schilder 

263, seq. 
Netscher (Gonstant ij n) schil- 
der 264, 265, 266, 267, 274 

Netscher (Everhardus) 264, 

265, 266 
Netscher (Isabelle Ama- 
rant e) 264, 265, 266, 274 

Netscher (Johannes) 264, 

265, 266 
Netscher (j uliana) 264, 265, 

266, 274 
Netscher (Rachel) 264, 265, 

266, 274 
Netscher (Theodorus) schil- 
der 264, 265, 266, 267 274 



Neumeyer (operazai^er) 186 

Neureuther (operazangeres) . . 192 

Neve(Francoisde) 4 

Neyts (Toussaint) opera's 

van 179 

Nicasius(Lenart). 131, 133, 134 

N i c o 1 o (opera's van) 248 

Niendalius (Johannes)... 95 
Nïeuwland (Adriaen van). 21 
Nieuwland(Jacobvan)... 5 

N i e u 1 a n t (schilderij van) 81 

Nisters (Andries) i>'2 

N o o m s (capitein Simon Wil- 

lemsz).....p 4 

N o o t e n (S. v a n^ 162 

N o o r d t (P. van) schilder 300 

N o.u elle (Pierre) meester- 
knecht harnasmaker 57 

Nourrit (August e) 249 

N o n r r i t (operazanger) 190 

Noyrigat (operazanger) 248 

Nuckle bij Bremen (landgoed) 39, 41 

Nu te r (Lud w ig) 178 

Ny po o r t (J o anne s vander) 40 

O. 

Oizelius (Jacobus) 43 

1 i s (Jan) schilder 47 

1 i s (Jan) schilderij van 64 

Olivier (Isaac) schilder. 148, 152 
Olthoff (He rman) majoor 53, 54 

Olycan (Nicolaas) 170 

Ommeren (Henrick van) 

137, 138. 139, 140 
Onderwater TH.) 49 

Onderwater (Pieter) 49 

Ooms (S i m o n 1 s) 305 

Oosterwyck (Maria van) 

schilderes 300 

Oost-Friesland (Prins en Prinses) 

Portret v^n 271 

Opera te Amsterdam (de)... 177, seq. 

Opera (Hoogduitsche) 181 

Operaloods in de Diemermeer. . . . 178 
Operatent aan de Bergervaarders- 

kamer 178 

Operatent aan den Overtoomschen 

weg 178 

Operavoorstellingen te Buiksloot.. 178 
Oranje (princes van) portret van.. 271 
Osborn (Gonstantijn) ba- 

leinverkoopcr 311 

Osborn (John) baleinwerker 

309, seq. 
Osborn (Richard) baleinwer- 
ker 310 

Ostade (Adriaen van) schil- 
der 65 

1 1 o (operazanger) 191 

Oudshoorn (E woud Claesz 

van) 220 

Outerff (Henrick van).... 137 
Over den sesden Psalm door P o- 

lyander 38 

Overbeke 151, I54 

Overbeke (Catharina) lOi 

Overbeke (Matthias). 101,105 
Overlander(Volckert)... 13 
Oxensticrna (Axel).... 37, 38 
Oxenstiern (Johannes) 102, 

104, iio, 125 



vni 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1887. 



P. 

Paer (opera's van) 186, 187,197, 258 
Paesiello (opera's van) 179, 196, 

197, 243. 255 
Pae ts 105 

Paets (Adriaen) 222 

Palamedesz (schilder) 234 

P a 1 m a (teekening van) 151 

P a 1 1 o D i (operazanger) 261 

Paludanus (Dr. Bernhard) 

portret van 171 

P a m p i s (Mr. P i e t e r) clave- 

cimbelmaker 72 

Pancras (Gerbrand) 42 

P a p p e 1 (operazanger) 183, 185 

Pappenheim 98 

Parmensis 152, 154 

Pathenine zie Trello(Lu- 

cretia van) 

P a s q u é (operazanger) 194 

P atenie r (Jo ach i m) 153 

Paul ij n (Horatius) schilder 

175» 176 
Pauw, pensionaris van Amsterdam 152 

P a V e s i (operazanger) 262 

P a y e r (H.) kapelmeester 189 

Penasse (Gaspar) 31 

Perroni (Mevr.) operazangeres. 258 

P e r s i a n i (operazangeres) 262 

Pers ij n (Nicolaas van) . 296 

Pers ij n (Clara van) 277, 278, 282 
P e r s ij n (wed. van den Raadsheer) 

49, 50 
Pertisanen 55 

Pescarengis (Cosmo de).. 33 

P e t i p a (operazangeres) 252 

Pfeiffer (F. J.) decoratieschilder 

182, 186 

Philidor (opera van) 196 

Philippe (physicien) 259 

P i c a r d (opera's van) 245 

P i c as s o (A n toni o) operazanger 261 

P i c c i n i (opera's van) 183, 248 

Pieken of speren 55 

Pieneman (kunstschilder) ... 5, 60 
Pier ^de Jonge) schilderij van.. 150 

pier (Lange) keuken van 1 50 

Pietersz (Aert) schilder 4, 7, 

9, 18, 19, 20 
Pietersz (Aert) schilderij van 64 
Pietersz (Cornelis) wapen- 
smid 57, 58 

Pietersz (Jacob) 146 

Pietersz (L amber t) 8 

Pietersz alias jonge lange Pier 

(P i e t e r) schilder 17 

P i 11 w i t z (operazanger) 188 

P i 1 o 1 1 i operazanger 178 

Pinas (Annetge Simons)... 236 
Pinas (Jan) schilder 172, 234, 

235, 236, 238 

Pinas (schilderij van) 81 

P i s c h e k (operazanger) 194 

Pistolen 59 

Pistor te Smalkalden (T. W.) 

geweermaker 58 

Plancque (operazanger) 253 

P lo os v an Amstel (kunstkooper) 84 

Ploos 112, 114 

Pluym (Dominicus vander) 222 
Pluympot (Petronella).... 34 
Podt (Gerrit Gerritsz).... 304 



Poel (Egbert vander) schilder 3CX) 
Poelenburg (schilderij van) . . 81 

Poemata Barlaei 94 

Poliander (portret van) 1 50 

Polyander 38 

Polidamas (beeldhouwer) 148 

Polidorus 152 

Poll (Jhr. J. S. R. V a n d e) . . . . 9 

Ponchard (operazangeres) 250 

Ponsen (N e e 1 1 g e n) 221, 222 

P on t a nus (Is a ac) 37, 38 

Pontanus (Prof. Johannes 

Isacius) 4i> 94) 99 

Ponteves (H.) 244 

Poppen (luitenant Jacob).... 4 

Porcellis (schilderij van) 154 

P o r c e 1 1 i s (schilder) 221 

Portland (graaf van) portret van 271 
Portretten (F. M u 1 1 e r Catal. van) 48 
Portugal (princes van) portret van 271 
Pot (Claes Hendriks z) ser- 
geant 5, 1 62 

Pot (Hendrik Gerritsz) 

schilder 161, seq. 

Pot alias Oostindie-P o t, schilder 166 

P o n (S t e V e n d e) 47 

Praag (van) zangeres 200 

P r a e g e r (E. A.) zangeres 196 

P r a e g e r Jr. (H.) orchestdirecteur 196 
PraegerfJ.) orchestdirecteur.. 196 

P r a e g e r (O. ) operazanger 199 

P r a d h i e r (operazangeres) 250 

Preekstoel in de Ni^we Kerk te 

Amst 75, 82, 84 

Preekstoel (Afbeelding van die) . . 85 
Pretti-Chaix (operazangeres) . . 254 

Princenhof te Haarlem 164 

Prins fBarent Willemsz).. 5 
Pucitta (Agnese) operazan- 
geres 256 

Pucitta (Vincenzo) kapel- 
meester •. . . 256 

Pucitta (opera's van) 256 

Puteanus (Erycius)... 100, 114 
Puteanus (Justus Caeci- 

lius) 37, 38 

Puth (Jan Jansz) 224 

Q. 

Quyckelbergh (Susanna). 34 
Quellien (buste van) 16 

R. 

R a a V e n s (de heer) te Rotterdam 69 

R acine 249 

R a e p (capitein Adriaen Pie- 

te rsz.) 4 

R a e p (W illem Adriaen z.). 5 
Rafael (prent van) 151, 152,153, 154 
Rahnenberg (operadirecteur)... 193 
Raimondi (Marcus Ant.) 153, 154 

Rasé (Jacques) 7 

Ra vel (de hr. en mevr.) 193 

Ravenna (Marcus de) 153 

Ravenstein (Arnoldus van) 267 
Ravestein (Johannes van) 

schilder 303 

Ravenstein (schilderij van)... 267 
Razet zie Rasé (Jacques) 

notaris 
Reael 104, 105 



Reael (portret van) 150 

Regnault (operazangeres) 244 

Reichenstein (operadirecteur) 250 
Rembrandt 51, 149, 176, 212, 

seq. 236, 238, 299, 303 

R e m b r a n t Anatomische les 16 

Rembrandts verwanten (ge- 

slachtslijst) 228 

R em mer s (Aren t) 7 

René (Eugene) operazanger en 

directeur 250, 251, 252, 259 

René (Is ma) operazangeres 252 

Rh ij n (Ad riaen V an) 218, 219, 

220, 221, 222, 223, 224 
Rhijn (Cornelia van) 225,226, 227 
Rhijn (Elizabeth van) 220, 

221, 222, 223, 224 
Rhijn (Gerrit van of van 

den) 219 

Rhijn (H armen Gerritsz. 
van of van den) 219, 220, 

223, 224 

Rhijn (Titus van) 225, 226 

R h ij n (W i 1 1 e m V a n) 218, 220, 

222, 223, 224 

Ricci (opera van) 260 

Ricciardi (operazanger) 261 

Richterenvon Isenau (opera- 
zangeres) ..: 194. 

Ritzler (operazangeres) 187, 188 

Rivetus (Andreas) 38, 39, 40 

Rocca (operazanger) 260 

Roche (operazanger) 250 

Roche (operazangeres) 250 

Rochel (operazanger) 186 

Rodenburg (Har men) kapitein. 53 
Rodenburg d'oude (Herman) 

kapitein -. 53 

Roder (J. C.) boek- en tnuziek- 

handelaar 196, 197 

Rodes (Johannes de) 62 

Rodriges (Salvador) 215 

Roeder (Ferd.) operadirecteur... 192 
Roelandus (Dominé) portret van 8 

Roest (Claes) wapensmid 58 

Roghman (Roeland) schilder.. 300 
R o m a n i (Mevr. S i m o n) opera- 
zangeres 194 

Roobol (Symon Crynsz) kapi- 
tein 53 

Roodenburgh (Jan Beths)... 63 

Rooseboom (portret van) 271 

Ros (Daem van) kapitein 53 

Rosé (operazanger) 253 

RosQjly (Gram mond de) too- 

neelspeler £42 

Rosenberg (acteur) 185 

Rosner (operazanger)... 181, 189, 190 

Rossem (Maarten van) 132, 

Rossi operazanger 262 

Rossi-Caccia (operazangeres; 

260, 261 

Rossi (Gaetano) 256 

Rossini (opera's van) 186, 187, 

188, 190, 191, 248, 249,258,260, 262 
Rotterhamer (teekeningen van). 151 
Rotteveel (Adriaen Jansz.).. 50 

Rous (schilder) 152, 153 

Royenburch (F re de rik).... 209 

Rubbens 170, 209 

Rubbens (schilderij van) 150 

Rubbens (schilderij van) Leauder 
en Hero 214 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1887. 



Rubbi(Laici) operazanger 256, 257 
Rnitenburch (Cornelia 

van den) 31 

Ruse (Hendrik) kapitein 53 

Rustan (I.) 10 

Ratten (J.) kunstschilder 158 

Rnjchaver (Anna) portret 

van 3, 10 

Ruychaver (Maarten Wil- 

lemsz) 15 

Ruychaver (C oionel Nico- 

laas) portret van 14 

Rnychaver (Nicolaas) raads- 
heer 15 

Ruys (Clement Leenertsz) 

221, 223 
Ruysch Adriaansz (Jan) 

144, 145, 146 
Rnysch van Pijlsweert 

(Johan) * 146 

Ruysdael (S al om on) schilder. 164 
Ruyter (Admiraal d c) har- 
nas van 54 

R ij s w ij c k (Dirk van) paarle- 
moerwerkcr 84 

s. 

Sabê (Lucretia) 304 

Sabé (Pieter) 304 

Sabé (Quirinus) 304 

Sacchini (Opera's van) 248 

Sacconi (Angel a) Operazan- 
geres 256 

Sacconi (Lorenzo) operazan- 
ger 256 

Sadler (G.) 151, 153 

S a i n t V a 1 (tooneelspeelster) 242 

Salieri (Opera's van). 184, 186, 197 

Salmasius 38, 43 

Samson (Operazanger) 252 

Sambi X (Felix V an) 8 

San se (Operadirecteur) 253 

Santen. (Frederik Willemsz van) 

277, 281 
S a n t V e e r (A 1 be r t Jacobsz) 

49. 50 
Santvoort (Pieter Dirksz) 7 

S a n t wij c k 145 

Saravia (Prof. Adrianus) 

33» 34 
Sas sa (Operazangeres) 259 

Savery. (Schilder) 164 

Savry (Jacob) plaatsnijder 153 

Savry (Roelant) schilder 149, 

151, 152, 300 

S a w i j e r (E.) 182 

Schaack (Dr. Heurick van) 

I37i 139. 140 
S c h a e p. (Handschrift van) 3, 4, 

7, II, 15 
Schagen (Wed. Jac. van) 234 

Schagen (Willem van) Heer 

van Burghoorn 102 

Schalcken (God f r ie d) schilder 

302, 305 
S ch elli nge r 154 

Schellinger Cornelis) 13 

Schellingh (Pieter Sijmonsz 

van der) 13 

Schemelser (Vr.) operazanger... 253 

Schepel (Dirck C'aesz) 13 

Schiele (operazanger) 187 



Schild (Albert Gerbrandsz) 

provoost 5 

Schilden 56 

Schimmel (Gerrit) wapen- 

smid 57, 58 

Schimmel (Jacob) wapensmid. 58 
Schirmer (Albert) muziekdi- 
recteur 186 

Schirmer (de Heer en Mevrouw) 

operazangers 186, 187 

Schirmer (Charlotte; ope- 
razangeres 186, 187, 189 

Schlegel (operazanger) 183 

Schmidtgen (operazangeres). . . 192 
Schmiedicke (operazanger).. . . 191 

Sch oema n en van L ier 193 

Schon (Marten) 152 

Sch o n aeus 151 

Schönberger Marconi (ope- 
razangeres) 188 

Sch o nek (Dani e 1)... loi, 105. 114 

SchOnitz (operazanger) 183 

Schönmann (operazangeres).. . , 185 
Schoonhoven (Jan van) car- 

meliet 128 

Schooten (Joris van) schilder 

zie Verschoten. 
Schoterbosch (Bregje van) 

9, 10 
Schouten (H. P.j teekenaar.... 85 
S c h r e V e 1 i u s. 38, 112, 149, 

150, 151 
Schrijver (Philip Thijsz.) 4 

Schubauer (Operas van) 183 

S c hucr m ans 154 

Schurman (Anna Maria van) 

48, 102, 103, 107, 115, 119 
Schutterij. (Over de Vaandrigs bij de) 5 
Schutterstuk van schutters met 

doelroers 14 

Schutterstukken in de Handboog 

doelen (lijst der) 4 

Schuttersvaandels 60, 61 

Schtltz (de Hr. en Mevr.) opera- 
zangers ". 186, 187, 190 

S c hu u r m ans (Mar i a) 10 

Schuylcnburg (Johan van) 

muzikant 178 

Schuylincx (Daniël) wapen- 
smid 58 

Schwachhofer (operazangers) 183 
Schwartz (Paul) zendeling.... 255 

Schweitzer (operazanger) 188 

Schijndel (Jelis van) 231 

Scorel (schilderij van) 149, 151 

Scorel (Jan van) 204, 206, 209 

S er i V er i u s 151 

Scriverius (portret van) 171 

Secretarisplaats (verkoopsom van 

een) 69 

Seidler (operazangeres) 192 

Se lm er (operazangeres) 244 

Sesselman (operazanger; 192 

Setje (A. L.) zanger 196 

Seullij ns (Hendrik) 5 

Siebert (operazanger) 191 

Sigrist 182 

Simons (Trowest) wapcn- 

snijder 311 

S im onsz (W i 11e m) 4 

Sla dus (Marcellus) 36 

SI ad us 38 

S 1 e d n i s k y (portret van kolonel) 271 



S mits i: 

Snoek (Andries) acteur i^ 

Snoek (Helen a) actrice 18 

Soest (Hendrik van) 3^ 

Solangre (portret van) 271 

Soligni (operazanger) 242 

Solms (Amalia van) 309 

Sons (zanger) 200 

Someren (Ber nard van) 213 

Soop (Floris) 52 

Soop Hendriksz(Jan) 53 

Soop Jansz. (Jan) Kapitein. 52, 53 
Spelt (Nicolaas van de Leur 

alias Kaptein) 53 

Speren of Pieken 55 

Spiegel (Outger Pietersz). 19 

Spinhuissteeg 93 

Spliethof 182 

S p 1 i n t e r (schilder) 238 

Splitgerber (Collectie) 85 

Spitgerber (David) 182, 185 

Splitgerber (D. C.) 193 

S p o h r (Operas van) 186, 188, 189, 190 

Spontini (operas van).i 186, 192 

Sponton (of halve piek). 55 

S praeckel (Jurriaen) hologemaker 139 

Sprong (Willem) kapitein 53 

Stadnitski (P. C.) 254 

Stadssoldaten 52 

Stager (operazanger) 191 

S te en winkel 195 

Steenwyck ( Juflfr. van) schilde- 
res 81 

Stefanini (Matte o) opera- 
zanger 256, 257 

Steger (operazanger) 194 

Stehle (Mathilde) operazan- 
geres 190 

Steinert (operazangeres) 187 

S t einov en (H end r ik) 7 

Steinsberg (C. R.) operadi- 
recteur 184 

Sterndorf(Ottilie) operazan- 
geres 194 

Stevens (operazangeres) 250 

Stizzoni (operazangeres) 260 

Stoetz (operazangeres) 250 

Stoffels (He ndrikj e).. 225,226 
Stoll (Franz) operadirecteur ... 192 
S t o 1 1 geb. B O h m (operazange- 
res) 190, 191 

Strada (Octavianus) 154 

Straten (Jacobus van der) 99 

Straeten (Jan van) 146 

Stransky (operazangeres) 254 

Strelitsky (J.) 250 

Strelitsky. (L.) orchestmeester. 250 
Strinasacchi. (Ambrogetti.) ope- 
razangeres 257 

Struyvenberg. (Barthole- 

m^us van) 141 

Studentenleven te Leiden 1619.... 35 

Stam er (operazanger) 187 

Stuurman (Barend) wijn- 

kooper 

Sussmayer (operas van) 

186, 197 

Sutton (Artur) 311 

Suyderhoeff, (plaatsnijder) 165, 172 
Suythoff. (Cornelis) schil- 
der 227 

Suythoff. (Hendrik) 227 

Suythoff. (Rembraiid»^